Ogham
Ogham
is een oud bomenalfabet. Het wordt
toegeschreven aan de late Kelten. Met 'late' bedoel ik de Kelten die leefden in
Ierland, en misschien in Wales, enkele eeuwen na de
christelijke jaartelling. Er zijn in Ierland heel wat rechtopstaande stenen gevonden,
daterend uit de derde/vierde eeuw na Christus, met Ogham-inscripties. Deze stenen dienden wellicht als
landmarkeringen, daar de Kelten erg feodaal ingesteld waren (een eigenschap die
nog gedurende de hele middeleeuwen het Europese politiekgeografisch beeld zal
beheersen).
Algemeen
wordt aangenomen dat elk karakter van het Ogham-alfabet in betrekking staat tot
een boom. Het gaat dan over twintig
verschillende bomen of struiken, daar we over twintig karakters
beschikken. Vijf andere karakters zijn
veel later toegevoegd, met het oogpunt het Ogham-systeem als orakelsysteem te
gebruiken.
Hoewel
er zo'n 1500 verschillende Ogham-systemen bekend zijn, vinden we toch over het
algemeen dezelfde bomen terug. Elke
boom is verbonden met een klank, een letter, een 'feeling', die aangeduid wordt
door een verticale streep, met dwarsstreepjes naar links, rechts, horizontaal
naar beide kanten of schuin de verticale streep doorkruisend. Er zijn in de late middeleeuwen teksten
geschreven in Ogham, en het zou ook niet verwonderlijk zijn indien de Barden,
de Keltische poëten en kunstenaars, het Ogham ook gebruikt zouden hebben als
een soort van gebarentaal, waar de neus of de opgestoken hand als verticale
lijn dienst deed.
Ook
wordt er wel geopperd dat het Ogham-schrift gekoppeld zou zijn aan een soort
van bomenkalender. Hier is echter geen
enkel bewijs van. De oudst bekende
Keltische kalender dateert van juist voor onze jaartelling. Het gaat hier om de zogenaamde
Coligny-kalender, en deze is gegraveerd in brons met Romeinse cijfers en
letters, maar in een Gallisch-Keltische taal geschreven. Dat velen toch halsstarrig vasthouden aan
een Keltische bomen-ogham-kalender, hebben we te danken aan Robert Graves,
schrijver van 'The White Goddess'. Of
de Kelten ook daadwerkelijk gebruik maakten van deze kalender, of een
soortgelijke, laat ik in het midden.
Maar graag wil ik hier even Philip Carr-Gomm citeren in zijn boek 'De
Druïden, de herleving van een traditie':
Er
bestaat een levendige controverse over de vraag of de Ogham werkelijk als
kalender werd gebruikt door iedere boom en iedere letter van het alfabet aan
een maanmaand te koppelen, zoals Robert Graves veronderstelde. Hoewel het van belang is om op de hoogte te
zijn van deze controverse, is het ook belangrijk te begrijpen dat de ideeën van
de druïden zich ontwikkeld hebben en dat wanneer zij in 500 v. Chr. deze
koppeling dan misschien niet maakten, zij dat nu wel doen - was het een bedenksel
van Robert Graves, dan handelde hij toen hij dat bedacht als een druïde, of,
met andere woorden, hij was toen bezield.
Alle dingen moeten nu eenmaal door iemand uitgevonden of uit de
onzichtbare wereld 'ontvangen' worden, en dat hij of zij dat doet in 1948 na
Chr. in plaats van 1948 voor Chr. is uiteindelijk onbelangrijk voor degene die
het gedachtegoed van de druïden als een levend systeem wenst te gebruiken in
tegenstelling tot degene die de oorsprong ervan louter uit zuiver academische
overwegingen wil gaan bestuderen.
En
bij deze overweging sluit ik me honderd procent aan. Ik wil U dan ook niet verder vervelen met academische of
wetenschappelijke argumenten omtrent Ogham, liever wil ik U meenemen op een
reis, een reis door de bomen van het Keltische bos.
Een reis door het Keltische
bos
Allereerst
wil ik U het systeem waarmee ikzelf werk even toelichten. In het overaanbod aan Ogham-systemen moet je
nu eenmaal een keuze maken, een keuze die bij je past op intuïtief gebied. Daarmee is eigenlijk grotendeels alles
gezegd i.v.m. het zogenaamde 'juiste' systeem.
Dit juiste systeem bestaat gewoonweg niet, het is aan ieder van ons te
ontdekken welk systeem we willen gebruiken.
Ikzelf
dus, gebruik het systeem Beith-Luis-Fearn.
Dit is zowat het bekendste systeem na Beith-Luis-Nion. Nion staat voor Es, Fearn voor Els. Volgens mijn intuïtie moet Nion als hoogste
boom van de vijf eerste ogham-bomen beschouwd worden, en niet Saille (Wilg)
zoals in het Beith-Luis-Nion systeem.
Maar, zoals ik al zei: geen enkele waarheid is DE waarheid in het geval
van Ogham. Voor mij voelt het gewoon zo
aan.
Het Alfabet,
of beter gezegd:
Mijn Alfabet
Beith Berk
Luis Lijsterbes
Fearn Els
Saille Wilg
Nion Es
Huath Meidoorn
Duir Eik
Tinne Hulst
Coll Hazelaar
Quiert Appelaar
Muin Wijnstok
Gort Klimop
nGetal Linde
Straiph Sleedoorn
Ruis Vlier
Ailm Spar
Onn Gaspeldoorn
Ur Heide
Eadhadh Ratelpopulier
Idhadh Taxus
Kan je door de bomen het bos
nog zien?
Voor
ik elke boom afzonderlijk ga bespreken, zou ik graag eerst een beetje uitleg
willen geven over hoe een bos eigenlijk ontstaat. Het bos als volwaardig, zichzelf onderhoudend ecosysteem, is de
verwezenlijking van een evolutie, die begint met, hoe kan het ook anders, het
ontbreken van bos.
Als
we een moerasgebied, dat afgesneden is van verdere inwerking door rivieren of
getijden laten betijen, dan wordt dat gebied op de lange duur een bos. Een meander van een rivier bv. kan zich in
de loop der tijd verplaatsen, en laat dan een moerassige streek over, met
poelen en kreken, en gebieden die gedurende een tijd van het jaar onder water
staan. Hier vestigen zich in eerste
instantie waterplanten. Zij groeien en
tieren welig in het stilstaande water, een ideale biotoop creërend voor
allerhande waterdieren en amfibieën.
Door het jaarlijkse afsterven van die waterplanten ontstaat er hoe
langer hoe meer humus op de bodem, waardoor de watermassa afneemt, tot er enkel
drassige grond overblijft, waar riet en dotterbloem zich kunnen vestigen. Ook riet sterft elk jaar af, en vormt weer
meer en meer humus, vruchtbare grond, die door de opeenvolgende lagen van
vegetatief afval meer en meer de geschikte omstandigheden schept voor het verschijnen
van de eerste bomen.
De
Berk, pioniersboom bij uitstek, zal zich wellicht als eerste vestigen op de
minst drassige gebieden, al vlug gevolgd door de Lijsterbes. Op plaatsen waar het water langere tijd
blijft staan, vershijnt de Els. En aan
de rand van overgebleven kreken en plassen, dikwijls met de wortels half in het
water, kunnen we de eerste Wilgen begroeten, kort erna gevolgd door de Es. Essen zul je trouwens dikwijls opmerken aan
de randen van grote waterpartijen.
De
Berk en de Wilg echter, zuigen veel water weg uit de bodem, water dat verdampt
door de bladeren van de bomen. Deze
bladeren vallen ook weer elke herfst af, waardoor de grond vaster en droger
wordt, maar ook rijker door humusvorming van de gevallen bladeren. Stormen en het natuurlijke afsterven van de
bomen (Berken en Wilgen leven niet zo heel lang, in vergelijking met Eiken),
zorgen ervoor dat er open plekken in het door witte Berkenstammen gesierde bos
ontstaan.
En
daarop wachtte de Eik. Geflankeerd door
sierlijke meidoorns rukt de eik op in het voor hem voorbereidde bos. Op open plaatsjes en langs overgebleven
kreken vestigt zich de Hazelaar, en op de donkerste plaatsjes in het Eikenbos
vecht de Hulst voor een streepje licht.
Berken en Wilgen zijn nu bijna volledig verdwenen, op enkele volhardende
eenlingen na. Maar de Lijsterbes
handhaaft zich nog wel, langs de kant van het bos, langs door de mens
aangelegde wegen en op open plekken, ontstaan door het omvallen van oude
eiken. Langs zonnige heuvelruggen en
kale rotswanden, waar toch geen andere boom kan groeien, bloeit in het vroege
voorjaar de Sleedoorn met een wolk van witte, lieflijke bloempjes. In het najaar zorgt hij voor een festijn van
kleine zure besjes, waar heel wat vogels verzot op zijn. En Klimop en Kamperfoelie maken gretig
gebruik van de ruwe Eikenstammen om zich naar het zonlicht te slingeren.
Het
bos is ondertussen een volwaardig ecosysteem geworden. In een Eikenbos is het aantal organismen,
gaande van microben tot vogels en zoogdieren, het grootst.
Maar…
toen kwam de mens. Als hij in het begin
dan leefde van de pluk en de jacht, zal hij aan het bos niet veel schade hebben
toegericht, buiten misschien het gebruik van gevallen bomen om zich te
verwarmen op koude dagen. Toen de mens
zich echter ging vestigen, en zich meer en meer als veehouder ging gedragen dan
als jager-verzamelaar, ging hij drastisch ingrijpen in het landschap, dat we
ons nu alleen nog kunnen voorstellen als het oorspronkelijke 'oerbos'.
Om
zijn schapen en geiten, en later koeien en paarden, en zichzelf te huisvesten
(nu hij niet meer als jager rondtrok), kapte hij heel wat bomen die als
constructiemateriaal gingen dienen. Ook
had hij meer hout nodig om zich te verwarmen en/of zijn voedsel te bereiden,
voedsel dat meer en meer ging bestaan uit dierlijke produkten van zijn eigen
veestapel. En ook het vee moest
eten. Schapen en koeien grazen niet
graag in bossen, dus werd een deel van het bos gekapt om plaatst te maken voor
weilanden. Lang niet overal lukte het
om mooie groene weiden te creëren. Op
plaatsen waar de oorspronkelijke moerasbodem, bestaande uit veenmos, zich vrij
ondiep bevond, ontstond een eerder schraal landschap, dat al vlug werk
ingenomen door dorre grassoorten zoals het pijpenstrootje, en kleine kruipende
heerstertjes zoals Heide en Dopheide.
Op die manier ontstond het landschap dat we nu, omwille van het er veel
voorkomende gelijknamige plantje, de 'heide' noemen. Een voordeel voor de daar levende mensen was wel dat geiten en
schapen niet zo erg kieskeurig zijn, en genoegen nemen met het pijpenstrootje
en de heideplantjes. Bijkomend voordeel
was dat het tot turf vergane veenmos gebruikt kon worden als brandstof en zelfs
als bouwmateriaal (nu er in de streek nog weinig bomen groeiden) Door het uitgraven van de turf, ontstonden
de zogenaamde 'vennen', leegtes waar het regenwater bleef staan, tegengehouden
door de water-ondoorlatende turf. Maar
dat regenwater, kreeg al vlug een hoge zuurtegraad, omwille van die turf, waar
weinige dieren in konden leven. Maar al
vlug begonnen allerlei planten zich in de buurt of zelfs IN de vennen te
vestigen, denk maar aan de vleesetende Zonnedauw, en aan het heerlijk ruikende
struikje Gagel. Op de drogere gebieden
van de ontstane heide vestigde de Berk zich terug als pioniersboom, ditmaal
niet gevolgd door de Wilg, maar eerder door naaldbomen zoals de Spar, en vooral
de Den die ondertussen door de mens ge-importeerd was. De snelgroeiende Den was al vlug een mooi
alternatief voor de eerder trage Eik.
De rechte, dunne stammen waren ideaal bouwhout, en met de dennekegels
kon men vuur aanmaken.
De
natuur stond ondertussen natuurlijk ook niet stil, en daar waar de
omstandigheden goed waren, introduceerde de Jeneverbes zichzelf. Op plaatsen waar de Berken de grond
aanzienlijk hadden verbeterd, zagen we de Eik opnieuw verschijnen, en ook de
Lijsterbes en de Hazelaar waren opnieuw
van de partij. Heden ten dage houden we
de heide kunstmatig in tact. Grappig
eigenlijk: een kunstmatig landschap dat nu kunstmatig moet worden onderhouden,
anders neemt de natuur het gewoon terug in zijn oorspronkelijke vorm: het
oerbos.
En
hiermee zijn we zo'n beetje rond wat betreft het ontstaan van het bos.
En
net zoals een natuurlijk landschap evolueert van onontgonnen moeras naar een
volwaardig, op zichzelf bestaand oerbos, zo ook evolueert de menselijke
geest. Het Keltische Boom-alfabet
bewoordt deze evolutie symbolisch, zoals een ladder, waarvan elke trede
voorgesteld wordt als een boom. Een
evolutie, beginnend bij de Berk, het 'begin', en eindigend bij de Taxus, de
'dood', maar ook de 'wedergeboorte' en het 'eeuwige leven' voorstellend.
Knuffel eens een boom
Ten
laatste, en daarna begin ik aan de boomsoorten, is het belangrijk om contact te
maken met bomen, als je ook daadwerkelijk met het ogham-systeem wilt
werken. Nu zullen velen denken: 'contact
met bomen? Hoe kan dat nu?'. Wel, bomen
zijn wel degelijk levende wezens, met hun eigen bewustzijn, hun eigen humeur en
karakter. De beste methode om met een
boom in contact te komen is door hem te omhelzen, of er met je voorhoofd
tegenaan te leunen. Misschien lijkt je
dit nogal gek, of ben je bang om belachelijk over te komen. Wel, kies dan een lokatie of een tijdstip
waarop je zeker bent dat niemand je ziet.
Ga naar de boom toe, leg je handen op zijn stam. Voel hoe die stam aanvoelt, sommige bomen
hebben een gladde schors, andere een ruwe, sommige zijn koud, andere warm. Leg je voorhoofd tegen de stam (en stop die
draaimolen van gedachten in je geest), en luister naar de boom. Heb geduld, bomen leven veel trager dan
wij. Het duurt een tijdje voor de boom
het doorheeft dat er een mens tegen z'n stam geleund staat. Na een tijdje zal je echter wel voelen dat
de boom je opgemerkt heeft. In de
winter, als de bomen in winterslaap zijn, zal dat veel langer duren dan in de
zomer. En wees niet verbaasd een slecht
gehumeurde boom tegen het lijf of stam te lopen. Als het al dagen grauw, koud en winderig is, voelen ze zich niet
ze goed als bij kalm zonnig weer, net als wij trouwens, en zijn ze vlugger op
hun tenen, sorry, hun wortels, getrapt.
Leg
gerust een keer je armen rond zijn stam, vlei je lichaam tegen de boom
aan. Als het weer het toelaat, ga dan
met je blote voeten op de wortels staan.
Het klinkt misschien gek, en velen zullen nu misschien zeggen: die
Perceval, die is compleet krankejorum, maar toch ga je nu op die manier contact
krijgen met de geest, de ziel van de boom.
Enerzijds met de boom individueel, anderszijds met de soort in zijn
geheel. Bomen houden namelijk contact
met elkaar, en met hun soortgenoten.
Als je een beetje helderziend of heldervoelend aangelegd bent, kan je
zelf beelden binnenkrijgen over hoe het landschap waar je staat, er vroeger
uitzag, toen de boom nog jonger was, en zelfs van vóór de boom er was, want
bomen beschikken over een sterk ontwikkeld gemeenschappelijk geheugen. Maar vooral, en daar gaat het om: je gaat de
kracht van de boom voelen, van de boom afzonderlijk, en van de soort in zijn
geheel. En die is voor elke boomsoort anders,
een Berk heeft een andere kracht dan een Eik, en de ene Berk tegen de andere
wil ook nog wel eens een beetje anders zijn.
Als
je op die manier contact hebt met de bomen, zal je ontdekken dat ze een eigen
klank, kleur, gevoel hebben. En daarmee
kan je dan aan het werk d.m.v. het Keltische Ogham-systeem. Dit systeem is niets anders dan het bij elke
boomsoort horende gevoel, kracht, samen te vatten in een simpel teken, een
Ogham-letter.
Bomen
hebben ons veel te vertellen, we kunnen er heel veel van leren. Over onszelf, over onze omgeving, onze
medemensen, en onze mede aardbewoners…
De rest is nog onder constructie