De bijen behoren tot de dieren,
waarmee de mens zich al zeer vroeg heeft bemoeid
om uit hun werkzaamheden voordeel te halen.
Aanvankelijk bleef dit beperkt tot het leeghalen
van de verzamelplaatsen waarin zij hun
honingvoorraad hadden opgeslagen. Maar na verloop
van tijd werd de verzamelaar bijenhouder, imker,
door de bijen binnen zijn bereik te brengen,
"woningen" voor hen beschikbaar te
stellen en een gedeelte van de zorg daarvoor op
zich te nemen.
Een kort overzichtje :
Prehistorie
Vooraleer de mens op de aarde verscheen, waren er reeds bijen. Dit weten we uit
de afdrukken van bijen die in gesteenten van het Tertiair (25 miljoen jaar
geleden) teruggevonden werden. De eerste honingrover was de beer. Met dit dier
als voorbeeld trok de voorhistorische mens weldra op honingjacht. De oudste
tekeningen over honingrovers dateren van ongeveer 12.000 jaren voor Christus
(gevonden in de buurt van Valencia - Spanje). De Egyptische dynastie�n lieten
ons eveneens tal van geschriften na. Honing en bijenwas werd toen reeds als
geneesmiddel aangewend. Bijenwas werd ook gebruikt voor het vervaardigen van
schrijftafels en bij het balsemen van de doden.
Beschavingen rond de Middellandse Zee
Ook de Perzen en de Grieken kenden de bijenteelt. In die tijd werden bijen als
rijkdom beschouwd. De Romeinen waren de eersten die echt bijenstanden hadden en
ook honingmarkten hielden. Zowat 300 j.v.Chr. beschrijft Aristoteles in zijn
"historia animalum" het leven van de bijen. Hij kende het bestaan van de
koningin, de darren en de werksters. Hij wist ook al iets af van de
werkverdeling onder het volk : dat er jonge bijen zijn en wachters. Hij kende
ook de vijanden van de bijen : de wasmotten, de horzels en de insectenetende
vogels. De Bijbel, de joodse Talmoed en de Koran schenken eveneens bijzondere
aandacht aan de bijen (het land van melk en honing).
Middeleeuwen
In die tijd was het vooral Karel De Grote die de bijenteelt gunstig
be�nvloedde. Hij vaardigde wetten uit die de bijenteelt moesten helpen
beschermen. Honing en bijenwas dienden voor het betalen van belastingen. De
bijenteelt kende dan ook een grote bloei. Het was toen dat de eerste
bijengilden ontstonden. Deze bloei hield aan tot in het midden van de 16de
eeuw, ogenblik van de ontdekking van Amerika. Men begon rietsuiker in te
voeren. Ook vond men vervangingsproducten voor bijenwas als grondstof voor
kaarsen.
Renaissance, de 17de en 18de eeuw
De ontdekkingen volgen elkaar snel op. Mede door de ontdekking van de
microscoop ontdekte de Nederlander SWAMMENDAM dat de koningin eierstokken heeft
en ontdekte men de spermatozo�den van de dar. In 1772 kwam men tot de bevinding
dat de bijen door, celvergroting, een koningin uit een gewone laarve kunnen
kweken. De Zwitser HUBER wordt aanzien als de ontdekker van de wasklieren en
eveneens van het feit dat de koningin al vliegend bevrucht wordt.
19de eeuw
In 1845 ontdekt men de parthenogenesis of ongeslachtelijkevoortplanting van de
darren. Dan kwam plots midden de 19de eeuw de grote omwenteling. Men ontdekte
het losse raam, zodat het niet meer nodig was de raten uit de bijenkorf te
snijden.
20ste eeuw
In onze eeuw ontdekte men o.a. de bijenparasiet die de zo gevreesde
Nosema-ziekte verwekt, de vuilbroedparasiet, de arbeidsverdeling in de
bijenkolonie en doet men belangrijke vaststellingen omtrent de zintuigen van de
bijen en hun communicatiemiddelen : de bijentaal. Tot op heden zijn duizenden
wetenschappers bezig met de studie en het onderzoek van wat men "het meest
onderzochte en beschreven dier ter wereld" mag noemen. Recentelijk wordt de
bijenteelt geconfronteerd met een vooralsnog onuitroeibare parasitaire ziekte :
de Varroase