| De grensovergangen zijn hilarisch. Bij de eerste moesten we allemaal de bus uit en daar sta je dan. Niemand die een hint geeft wat je waar zou moeten doen, dus liep de hele stoet achter de eerste aan die het leek te weten. Een loket, een strenge dame, een zeer afkeurende blik op paspoort en bijbehorend |
| vermoeden bevestigd. Te ver gelopen. De boer wees verbaasd in de richting waar ik vandaag kwam. De weg terug ging gelukkig voornamelijk bergafwaarts en ik kon twee Franse toeristen ervan weerhouden hetzelfde overbodige stuk omhoog te ploeteren. Uiteindelijk strompelden we door het hek, dat niet aangegeven stond als ingang, en dat er eerlijk gezegd nogal afwerend uitzag met een heleboel prikkeldraad erop. Door de modder, een watertje over en toen stond daar een van de oudste mannetjes die ik ooit gezien heb. Een brilmontuur uit de vijftiger jaren (zijn eerste waarschijnlijk) met matglas erin, maar hij lachte lief met zijn tandenloze mond. Hij leidde ons langs de vier hete bronnen, hij wist het niet precies maar toch zeker wel 40�! en dat in een omgevingstemperatuur die gevoelsmatig maar iets lager lag. Ik vond het mooiste plekje: in de rivier. Tussen een paar grote rotsblokken borrelde het hete water omhoog, reikte je een meter verder, dan was het water koud. Zo kon je een beetje mengen, zegmaar. De perfecte plek. Het visum riep, dus nam ik de bus naar Almirante, aan de Caribische kust. Dat betekende een doorsteek dwars door Panama, een prachtige rit. Jammer genoeg was de bus zo airconditioned dat ik helemaal blauw en stijf was tegen de tijd dat we de plaats van bestemming bereikten. De hitte die je dan tegemoet komt, afgruwelijk. Verslagen zat ik op de boot te wachten die me naar het eiland Bocas del Toro zou brengen. Lekker, de snelheid van de boot was verkoelend. Bocas vond ik niks aan, dus een watertaxi gezocht. Een boomstamkano met buitenboordmotor bracht me naar het volgende eiland, Bastimentos. Daar vond ik een cabina, helemaal aan het eind van de bewoonde wereld. Ik was moe, warm, hongerig, ik voelde me wat eenzaam. Mijn buurman bleek een reddende engel. Of ik van cangreja hield? Ik haalde nietwetend mijn schouders op. Met handen en voeten beeldde hij een eng zeebeest uit. Even later stond hij voor mijn neus met een bord koude krab met een heerlijk sausje van olie, knoflook en citroen. Nee, hij had er al drie op, dus eet maar lekker. Ik aarzelde niet, zulke enorme stukken had ik nog nooit gegeten, een hemelse smaak. Het moet trouwens een reus van een krab geweest zijn, want de poten waren zooo dik. Ze vielen niet te kraken. Paolo adviseerde de scharnierende deur te gebruiken. Dat werkte prima bij de dunne pootjes, maar de dikkere bleken sterker dan de deur (hangt nu scheef in zijn scharnieren). Dan maar een hamer erbij, en Paolo bracht meteen ook een fles wijn mee. Als Italiaan vindt hij wijn een eerste levensbehoefte, ook al kostte een fles daar $15. Het eind van het verhaal is dat we na drie flessen totaal bezopen waren. In het dorp was een feest aan de gang, maar dat heb ik nooit gehaald, ik kon het smalle pad niet belopen. Slaagde er nog net in mijn lenzen uit te doen (ze zaten tenminste de volgende ochtend in hun potje). En ja, van rode wijn krijg ik altijd een massieve kater. De volgende dag heb ik dus NIET gesnorkeld, ik heb GEEN dolfijnen gezien en ik ben NIET de jungle ingegaan. Geen puf. Tegen de middag was mijn gestel weer redelijk in orde toen mijn nieuwe buurvrouw aankwam. Polly was bezig met een update van een reisgids, leuke job, leuke meid ook. Samen vertrokken we de volgende ochtend om zes uur, ik zou meerijden. Ze had haar auto geparkeerd bij de bomberos in Almirante, maar de rechtervoorband bleek plat. Geen probleem, de brandweerlieden verwisselden met hun allen het wiel, hetgeen niet bepaald effici�nt was, maar wel erg vriendelijk. Op naar de grens bij Sixaola, maar die was wat lastig te vinden. De bewegwijzering was net genoeg om ons in totale verwarring te brengen. Uiteindelijk moest de auto de oude spoorlijn oprijden waar de asfaltweg nog een paar meter doorliep om daar dood te lopen. Het spoor leidde naar een oude spoorbrug: de grens. Bij het ene kantoortje de salida stempel, geen probleem. En dan de brug over: een gammele oversteek over losse planken aan weerszijden van de rails, er dwarsdoorheen kon je heel goed de gore rivier eronder zien. Aan de Costaricaanse kant weer een strenge dame die vroeg om mijn retourticket. Zolang je doet alsof je geen Spaans spreekt en niets weet, kom je een heel eind. Zodoende stond ik vrij snel weer buiten met mijn nieuwe visum. Vervolgens werd de auto onderworpen aan fumigacion (besproeiing met insecticide), en ten slotte drugscontrole. Drie stoere jongens met revolvers aan hun zijde stonden in het zwart(!) gekleed uitbundig te zweten in de zinderende hitte. Erg grondig doorzochten ze auto en bagage trouwens niet, we hadden makkelijk allerlei illegale waar mee kunnen brengen. Arme jongens, wat een baan. Verder was het bekend terrein. Nog een paar daagjes Costaricaans strand en dan naar huis met een rood vel. Pas over drie maanden verloopt mijn visum weer... |
| Buurland Panama is leuk. Door het nuttige met het aangename te verenigen, heb ik nu een hele serie stempels in mijn paspoort, waaronder het felbegeerde nieuwe visum voor de komende drie maanden. |
| gezicht, een stempel en zowaar een toetsenbord waarop ze iets inklopte. Dat bleek echter alleen maar de salida te zijn, dat wil zeggen dat ik Costa Rica officieel verlaten had. We doorkruisten een rumoerig stukje niemandsland dat helemaal volgebouwd was met kraampjes, winkeltjes, eettentjes en waartussendoor in alle richtingen stinkende auto's, vrachtwagens en bussen reden, dwars door de krioelende menigte heen. En h��t daar! Ondertussen was de bus uit het gezicht verdwenen, met al mijn bagage erin. Ten slotte een kantoortje, met het opschrift Migracion. Van het ene loket naar het andere, eerst moesten we wachten op de buschauffeur met zijn lijst buitenlanders, die we op het vertrekstation hadden moeten invullen. Vervolgens werden we naar een ander loket gestuurd, maar dat bleek alleen voor de Amerikanen te gelden. Dus wij, een Hollander, een Brit en ik, terug naar loket 1. De strenge meneer wees ons op de voorwaarden: minstens $500 cash op zak �n een retourticket. Geen van beide bezat ik. De Hollandse jongen voor mij was van Guatamala op weg naar Argentinie vice versa, en hij toonde zijn bankpasje en zijn ticket. Waarschijnlijk dacht de lokettist dat ik bij hem hoorde, want mij vroeg hij vervolgens niets. PATS, stempel, ik mocht Panama in. De Amerikanen maakten ze het moeilijker, een heleboel gedoe en $5 om het land in te mogen. Bij het instappen bleken wij, de zes buitenlanders, de enige overgebleven passagiers in de bus. Het mysterie waar de overige 54 gebleven waren, is nooit opgehelderd. Hoewel David, de eerste plaats na de grens, maar een uurtje verderop lag, was de sfeer toch anders dan in Costa Rica. Het wemelde er van in lange, wijde, felgekleurde jurken gehulde indiaanse vrouwtjes, de band van hun tas om het voorhoofd, de last op de rug, en minstens ��n kind aan de hand. Onder de jurk uit piepten kaplaarzen of gympies. Het oude deel van de stad was kleurig en levendig, met allerlei straathandeltjes. Er leken meer oude gebouwen bewaard gebleven, het deed authentieker aan dan menig Costaricaans stadje. Aan de andere kant van het stadscentrum was een totaal ander soort architectuur verrezen. Moderne gebouwen met veel glas, en zonder uitzondering, met hevige airconditioning. Een ander verschil met Costa Rica is het grotere mondelinge machismo van de Panamese man. Na een korte wandeling was ik er zeker van dat mijn naam linda was, zo vaak werd me dat toegevoegd bij het passeren (linda=mooi,knap,etc). Maar volgens mij roepen ze dat tegen alles waar tieten, kont en voldoende vlees aan zit. Het bleef bij kijken, overigens. Ik heb niemand een armklem of kruisschop hoeven toedienen. Het openbaar vervoer in Panama is prima geregeld. Naar alle mogelijk gehuchten rijden minivans, snel, comfortabel en goedkoop. Dus ik met de bus naar Boquete, een plaatsje in de bergen dat bekend is om het jaarlijkse bloemenfestijn en de kwekerijen. Het was net een park. Overal bloeiende struiken, bomen en bloemen. Precies de plek voor mij dus. Omdat ik mijn bergschoenen niet voor niets meegezeuld had, ik aan de wandel. El sendero de los quetzales heette het pad, en zoals de naam suggereerde, zou de schuchtere quetzal (=prachtige vogel) er wellicht te zien zijn. Meer aanmoediging had ik niet nodig. Bergopwaarts in de hitte nadat de minivan me ergens in de middle of nowhere afgezet had. Bij de ingang van het nationale park, kilometers hogerop, verwelkomde de guarda mij verheugd. Zo�n man verveelt zich ook maar de hele dag. Voordat ik het wist glibberde ik achter hem aan een modderig paadje af, rechtstreeks de jungle in. Enkeldiep in de bagger toonde hij me trots �zijn� waterval. Na flink wat geklauter over en onder omgevallen bomen door fluisterde hij me toe dat HIER de quetzal twee dagen geleden gezien was. Stilletjes zaten we een half uur te wachten, maar geen q gezien. Toen bedacht ik me ineens: zit ik hier in een ver bos met een wildvreemde man met een machete van minstens 70 cm lang, wat doe ik hier... Zeker toen hij me vroeg of ik getrouwd was, alleen hier, hoe oud, en of ik wilde zwemmen bij de waterval. Nee dus. Maar hij was eigenlijk alleen maar erg aardig. De volgende ochtend volgde ik een tip op van een medehotelgast: de warmwaterbronnen in Caldera, een dichtbij gelegen dorp. Vlak voordat de buschauffeur me achterliet in een enorme stofwolk, wuifde hij in het vage en zei: lopen. Natuurlijk had ik verzuimd precieze informatie te vragen, en nu zat niets anders meer op dan op weg te gaan. Bij een prachtige rivier, die wild over enorme rotsblokken stroomde, stond een bordje: agua caliente 500 meter. Pakweg drie kwartier later en honderden meters hoger werd mijn |
![]() |
![]() |
| De 'haven' van Almirante geeft toegang tot de eilandengroep Bocas de Toro. |
| Indiaanse vrouw met een kind in de tas op haar rug, de band ervan over haar voorhoofd. |