GESCHIEDENIS VAN DE RUSSISCHE REVOLUTIE Deel III

DE JULI-OPSTAND

Wat waren de aprildagen ?

In de vorige aflevering van deze reeks zagen we dat de februarirevolutie van 1917 aanleiding gaf tot een politieke situatie die we hebben omschreven als dubbelmacht.

Enerzijds berustte de "officiële" macht bij de Voorlopige Regering, samengesteld uit elementen van de vroegere liberale schijnoppositie in het tsaristische marionettenparlement, de Doema.

Uit de strijd van de arbeiders en opstandige soldaten waren echter de sovjets voortgekomen, basisdemokratische organen die op heel wat terreinen van het maatschappelijke leven feitelijk de lakens uitdeelden.

We zagen ook hoe Lenin de Bolsjevistische Partij wist te overtuigen van de tegenstelling, de vijandige verhouding tussen beide staatsmachten en de noodzaak de revolutie verder te drijven tot de verdringing van de Voorlopige Regering en de machtsovername van de sovjets.

Nu moeten we het onderscheid maken tussen enerzijds de feitelijke tegenstelling tussen de sovjets en de Voorlopige Regering en de mate waarin de arbeiders zich bewust waren van deze tegenstelling. Voorts moeten we er ook rekening mee houden dat de leiding van de Sovjets aanvankelijk in handen was van Sociaal-revolutionairen en sociaaldemokratische mensjevieken die geen van beiden van plan waren om de Voorlopige Regering ten val te brengen.

De politieke bewustwording van de arbeiders was een proces dat in de eerste plaats voortgestuwd wordt door hun praktische ervaringen. Elke aanvaring van de Russische arbeidersbeweging met de Voorlopige Regering markeerde dan ook een nieuw stadium in de overgang van de burgerlijke Februari-omwenteling naar de socialistische Oktoberrevolutie.

Het eerste grote konflikt tussen de Voorlopige Regering en de Sovjets waren de zogenoemde aprildagen.

Door de toetreding van de Verenigde Staten tot de oorlog was het zelfvertrouwen van de geallieerde messenslijpers gevoelig toegenomen. Zo ook de vrijpostigheid van de Voorlopige Regering waar het haar eigen veroveringsplannen betrof .

Meer bepaald op 23 maart (twee weken voor de aankomst van Lenin in Petrograd) had Miljoekov, minister van buitenlandse zaken, in de pers verklaard dat Rusland tot het einde toe zou blijven vechten tegen Duitsland en Turkije, dat de Voorlopige Regering trouw zou blijven aan alle verdragen met de geallieerden, alle imperialistische plannen waartoe de Westerse druk en de roofzucht van de Russische burgerij ook de tsaar hadden gedreven inbegrepen (de bezetting van Konstantinopel, de inlijving van een deel van Perzië en Armenïe, de verdeling van Oostenrijk enz.)

Verscheidene linkse persorganen beantwoordden het interview met enige kritische opmerkingen, de ene al even huichelachtig als de andere naïef, maar alleszins voldoende kritisch om de godsvrede tussen de sovjet en de Voorlopige Regering al een beetje aan het wankelen te brengen.

De Mensjevistische pers beschuldigde de Voorlopige Regering van opportunisme omdat deze laatste zogezegd tegen de Geallieerden niet durfde verklaren dat ze "feitelijk" tegen annexaties was.

"Deze mensen (de Mensjevistische kommentatoren-nvdr.) beschouwden de openlijke taal van de rover als huichelarij," zo beschreef de sarcastische pen van Trotsky later de Mensjevistische kritiek.

De Bolsjevistische Pravda onder leiding van Stalin en Kamenew (zoals gezegd bevond Lenin zich toen nog in het buitenland) bakte het zo mogelijk nog bruiner: Stalin greep de vergoelijkende verklaring van de Voorlopige Regering dat de oorlogspolitiek van Rusland "het zelfbeschikkingsrecht der naties zou eerbiedigen" aan om... de Voorlopige Regering te verdedigen.

Maar Miljoekov volhardde in zijn openlijke pluimstrijkerij aan het adres van de Geallieerden. Rusland had buitenlandse leningen nodig. Op 18 april verstuurde hij een nota naar alle regeringen waarin hij het oorlogsstandpunt van eind maart herbevestigde door de pleiten voor een landing op de Dardanellen.

Niet alleen de oorlogszuchtige natuur van zijn uitspraken verwekte veel opschudding bij de Russische massa's, die de oorlog goed zat waren. Omdat de Voorlopige Regering haar buitenlandse diplomatie nu in alle openheid boven het hoofd van de sovjet begon te voeren, verloor ook de verbroederingszwendel tussen de Voorlopige Regering en de leiding van de sovjet zijn laatste verblindende glans.

De arrogantie van Miljoekov brak de liberale regering zuur op. Onmiddellijk na het verschijnen van de nota in de pers, die onmiddellijk werd vergezeld van redaktionele kritieken die een beetje minder zachtgekookt waren dan deze in de edities van eind maart, brak er een spontane golf los van gewapende demonstraties.

Op 3 mei verscheen het Finland-regiment voor het Tauride-paleis, gevolgd door een kleine twintigduizend arbeiders om het ontslag van Miljoekov en nog een paar gelijkgezinden te eisen. De liberale ministers vonden de moed niet om de reaktionaire generaal Kornilow in te zetten en de beweging te onderdrukken. Zulks had haar onder de bestaande krachtsverhoudingen overigens slecht bekomen.

Er werd een nieuwe regering gevormd, ditmaal een koalitie waarin ook zes socialistische ministers, leidinggevende figuren uit de Sovjet, waren opgenomen. De nota van Miljoekow werd afgevoerd en de rust keerde voorlopig terug.

De regering Kerenski en de juni-demonstraties

De nieuwe regering die uit de aprildagen tevoorschijn gekomen was, bleek niet minder dan het homogeen liberale kabinet een instrument in de handen van de burgerij. Het feit dat de voornaamste officiële leiders van de sovjet erin op genomen waren, bracht daar geen enkele verandering in.

De tegenstrijdige verhouding tussen sovjet en Voorlopige Regering was zulk een onverbiddelijke werkelijkheid dat laatstgenoemde een kontaktcommissie in het leven moest roepen die als verzoener tussen beiden moest optreden. De mensjeviek Irakli Georgiëvitsj Tsereteli was tegelijkertijd zowel lid van het Uitvoerend Komité van de sovjet als minister van Posterijen in de Voorlopige Regering als lid van de kontaktcommissie.

Het feit dat politieke leiders zowel zetelden in de Voorlopige Regering als in de sovjet en tevens in de verzoeningsorganen tussen beiden deed niets af aan het feit dat er in Rusland twee onverenigbare staatsmachten naast elkaar bestonden en dat een beslissende konfrontatie tussen beide onvermijdelijk was.

De geschiedenis toont aan dat het eerder regel dan uitzondering is dat de meest onbetekenende en middelmatige persoonlijkheden in een dergelijke politieke impasse de wereldhistorische leidersrol krijgen toebedeeld. In dat verband schrijft Trotsky ergens dat een muntje kan balanceren op de rand van een glas, zolang het in evenwicht wordt gehouden door twee vorken.

Daarmee is dan ook zowat het voornaamste gezegd over de rechtse sociaalrevolutionair Alexander Fjodorovitsj Kerenski, de eerste minister van de nieuwe regering. In wezen was Kerenski niet meer of niet minder dan de hoogste belichaming van de laatste krachten waarmee de oorlogsinspanning van Rusland zichzelf nog overeind hield: de meest demagogisch aangelegde officieren aan het front waarvan de luidruchtige inhoudsloosheid in een beginstadium van de revolutie maar al te vaak wordt gekamoufleerd door de algemene sfeer van revolutionaire opwinding.

Kerenski's eerste noemenswaardige politieke daad bestond dan ook in een agitatiekampagne aan het front als voorbereiding van het zoveelste laatste offensief tegen de Duitsers.

Hoezeer men nog een onderscheid moet maken tussen de koers van de leiding van de sovjets en de steeds verder radikaliserende massa's blijkt uit de tegenstelling tussen de besluiten van de het eerste sovjet-kongres, dat begon op 3 juni, en de reaktie van de bevolking erop.

Het was het Sovjet-kongres, dat zowat twintig miljoen Russen vertegenwoordigde, dat Kerenski de officiële toelating gaf tot het rampzalige juni-offensief.

-------------------------------------------------------------

Samenstelling van het Sovjet-kongres (begindatum 3 juni 1917)

Aantal afgevaardigden per politieke stroming:

 

Sociaalrevolutionairen 285

Mensjevieken 248

Bolsjevieken en internationalisten 105

Kleinere groepen 139

Totaal 777

-------------------------------------------------------------

 

Over het algemeen waren de besluiten van het kongres een grote stap terug ten opzichte van de onmiddellijke verworvenheden van de Februarirevolutie. Het oorspronkelijke Order nr.1 krachtens hetwelke elke beslissing van de officieren moest worden voorgelegd aan de sovjet, werd bijvoorbeeld vervangen door een hoogdravende, nietszeggende en behoudsgezinde "Verklaring van de Rechten van de Soldaat"; werkelijke politieke macht van de massa's in het leger maakte op deze wijze (althans op papier) plaats voor formele schijndemokratie met opzettelijk vage en dus gemakkelijk te omzeilen "grondrechten".

Over het algemeen werden de besluiten van het kongres bij de massa's op vijandige reakties onthaald. Lidkaarten (van mensjevieken en sociaalrevolutionairen) werden verscheurd, de afgevaardigden van het kongres uitgejouwd.

Over het algemeen verloren de mensjevieken en SR-en na het juni-kongres hun laatste geloofwaardigheid bij het meest politiek bewuste deel van de volksmassa's, zeg maar: de voorhoede van het proletariaat en de arme boeren. Vanaf dat ogenblik verspeelden de gematige "socialisten" elk recht op een leidinggevende rol in de werkelijke straatpolitiek.

De arbeiders lieten er geen twijfel meer over bestaan wie volgens hen het recht had hen tot akties op te roepen: de partij van Lenin. Met betrekking van de druk die het kongres op de bolsjevieken uitoefende om haar geplande demonstratie "tegen de tien kapitalistische ministers in de regering" op te schorten schrijft Trotsky:

"De massa's van Petrograd lieten in elk geval de afgevaardigden (van het juni-kongres) niet in twijfel wie van nu af aan demonstraties kon organizeren en aflasten. De arbeiders van de Poetilow-fabrieken verklaarden zich eerst dan bereid, de oproep van het kongres aan te plakken, nadat zij zich uit de Pravda ervan overtuigd hadden, dat deze niet in strijd was met het besluit van de bolsjeviki." (Geschiedenis der Russische Revolutie, dl.I, p. 518)

Nadat de bolsjevieken de demonstratie hadden uitgesteld, dacht de regering en de leiding van de sovjet het verloren terrein terug te kunnen winnen door zelf een betoging op touw te zetten waaruit dan zou moeten blijken dat de bolsjevieken niet over een belangrijke aanhang beschikten.

Tegenover de bolsjevistische afgevaardigden verklaarde Tsereteli met een tragi-komische arrogantie: "Nu zullen we een open en eerlijk beeld krijgen van de socialistische krachten ... Nu zullen we zien wie door de meerderheid wordt gevolgd, U of wij." De geschiedenis vertoont in haar kritieke momenten soms de eigenaardige neiging om de waarheid in de mond te leggen van hen die er het strengst door worden gelogenstraft.

De arbeiders van Petrograd beantwoordden inderdaad massaal de oproep voor de demonstratie van 18 juni. Met vierhonderdduizend waren ze, opgesteld in ordelijke groepen. Maar tot hun grote onthutsing ontdekten de rechtse socialistische leiders die de stoet opwachtten bij het Marsveld dat de regeringsgezinde spandoeken totaal waren ondergegaan in de ondoordringbare massa van bolsjevistische leuzen zoals "Alle macht aan de sovjets!", "Weg met de tien kapitalistische ministers!".

De juni-dagen vormden het stadium in de Russische Revolutie waarin de meest politiek bewuste arbeiders zich ondubbelzinnig achter het programma van de bolsjevistische partij schaarden.

De juli-demonstraties

De verovering van de politieke voorhoede van de arbeidersklasse door de echte revolutionaire partijen vormt een beslissend stadium in de ontwikkeling van de revolutie.

Op zich blijft het echter een tussenstadium in de richting van de machtsovername. Anders uitgedrukt: het is niet omdat de voorhoede gewonnen is voor een revolutionair programma dat de tijd voor de werkelijke machtsovername rijp is. Eerst moet op zijn minst de meerderheid van de arbeiders en als het even kan, de meerderheid van de bevolking, bewust geworden zijn van de noodzaak tot een werkelijke machtsovername.

Toegepast op de konkrete situatie anno 1917 in Rusland betekende dit: een opstand van de Petersburgse arbeiders kon de macht althans in Petrograd zelf wel veroveren, maar slechts tijdelijk behouden. In een dergelijk stadium zou de kontrarevolutie nog steeds voldoende krachten uit de maatschappij kunnen opzuigen om de revolutie neer te slaan.

Anderzijds is het evengoed een steeds terugkerend verschijnsel dat de voorhoede juist in deze fase haar laatste geduld verliest "en maar zelf aan de slag gaat"(al dan niet geprovoceerd door de politieke machthebbers of andere vijanden van de revolutie). De Commune van Parijs in 1871, de januari-opstand van de Duitse Spartakisten in 1918, de Beierse radenrepubliek in 1919, de opstand van Oviedo met het uitroepen van de Asturische Commune in 1934 vlak voor de Spaanse burgeroorlog ... en nog een massa andere voorbeelden in de twintigste eeuw geven er ons voldoende bewijs van dat dit soort voorbarige opstanden een regelmatig, zo al niet noodzakelijk gebeuren vormen in een revolutionaire periode.

Na aanvankelijke terreinwinst liep het juni-offensief van het Russische leger te pletter op een vreselijke nederlaag die de laatste wil van de Russische soldaat om voor de regering Kerenski en de Geallieerden te vechten totaal knakte. De pogingen van de Voorlopige Regering om de nederlaag te bemantelen mislukten en de liberale Kadettenpartij trok al haar ministers terug uit de regering in de hoop dat Kerenski en de rechtse socialisten op hun eentje de verwijten zouden moeten inkasseren. Het was juist het nieuws van het aftreden van de liberale ministers dat de lont stak aan de zogenoemde juli-dagen van het Petersburgse proletariaat.

De vijfendertigduizend arbeiders van de Poetilow-bedrijven waren in alle staten en tegen de bolsjevistische arbeider Lisdin zeiden de soldaten van het honderdtachtigste regiment reservisten: "Wat zitten onze mensen daar toch te leuteren in de villa Kjessinskaia (het hoofdkwartier van de bolsjevieken)! Laten we toch oprukken en de regering Kerenski wegjagen !"

Heel wat lokale bolsjevistische kaders lieten zich door de opwinding meeslepen of begonnen eigenhandig, tegen het advies van de leiding in, de agitatie voor de beslissende machtsovername op te voeren. Het half miljoen demonstranten waarmee op 4 juli de straten van Petrograd volstroomden, verkeerden oprecht in de overtuiging dat zowel de bolsjevistische als mensjevistische leiders van de sovjet gedwongen konden worden om de macht over te nemen.

Zowel Lenin als Trotsky waren er zich van bewust dat de beweging voorbarig was en in het beste geval tot Petrograd geïsoleerd zou worden.

Vanaf 4 juli was de juli-opstand echter een feit. Op 5 juli voeren zesduizend matrozen van de marinebasis Kronstadt de Newa op en bezetten de Peter-en Paulvesting, de voornaamste schans van Petrograd. Straatgevechten en massa-demonstraties waren de volgende dagen schering en inslag.

De menigte die dezelfde dag naar het Tauride-paleis optrok, botste rond de middag op enkele kleine patrouilles regeringsgetrouwe kozakken, die door een spervuur van kogels uit de massa op de vlucht werden gejaagd. Eens bij het Tauride-paleis aangekomen begonnen de demonstranten buitengewoon dreigende taal te spreken aan het adres van de mensjevistische minister van landbouw Tsjernov, die buitengekomen was om de gemoederen te bedaren.

Een stevig uit de kluiten gewassen arbeider zou volgens de versie van Miljoekow, de liberale minister van voor de aprildagen, zijn vuist onder de neus van Tsjernov hebben gehouden en hem hebben toegeschreeuwd: "Neem dan toch de macht, jij smeerlap, als die je wordt gegeven!".

Het was door de persoonlijke tussenkomst van Trotsky dat Tsjernov niet voortijdig het tijdelijke voor het eeuwige moest inruilen. Waar dat mogelijk was, leidden de bolsjevieken de zaken zo veel mogelijk in vreedzame banen, maar waar een gewelddadig treffen onvermijdelijk was, hadden zij de opdracht zich als de meest moedige strijders te gedragen.

Hoewel Lenin en Trotsky de juli-beweging veel te voorbarig vonden en dat ook openlijk zo stelden, sloten zij er zich, eens ze een voldongen feit was, toch bij aan. Het is beter een nederlaag met de massa's te lijden dan werkloos toe te zien en hun vertrouwen te verspelen, zo redeneerden ze ...

Uiteindelijk haalden de naar Petrograd ontboden regeringstroepen toch de overhand. Revolutionaire regimenten werden ontbonden, betogingen en samenscholingen met harde hand uiteengesabeld. Aan het front werd opnieuw de doodstraf ingevoerd en de kantoren van de Pravda werden kort en klein geslagen.

De bolsjevieken die niet konden onderduiken werden achter slot en grendel gezet of door hun ontgoochelde werkmakkers verjaagd. Trotsky verdween in de gevangenis en Lenin moest de wijk nemen naar de Razliv-moerassen alwaar hij de volgende maanden in een sobere hut leefde vermomd als Finse treinstoker. Om de junibeweging de baas te kunnen, leverde de "centrum-linkse" regering van Kerenski zo goed als de macht over aan de kontrarevolutionaire officieren. In de overtuiging dat de bolsjevieken definitief verslagen waren, begonnen deze laatsten er een beetje genoeg van te krijgen om voor de Voorlopige Regering de kastanjes uit het vuur te halen en begonnen zelf in de richting te denken van een militaire diktatuur die voor eens en voor goed "de orde" zou herstellen.

In augustus zou Kerenski ondervinden dat men, zoals Napoleon verklaarde, wel een troon kan bouwen met bajonetten, maar dat het moeilijk valt om erop te gaan zitten...



De Militant
Hosted by www.Geocities.ws

1