Dertig jaar na zijn dood leeft de naam van Che Guevara nog voort in gans Latijns-Amerika en elders. Wat hij verwezenlijkt heeft, is dubbelzijdig. Als een heroïsche, ongekorrumpeerde internationalist en revolutionair, blijft hij een in spiratiebron voor de strijd tegen onderdrukking. Anderzijds hebben zijn fouten en verkeerde methodes betekend dat de energie van massa's jongeren, vooral in Latijns-Amerika, in verkeerde banen werd geleid. Het is een paradox dat zijn ideeën een mislukking van de revolutie in een aantal landen heeft betekend waardoor de overwinning van de kontinentale revolutie die hij zo entoesiast propageerde niet bereikt kon worden.
Ernesto Guevara de la Serna werd op 14 mei '28 in Argentinië geboren in een welgesteld gezin. Als Che in '53 in versneld tempo zijn medische studies beëindigt, heeft hij er een interessante tocht doorheen Latijns-Amerika opzitten, gedeeltelijk op de motorfiets. De ellende van de Chileense mijnwerkers en de leprozen in de Amazone doen hem besluiten dat politiek voor hem prioriteit zal hebben op geneeskunde. Hij richt zijn intellektuele honger meer en meer op "San Carlos" (zoals hij Marx noemt). Zijn reis overtuigt hem van de notie van internationalisme, wat een blijvend thema in zijn denken zal blijven.
Gedurende zijn tweede reis in '53-'54 engageerde hij zich voor het eerst in het politieke leven. Hij is aanwezig in Guatemala als het linkse regime van Arbenz in '54 door de VS ten val gebracht wordt. Arbenz had het gewaagd de machtige fruitmultinationals voor het hoofd te stoten door een landhervorming af te kondigen. De fatale politiek van het intakt houden van het kapitalistische staatsapparaat liet een diepe indruk op Che's politieke standpunten. Hij zou vijf jaar later vastberaden zijn deze fout niet te herhalen.
Zij die Guatemala moeten ontvluchten, belanden in Mexico waar kontakten gelegd en hernieuwd worden met Cubaanse bannelingen. Daar ontmoet Che Fidel Castro, die bekend was geworden door een aanval op de Moncadakazerne. Zijn "Beweging van 26 Juli" (M26) is zeker geen marxistische partij. Hun doel bestaat erin de Batista-diktatuur omver te gooien en een burgerlijke demokratie in te stellen in Cuba. Che besluit bij deze groep aan te sluiten.
Hij wordt betrokken bij de guerillastrijd die drie jaar zou duren. Che is bij de 82 die met de boot "Granma" in Cuba ontschepen (2 december '56) en een guerrilla in de Sierra Maestra opzetten waar Che kommandant wordt van één der kolonnes die in '58 Santa Clara bevrijdt. Wanneer de "barbudos" (bebaarde guerrillero's) in '59 Havanna triomfantelijk binnentrekken, staan ze voor een zware opgave. Cuba onder diktator Batista was een monokultuur van suiker (met kontrole van de VS en 8% grootgrondbezitters die 71,1% van gronden bezaten), een gokparadijs voor maffiosi, een testgrond waar VS multinationals hun modernste kommunikatiemiddelen en beheerstechnieken uittestten en een land dat afhankelijk is van import uit de VS voor duizenden basisprodukten.
In '59 was het denken van Fidel nog ambivalent, hij verklaarde het "een verschrikkelijk probleem van onze tijd dat men moet kiezen tussen het kapitalisme dat mensen uithongert en het kommunisme die ekonomische problemen oplost maar de vrijheden onderdrukt". Ook de Cubaanse KP, in begin zeer wantrouwig tegen de M26 en "gangster Fidel", biedt geen perspektief. In hun theorie voor een fase van eenheid met "progressieve nationalistische kapitalisten" hadden ze in '33 Batista gesteund, daarna veroordeeld als "nationaal verrader op de loonrol van het imperialisme" om in '38 (in het Roosevelttijdperk) met Batista in een regering te stappen.
De druk van de VS en van de omstandigheden (invasie, sabotage) dreef het Castrisme echter in een dynamiek van permanente revolutie: een regering zonder kompromisfiguren, landhervorming, nationalisatie van multinationals , planning, staatsmonopolie op handel,... met enthousiaste steun van de massa van boeren en arbeiders.
Che werd de baan opgestuurd als populair rondzwervend ambassadeur en ontwikkelt al vlug een enorm wantrouwen t.o.v. de geburokratiseerde stalinistische landen. Hij ontpopt zich tot een briljant administrator van het Departement Industrie, in '59
voorzitter van de Nationale Bank en in '61 minister van Industrie. Dit facet is veel minder bekend bij diegenen die denken te dwepen met een een idealistische utopist. Gekoppeld aan de praktijk bleef Che geboeid door de problemen van de politieke ekonomie na een revolutionaire omwenteling .
De samenwerking met de USSR bleef problemen meebrengen. Zonder de USSR kon Cuba niet overleven: 1 miljoen $ steun per dag, afname van suikerquota en levering van olie aan wereldmarktprijzen, militaire ondersteuning,... De PSP (vroegere KP) fuseerde met de M26 tot de Cubaanse KP, maar spanningen bleven niet uit: uiteenlopende ekonomische opvattingen, tot en met komplotten met steun van USSR, ... Fidel stond onder druk terwijl Che zijn kritieken steeds minder onder stoelen of banken stak, o.a. in zijn verklaring van Algiers.
In '65 neemt Che ontslag uit al zijn funkties en gaat terug het pad op van de guerrilla met het idee om "twee, drie, vele Vietnams te scheppen" (zie kader). Hij belandt eerst in Kongo aan zijde van de Lumumbisten waar zijn dagboeken trouwens een flinke dosis wantrouwen spuien tegen de leiders (o.a. Kabila!) die pas 3 maand later opduiken en duidelijk hun dekadent leventje in Dar-Es-Salaam verkiezen boven de discipline aan het front.
De laatste strijd vindt plaats in Bolivië ('66) waar de guerrillero's geïsoleerd staan van de arme boeren, waar de lokale KP hen in de steek laat en waar 5.000 door VS gesponsorde troepen een klopjacht houden met de uitdrukkelijke opdracht: "Che moet dood", opdracht die uitgevoerd wordt als een gewonde Che in hun handen valt op 8 oktober '67.
Het C.W.I. en de Cubaanse Revolutie.
Onze opvattingen over Che kunnen niet begrepen worden zonder kort de standpunten van onze stroming (CWI) over de Cubaanse revolutie samen te vatten. In de vroegere koloniale wereld zien we keer op keer een proces van permanente revolutie op
gang komen: de massa's pikken het kapitalisme in zijn smerigste variant niet langer en breken het kapitalistische staatsapparaat.
De revolutie kan echter niet in het luchtledige funktioneren: de vroegere heersende klassen blijken helemaal geen "bondgenoten" te zijn, wat de stalinistische partijen ook mogen beweren, de landhervorming is dringend gezien het gewicht van de boeren, de vijandige omsingeling van het imperialisme drukt,... De uitweg is enkel buiten het kapitalisme te vinden, anders wordt de revolutie teruggeschroefd, vaak met katastrofale gevolgen.
De bolsjewieken van Lenin en Trotsky steunden op de arbeidersklasse die de leidende rol speelde in het eenheidsfront met de boeren en op een marxistische kaderpartij. De andere revoluties van deze eeuw steunden overwegend op een boerenleger geleid door een partij die ofwel sterk gestaliniseerd was (Chinese en Vietnamese KP) ofwel bewegingen die het vacuüm van een revolutionaire partij opvulden (de M26 in Cuba, de Nicaraguaanse Sandinisten). Het kopiëren van het model van de gestaliniseerde USSR was een logisch vervolg, onafgezien van de niet zo onvoorwaardelijke steun die uit die hoek kwam.
Ook de Cubaanse maatschappij ontsnapt hier niet aan: loonspanningen van 1 op 17, burokratische voordelen voor een elite, de éénpartijstaat,... Ook de buitenlandse politiek, ongeacht de reële internationalistische inspanningen (vb. steun aan Afrikaanse revoluties) ontsnapte niet aan het ondergeschikt maken van bepaalde standpunten aan diplomatieke en ekonomische belangen: de steun van Castro aan de inval van de USSR in Tsjechoslowakije ('68) blijft hiervan het schoolvoorbeeld .
Wie trouwens een minikursus in stalinistisch "denken" wil, hoeft slechts de pers van de Belgische maoïsten na te pluizen: ooit was Cuba "de gewapende arm van het Sovietfascisme in Angola", nu beweren de maoïsten de enige ware vrienden van deze "echte kommunistische staat" te zijn.
Het CWI steunt de verwezenlijkingen van de Cubaanse revolutie, roept op om de boycot tegen Cuba op te heffen,... maar dit mag een marxistische analyse en kritiek niet op die punten waar de Cubaanse leiding serieus afwijkt van de beste marxistische tradities.
Na een geslaagde politieke en sociale revolutie start niet zomaar de "socialistische" (om maar te zwijgen van de kommunistische) maatschappijvorm. Over de wetten van de onvermijdelijke "overgangsfase" vindt men weinig bij Marx , Lenin,... In hun geschriften en vooral in de praktijk van de bolsjewieken, die zich voor het eerst reëel met dit probleem gekonfronteerd zagen, overwegen volgende vaststellingen:
* De markt, het geld, de waardewet (het feit dat de produktie nog steeds overwegend de vorm van koopwaren aanneemt), loonarbeid, zijn "erfenissen" van de oude maatschappij die niet per dekreet kunnen "afgeschaft" worden, de invloeden van deze kapitalistische verschijnselen blijft doorwerken...
* Anderzijds moet de algemene logika onmiddellijk een andere richting uitgaan. Niet langer individuele beslissingen o.b.v. winstmotieven zijn doorslaggevend, maar een produktieplan gericht op de behoeften van de meerderheid, alleen een "globale rentabiliteit" van de samenleving dient bewaard te worden. Dit betekent dat individuele prijzen kunnen afwijken van hun waarden indien de sociale vereisten dit dikteren. Het geld kan niet langer een eigen leven leiden als individuele kapitalen maar wordt door een centrale bank sterk geregeld als ruilmiddel en goedkoop kredietmiddel.
* Uit voorgaande blijkt onmiddellijk dat dergelijk systeem moet degenereren als het niet gekoppeld wordt aan de grootst mogelijke machtsuitoefening door de producenten zelf, dus de grootst mogelijke socialistische demokratie.
* Ook essentieel is de druk van de kapitalistische wereldmarkt die weer een andere reeks maatregelen onvermijdelijk maakt: staatsmonopolie van de buitenlandse handel, een strikte geldpolitiek,... Men hoeft maar te kijken hoe ontwrichtend de buitenlandse deviezen in de huidige Cubaanse maatschappij doorwerken. Lenin noemde in '21 de NEP (Nieuwe Ekonomische Politiek), het invoeren van meer marktmechanismen om op korte termijn de produktie te verhogen, dan ook een "taktische terugtocht".
Che sluit in grote lijnen bij dit denkkader aan. Enerzijds aarzelde hij niet die elementen van kostprijsberekening en boekhouding van de monopolies die hem efficiënt leken te gebruiken ("...niemand kan ontkennen dat monopolies een zeer efficiënt kontrolesysteem hebben, dat ze oog hebben voor elke centiem."). Maar toch stond hij zeer wantrouwig t.o.v. het zo maar overnemen van kapitalistische praktijken en begrippen in de overgangsfase. De waardewet, de onbewuste ekonomische krachten (markten, prijzen), kunnen slechts een kader vormen dat niet opnieuw een eigen leven mag gaan leiden, de bewuste inspanningen van de revolutionairen moeten dit kader, dat men niet kan negeren, wijzigen door hun ingrijpen zelf.
De ervaringen van het stalinistische blok waren voor hem een aanpassing aan de kapitalistische logika die uiteindelijk tot hun verdwijning zou leiden. Zijn afkeer was zo groot dat zijn kritiek soms de stok (te) fel in de andere richting omboog (vb. zijn benadering van de NEP onder Lenin).
Een bijzonder probleem voor de Cubaanse ekonomie was de afhankelijkheid van de monokultuur van de suiker. Op korte termijn moet een staat die met het kapitalisme breekt een "investeringsfonds" verzamelen. Cuba kon dit enkel door aanvankelijk de monokultuur te handhaven. Men zette alles op de suikeroogst met streefdoelen van 10 miljoen ton die men hoopte te halen door inzet van vrijwilligers en produktiviteitsverhoging. De produktiviteit van de stedelijke vrijwilligers ligt echter vaak 30% onder die van ervaren landarbeiders.
In dit verband raakte Che in de clinch met stalinistische elementen uit de Cubaanse leiding (Mora, Rodriguez,...) over welke "prikkels" de arbeid moeten motiveren in de overgangsfase. Buitenlandse intellektuelen werden in het debat betrokken (o.a. de Belgische ekonomist Ernest Mandel en de Fransman Charles Bettelheim). Che verkoos morele stimulansen en materiële groepsvoordelen (vb. toegang tot rekreatie) boven individuele materiële prikkels (vb. stukloon).
Deze diskussies vormen zeker een belangrijke bijdrage aan het denken over de problemen van de overgangsfase, zeker gezien de moeilijke omstandigheden waarin ze plaatsgrijpen (een klein geïsoleerd ontwikkelingsland op 150 km. van de VS). De Cubaanse ekonomist Carlos Tablada handhaaft die traditie in zijn werken over Che.
Het ekonomisch denken van Che botst ook regelmatig met het "Handboek van de politieke ekonomie" van de USSR die de dogmatische bijbel vormt voor diegenen met een PSP-verleden. Maar om korrect te zijn, komen niet alle vormen van mismanagement uit deze hoek, ook "avonturistische" fouten van de Castristische leiding zelf eisten soms hun tol:
* de beslissing in '68 om 58.000 kleine zaken en 9.179 ambachtslui te "nationaliseren" verhoogde nodeloos de schaarste naar bepaalde noodzakelijke goederen.
* de voorspelling van Fidel in '60 om in 5 jaar de levensstandaard van de Zweden te evenaren, spreekt ook boekdelen...
Che was ook steeds duidelijker in zijn kritiek op de ekonomieën van het Sovietblok en hun houding t.o.v. de ex-koloniale landen dan Fidel, toch ontbreekt ook bij hem een globale analyse van de burokratisering van de Cu baanse samenleving.
Che en de guerrilla.
Guerrilla komt van het Spaans: kleine oorlog. Bij de klassiekers van het marxisme vindt men een kritische houding t.o..v. het verschijnsel "guerrilla": mobiele groepen met
beweeglijke taktiek in een overwegend rurale omgeving kunnen zeker een belangrijk aanvullend karakter hebben in een oorlogssituatie of revolutionair proces. Maar de bolsjewieken hebben de hefboom van hun strategie gericht op de sleutelrol van het (stedelijk) proletariaat en de oprichting van de kaderpartij.
Boerenguerrilla kan hierbij een aanvullend element zijn maar vertoont ook inherente zwakheden: gebrek aan discipline, onvoldoende inschakelen in globale strategie,... Vandaar dat bolsjewistische leiders zoals Trotsky, Radek en Wollenberg botsten met anderen die één bepaalde taktiek (vb. mobiliteit) als alleenzaligmakende revolutionaire militaire politiek voorstelden.
De Cubaanse guerrilla in de Sierra Maestra kan gezien worden als een klassieke toepassing van de guerrilla die overwegend op de boeren steunde en startte zonder duidelijk socialistisch programma (in '56 pleitte Fidel nog voor "een toestand van solidariteit en harmonie tussen kapitaal en arbeid om de produktiviteit te verhogen"). Het is vooral de konkrete anti-kapitalistische politiek in de praktijk en de dreiging van de invasies in '61 die het regime zijn sociale massabasis gaven (met o.a. 200.000 mensen die toevloeiden naar de arbeiders- en boerenmilitie's). Che en het Castrisme kwamen in botsing met de Latijnsamerikaanse KP's over hun steun aan de verschillende guerrillabewegingen.
Hier worden vaak 2 theoretische kwesties verward. Enerzijds stelden de Cubanen korrekt dat de "nationale democratische etappe" van de KP's niet op de dagorde staat maar een socialistische revolutie, wat Lenin noemt "de burgerlijke staat stukslaan", een politiek vraagstuk dat ook militaire aspekten inhoudt en waarin de "orthodoxe" KP's in de praktijk niet aan dezelfde kant van de barrikade blijken te staan. Maar anderzijds herleiden de Cubanen de politieke vraagstelling tot één militair aspect: de guerrilla als sleutel in het revolutionair proces.
In zijn boek over de "Guerillaoorlog" beklemtoont Che de noodzaak van "bevrijde gebieden" zoals in de Sierra Maestra. Hier wordt het klassieke marxistische begrip de "dubbelmacht" (de "dubbelmacht": een staat in een patsstelling waarin én het oude staatsapparaat én de revolutionaire massaorganen tijdelijk vijandig naast elkaar bestaan) herleid tot een "territoriale" dubbelmacht. Che past zijn theorie in de praktijk toe in Kongo en Bolivia en theoretiseert ze in zijn slogan: "Ontketen 2, 3, vele Vietnams". De reakties zijn uiteenlopend. < /P>
De toenmalige maoïsten vallen de avonturistische kleinburgerlijke Che (hun later idool) aan en stellen hun model van de volksoorlog (Mao, Vietnam) die tenminste op een massabasis berust. De andere vraagstukken (de leidende rol van de arbeidersklasse, herleiden van revolutionaire strijd tot militaire en geografische aspekten) vegen ze onder tafel.
Zij die Che toejuichen gaan nog verder dan het origineel. InWest- Europa leert men de ervaringen van Che vooral kennen via zijn Franse medestander Régis Debray (latere medestander van Mitterand) die ze helemaal herleidt tot "focisme"; de "foco" of brandhaard van guerrilla in "derde" wereld als universele korrekte revolutionaire taktiek. Ook sommigen die zich op het trotskisme beroepen (o.a. Mandel) gaan in die stroom mee.
In Argentinië bestond binnen het Peronisme een massale jongerenorganisatie (300.000 leden), de Monteneros, die snel naar links evolueerde. Bepaalde krachten duwden echter in de richting van "stadsguerrilla", ook de aanhangers van Mandel (ERP) kozen deze weg. Het gevolg is dat oprechte jonge revolutionairen zinloze aanvallen op kazernes ondernemen en hun banden verliezen met de werkers in een land met een sterk georganiseerde arbeiders beweging en een rijke traditie van algemene stakingen. (Deze lijn gaf aanleiding tot felle debatten en een beperkte korrektie binnen de organisatie van Mandel). Het CWI ging tegen de tijdsgeest in om deze misdadige verspilling van revolutionaire kaders aan te klagen.
De recente ervaringen in Kongo (waar Kabila precies 30 jaar na Che's dood de militaire macht neemt) tonen aan dat een eerlijke open diskussie over deze ideeën nog steeds praktische waarde heeft. Enerzijds de noodzaak om tegen de wanorde van het kapitalisme in opstand te komen en het feit dat dit niet kan in koalitie met de oude machten, het militaire aspekt van de machtsstrijd,.... maar anderzijds ook de vraagstukken over de sociale basis van de beweging, de vorming van een revolutionaire partij, de te nemen maatregelen t.o.v. het imperialisme, de noodzaak aan demokratie als zuurstof voor dit proces.
Che was een grote revolutionair, hoewel het CWI zijn mening over de guerrilla niet deelt. Het is noodzakelijk om het debat over zijn ideeën te voeren in het licht van hedendaagse ervaringen (vb. Zapatisten in Mexico, de recente gebeurtenissen in Kongo).
Eddy Decreton, Militant Links, Gent.