|
|
|
|
Het is ‘s morgenvroeg en Annie gaat de trein nemen van Bergen naar Voss. Zij heeft een plaats in wagen nr 263, plaats nr 57 bij het raam. Zij heeft 2 zware koffers en een zak voor het fotoapparaat welke ze op een plank bij de deur zet. Zij gaat de wagon binnen maar dan stopt ze. De plaats van Annie is niet vrij. Er zit een jonge man op plaats nr 58 en hij heeft een grote rugzak en veel boeken op Annie’s plaats.Hij kijkt naar haar op. § Zij deze plaatsen bezet? § Nee, niet alle twee. § Welke plaats heb jij dan? § Ik heb de plaats daar bij het raam, plaats nr 57. Welke nummer heb jij? § Ik geen enkele plaats. Wacht een beetje, dan zal ik de rugzak en de boeken op die plaatsen daarover leggen. Hij neemt de rugzak en de boeken weg van de plaats van Annie. § Zo, nu kan je gaan zitten. Geloof jij dat ik op deze plaats kan blijven zitten? § Ja dat is zeker in orde. § Maar jij bent geen Noorse. Ben je een Spaanse of misschien Italiaanse. Hij bent in ieder geval geen Duitse. § Ik ben een Franse. Annie haalt een boek te voorschijn en probeert te lezen. § Lees jij ook Noorse boeken? Welke boek is het? § Het is een misdaadroman van Gunnar Staalesen. Annie toont hem het boek. § Welke boeken lees jij graag? § Alle boeken. Ik wil bibliothecaris worden en nu ga ik naar de hogeschool in Oslo. Ik hou erg van misdaadromans. Welke Noorse auteurs lees jij graag? § Ik hou van het toneelstuk van Ibsen en van de novellen van J.B § Hou je niet van gedichten? § Toch wel, ik lees de gedichten van GJ en JEV. Maar laat mij toch verder lezen in dit boek, het is zo spannend! Annie probeert opnieuw te lezen maar na een tijdje vraagt de jongen. § Welke dag is het vandaag? § Het is Hemelvaartsdag. § Ja maar welke weekdag is het? § Het is donderdag. Hemelvaartsdag valt altijd op een donderdag. § Ja natuurlijk en dan is het overmorgen zaterdag, niet waar? § Zo als je zegt. § Heb je iets te doen? Nu vraag je weer.
|