Welkom op Nakdimons Page
Psalm
110
1 Van
David. Een psalm.
Aldus
luidt het woord des HEREN tot mijn Here:
Zet
u aan mijn rechterhand,
totdat
Ik uw vijanden gelegd heb
als
een voetbank voor uw voeten.
2 De
HERE strekt van Sion uw
machtige scepter uit:
heers
te midden van uw vijanden.
3 Uw
volk is een en al gewilligheid
ten
dage van uw heerban;
in
heilige feestdos rijst uit de schoot van de dageraad
de
dauw uwer jonge mannen voor u op.
4 De
HERE heeft gezworen en het
berouwt Hem niet:
Gij
zijt priester voor eeuwig,
naar
de wijze van Melchisedek.
5 De
HERE is aan uw rechterhand.
Hij
verplettert koningen ten dage van zijn toorn;
6 Hij
houdt gericht onder de heidenen, hoopt lijken op,
verplettert
hoofden op het wijde veld.
7 Hij
drinkt onderweg uit de beek;
daarom
heft hij het hoofd op.
Eliyahu gaat ervan uit dat deze psalm �hoogstwaarschijnlijk� is geschreven door een legerofficier van koning David. Waarom gaat hij daarvan uit? Er is niets dat in die richting wijst. De psalm is gewoon geschreven door David zoals blijkt uit vers 1. Er is totaal geen reden om te denken dat het door iemand anders is geschreven dan David. De uitdrukking �leDavid mizmor� komt vaker voor en betekent gewoon letterlijk �van David, een psalm�. In de voorafgaande zien we het ook bijvoorbeeld. Het is geen psalm dat door een andere persoon is geschreven, het is er gewoon een van David.
Ook de verklaring van de Ramban, dat de taal is aangepast voor de Levieten die deze psalmen zouden zingen, gaat niet op. Dit is bij andere psalmen ook niet gedaan, maar hier zou het wel het geval zijn. Het is duidelijk dat men hier meer in wil lezen om niet gewoon tot de duidelijke conclusie te komen en niet toe te hoeven geven dat dit een Messiaanse psalm is. Dat dit geen psalm voor de levieten is kan makkelijk worden aangetoond.
Ten eerste zien we niet dat dit �voor de koorleider� is. De uitdrukking �lamenateazeah� komt wel vaker voor in de psalmen. Zie bijvoorbeeld psalmen 51 t/m 65 waar er dus steeds wordt gezegd dat het een psalm �van David� is �voor de koorleider�. Als deze psalm uitsluitend of nadrukkelijk voor de Levieten was geschreven om in de Tempel te zingen, dan kunnen we toch op zijn minst verwachten dat het erbij vermeld wordt. In Psalm 110 zou vervolgens dus de taal aangepast zijn aan de Levieten. Dit wordt echter ook niet gedaan in de psalmen waar die speciaal voor de koorleiders is geschreven, dus waarom er van uitgaan dat het hier wel het geval is? David spreekt gewoon in de eerste persoon en bedoelt daarbij ook gewoon zichzelf en wanneer hij in de 3e persoon spreekt bedoelt hij ook gewoon iemand anders. Zo is de boetepsalm waarin hij zijn schuld bekent nadat hij Uria had vermoord en zijn vrouw Batsheva van hem had afgenomen, Psalm 51, gewoon geschreven vanuit zijn eigen perspectief en is niets aangepast aan de taal van de Levieten. Tenzij men gaat beweren dat de Levieten precies hetzelfde gedaan hebben als koning David, moeten we gewoon constateren dat er niets van waar is dat de koning de taal heeft aangepast aan de Levieten. Zie ook Psalm 59:1-4
1 Voor de
koorleider. Op de wijs van Verdelg niet. Van David, een stil gebed, toen Saul
opdracht had gegeven David thuis vast te houden en hem te doden. 2
Bevrijd mij van mijn
vijanden, mijn God, bescherm mij tegen mijn belagers. 3
Bevrijd mij van wie
onrecht doen, red mij van hen die bloed vergieten. 4 Zij hebben het op mijn leven voorzien en vallen mij aan met geweld.
Niets aangepast.
�Mij� in deze psalm is gewoon koning David. Zouden we de zienswijze van Nachmanides er op loslaten, dan zouden de Levieten hier dus leugen hebben gezongen? Natuurlijk niet. En die manier van redeneren beweert dus dat niemand, behalve de Levieten liederen mocht zingen tot God. Met alle respect voor de grote geleerdheid van rabbi Nachmanides, maar deze redenatie gaat volledig scheef.
Psalm 110 gaat dus
niet over David, noch wordt er hier door een Leviet of een knecht van David
gesproken. Het is David die hier in vers 1 spreekt over een boodschap van God
aan zijn heer. Dat is dus hoogstwaarschijnlijk de Messias. Wie is anders de heer
van de grootste koning die Isra�l ooit heeft gekend? God zal dus zeggen tegen
de Messias:
Zet
u aan mijn rechterhand,
totdat
Ik uw vijanden gelegd heb
als
een voetbank voor uw voeten
Dus terecht wordt er in de het evangelie van Matthe�s vermelding hiervan gemaakt:
41 Nu de Farizee�n om hem heen stonden, stelde Jezus hun deze vraag: 42
�Wat denkt u over
de messias? Van wie is hij een zoon?� �Van David,� antwoordden ze. 43
Jezus vroeg: �Hoe
kan David hem dan, ge�nspireerd door de Geest, Heer noemen? Want hij zegt: 44
�De Heer sprak tot
mijn Heer: �Neem plaats aan mijn rechterhand, tot ik je vijanden onder je
voeten heb gelegd.�� 45 Als
David hem dus Heer noemt, hoe kan hij dan zijn zoon zijn?� 46 En niemand was in staat hem een antwoord te geven, noch durfde iemand hem
vanaf die dag nog een vraag te stellen. (hst 22)
Het is aan de Messias dat God verklaart, dat Hij aan Zijn rechterhand moet plaatsnemen. Zoals we weten is Yeshua opgestaan uit de doden en is Hij opgevaren en heeft plaatsgenomen aan de rechterhand van God. In Psalm 110 zegt God tegen Hem dat Hij priester is in de orde van Malki-Tsedeq, de priester-koning uit Genesis 14, die Avraham tegemoetkwam en van Avraham de tienden ontving. Van Malki-Tsedeq is niet veel bekend, maar er wordt gezegd dat hij Hogepriester is van de Allerhoogste en dat hij koning is van Salem, Jeruzalem. Hij is dus priester en koning tegelijk. Ook moet worden opgemerkt dat het koningschap van Isra�l volgens de Tora via de stam van Yehuda [Juda] gaat, maar het priesterschap via de stam van Levi. Dit zou een probleem vormen voor het Hoge Priesterschap van Yeshua, omdat Hij tot de stam Yehuda behoort. Echter dit wordt gezegd van het priesterschap van Yeshua
1 Want deze Melchisedek, koning van Salem en priester van de allerhoogste
God, ging Abraham tegemoet toen deze terugkeerde van zijn overwinning op de
koningen, en zegende hem, 2 waarna Abraham hem een tiende van alle buit gaf. Zijn naam betekent
�koning van de gerechtigheid�, en verder is hij ook koning van Salem, dat is
�koning van de vrede�. 3 Hij heeft geen vader of moeder, geen stamboom, geen oorsprong of
levenseinde en lijkt op de Zoon van God � hij is
priester voor altijd. 4
Geef u rekenschap
van zijn grootheid: Abraham, de aartsvader, gaf hem een tiende van wat hij had
buitgemaakt. 5
De afstammelingen
van Levi die het priesterambt ontvangen, moeten volgens de wet tienden heffen
van het volk, dat wil zeggen van hun broeders en zusters, die toch ook
nakomelingen van Abraham zijn. 6 Maar hoewel hij niet met hen verwant was, heeft Melchisedek tienden ge�nd
van Abraham en hem gezegend aan wie de beloften gedaan zijn. 7
Het staat buiten
kijf dat de mindere altijd gezegend wordt door de meerdere. 8
Bovendien worden in
het ene geval tienden ontvangen door sterfelijke mensen, in het andere door
iemand van wie wordt getuigd dat hij leeft. 9 Zo zouden we dan kunnen zeggen dat ook Levi, de ontvanger van tienden,
tienden afgedragen heeft, en wel via Abraham, 10
aangezien Levi nog
in de schoot van zijn vader was toen Melchisedek Abraham tegemoet kwam.
11
Had
het Levitische priesterschap � dat de basis vormde voor de wet die het volk
ontving � de volmaaktheid gebracht, dan zou het niet nodig zijn geweest dat er
een andere priester werd aangesteld, die was zoals Melchisedek, en niet zoals
A�ron. 12
Maar
wanneer de aard van het priesterschap verandert, verandert onherroepelijk ook de
wet. 13
Welnu, degene over
wie dit alles wordt gezegd, behoort tot een andere stam, waarvan niemand zich in
dienst van het altaar gesteld heeft. 14
Het is immers bij
iedereen bekend dat onze Heer is voortgekomen uit Juda, en deze stam is door
Mozes nooit met priesters in verband gebracht. 15 Nog
duidelijker wordt het als we ons realiseren dat deze nieuwe priester, het
evenbeeld van Melchisedek, 16 geen priester geworden is op grond van de in de wet vereiste
menselijke afstamming, maar door de kracht van zijn onvergankelijk leven.
17
Over hem wordt
immers verklaard: �Jij zult voor eeuwig priester zijn, zoals ook Melchisedek
dat was.�
Wij hebben als Hogepriester nu Yeshua, Die op basis van Zijn onvergankelijk leven voor altijd voor ons kan bemiddelen bij de Allerhoogste en dat niet op basis van afstammeling is, zoals de Tora eist. Want als dat wel het geval was geweest, dan had hij �f van Levi moeten afstammen �f had de Tora moeten worden veranderd. Maar buiten die regeling om is Hij, net als Malki-Tsedeq (die ook geen hogepriester was op basis van zijn afstamming), Priester op basis van uitverkiezing! Een zinnebeeld van deze rol van priester-koning zien we ook terug in Zecharya [Zacharia] 6, waar het volgende staat geschreven:
11 Laat van het goud en zilver een kroon maken en zet die op
het hoofd van de hogepriester Jozua, de zoon van Josadak.
12
Zeg tegen hem:
�Dit zegt de HEER
van de hemelse machten: Let op, een man met de naam Telg, die aan de stam zal
uitbotten, herbouwt de tempel van de HEER.
13
Hij is het die de
tempel van de HEER
zal herbouwen; hij is het die de koninklijke
waardigheid zal dragen en zal heersen vanaf zijn troon. Er zal ook een priester
zijn op een eigen troon, en samen zullen zij het land in goede vrede besturen.
Deze Y�hoshua [Jozua] wordt ook �Yeshua� genoemd in o.a. Ezra 3 is dus een zinnebeeld van de omschreven priester-koning, de Tsemach [Telg]. Tsemach is een van de namen van de Messias! Y�hoshua krijgt hier dus als hogepriester een kroon te dragen. Een betere vertaling van vers 13 is echter �en hij zal heersen vanaf zijn troon en hij zal ook een priester op zijn troon zijn en vredig beraad zal er zijn tussen hen twee�n.� �Hen twee�n� kan worden verstaan als de Tsemach en YaHWeH. Hij is het die de Tempel zal bouwen voor YaHWeH en tussen hen beide zal vredig beraad zijn. Hoe mooi past de schoen weer aan de voeten van onze Heer en Verlosser! Yeshua is wederom de perfecte kandidaat voor de vervulling deze profetie.
Nakdimon