Ik kan het
Ik klopte op de deur en liep zijn kamer binnen. Hij zat achter zijn bureau en keek me aan. Ik keek naar hem, maar zei nog niks. Hij keek zo van nou...eigenlijk...heb ik niet zo veel tijd... Ik zei 'ik ga wel', draaide me om en wilde de deur achter me dicht doen. Maar hij zei dat ik wel even kon blijven. Ik zei 'nee ik ga wel, het geeft niet, ik ga wel'. Hij zei 'nee blijf maar, kom maar even'. De deur deed ik dicht en ik liep langzaam naar hem toe. 'H�, meisje, kom maar, kom maar even hier zitten, vertel me eens, wat is er', zei hij en hij zette een stoel tegenover de zijne neer. Ik ging zitten, het lukte me niet goed hem aan te kijken, ik kreeg tranen in m'n ogen. Even keek ik in zijn ogen en meteen voelde ik weer dat ik leefde. Hij keek heel lief naar me en vroeg wat er was. Hij keek naar me. Ik voelde me heerlijk. Hij bleef kijken. Hij bleef rustig zitten en bleef maar naar me kijken met zijn lieve ogen.
Er gebeurde iets vreemds. Hij bleef kijken. Zijn ogen werden groter. Hij bleef maar kijken terwijl zijn lieve ogen steeds groter werden. Groter en groter. Het klopte niet meer, zijn ogen waren groter dan zijn gezicht en toch zaten zijn ogen in zijn gezicht. Ze werden steeds groter, steeds maar groter en de grootte van zijn gezicht bleef hetzelfde.
Het was stil, helemaal stil. Hij zei niks meer, ik ook niet en verder hoorde je niks. Zo'n stilte had ik nog nooit eerder gehoord. Er was niks meer, alleen zijn ogen die steeds groter werden.
Ik wilde gaan, ik wilde weg. Ik stond op van mijn stoel en wilde naar de deur lopen, maar de deur was er niet meer. Hij was verdwenen. Ik zocht overal naar een deur maar vond er geen. Ik zei niks, dat kon niet, dat ging niet. Ik stond in dat kamertje. Ineens voelde ik de grond niet meer onder me. Ik stond er wel, maar voelde mijn voeten niet op de vloer. Ik voelde mezelf niet meer. Ik zweefde een beetje, maar toch ook niet. Ik wilde weg, weg uit dat kamertje. Zijn ogen bleven maar groter worden en hij zat daar nog steeds achter zijn bureau. Ik wilde weg. Ik begreep het niet meer. Ik kon niet weg, ik kon nergens heen. Ik werd zenuwachtig. Ik snapte het niet. Het werd best een beetje eng. Ik raakte in paniek. Ik wist niet meer wat ik moest doen. Het werd heel eng. Het ging maar door. Zijn ogen steeds groter. Een vreselijke stilte. Ik kon het niet meer verdragen.
Ineens zat ik helemaal vol angst. Angst om er altijd vast te zitten en er nooit meer uit te kunnen komen. Angst om niet verder te kunnen. Op een gegeven moment was ik zo bang dat ik heel hard begon te gillen. Niemand had ooit zo lang en zo hard gegild. Het was een wanhopige gil uit angst. Een gil om hulp. Een gil, die niemand hoorde.

Ik schrok wakker. Mijn deken lag half over me heen. Tranen stroomden over mijn wangen. Ik was verschrikkelijk bang. Zo snel als ik kon pakte ik mijn deken en deed hem zo goed en zo strak mogelijk om me heen. Nooit eerder had ik z�'n angst gevoeld.

Een maand later gebeurde er precies hetzelfde. En die maand erna nog een keer, en nog een maand later weer. Het leek elke maand terug te komen en elke keer weer had ik het gevoel nog nooit zo bang te zijn geweest.
Ik werd kwaad. Ik werd woedend. Op die man. Op die man die daar zat in zijn kamertje. Wel was die man de enige die aandacht aan me schonk. De enige die echt naar me wilde luisteren en er de tijd voor nam. De enige bij wie ik me geheel en al op m'n gemak voelde. Ik kon bij hem mijn verdriet kwijt, en m'n vreugde. Alles kon ik bij hem kwijt. Ik vond troost bij hem.
De inmiddels wekelijks terugkerende nachtmerrie begon langzamerhand een gewoonte te worden. Het werd een deel van mijn leven. Het hielp me met al m'n verdriet. Het hielp me mijn tranen voor de rest van de wereld te verbergen. Zo heb ik vele nachten liggen huilen en troost gevonden bij die man. Ik kon niet meer zonder hem. Ik verlangde soms zelfs naar hem omdat ik iets kwijt wilde. Hij was alles voor me.

Op een gegeven moment begon ik wat meer na te denken over mezelf. Over mijn gedrag. Over mijn leven. Ik merkte dat ik eigenlijk behoorlijk gesloten was en erg in mijn eigen wereldje leefde. Niemand wist eigenlijk ook maar iets van mij en ik begon in te zien dat ik geen vrienden had. Ik begon in te zien dat ik met niemand omging. Ik merkte dat ik eigenlijk altijd bang was. Dat ik bang was voor iedereen en alles. Dat ik bang was voor mezelf en om mezelf bloot te geven. Ik durfde niets. Ik sloot me op in mezelf. Ik begon mijn leven van bovenaf te bekijken, hoe moeilijk dat ook was, en ik kon concluderen dat de afgelopen jaren hetzelfde zijn gebleven. Dat alles door is gegaan, maar ik stil ben blijven staan. Ik was niet verder gegaan in mijn leven. Het leek of ik inderdaad een paar jaar vast had gezeten in dezelfde nachtmerrie.

Nu wil ik eruit. Het is genoeg geweest. Ik moet er gewoon uit. Dit was geen leven. Dag in, dag uit sloot ik alles in mezelf op. Ik leefde in verdriet en angst en de rest van de wereld kende ik niet en wilde ik niet kennen. Zo was mijn leven en ik was er gewend aan geraakt. Maar nu wil ik eruit. Ik wil weg. Ik wil uit die verschrikkelijke nachtmerrie. Ik wil weer leven. Echt leven. Alles is de schuld van die man geweest. De angst was vreselijk en ik heb heus verscheidene keren geprobeerd niet zijn kamertje binnen te gaan, maar je kan helaas niet zelf bepalen wat er gebeurt in een droom. Je ziet geen gevaar als je daar bij de deur van zijn kamertje staat. Het lijkt de normaalste zaak van de wereld en je bent ontzettend blij dat hij tijd voor je heeft. Je kijkt in zijn lieve ogen en het voelt vertrouwd. Je voelt je de gelukkigste mens op aarde. Pas als zijn ogen groter worden en je de deur niet meer kan vinden besef je dat je vast zit en ontstaat er een enorme angst. Je merkt pas dat het een nachtmerrie is als je er al in zit. Dat is het vervelende.

Nu moet ik bewijzen voor mezelf dat ik zonder hem kan leven. Ik moet mezelf laten zien dat ik sterk ben. Dat ik het kan. Dat ik best zonder die man kan en zelf mijn verdriet kan verwerken. Ik zal het bewijzen. Ik zal mijn zelfvertrouwen proberen te vergroten en mezelf leren te uiten. Ik zal proberen met mensen om te gaan en vrienden te maken. Ik zal proberen te praten en te verwerken. Ik zal het proberen. Hoe moeilijk en hoe eng ik het allemaal ook vind. Ik zal het proberen. En ik weet dat ik het kan. Die verdomde man heeft me enkele jaren in angst laten leven. Ongelofelijk kwaad ben ik op hem. Hij is het die mijn leven zo heeft gemaakt. Ik wil er nu uit. Ik wil er gewoon uit. Ik wil leven, zonder hem. Ik haat hem. Ik wil dat hij voorgoed verdwijnt en ik zal ervoor zorgen dat hij zal verdwijnen. Ik zal bewijzen dat ik het wel red zonder hem. Hij zal zien dat ik hem niet meer nodig heb. Nooit meer.
Hosted by www.Geocities.ws

1