Ze lijkt zo schoon dit nieuw schip, maar ��n ding blijkt alweer. Het vuile werk komt als vanouds op onze schouders neer. Je kijkt vanonder naar omhoog, maar niemand hoort of ziet je. Hoe nieuw dit wonderschip ook  lijkt het blijft het oude liedje.
Stook de vlammen maar op, hou de ketel heet. Gooi een schep in de oven, die kolen die vreten. De lucht in m�n longen verkoolt compleet onder wolken van stom en stoom en zweet. Is dit nou dat prachtige leven hier aan boord?
Als jochie van een jaar of acht begon ik in de kolenmijn, begraven in een diepe schacht; zo stierf m�n ziel steeds meer. Ik snakte naar lucht en vluchtte zo ver als ik kon. Aan boord van dit schip, zo�n kanjer van tienduizend ton. En ik dacht dat daar een nieuw leven begon!
Ja, de zee was altijd een droom van mij. Tussen wolken en wind daar ben je vrij! Maar niemand ontsnapt aan zijn lot; ik ken mijn plaats.
Ik ruil een schacht voor kolengruis, voor zweten in het ketelhuis en zeven dekken hoger zit een vent, die speelt de baas.
En weer zit ik vast, begraven in staal en in chroom. De ovens aan boord verbranden mijn dromen tot stoom. En geen mens houdt deze machines in toom.
�Sneller, ga sneller nog, man,� brult de baas in mijn oor. En de gigantische schroeven die ploegen maar door. Voor een eerste reis gaan we veel te snel. Alle ketels koken al veel te fel. Maar we moeten sneller, dat is het bevel.
Ze krijgt het zwaar. Echt waar!
Hosted by www.Geocities.ws

1