![]() |
|||||
| In deze kerker, koud als steen. Denk ik aan hem, hoor ik steeds zijn stem dwars door de muren om me heen. Zelfs achter tralies ben ik vrij, omdat wij, allebei, ons leven lang verbonden zijn. Wij drinken samen uit een beker, nooit was ik zo zeker. Er bloeien duizend rozen om ons pad. En ik zag toen ik innig bad, knipoog van God, bovendien. Een knipoog van God. |
|||||
![]() |
|||||