Hosted by www.Geocities.ws

JOODSE LIEFLIJKHEDEN

 

Het mag wel het slechte geweten zijn, dat de Joden zo gevoelig maakt voor kritiek op hun geloofsleer. Als iemand slechts iets onaangenaams van hen zegt of zich misprijzend over hun leer uitlaat, rennen ze spoorslags naar de rechter en dienen een aanklacht in. als was het heiligste op aarde beledigd. Ze hebben zelfs een speciale inlichtingendienst gesticht, welks taak het is, overal aanklachten te forceren, waar maar iemand de belangen of het aanzien van de Joden te na komt. Deze dienst wordt genoemd: “Central-Verein deutscher Staatsburger jüdischen Glaubens”.

 

Zulk een gevoeligheid zou te begrijpen zijn van de zijde van een volk, dat zelf met pijnlijke nauwgezetheid de eer en zeden van anderen tracht te ontzien en slechts goed en vriendelijk over zijn medemensen waagt te denken en te spreken. Maar daarop kunnen de Joden zich waarlijk niet beroemen. Wie enigszins op de hoogte is van de geheimenissen van onze pers en onze partijen, die weet, dat de hatelijkste- en giftigste vijandigheden tegen afzonderlijke standen en klassen, als ook tegen de staat zelf, juist van joodse zijde komen. De zogenaamde cultuurstrijd, de hatelijkheden tegen de christelijke kerk, zijn voornamelijk het werk der joodse persorganen. De vaak cynische moppenblaadjes, die spotten met de overheid, die regering, geestelijkheid, adel, leger, ambtenaren, boeren, werklieden met giftige spot verachtelijk maken, worden nagenoeg uitsluitend door Joden geredigeerd. Niets is de Joden heilig; en juist tegen dat, wat ons heilig is, richten zij hun giftigste pijlen. Onmiskenbaar zijn de Joden met een fanatieke haat vervuld tegen alles wat zeden, goede orde en idealisme heet.

 

Tacitus zegt toch reeds over hen: “Onheilig is daar alles, wat bij ons heilig is; anderzijds is hun toegestaan, wat ons een gruwel schijnt.” (Hift. V, 4). En Diodorus zegt van hen: “dat zij de haat tegen de mensheid van geslacht op geslacht overerven.” Inderdaad: haat en verachting tegenover alle anderen is de grondslag van het Jodendom; en waar wij de Hebreeërs ook in de kaart kijken, stoten we altijd weer op die liefdeloze eigenschap.

 

De rabbijnse geschriften vormen een rijke bron voor de joodse mensenhaat; zij krijgen er niet genoeg van, de niet-joden met de verachtelijkste namen te betitelen. De niet-joodse volkeren zijn “korven, waarin men stro en mest doet”; “ze hebben slechts een ziel, zoals die het vee gegeven is”. In het traktaat Baba mezia staat: “Gij, Israëlieten, wordt mens genoemd, de volkeren der wereld echter dragen de naam vee.” Volgens Jalkut Rubeni stammen de niet-joodse volkeren van onreine geesten en worden “zwijnen” genoemd. De geringschatting der niet-joden is het pendant voor de hoogmoed der Hebreeërs zelf, want zoals in traktaat Chullin gezegd wordt, zijn deze Jahwe meer waard dan de engelen zelf; en in Schene luchoth habberith staat: “God heeft de goien slechts daarom een menselijke vorm gegeven, opdat de Joden zich niet door dieren moeten laten bedienen.”

 

Een nog vreselijker haat vervult de Joden tegen alles, wat een anderen godsdienst betreft. Het Christendom en zijn instellingen zijn het doel van hun cynische spot; ze kunnen niet genoeg namen vinden, om uitdrukking te geven van hun verachting voor Christus en Zijn leer. De gebruikelijke namen in de talmud voor Christus zijn: de nar, de zon van het slijk, de op mest begravene, de zon van het dier der ontucht, de gehangene, de h....zon, de booswicht, de vervloekte. En zulke gemene scheldwoorden gebruikt een volk, dat voortdurend om verdraagzaamheid en humaniteit roept, dat niet de minste kritiek op zijn eigen leer en gebruiken duldt. Aan zulke brutale beledigingen maakt zich een volk schuldig, dat als een kleine minderheid, als het ware als gast, bij ons woont - in een staat, die zich nog steeds christelijk noemt! Een volk, dat toch zeker reden heeft, lankmoedig te zijn tegen een grootmoedig gastheer, die het duldt en onverdiende bescherming geeft, ja, - als men het op de keper beschouwt - deze vreemdeling nog voedt «n onderhoudt.

 

De katholieke schrijver Heinrich Laible *) zegt: “De haat en hoon tegen Jezus zijn de typerendste trekken van het Jodendom; toen het Christendom kwam, werden de talmudrabbijnen door een aan waanzin grenzende woede en haat bezeten.” Een gelovige Jood mag de naam Jezus zelfs niet uitspreken.

 

Er was een tijd, dat de katholieke kerk, na op de beledigingen van het Christendom in de rabbijnse

 

*) Laible, Jesus Christus im Talmud. 1891.

 

geschriften opmerkzaam te zijn gemaakt, scherpe censuur in de talmud uitoefende en schrapping van de gemene woorden verlangde. In 1631 besloot de Poolse Jodensynode, dat de plaatsen in de talmud, waar Christus en het Christendom gesmaad werden, kunstig door een lege, witte ruimte of door haakjes vervangen zouden worden, en dat men de zinsneden, zoals: dat men tegen Christenen geen gerechtigheid en naastenliefde in aanmerking behoeft te nemen, in de school of slechts mondeling geleerd mochten worden *). Opdat echter de vrome Jodenzielen niet gespeend zouden blijven van hun onontbeerlijke haat, hebben de rabbijnen nu en dan er voor gezorgd, dat de gecensureerde punten, verzameld in een speciale uitgave, verschenen en verspreid werden. zo had dus de Jood onder ons en heeft dat ook thans nog, alle gelegenheid, om aan zijn giftige hoon tegen de Christenen en hun leer in de vorm van “geheiligde” scheldwoorden in de talmud uitdrukking te geven.

 

Maar ook de God van het Christendom moet zich hoon en spot van de talmudgelovigen laten welgevallen. De Christelijke God wordt in de talmud “Sammael” genoemd en als “de meester der duivelen” aangeduid. Heeft ooit een rechter tegen deze Godslastering stelling genomen?

 

*) Des Mousseaux, Le Juif. (Dossier van de synode) Parijs 1869. Blz. 100.

Hosted by www.Geocities.ws