NENASO Literatuur

JEHOVA ALS BESCHERMER VAN HET ONRECHT

 

We lezen dan de afschuwelijke geschiedenis van Lot en zijn dochters, die zich op bloedschendende wijze aan elkaar vergrijpen. We vragen ons af, wat dit verhaal eigenlijk te maken heeft met Abraham en zijn geslacht en waarom dit voorkomt in de Heilige Schrift, die toch het goede, zedelijke onderwijzen moet? Het kan zelfs niet als waarschuwend voorbeeld dienen, daar Lot, noch zijn zondige dochters gestraft worden en vergenoegd met hun nakomelingen verder leven. Aan het slot van het hoofdstuk (Genesis 19) evenwel wordt ons duidelijk, waarom deze geschiedenis dient. We zien daar, dat als vrucht van deze bloedschande de kinderen Moab en Ammon geboren worden, de stamvaders der Moabieten en Ammonieten. En we begrijpen nu ook, dat dit hele gruwelverhaal slechts daarom bedacht is, om de Moabieten en Ammonieten verachtelijk te maken. Allen moesten zij voorgesteld worden als vruchten van deze bloedschande. Deze rechtschapen volkstammen, die naarstig hun akkers bebouwden en hun vee weidden, deden niemand kwaad, maar de Hebreeërs hadden het voorzien op hun land en hun bezittingen, dus hadden zij een geschikt voorwendsel nodig om het uitplunderen van deze volken een morele achtergrond te verlenen. Daarom moesten deze brave lieden een schandelijke herkomst hebben, opdat zij in een ieders ogen verachtelijk zouden zijn.

 

Het was niet edel van de oude Joden, over hun eerlijke buren zulk een vuige laster rond te strooien. Maar het is tot op heden de handige tactiek der Hebreeërs, ieder, dien zij beroven en in het verderf storten willen, eerst zedelijk in diskrediet te brengen. Daaruit volgt het gunstige rekensommetje, dat Juda met de zelfverrijking en het beroven van anderen altijd nog een zedelijk doel na te streven schijnt.

 

En Jehova geeft aan al deze, en nog veel merkwaardiger dingen, zijn zegen.

 

Zoo verkoppelt Abraham zijn vrouw Sara, die hij voor zijn zuster door laat gaan, aan Abimélech. Het is kennelijk zijn doel zich bij de koning bemind te maken, om invloed op hem te kunnen uitoefenen - het eerste voorbeeld van Esther-politiek, zoals Juda die tot op de huidige dag nog met succes in praktijk brengt. Jehova laat dit alles rustig toe. Om zijn zakenvriend Abraham echter een genoegen te doen, verschijnt bij de argeloze Abimélech in de nacht en doet hem hevig ontstellen, door hem de ware verhouding tussen Abraham en Sara te onthullen. Deze oude koning der heidenen is klaarblijkelijk een hoogstaand en gewetensvol mens, want hij is zeer ontdaan over zijn fout - die toch aan een leugen van Abraham te wijten is. Ofschoon de vorst Sara in het geheel niet beroerd heeft, kwelt zijn geweten hem heftig en verontschuldigt hij zich met nadruk: “Heeft hij zelf mij niet gezegd: Zij is mijn zuster? en zij, ook zij heeft gezegd: Hij is mijn broeder. In oprechtheid mijns harten en in reinheid mijner handen, heb ik dit gedaan.” En tegen Abraham zegt hij: “Wat hebt gij ons gedaan? en wat heb ik tegen u gezondigd, dat gij over mij en over mijn koninkrijk een grote zonde gebracht hebt? gij hebt daden met mij gedaan, die niet zouden gedaan worden.” - En Abraham weet tot zijn verontschuldiging slechts aan te brengen, dat hij meende, dat de mensen van het land slechter waren, dan in werkelijkheid het geval was; hij had gevreesd, dat zij hem om zijn vrouw zouden willen doden, en zo was hij te voren met Sara overeengekomen, om haar overal, waar zij kwamen, voor zijn zuster door te laten gaan. En overigens: wat is liegen?! Ik heb gelogen en ik heb niet gelogen; zoals men verkiest; want zij is mijn vrouw en ook mijn zuster. Zij is de dochter mijns vaders, niet echter mijner moeder, dus mijn stiefzuster.

 

Toen nam de vorst schapen en runderen, ook dienstknechten en dienstmaagden en gaf ze aan Abraham, en hij gaf Sara, zijne huisvrouw, weder. En hij zeide: Zie, mijn land is voor uw aangezicht; woon waar het goed is in uwe ogen.

 

Het komt ons voor, dat deze koning een edeler en eerlijker karakter bezat, dan de bedrieger Abraham, en dat het geenszins het beste deel van de mensheid uit dien tijd is geweest, waarmede Jehova zijn verbond sloot.

 

Jehova is de trouwe helper bij dit minderwaardige spel van Abraham; door zijn dreigingen bewerkt hij, dat Abimélech zo vele geschenken geeft; en als Abraham rijkelijk betaald is, toont Jehova zich dankbaar en zegent de vorst en zijn vrouw met vruchtbaarheid.

 

Ten overvloede moeten we dezelfde geschiedenis nog eens met Izak en zijn vrouw Rebekka beleven eveneens met een koning Abimélech. Ook Izak laat zijn vrouw voor zijn zuster doorgaan en bedriegt zoodoende de Filistijn; en de gewetensvolle Abimélech, bevreesd, dat iemand uit zijn volk zich aan Rebekka vergrepen mocht hebben, beloont dan Izak en verklaart hem haast heilig. “En Abimélech gebood het ganse volk, zeggende: Zo wie deze man of zijn huisvrouw aanroert, zal voorzeker gedood worden!” Waarom deze onderscheiding? Voor een leugen?

 

Er hangt een geheimzinnige betovering om deze verbondsgenoten van Jehova: Eer en rijkdom stromen hun overal in onverdiende mate toe - evenwel altijd op een basis van listig bedrog.

 

En Izak zaaide in datzelve land, en hij vond in datzelve jaar honderd maten; want de HEERE zegende hem. En die man werd groot, ja, hij werd doorgaans groter, totdat hij zeer groot geworden was. En hij had bezitting van schapen, en bezitting van runderen, en groot gezin....” (Genesis 26 : 12, 13).

 

Waarom werd hij beloond? Omdat hij de Filistijnen bedroog?

 

En hoe gewetensvol is ook deze koning der Filistijnen. Reeds enkel de gedachte, dat iemand van zijn volk zich tegenover de vreemde vrouw misdragen zou hebben, bezwaart hem: “....Wat is dit, dat gij ons gedaan hebt? Lichtelijk had een van dit volk bij uw huisvrouw gelegen, zodat gij een schuld over ons zoudt gebracht hebben.” (Genesis 26 : 10).

 

Hoeveel hoger staat het zedelijk bewustzijn van deze heidense volken dan dat van Abraham en Izak, die hun vrouwen verkopen en uitlenen!

 

Daar dit verhaal ons tweemaal gedaan wordt, van de beide stamvaders van Juda, zo moet dit toch wel iets typerends zijn. Het schijnt daarna letterlijk een gewoonte geworden te zijn, dat de oude Hebreeërs met hun vrouwen minnehandel dreven onder de vreemde volkeren, om zich zoodoende voordeel te verschaffen - of al was het alleen maar, om de vreemdelingen moreel naar beneden te halen en als voorwendsel tegen hen te gebruiken. Het is toch gemakkelijk, om iemand na een ongeoorloofde verhouding een strik te spannen, die de schuldige zijn leven lang knevelt. De Hebreeërs laten hun vrouwen de vreemde mannen verleiden, zij spelen dan voor rechter en oefenen de verschrikkelijkste wraak uit - op zijn minst afpersing. Zulk een geval wordt nog uitvoeriger beschreven in het hoofdstuk “Dina en Sichem”. (Genesis 34).

 

En Jehova laat dit alles maar gebeuren en vindt er blijkbaar genoegen in, want hij zegent deze handelingen met rijkdom en macht.

 

Jehova eist ook blinde gehoorzaamheid, slaafse onderworpenheid van zijn verbondgenoten; hij verlangt, dat Abraham zijn kind als offer slacht: “....Neem nu uw zoon, uw enige, dien gij liefhebt, Izak, en ga heen naar het land Moria, en offer hem aldaar tot een brandoffer, op een van de bergen, dien Ik u zeggen zal.” (Genesis 22). - En zonder zich te bedenken gaat Abraham, richt de brandstapel en zet zijn zoon het mes op de keel. Zulk een barbaarsheid is Jehova zeer welgevallig en beloont hij rijkelijk: “....daarom dat gij deze zaak gedaan hebt, en uw zoon, uw enige, niet onthouden hebt; Voorzeker zal Ik u grotelijks zegenen, en uw zaad zeer vermenigvuldigen .... en uw zaad zal de poort zijner vijanden erfelijk bezitten.

 

Een ander getuigenis voor het hoogstaande en edele karakter der volkeren, waaronder Abraham zijn streken uithaalt, vinden we in het Eerste Boek van Mozes (Gen. 23 : 6): “....begraaf uw dode in de keure onzer graven; niemand van ons zal zijn graf voor u weren, dat gij uw dode niet zoudt begraven.” De hoogmoed van de Hebreeër, die noch in leven, noch in de dood iets met andere mensen gemeen wil hebben, gedoogt niet, dat Sara tussen anderen begraven wordt. (Later zullen we uit de talmud nog ervaren, hoe hoog Abraham andere volkeren schat.) Abraham begeert een akker met een spelonk, naast het kerkhof, en wil die voor geld kopen. De eigenaar, de Hethiet Efron zegt echter: “....den akker geef ik u; ook de spelonk, die daarin is, die geef ik u; voor de ogen van de zonen mijns volks geef ik u die; begraaf uw dode.” Abraham staat op een correcte handelstransactie en vraagt naar den prijs. Efron antwoordt: “....een land van vierhonderd sikkelen zilvers, wat is dat tussen mij en tussen u? begraaf slechts uw dode.

 

Wie gaf nu blijk, moreel hoger te staan: de Hebreeër of de Hethiet?

 

Dat er tweeërlei soort mensen in Kanaän woonden, volken van verschillenden aard en ras, daarvan getuigt het verhaal van Ezau en Jacob. Hun moeder, Rebekka, waaruit deze beide zo tegenstrijdige stammen geboren zouden zijn, wordt in het verhaal openlijk voor het land Kanaän in de plaats gesteld: “....Twee volken zijn in uw buik, en twee natiën zullen zich uit uw ingewand van een scheiden; en het ene volk zal sterker zijn dan het andere volk; en de meerdere zal den mindere dienen.” (Genesis 25 : 23).

 

Ezau, de jager en landman, is blond (rossig) en behaard; Jakob daarentegen was glad en hij bleef bij de mensen. Hij ging dus niet op jacht en werkte niet op het veld, maar dreef zijn zaken in stad en dorp. Ezau is identiek aan de stam Edom. Jakob echter is de eigenlijke stamvader der Hebreeërs. Zijn naam dankt hij aan het feit, dat hij na Ezau kwam, hem vasthield. De Heilige Schrift zegt: “....daarna kwam zijn broeder uit, wiens hand Ezau's verzenen hield....” Want Jakob betekent: iemand, die achter een ander aan gaat; het kan ook betekenen, die hem bedriegt. Jakob betekent in het Aramees: schelm, bedrieger. Dat het als zoodanig bedoeld is, blijkt ook uit de schildering van de verhouding tussen Ezau en Jakob. Jakob neemt op een ogenblik, dat Ezau erg hongerig is, de gelegenheid waar, om hem voor wat linzenkooksel zijn eerstgeboorte afhandig te maken, d.w.z. zijn erfrechten, zijn recht op hun vaders have en goed. Zoals alle parabels, moet ook deze figuurlijk opgevat worden, want niemand verkoopt zijn have en goed voor een bord linzensoep. De diepere zin van het verhaal is, dat de stam van Jakob een hongersnood van de Edomieten uitbuit, om zich van hun bezit, voornamelijk echter hun recht van bezit van grond en bodem, te verzekeren - een kunst, die wij bij Jozef weervinden, en die de nazaten van Jakob immers tot op de huldigen dag met goed succes op ontelbare volkeren geoefend hebben. Het is de oude financiële tactiek van grondbelening, die tot op heden nog alle agrarische volkeren ten verderve geworden ia en steeds weer Juda's macht doet opleven.

 

Jakob laat het echter niet bij dit ene bedrog: hij ontsteelt Ezau ook nog de zegen van zijn blinde vader, doordat hij Ezau's kleren aantrekt en zijn eigen gladde huid met dierenvellen bedekt. En Jehova laat dit alles rustig geschieden. Ja, het schijnt zelfs, dat hij er plezier in heeft; hij straft de bedrieger niet, hij beloont hem zelfs.

 

Als Ezau verneemt, dat de zegen, die hem toegedacht was, Jakob ten deel gevallen is “....zo schreeuwde hij met een groten en bitteren schreeuw, gans zeer; en hij zeide tot zijn vader: Zegen mij, ook mij, mijn vader!” Deze antwoordde echter: “Uw broeder is gekomen met bedrog, en heeft uw zegen weggenomen.” Toen sprak Ezau: “Is het niet omdat men zijn naam noemt Jakob, dat hij mij nu twee reizen heeft bedrogen?” (Luther vertaalt: onderdrukken. (Genesis 27)

 

Daar door de zegen van de vader Jakob alle aardse goederen toegewezen zijn, blijft voor Ezau niets anders over dan “de dauw des hemels”. Het lot der idealisten. Met zijn zwaard zal hij zich voeden en zijn broeder dienen. Maar de dauw des hemels van boven brengt klaarheid door waarheid, en als ze de ziel van de bedrogen Ezau volkomen rein gewassen zal hebben, “....doch het zal geschieden, als gij heersen zult, dan zult gij zijn juk van uw hals afrukken.” De dauw wast nu al enige duizenden jaren aan het omnevelde voorhoofd van Ezau, en nog steeds houdt de sluier van bedrog zijn geest gevangen. Toch is misschien de tijd nabij, dat de nevel weg zal trekken en het eerlijke deel van de mensheid weer kracht krijgt, om de leugen te vernietigen en een reiner leven op te bouwen.

 

Jehova is niet vertoornd over al de bedriegerijen van Jakob; hij is hem bijzonder genegen en bekommert zich niet om de eerlijke Ezau. Hij zegt tegen Jakob, als deze naar Laban trekt: “En zie, Ik ben met u, en Ik zal u behoeden overal, waarheen gij trekken zult, en Ik zal u wederbrengen in dit land; want Ik zal u niet verlaten, totdat Ik zal gedaan hebben, hetgeen Ik tot u gesproken heb.” Maar Jakob is een voorzichtig zakenman en wil weten, waar hij aan toe is, voor hij toehapt. Hij stelt zijn voorwaarden; blijkbaar vertrouwt hij de beloften van Jehova niet al te zeer. Hij zegt: “Wanneer God met mij geweest zal zijn, en mij behoed zal hebben op dezen weg, dien ik reize, en mij gegeven zal hebben brood om te eten, en klederen om aan te trekken; En ik ten huize mijns vaders in vrede zal wedergekeerd zijn; zo zal de HEERE mij tot een God zijn!” (Gen. 28). Een erkenning van God onder voorwaarden dus: Geef je mij, dan geef ik jou. Een overeenkomst met God, die op wederzijds voordeel gebaseerd is. Want ook Jehova zal er wel bij varen: hij zal tien procent krijgen van wat hij als agent Jakob in handen speelt:

....en van alles, wat Gij mij geven zult, zal ik U voorzeker de tienden geven!” Een materieel akkoordje met God.

 

Het bedriegen zit echter zo in de familie Sem, dat ook de schoonvader, Laban, deze bijzondere trek niet verloochent. In plaats van de mooie Rachel geeft hij hem de lelijke Lea. Jakob wreekt zich later, door er met veel hocus-pocus, waarbij Jehova hem blijkbaar behulpzaam is, voor te zorgen, dat er nagenoeg enkel gevlekte lammeren komen, die hem alle beloofd zijn. “En die man brak gans zeer uit in menigte, en hij had vele kudden, en dienstmaagden, en dienstknechten, en kemelen, en ezelen.” (Het is een bijzondere fijnheid, die alleen de slimme kinderen van Sem kunnen waarderen, dat de oudtestamentische kroniekschrijver de niet-joodse dienstmaagden en -knechten tussen de schapen en de kamelen plaatst.) (Gen. 30 : 43).

 

Eindelijk merken de kinderen van Laban, dat ze bedrogen zijn: “....Jakob heeft genomen alles, wat onzes vaders was, en van hetgeen, dat onzes vaders was, heeft hij al deze heerlijkheid gemaakt.” (Gen. 31 : 1).

 

Jakob verzekert natuurlijk, dat hij onschuldig is en draait de zaak' om: hij beweert, dat Laban hem bedrogen heeft (alsof men er arm van wordt, als men

anderen bedriegt!) - “....doch God heeft hem niet toegelaten, om mij kwaad te doen. Wanneer hij aldus zeide: De gespikkelde zullen uw loon zijn, zo lammerden al de kudden gespikkelde; en wanneer hij alzo zeide: De gesprenkelde zullen uw loon zijn, zo lammerden al de kudden gesprenkelde. Alzo heeft God uw vader het vee ontrukt, en aan mij gegeven.

 

Zoo helpt Jehova getrouw met afzetten en bedriegen. Een buitengewone God! Is het niet handig, voor elk gemeen zaakje zijn God in het geding te kunnen brengen?

Als nu Laban en zijn familie volkomen uitgeplunderd zijn, breekt Jakob zijn tenten op en trekt weg, waarbij Rachel, de vlugge leerlinge van Jacob, haar vader nog de gouden afgodsbeelden ontsteelt. Maar ook Jehova mengt zich in de affaire; want als Laban de vluchtenden Jakob nazet om hem rekenschap te vragen, verschijnt Jehova des nachts in zijn droom en dreigt: “....Wacht u, dat gij met Jakob spreekt, noch goed, noch kwaad.” Merkwaardig, dat deze Jehova altijd weer partij kiest voor de oneerlijke zijde!

 

Jacob echter trekt met een slecht geweten naar huis, hij heeft immers Ezau net zo schandelijk bedrogen als Laban en moet nu op wraak voorbereid zijn. Welke laffe maatregelen hij treft, om de wraak van Ezau, die hem met 400 man tegemoet trekt, te ontgaan, kan men in Genesis 32 lezen. Want vechten kan Jakob niet zo goed als liegen en bedriegen. Hij riep Jehova aan: “Ruk mij toch uit mijns broeders hand, uit Ezau's hand; want ik vreze hem, dat hij niet misschien kome, en mij sla....” Ezau is tenslotte goedig genoeg en Iaat zich door geschenken verzoenen. Daarvoor beleeft Jakob echter in de nacht nog een merkwaardig avontuur: “....en een man worstelde met hem, totdat de dageraad opging.” De vreemdeling kon Jakob echter niet meester worden, slechts zijn heup verrekte hij. Als de vreemdeling gaat, zegt hij evenwel: “Uw naam zal voortaan niet Jakob heten, maar Israël (Godstrijder); want gij hebt u vorstelijk gedragen met God en met de mensen, en hebt overmocht.

 

Zo ver is de ijdelheid van nog geen volk gegaan, dat het zijn stamvader met God laat vechten en sterker laat zijn dan God. Ook heeft geen volk zich ooit zulk een zwakken God uitgezocht, die overwonnen werd door een Jakob, die even te voren nog bang was voor de klappen van Ezau. - Deze dwaze geschiedenis verbergt twee feiten, die in de joodse historie een verklaring en een rechtvaardiging nodig maakten: ten eerste, dat de Joden zich later de naam van het vreemde volk, de Israëlieten toeeigenden en ten tweede: dat het erfelijk scheve bekken, een lichamelijk gebrek der Joden, een aannemelijke verklaring vindt. Welk doel zou anders die worstelwedstrijd gehad hebben?

 

Een merkwaardige geschiedenis vindt er met de Hevieten plaats. Dina, Jakobs dochter, ging naar de stad der Hevieten, om - zoals het heet - de dochteren van te land te zien Gen. 34. Het schijnt echter, dat ze meer naar de zonen van het land keek. Ze deed ongeveer het zelfde, wat haar stammoeders Sara en Rebekka bij andere volkeren deden. zo kon het gebeuren, dat Sichem, de zoon van de Heviet Hemor, die een soort vorstelijke plaats bekleedde, een verhouding met haar kreeg. Maar Sichem was een eerlijke jongen, die de beste bedoelingen had: hij wilde met het meisje trouwen. “En zijn ziel kleefde aan Dina, Jakobs dochter; en hij had de jonge dochter lief, en sprak naar het hart van de jonge dochter.” En Sichem sprak tot zijn vader Hemor: “Neem mij deze dochter tot een vrouw.” Hemor stemde er mee in en ging naar Jakob om met hem te praten: “Mijns zoons Sichems ziel is verliefd op ulieder dochter; geeft hem haar toch tot een vrouw. En verzwagert u met ons; geeft ons uw dochteren; en neemt voor u onze dochteren; En woont met ons; en het land zal voor uw aangezicht zijn; woont, en handelt daarin, en stelt u tot bezitters daarin.” - Hier ziet men weer, hoe de vrouwelijke pioniere van de stam Jakob bij de Hevieten al vlug het zelfde bereikte als de ontuchtige Sara en Rebekka bij de Farao en de Filistijnen.

 

En de trouwhartige Sichem voegt nog aan de woorden van zijn vader toe: “Laat mij genade vinden in uw ogen; en wat gij tot mij zeggen zult, zal ik geven. Vergroot zeer over mij den bruidschat en het geschenk; en ik zal geven, gelijk als gij tot mij zult zeggen; geef mij slechts de jonge dochter tot een vrouw.

 

De Jakobieten zijn echter blij, dat ze een voorwendsel tegen de Hevieten hebben gevonden. Hun moraal laat wel toe, dat ze hun vrouwen aan vreemde mannen uitlenen, om daardoor invloed en voordeel te verkrijgen, maar een huwelijksverbintenis met een van hen vinden ze oneerbaar. En dus antwoorden ze geslepen (Luther vertaalt betrüglich): “Wij zullen deze zaak niet kunnen doen, dat wij onze zuster aan een man geven zouden, die de voorhuid heeft; want dat ware ons een schande. Doch hierin zullen wij u te wille zijn, zo gij wordt gelijk als wij, dat onder u besneden worde al wat mannelijk is. Dan zullen wij u onze dochteren geven, en uw dochteren zullen wij ons nemen, en wij zullen met u wonen, en wij zullen tot een volk zijn.

 

De eerlijke, argeloze Hevieten vermoeden niets, gaan op het voorstel in en laten zich besnijden. “En het geschiedde ten derden dage, toen zij in de smart waren, zo namen de twee zonen van Jakob, Simeon en Levi, broeders van Dina, een iegelijk zijn zwaard, en kwamen stoutelijk in de stad, en doodden al wat mannelijk was. Zij sloegen ook Hemor, en zijn zoon Sichem, dood met de scherpte des zwaards; en zij namen Dina uit Sichems huis, en gingen van daar. De zonen van Jakob kwamen over de verslagenen, en plunderden de stad....” Dat was wel hun eigenlijke doel, en alles, wat voorafging, slechts een middel om dat doel te bereiken.

 

Zo houdt de stam van Jakob zich aan zijn overeenkomsten en beloften!

 

Toch schijnt Jakob een vaag idee te hebben van de slechtheid van zijn handelwijze, want hij zegt tegen zijn zoons: “Gij hebt mij beroerd, mits mij stinkende te maken onder de inwoners dezes lands, onder de Kanaänieten, en onder de Ferezieten....” Het is vast slechts angst, die hem deze morele bevlieging deed krijgen, hij zei: “....en ik ben weinig volks in getal; zo zij zich tegen mij verzamelen, zo zullen zij mij slaan, en ik zal verdelgd worden....” De zoons echter bedenken een goede uitvlucht: ze hebben immers slechts de deugd van hun zuster gewroken - gewroken op eerlijke mensen, die een eerlijk huwelijk wilden, en merkwaardigerwijze ook gewroken aan hen, die er niets mee uit te staan hadden. En eerwrekers plegen toch niet de gestraften nog te bestelen ook, zoals hier gebeurde: “Hun schapen, en hun runderen, en hun ezelen, en hetgeen dat in de stad, en hetgeen dat in het veld was, namen zij. En al hun vermogen .... en al wat binnenshuis was.

 

De woestijnbedoeďenen doen tegenwoordig immers nog precies zoo, alleen zijn ze niet zo handig, de hele zaak een moreel tintje te geven.

 

Het komt ons evenwel voor, deze al te doorzichtige geschiedenis stinkt niet alleen voor de Kanaänieten en Ferezieten, ze stinkt thans nog voor de hele wereld.

Laten we nog een blik werpen op een bijzonder talentvolle zoon van de stam Jakob, om het beeld van de oudste Hebreeërs enigermate te vervolmaken.

 

Jozef, in wiens hoogmoedige dromen zon, maan en sterren voor hem bogen, werd door zijn broers als slaaf verkocht en naar Egypte gevoerd. Hij kwam in het huis van de hoveling en legeraanvoerder Potifar. Wonderlijk vlug wist hij de gunst van zijn meester te winnen; ongetwijfeld - “De Heere was met hem”. En Jehova moet hem wel menige list ingegeven hebben, om de zorgeloze meester zo in te kunnen palmen, dat hij Jozef al spoedig zijn huis en goed toevertrouwde. Jozef wist alle neigingen tot gemak van zijn heer te dienen en hem in zijn zwakheden te sterken; al spoedig zegt Potifar: “....zodat hij met hem van geen ding kennis had, behalve van het brood, dat hij at.

 

Wat nu zo in het algemeen van de deugdzaamheid van Jozef verteld wordt, lijkt ons bij nadere beschouwing een beetje twijfelachtig. Er behoort niet al te veel mensenkennis toe, om de waren stand van zaken te doorzien. Toen op een dag in huis een luid geschreeuw weerklonk, zag men Jozef zonder bovenkleren door de hof vluchten, en de vrouw van de hoveling zegt tot haar man: “De Hebreeuwse knecht, dien gij ons hebt ingebracht, is tot mij gekomen, om met mij te spotten. En het is geschied, als ik mijn stem verhief, en riep, dat hij zijn kleed bij mij liet, en vluchtte naar buiten.” - Jozef echter geeft een andere voorstelling van de zaak; alleen reeds van hetgeen we tot hier van de Hebreeërs gehoord hebben, weten we, hoe weinig ze verlegen zitten om “bedrieglijke” praatjes. En aan de anderen kant hebben we gezien, hoe trouwhartig, oprecht en waarheidslievend de niet-joodse volken uit dien tijd waren. Niemand kan het ons derhalve kwalijk nemen, als wij de Egyptische vrouw eerder geloven dan de Hebreeuwse knecht. En alles, wat wij tot op de huidige dag van de zonen Jacobs ervoeren, toont ons voldoende, hoe de verhouding tussen Joden en vrouwen pleegt te zijn. Het is toch wel erg onwaarschijnlijk, dat iemand half aangekleed wegholt, als hij de wensen van een vrouw niet verhoren wil - even onwaarschijnlijk is het, dat een vrouw, wier opdringerigheid afgewezen wordt, het daarover op een schreeuwen zet. Klaarblijkelijk nemen de oude joodse kroniekschrijvers het met de psychologische waarschijnlijkheid van hun schilderingen niet al te nauw.

 

Jozef krijgt dan ook de verdiende gevangenisstraf. Maar ook hier weet hij al heel gauw de overste van de gevangenis te winnen en zich allerlei voordelen te verschaffen. Met het bekende talent van de Hebreeër, anderen zacht en ongemerkt het heft uit handen te nemen, speelt de gevangene al spoedig de opzichter, “....en al wat zij daar deden, deed hij.” Deze bijzondere gave is echter een geschenk van Jehova, want - zo staat er: “....overmits dat de HEERE met hem was; en wat hij deed, dat deed de HEERE wel gedijen.”. Naar de aard der Zigeuners, die zich door waarzeggerij en droomuitleggen bij naďeve mensen in de gunst weten te dringen, oefent ook Jozef deze kunst in de gevangenis uit en verwerft daarmede bekendheid. Toen de Farao eens een bijzondere droom had, werd Jozef hem als uitlegger aanbevolen en deze geeft de koning de droomverklaring van de zeven vette en van de zeven magere jaren. Hij geeft de Farao gelijktijdig de raad, uit te kijken naar een verstandig en wijs man, als stadhouder van Egypte “....en bestelle opzieners over het land; en neme het vijfde deel des lands van Egypte....”  “....dat zij alle spijze van deze aankomende goede jaren verzamelen, en koren opleggen, onder de hand van Farao, tot spijze in de steden, en bewaren het.

 

Het doet eigenaardig aan, dat het oude Egyptische cultuurvolk wiens bouw- en kunstwerken thans nog onze bewondering opwekken en wiens geweldig rijk een machtige organisatie vermoeden doet, de raadgevingen van een vreemden man nodig had om te weten, hoe ze handelen moesten met het overschietende graan. Deze Farao moet toch wel een zwak en weinig intelligent man geweest zijn, dat hij deze raad nodig had. Maar het hele verhaal dient toch alleen maar, om - buiten de verheerlijking van Jozef en zijn vernuftige raadgever Jehova - te verklaren, hoe het mogelijk was, dat de binnengetrokken stam der Jacobieten zo vlug macht kon verkrijgen in het land en door een ten enenmale gigantisch voorbeeld van uitpersing in korten tijd een geheel oud, cultuurvolk ruďneerde. Immers, de kunsten van Jozef lopen altijd weer op woeker uit.

 

Farao stelt de handige raadgever aan als “hoofd van heel Egypte”: “....en liet hem fijne linnen klederen aantrekken, en leide hem een gouden keten aan zijn hals....

....en zij riepen voor zijn aangezicht: Knielt! Alzo stelde hij hem over gans Egypteland.” En zo deed Jozef zijn plicht.

 

Hij verzamelde de graanvoorraden der overvloedige jaren in de schuren, maar - let wel - hij betaalde er niets voor. Een vijfde van de gehele oogst werd als een algemene belasting geheven. Toen de magere jaren kwamen, liet de volksweldoener zich van een anderen kant zien.

 

Als dan honger over het ganse land was, zo opende Jozef alles, waarin iets was, en verkocht aan de Egyptenaren; want de honger werd sterk in Egypteland. En alle landen kwamen in Egypte tot Jozef, om te kopen; want de honger was sterk in alle landen.

 

De eerste succesvolle graanspeculatie van de kinderen van Juda dus! Als nu die volksweldoener maar niet zulke onbeschaamde woekerprijzen had gevraagd! We lezen in Gen. 47: 13-20: “En er was geen brood in het ganse land; want de honger was zeer zwaar: zodat het land van Egypte en het land Kanaän raasden vanwege dien honger.
Toen verzamelde Jozef al het geld, dat in Egypteland en in het land Kanaän gevonden werd, voor het koren, dat zij kochten; en Jozef bracht dat geld in Farao's huis.
Als nu het geld uit Egypteland en uit het land Kanaän verdaan was, kwamen al de Egyptenaars tot Jozef, zeggende: Geef ons brood; want waarom zouden wij in uw tegenwoordigheid sterven? want het geld ontbreekt;
En Jozef zeide: Geeft uw vee, zo zal ik het u geven voor uw vee, indien het geld ontbreekt.
Toen brachten zij hun vee tot Jozef; en Jozef gaf hun brood voor paarden en voor het vee der schapen, en voor het vee der runderen, en voor ezels; en hij voedde hen met brood, datzelve jaar, voor al hun vee.
Toen datzelve jaar voleind was, zo kwamen zij tot hem in het tweede jaar, en zeiden tot hem: Wij zullen het voor mijn heer niet verbergen, alzo het geld verdaan is, en de bezitting der beesten gekomen aan mijn heer, zo is er niets anders overgebleven voor het aangezichts mijns heren, dan ons lichaam en ons land.

Waarom zullen wij voor uw ogen sterven, zo wij als ons land? Koop ons en ons land voor brood; zo zullen wij en ons land Farao dienstbaar zijn; en geef zaad, opdat wij leven en niet sterven, en het land niet woest worde!

Alzo kocht Jozef het gehele land van Egypte voor Farao....

 

Hoe men deze geschiedenis ook uitlegt, steeds blijft zij een voorbeeld van volkomen uitbuiting van een volk, dat in jaren van nood zijn goed en bloed geven moest voor graan, dat eerst onder dwang - zonder betaling - afgenomen was. In feite is het eigenlijk slechts een herhaling van hetgeen tussen Jacob en Ezau gebeurde; en het komt ons wel wat onwaarschijnlijk voor, dat Jozef bij deze handel geheel onbaatzuchtig geweest is en “al dat geld in Farao's huis” bracht. Eigenlijk was dat toch vanzelfsprekend. Als de oogst in de overvloedige jaren, als belasting, door de kroon geheven was, dan moest ook de opbrengst daarvan aan de kroon komen. Die speciale toevoeging van de zin “en Jozef bracht dat geld in Farao's huis”, stemt wel een weinig achterdochtig. Trouwens het gehele verhaal gaat euvel aan tegenstrijdigheid; immers, als men zijn koning en het volk weldaden bewijzen wil, dan kleedt men de mensen toch niet tot op het hemd uit. Dus blijft alleen de verklaring over, dat Jozef deze zaken op eigen verantwoording dreef, of dat hij als rentmeester een zwakken koning tot het uitbuiten van het volk verleidde, iets, dat latere geldjoden in alle landen zo meesterlijk verstonden - zeker niet, zonder er zelf ruimschoots voordeel bij te hebben. Ze gebruikten de koninklijken naam slechts, om als schijnbaar legitieme firma ongehoorde rooftochten onder het volk te houden. zo zien we, dat de Joden weinig vindingrijk zijn en sinds duizenden jaren volgens hetzelfde recept te werk gaan, dat zorgvuldig van geslacht op geslacht overgeleverd is en zelfs een religieus tintje kreeg. Het gebeurde meer dan eens, dat joodse woekeraars en volksuitbuiters zich achter de schermen tot de eigenlijke heersers van het land opwerkten en de vorst naast hen nog maar een ledenpop was - precies als in Egypte: “Maar Jozef was regeerder van het land en verkocht graan aan het volk.”

 

Jozef was ook pionier voor zijn stam en spoedig haalt hij zijn gehele familie naar Egypte. Hij zegt tot zijn broers: “....en komt tot mij en ik zal u het beste van

Egypteland geven, en gij zult het vette dezes lands eten”. Tegenwoordig zouden we zeggen: om het land uit te zuigen. “En uw oog verschone uw huisraad niet; want het beste van gans Egypteland, dat zal het uwe zijn.” O, ja, Jozef was een weldoener in Egypte - dat wil zeggen, alleen voor de zijnen. “Zo woonde Israël in het land van Egypte, in het land Gosen; en zij stelden zich tot bezitters daarin, en zij werden vruchtbaar en vermeerderden zeer

 

Spoedig echter werd het de Egyptenaren onaangenaam te moede bij deze vermeerdering der Joden, want, “Zo werden de kinderen Israëls vruchtbaar en wiesen overvloedig, en zij vermeerderden, en werden gans zeer machtig, zodat het land met hen vervuld werd.

 

Daarna stond een nieuwe Koning op over Egypte, die Jozef niet gekend had; die zei tot zijn volk: “Ziet, het volk der kinderen Israëls is veel, ja, machtiger dan wij. Komt aan, laat ons wijselijk tegen hetzelve handelen, opdat het niet vermenigvuldige, en het geschiede, als er enige krijg voorvalt, dat het zich ook niet vervoege tot onze vijanden, en tegen ons strijde, en uit het land optrekke. ....zodat zij verdrietig waren vanwege de kinderen Israëls.” Het meest waren de Egyptenaren wel ontstemd, omdat dit vreemde volk zich verre hield van eiken eerlijken arbeid, zoowel van de landbouw als van enig handwerk. zo kwamen zij op de gedachte, dit leeglopende gespuis, dat toen evenals thans nog hoofdzakelijk door woeker, gesjacher en andere minder mooie praktijken in hun onderhoud voorzag en het land tot een zware last werd, tot werken te dwingen. De Joden moesten bakzeil halen en landarbeid verrichten. Dat was echter een vreselijke kwelling voor de Hebreeërs en het leek hun de grootste onbarmhartigheid. Dus besloten ze weg te trekken. Jehova is er meteen bij, om goeden raad te geven. Hij zegt tegen Mozes: “En Ik zal dit volk genade geven in de ogen der Egyptenaren; en het zal geschieden, wanneer gijlieden uitgaan zult, zo zult gij niet ledig uitgaan. Maar elke vrouw zal van haar naburin, en van de waardin haars huizes, eisen zilveren vaten, en gouden vaten, en klederen; die zult gijlieden op uw zonen, en op uw dochteren leggen, en gij zult Egypte beroven.

 

Dit is geen spitsvondige uitleggerij, het staat er letterlijk “beroven”, en als Jehova voor onze tegenwoordige rechters gebracht zou worden, zouden zij niet anders kunnen doen dan hem veroordelen wegens aanzetting tot diefstal.

 

En de vertaling “beroven” is nog wel de zachtste uitdrukking; volgens mening van andere ter zake kundige betekent het hebreeuwse woord eigenlijk meer, ontrukken, plunderen. Professor Holzinger vertaalt het in de laatste betekenis.

 

Opdat er echter geen twijfel kan bestaan, hoe de zaak bedoeld is, en om te tonen, dat het niet alleen om woorden gaat, wordt in Exodus 12 : 35-36 vermeld: “De kinderen Israëls nu hadden gedaan naar het woord van Mozes, en hadden van de Egyptenaren geëist zilveren vaten, en gouden vaten, en klederen. Daartoe had de HEERE het volk genade (vertrouwen) gegeven in de ogen der Egyptenaren, dat zij hun hun begeerte deden; en zij beroofden (plunderden) de Egyptenaren.

Hier zien we dus, dat niet alleen Mercurius op de roem, een God der spitsboeven te zijn, aanspraak kan maken.

 

De Joden verlieten dus het land, beladen met schatten der Egyptenaren, die zij zich door valse voorspiegelingen en mooie praatjes wisten te verschaffen. Het is wel verwonderlijk, dat de Egyptenaren zo zonder meer hun waardevolle goederen aan de te slechter naam en faam bekend staande Hebreeërs afgaven (tot welk doel?); waarschijnlijker lijkt ons, dat het volk van Juda, zoals het later onder andere naties deed, ook in Egypte reeds het vak van woekeraar en belener, misschien ook wel het helersvak beoefende en op dusdanige wijze de kostbaarheden in handen kreeg. Hoe het ook zij: het feit, dat ze de Egyptenaren bestalen, wordt met de grootste nadruk gezegd. Ook is het eigenaardig, dat de joodse kroniekschrijver dit gebeuren zo onomwonden vertelt, zonder enig gevoel voor het moreel minderwaardige van een dergelijke handelwijze. Het ontbreken van enig moreel bewustzijn zullen we nog vaak bij de Hebreeërs aantreffen.

 

In ieder geval dekken zij zich bij elk geval daarmede, dat het op bevel van Jehova geschiedde; een praktische instelling! De vrome Jood kan dus uit zijn “heilige boeken” leren, hoe tegen niet-joden alles geoorloofd is, als ze maar zo handig zijn, het te doen voorkomen, of hun handelingen in opdracht van hun “God” geschieden. Waarlijk, nog geen volk heeft zich zulk een voordelig “God” uitgedacht als de Hebreeërs.

 

Handig was het zeker niet van de Joden, al hun misdaden op te schrijven en deze geschriften ook nog in handen van vreemde volkeren te laten komen. Want komen we bij het voorlezen van deze geschriften niet allerlei te weten, dat ten eeuwige dage een schande voor een volk zijn moet? Was het slechts onvoorzichtigheid van de Joden, hun eerloos handelen zo precies op papier te stellen? - Ontbrak hun het gevoel, dat zoiets eerloos was? Of zou tenslotte de bijbel toch niet door Joden geschreven zijn, doch door eerlijke, verstandige mensen, die de volkeren der toekomst waarschuwen

 

wilden voor dit lage volk? Want wat leren deze verhalen ons anders dan slechtheid en spitsvondigheid! Alleen, wij zagen tot nu toe deze feiten niet, omdat onze ogen verblind waren en wij door een gekleurde bril keken.

 

De vooropgezette mening, dat de Joden het “volk Gods” waren, een vroom en heilig volk, beďnvloedde ons denken zoodanig, dat wij alle mogelijke schurkenstreken der Hebreeërs voor heilige handelingen hielden.

 

Onverschillig, wie deze oude boeken schreef en wat hun doel was: Wij willen ons niet langer laten beletten, ons verstand te gebruiken en uit deze geschriften lezen, wat er werkelijk in te lezen staat. En dan zien we met ondubbelzinnige duidelijkheid, dat de oude Joden een volk was van woekeraars, dieven en bedriegers, en dat hun stamafgod hen bij hun bedenkelijke praktijken steunde.

 

Of de Joden overigens vrijwillig uit Egypte trokken, daarover is de Heilige Schrift met zichzelf in tegenspraak. In Exodus 12 : 33 heet het: “En de Egyptenaars hielden sterk aan bij het volk, haastende, om die uit het land te drijven; want zij zeiden: Wij zijn allen dood!” Dus zoowel toen als heden waren de Joden een landplaag; een eerlijk volk kon niet naast hen leven. De Egyptenaren waren handig genoeg, hun land door een algehele uitdrijving van de schooiers te zuiveren, te laat evenwel, de kiem van zedelijke verrotting was reeds te diep ingevreten, het verval niet meer tegen te gaan.

Hosted by www.Geocities.ws

Hosted by www.Geocities.ws