| William Walker geboren 8 mei 1824, Nashville, Tennessee, V.S. gestorven 12 september 1860, Trujillo, Honduras William Walker studeerde op zijn 14e af op de Universiteit van Nashville en behaalde op zijn 19de een academische graad in rechten en medicijnen in Pennsylvania. Hij vertrok naar Europa en studeerde verder in Parijs en Heidelberg. Terug in Amerika verliep zijn carriere echter niet voorspoedig; hij raakte aan lager wal. In 1849 dook hij op als huursoldaat. Begin 1850 maakte hij deel uit van een honderd man tellend huurleger, gefinancierd door een groepering die de slavernij in staat wilde houden. Terug in Amerika werd hij gearresteerd vanwege de schending van het vredesverdrag van 1818. Walkers volgende expeditie naar Nicaragua had twee doelen: Centraal-Amerika het centrum maken van de slavenhandel en het bezetten van Nicaragua. Hij wilde een waterweg maken tussen de Atlantische en Stille Oceaan. Hij werd hierbij financieel gesteund door een groep Amerikaanse zakenlieden. Walker had niet veel moeite met het bezetten van Nicaragua. Na een eerste mislukte poging kreeg hij hulp van de Nicaraguaanse liberalen die net de verkiezingen hadden verloren. Eenmaal aan de macht weigerde hij zijn afspraken met hen na te komen. Hij benoemde zichzelf tot president en herintroduceerde de slavernij. Hij maakte echter een grote fout met het nationaliseren van alle buitenlandse bedrijven, waaronder Vanderbilt. Toen Walker in 1856 Guanacaste (een provincie van Costa Rica) binnenviel, was er al snel een leger van 9.000 vrijwilligers samengestroomd. Het leger bestond uit mannen uit alle lagen van de bevolking, bewapend met oeroude wapens, landbouwwerktuigen en machetes. Dit leger werd financieel gesteund door Vanderbilt. In een twee weken durende mars ploeterde het leger door de hooglanden. Veel kustbewoners waren niet gekleed op deze barre tocht en er kwamen er slechts 2.500 in Guanacaste aan. De strijd tegen Walker werd in 14 minuten beslecht en Walker vluchtte terug naar Nicaragua. Bij het Lago de Nicaragua lukte het Walker om de vlucht tot staan te brengen en nam hij stelling in een houten fort. Juan Santamaria, een boer uit Alajuela, stak het fort in brand. Walker nam wederom de vlucht. Eind 1856 wist het Costaricaanse leger Walker van zijn bevoorradingstroepen af te snijden en gaf hij zich in 1857 over aan een Noordamerikaans oorlogsschip. Toch had Walker nog niet genoeg. Aan het eind van datzelfde jaar keerde hij terug naar Nicaragua, waar hij onmiddellijk gevangen werd genomen. Toen hij vrijkwam zeilde hij naar Honduras, waar de douane hem niet wilde binnenlaten. Hij vroeg bescherming van een Brits oorlogsschip dat voor de kust lag. De kapitein bood hem vrijgeleide naar de V.S., maar Walker hield vol dat hij de president van Honduras was. De Britten zetten hem weer aan land. Daar werd hij onmiddellijk gearresteerd en geexecuteerd door een Hondurees vuurpeloton. Het enige voordeel van deze oorlog was het gevoel van verbroedering dat onder de Middenamerikaanse staten ontstond. Bron: Reishandboek Costa Rica, Arno Luft/Ingeborg Wegter, Elmar |
![]() |
| terug naar La Semana Santa |