Biologie van de karper

De karper kun je zonder probleem onderscheiden van 'Karperneven' als de kroeskarper en de graskarper. De karper heeft namelijk twee bekdraden in de hoeken van de bek. De van boven hol lopende rugvin is een ander houvast voor de herkenning. Er bestaan veel variaties in het beschubbings patroon van de karper. Bekend zijn de schubkarper, de spiegelkarper, de minder algemene naaktkarper en de rijenkarper. Net als zijn enkele kleurvormen (bijvoorbeeld de goudkarper en de Koikarper) zijn al deze karpertypen ontstaan door het kweken uit de 'oerkarper' Cyprinus carpio.

    Iets over zijn oorsprong

Het staat vrijwel vast dat deze vissoort door menselijk toedoen vanuit het oosten (gebied rond Zwarte Zee en Kaspische Zee) via de Donaulanden naar onze Europese contreien is overgebracht. Rond het begin van de jaartelling brachten de Romeinen de stamvader van de huidige karperrassen vanuit het stroomgebied van de Donau naar Italië. De onderdanen van Julius Caesar wisten als culinaire fijnproevers de karper op waarde te schatten. Monniken kwamen er in de eeuwen daarna achter dat de karper uitstekend gekweekt kon worden in vijvers en prima bron van voedsel was op de vastendagen. Zij waren het die de vis samen met het christelijk geloof een grote verspreiding over Europa gaven. Met zekerheid vanaf de 14e eeuw kwam de karper ook in ons land in kloostervijvers voor. Verwilderde nakomelingen van daaruit ontsnapte karpers worden wilde of boerenkarpers genoemd. In de loop van deze eeuw werd de karper niet langer zuiver en alleen als vis voor de pan gezien, maar werd ook steeds interessanter voor de hengelsport. Karper is in elk geval een vissoort die sindsdien meer dan andere vissen door de mens geholpen moest worden, opdat hij in onze koelere wateren zou gedijen. Ook al zijn er wildvormen in Europa die zichzelf in bepaalde streken en in geringe aantallen best in stand kunnen houden.
De oorspronkelijke wilde karper is een zelfstandige vissoort, wetenschappelijk bekend als Cyprinus carpio L., welke in diverse stroomgebieden van Oost-Europa en Midden-Azië voorkomt en bijvoorbeeld in de delta van de Donau en andere op de Zwarte Zee uitmondende rivieren één der belangrijkste vissoorten is. Uit deze wilde karper zijn door toedoen van de mens de diverse 'gedomesticeerde' (= tot 'huisdier' gemaakte) karperstammen ontwikkeld. Aanvankelijk nog in hoofd- zaak als volledige beschubde 'edelkarper', maar naderhand, gebruik maken van toevallig optredende 'mutaties' (= veranderingen in het erfelijk materiaal). Systematisch genetisch onderzoek (genetica = erfelijkheidsleer) heeft aan het licht gebracht dat er vier van deze beschubbingstypen bestaan, te weten : 1. schubkarper 2. spiegelkarper 3. rijenkarper 4. naaktkarper

    Waar kunnen we karpers vinden ?

Karper is een liefhebber van water met een hogere temperatuur. En omdat de watertemperatuur afhankelijk is van factoren als jaargetijde, weersomstandigheden, vorm en diepte van het water en de aanwezigheid van waterplanten, bepalen die in hoge mate waar de karper zich in het viswater zal ophouden.

     Winterperiode

In de herfst trekt de karper naar de diepere plekken van ons viswater. De vissen verzamelen zich op die plekken omdat het daar nog het warmst is. De karpers zijn in de winterperiode door de lage watertemperatuur meestal weinig actief en eten ook maar 'mondjesmaat'. Ze blijven de gehele winter op deze diepere plekken, tot in het voorjaar de temperatuur begint op te lopen. Dan begint de paaitrek naar ondiepere begroeide gedeelten van het water. Ook na de paai blijft de karper graag in water met planten. In de buurt van rietkragen, bedden van waterlelie en gele plomp zoekt de karper naar voedsel. Maar ook obstakels in het water, zoals omgevallen bomen, houten beschoeiingen en meerpalen trekken de karper aan.

     Zomerperiode

In de zomerperiode is de karper een actieve vis. Hij kan dan per dag flinke afstanden afleggen. Dit in tegenstelling tot zijn vrij passieve gedrag in de winter. Karper zwemt in de zomerperiode vrij- wel nooit alleen. Meestal verplaatst de vis zich in kleine groepjes. Bij stil, warm weer vertoeft de karper vaak vlak onder het wateroppervlak. Karpers zijn van nature meestal erg schuw en vluchten weg bij elke onnatuurlijke beweging of lawaai in en langs het water. Alleen tijdens de paai laat de karper die aangeboren voorzichtigheid varen. Maar zodra die periode is afgesloten mijdt de karper weer de plekken waar het hem te onrustig is.

     Het voedsel van de karper

Op het menu van de karper staat een grote variatie aan voedsel. Maar hij heeft een voorkeur voor allerhande diertjes die op de bodem rondzwemmen of -kruipen. Jonge karpers beginnen hun eerste maal- tijden met plankton, maar schakelen na verloop van tijd over op wat "steviger kost", zoals insektenlarven. Ook grotere karpers eten graag plankton en insekten- larven, maar vullen een dergelijke maal- tijd graag aan met wormpjes en slakken. Is er niet voldoende van dit voedsel beschikbaar, dan eet de karper ook wel zachte waterplanten.

     Eetgedrag

De karper zoekt zijn voedsel met behulp van zijn reuk- en smaakzintuigen. Het reukzintuig vertelt de vis op welke plaat- sen voedsel te vinden is. Met zijn uitstulpbare, onderstandige bek zuigt hij steeds een hap bodemmateriaal op. Vervolgens proeft hij met zijn smaakzintuig of er ook eetbare bestanddelen in zit- ten. Dat zintuig wordt gevormd door een groot aantal zogenaamde 'smaakknoppen', die zich op de vier draden aan de bek, op de lippen, maar ook in de bek en in de keelholte bevinden. Niet eetbare restanten spuwt de karper weer uit of worden via de kieuwen weer naar buiten 'geblazen'. Dat opzuigen en weer uitspuwen van het vaak zachte bodemmateriaal heeft tot gevolg dat het water op die plaatsen troebel wordt. In water waarin veel karpers rondzwemmen kan zelfs zoveel vertroebeling optreden dat het zonlicht niet ver in het water kan doordringen en de groei van waterplanten erdoor wordt afgeremd. Vissen die gesteld zijn op helder water, zoals de snoek en de ruisvoorn, moeten dan het veld ruimen.

     Dressuur

Het is een bekend verschijnsel dat waar veel op karper wordt gevist, de vangsten in de loop van het seizoen afnemen. Als geen andere vis stoot de karper zich geen twee keer aan dezelfde steen : hij laat zich dan ook steeds moeilijker vangen. Een gedrag dat dressuur wordt genoemd.

 

Paul Alferink Laatste wijzigingen 19/01/01

Hosted by www.Geocities.ws

1