HET WEZEN VAN DE JOODSE GOD
Daar onze rechterlijke macht een zo hoge mening van de joodse god heeft, verdient het aanbeveling, eens na te gaan, welke voorstelling de talmudische Jood zelf van zijn Jehova koestert. We zullen dan ontdekken, dat deze Jahwe, niet zoals onze God, een oneindig, ondoorgrondelijk en volkomen wezen is, doch een omlijnde, meetbare gestalte, met allerlei menselijke- of juister: joodse gebreken behept!
Zoals van het dorre rekenverstand der Hebreeërs te verwachten is, wordt de grootte van Jahwe en al zijn ledematen in de talmud aangegeven met geweldige mijlen- en ellen getallen. We lezen daar, hoeveel mijlen zijn armen en benen lang zijn, hoe groot zijn mond en hoe lang zijn neus is. Ook de bezigheden van Jahwe verlopen volgens een nauwgezet urenplan: drie uur bestudeerd hij de wet, drie uur spreekt hij recht, drie uur voorziet hij in de behoeften der wereld en drie uur speelt hij met Leviathan, de koning der vissen. Des nachts echter bestudeert hij, volgens rabbi Menachem, de talmud. (Hij had het zeker nodig, zich door de rabbi’s te laten onderrichten!) Vroeger heeft Jahwe ook zo nu en dan gedanst, zoals hij de eersten dans met Eva gedaan heeft; maar sinds de tempel in Jeruzalem vernietigd is, danst Jahwe van verdriet niet meer, doch huilt ruimschoots over dit ongeluk. Ook heeft hij een enkele maal berouw over alle mogelijke domheden, die hij begaan heeft, dan zoekt hij de eenzaamheid op en brult als de leeuw in het woud van Elai. Dat hij toegegeven heeft, ellende over de Joden gebracht te hebben, betreurt hij diep en huilt daarover dagelijks twee dikke tranen, die met zulk een groot geweld in de zee storten, dat de gehele wereld daaronder siddert. Ook heeft Jahwe, als het nodig was, lichtvaardig gezworen.
In traktaat Sanhedrin 110, 2 wordt gezegd, dat Jehova de eed misbruikt, resp. vals gezworen heeft, want, staat er, hij heeft een groot onrecht met een eed bevestigd, daar hij zwoer, dat de Israëlieten, die in de woestijn rondtrokken, geen deel zouden hebben aan het eeuwige leven; daarna heeft hem deze eed berouwd en heeft hij hem herroepen. Op een ander punt in de talmud staat echter, dat Jehova als hij verkeerd gezworen had, dit door een ander ongeldig moest laten verklaren. Want een wijze hoorde Jahwe eens roepen: “Wee mij! Wie ontslaat mij van mijn eed” (Tract. Baba b. 74, 1).
Misschien verschijnt Jahwe eerstdaags wel op Jom Kippur in de synagoge om aan het kol nidrei gebed deel te nemen, en zich door de rabbi’s van zijn lichtvaardige eden te laten ontheffen!
Zoals de Jood de karikatuur van een mens is, zo is Jehova het spotbeeld van een God.
In dit talmudische beeld van Jahwe kenmerkt zich de armzaligheid van het joodse denken, dat niet in staat is zich op te werken, tot een verheven Godsidee, zoals dat bij andere volkeren het geval is. Tot in kleinigheden toont Jahwe de zwakke zijden der Joden - natuurgetrouw, want elk volk beeldt zijn God uit naar de belichaming en de idealisering van zijn eigen wezen.
En dit spotbeeld van een God, wiens talmudische schildering op zichzelf al een godslastering is, gelooft onze Duitse nauwgezetheid nog te moeten beschermen tegen onze kritiek!
Hoe anders, dan deze door de rabbijnen bij elkaar geraapte, armzaligen reken- en ellengod, straalt ons het zuivere beeld tegen, dat reeds duizenden jaren voor het ontstaan der rabbijnse literatuur bij de edele cultuurvolken aan Nijl en Euphrath levendig was: “Gij zijt het, wiens kracht de wateren ten hemel doet stijgen; Uw hoofd rijst op tot het firmament en Uw voeten staan in onpeilbare diepten.... Uit Uw neusvleugelen waait de wind, uit Uw schoot borrelen de bronnen, en waar Gij wandelt, groeit het rondom” .... “Als een bruidegom nadert Gij, vol vreugde en deemoed; met Uw glans omstraalt gij de grenzen des hemels; Gij zijt, o God, het licht der wereld! Van verre aanschouwen U de mensen, dankbaar en vol vreugde!”
Men behoeft slechts deze voorbeelden van verheven poëzie naast de minne rabbijnse schilderingen van god te houden, om te ontdekken, welke vreselijke cultuurafbraak er met het opkomen van het Jodendom in de wereld kwam. Al het zedelijk hoogstaande, dat sinds duizenden jaren die achtenswaardige volkeren vervulde, schijnt opeens gevlucht te zijn voor de misdadige huichelgeest, waarmede dit zedelijk het laagst staande aller volkeren, de wereld omstrikte. Als roest en meeldauw hechtte het zich op het edelste van het menselijk geestesleven, toen het Jodendom zijn intrede deed; alle verhevenheid en idealisme werden ten grave gedragen, een geest van laagheid en hebzucht sloop in de harten. Waarlijk, als een vloek kwam het Jodendom over de wereld. Hetgeen uit de talmud spreekt, is de moraal der eerlozen, een lage bedriegersgeest, die de brutaliteit had, zich in een godsdienstig kleed te hullen en zijn eigen erbarmelijkheid tot God te verheffen.
Jahwe is niet anders dan de joodse levenswil, de verpersoonlijking van de joodse zelfzucht. Al zijn wensen en bedoelingen kristalliseert de Hebreeër in Jahwe; zijn lusten en neigingen maakt hij tot de wil van zijn “God”. De Jahwecultus is de zelfverheerlijking van de joodse begeerten. Wil de Jood het eigendom van een ander in zijn bezit krijgen, dan zet hij dat om in de woorden: “Jahwe gebiedt mij, de vreemdeling te straffen”; en als hij dit gebod opvolgt - en dat kost hem werkelijk geen zelfoverwinning - mag hij zich nog op zijn vroomheid beroemen; hij voldoet immers slechts aan de wil van zijn “god”. Hij is het nooit oneens met zijn “god”, daar deze god hem immers in elk opzicht ter wille is. zo berust deze “godsdienst” eenvoudig op de verheerlijking der zelfzucht. Het is goed beschouwd een goochelkunstje altijd “God” voor eigen begeerten op te laten komen; daarom zag men ook nog nooit zoveel overeenkomst tussen God en mensen als bij het Jodendom, en niemand werd het vroom zijn zo gemakkelijk gemaakt als de Hebreeër. Hij hoeft toch slechts toe te geven aan zijn lusten en hij is de vroomste man ter wereld.
Het eigenlijke karakter van deze bastaardgod is echter list en leugen. Slaan we de beschrijvingen van de oudste historie op, dan ontdekken we, dat de Hebreeër zijn doel altijd door leugen en bedrog bereikte, en dat hij tegelijkertijd zo handig is, deze handelingen als de “stem van God” voor te stellen. Als er van Jakob gezegd wordt: “Jahwe was met hem en zegende hem, dan betekent dat: Jakob was vervuld van de geest der list, en daardoor gelukte het hem, zich voordeel te verschaffen.
En toch leeft in Jehova ook een hoger begrip, dat boven de zelfzucht van de enkeling uitkomt; namelijk de gedachte aan een bondgenootschap met gelijkgezinden en bloedverwanten. Bij wel geen ander volk is het gevoel voor saamhorigheid zo sterk ontwikkeld als bij het joodse. Dat heeft zijn psychologische grond. De dief en bedrieger voelt al heel gauw, dat hij als enkeling machteloos staat in de wereld, en dat zijn zaken veel en veel eenvoudiger en lonender zouden zijn, als hij bondgenoten had. Bedriegers en valse spelers, die in geheime verstandhouding met elkaar staan en elkaar in de kaart spelen, overvleugelen met zekerheid elk ander gezelschap, dat zoiets niet vermoedt. Daarom heeft niemand zo'n sterke behoefte aan bondgenootschap als de oneerlijke, die van bedrog leven wil. Drie saamgezworenen kunnen gemakkelijk honderd maal meer stelen dan drie personen afzonderlijk. Bij eerlijken, productieve arbeid betekent het samenwerken meer een gewone samenstelling der krachten, bij oneerlijk werk betekent het progressieve stijging. Daarom is in Jahwe naast de leugen ook nog de verenigingsgedachte belichaamd; hij stapelt zijn vloek op dengeen, die het verbond breekt. Om het succes naar buiten te verzekeren, moet de band onder de gezworenen onverbrekelijk vast zijn. Daarom staat er op elk verraad aan het bondgenootschap ook dood en verderf; daarom heeft de zogenaamde “joodse godsdienst” het karakter en de hechtheid van een bloedeed. Alle diefstal en alle oneerlijkheid worden eerst succesvol door de chawrusse, het dievenbondgenootschap. Drie dieven, die samen naar de jaarmarkt gaan en in onderlinge overeenkomst samenwerken, steken ongetwijfeld het gehele, argeloze gezelschap in de zak. Ze helpen elkaar, het gunstige moment uit zoeken en brengen elkaar op de hoogte door een blik, een ongemerkt teken. Terwijl de eene stelen wil, leidt de ander de aandacht van het slachtoffer af. De een vraagt een argeloze bezoeker om vuur, terwijl de ander hem van achter af “bewerkt”. Aan een kant houdt de een de verkoper bezig met een gefingeerde boodschap, de ander laat inmiddels wat verdwijnen. Het gestelene gaat onder de bondgenoten bliksemsnel van hand tot hand, zodat de dader bij een eventueel onderzoek zijn onschuld volhouden kan, daar men niets bij hem vindt. De keten van het dievenbondgenootschap zet zich voort onder de helers en opkopers; zo is de organisatie vaak wijd vertakt en tot in de kleinste bijzonderheden meesterlijk georganiseerd. Op de zelfden grondslag berust de joodse handel en groothandel tot op de beurzen en banken toe *). Wij
*) Uitgebreid weergegeren in F. Roderich-Stoltheim (Theod. Fritsch), Das Ra'tsel des jüdiscben Erfolges. Hammer-Verlag, Leipzig. RM 4,50
herinneren er aan, dat het een “zeer gezien” joods koopman was, die schuldig was aan de grote verduistering op de Kieler Werf en die zelfs bij het tegen hem gevoerde proces zijn akten uit het paleis van justitie stelen liet. Alle joodse handel is chawrussenhandel; het verbond met Jahwe draagt rijke vrucht - voor beide partijen - want Jakob heeft immers zijn “God” tien procent van alle winst beloofd....
Mochten er werkelijk mensen zijn, die deze samenhang niet begrijpen kunnen, ook nadat men hen er opmerkzaam op gemaakt heeft, dan zouden dat personen moeten zijn, wier hersens niet tot volle ontwikkeling gekomen zijn. Zulke schepsels zal men tevergeefs voor de Joden trachten te beschermen; zij zijn hun “tot voer”. Want als de Schepper al een rechtvaardiging nodig heeft, dat hij de Joden heeft laten ontstaan, dan is die daarin gegeven, dat de Jood, als verdelger van het ontaarde en geestelijk minderwaardige mensdom, een missie te vervullen heeft. De natuur - of wil van de Schepper - tracht, de schepselen steeds op het peil hunner ontwikkeling te houden en ze voortdurend tot grotere machtsontplooiing te drijven. Daartoe zijn sporen nodig. zo gaf de Schepper elk wezen een vijand en vervolger, die het voortdurend bedreigt en daardoor waakzaam en actief houdt. Zonder deze vijand zouden de schepselen omkomen in nalatigheid, traagheid en stompzinnigheid. De vervolger dwingt hen, hun geest helder en scherp, hun krachten fris en sterk te houden, om de bedreiging te weerstaan. De natuur haat alles, wat ontaard en verkommerd is; haar sterke zin voor orde en reinheid tracht het zwakke en zieke zo snel mogelijk te doen verdwijnen, daarom kreeg al het levende zijn natuurlijke politie, zijn opruimer voor het gebrekkige en minderwaardige. Zelfs het ongedierte heeft in de huishouding der natuur zijn taak: het is de verteerder der onreinen, zieken en luiaards.
De mens echter, als niet enkel een levend, doch ook geestelijk en zedelijk wezen kreeg een vijand van bijzonder raffinement; de mens had een speciaal ongedierte nodig, dat hem niet alleen lichamelijk, doch ook geestelijk en zedelijk bedreigde en plaagde, om al zijn psychische functies op te wekken en voortdurend te controleren. Daarom moest deze sluipende verwoester zelf menselijke gestalte bezitten, om - voor onbehouwen geesten onherkenbaar - zijn slachtoffers te kunnen naderen. Daartoe was de Jood bestemd. Maar alleen ontaarde mensen nadert hij, zonder herkend te worden: bij sterke, gezonde naturen zegt een fijnvoelend instinct: Hier is een vijand! Zoals ossen en paarden in de stal onrustig worden, als het circus met zijn roofdieren door de dorpsstraat trekt, ofschoon de angstige dieren deze vijand nog nooit hebben gezien, zo wordt de mens met onbedorven zinnen gewaarschuwd, dat in de Jood een vijand en verwoester steekt. Waar deze fijngevoeligheid verloren ging, daar zijn ontaarding en verval, daar is gezonken mensdom - rijp voor de ondergang.
Dat is de diepere zin van de bijbelse woorden: “Gij zult alle volkeren verteren, die Jahwe u geven zal.” - In de handen der Joden geraakt elk volk, daarom tot leugen en bedrog, boet zijn hoogste mensenwaarde in, en zijn vijand niet meer herkennende, wordt het zo onrein in denken en voelen, dat al het geestelijke- en zedelijke ongedierte toegang vindt tot zijn ziel. Als verdelger der geestelijke verwordenen, als een aasgier volgt de Hebreeër de loop van de cultuur der mensheid.
Een aasgier en ongedierte moeten wel een anderen God hebben dan de bloeiende bloemen op het veld en de zingende vogels in het woud. Het ongedierte kruipt graag in het donker en houdt zich daarom aan El Schaddai. Dat heeft ook de diepvoelende Goethe geweten, die Mephisto van zich zelf zeggen laat, dat hij is:
“De meester der ratten en muizen, der vliegen, kikkers wanten en luizen”....