| De Europese vakbondsbeweging |
Het is onmogelijk om in één artikel een volledig beeld te schetsen van de Europese vakbonden. Hier wordt dan ook enkel ingegaan op een paar grote lijnen.
De vakbonden in Europa: een heterogeen geheel
Het Europese continent is de bakermat van het kapitalisme maar is op een ongelijk ritme ontwikkeld in de verschillende landen. Het gevolg is dat ook de vakbonden op verschillende ritmes en vormen zijn ontwikkeld.
De Europese vakbondswereld is bijgevolg een heterogeen geheel. Zo hebben de vakbonden in Groot-Brittannië de Labourpartij opgericht terwijl in België omgekeerd de Belgische Werkliedenpartij de eerste vakbonden opzette. In Frankrijk was de CGT aanvankelijk (voor 1914) een strijdbare vakbond die volledig onafhankelijk stond van iedere partij, later werd de CGT de vakbond van de Communistische Partij.
Het verre verleden volstaat niet als uitleg voor de diversiteit van de huidige situatie. In Nederland hebben we een éénmaking van de vakbonden gezien in de afgelopen decennia, waarbij vele bonden, zelfs sommige christelijke, in de formeel sociaal-democratische FNV zijn opgegaan. In Frankrijk zien we net het tegenovergestelde gebeuren: sinds tien jaar is er daar een verdere opsplitsing van de vakbonden en een kritieke daling in de organisatiegraad. En dat terwijl de Franse arbeidersklasse één van de meest strijdbare van Europa is. In België blijft de organisatiegraad erg hoog en lijken de krachtsverhoudingen vastgelegd tussen de drie vakbonden die gelieerd zijn aan de drie grote politieke families: chisten-democraten (ACV), sociaal-democraten (ABVV) en liberalen (ACLVB).
Een potentieel krachtig instrument voor protest
Ondanks de enorme verschillen zijn er een aantal gemeenschappelijke tendenzen binnen de Europese vakbondswereld. Eerst en vooral is er een daling van het aantal vakbondsleden sinds midden jaren '80 en dit terwijl het aantal loontrekkenden (arbeiders, bedienden, ambtenaren) toeneemt in vergelijking tot de andere sociale klassen (zelfstandigen, boeren).
Ondanks de daling van het vakbondslidmaatschap is de vakbond (in tegenstelling tot de voormalige traditionele arbeiderspartijen) het belangrijkste instrument geworden waarbinnen de arbeiders zich organiseren om hun rechten, arbeidsomstandigheden, loon,... te verdedigen. De herstructureringen van volledige onderdelen van de industriële activiteit, de delokalisaties (het verplaatsen van filialen naar veelal lageloonlanden), privatiseringen van openbare diensten, de toename van flexibiliteit en werkonzekerheid,... hebben gevolgen voor het grootste deel van de werknemers in Europa.
Er zijn nieuwe sectoren op het strijdtoneel verschenen (hospitalen, luchtverkeer, geldtransporteurs,...) wat een gedeeltelijke compensatie biedt voor de afname van het aantal vakbondsmilitanten in de traditionele sectoren (metaal, mijnen, haven,...). De toename van het aantal loontrekkenden, de afbraak van de arbeidsomstandigheden en het behoud van een belangrijke organisatiegraad (ondanks de achteruitgang) maken van de vakbondsbeweging een potentieel krachtig wapen tegenover het kapitalisme.
Integratie in de burgerlijke staat
In 1940 schreef Trotsky vlak voor hij vermoord werd: "Een gemeenschappelijk element in de ontwikkeling, of meer exact de degeneratie, van de moderne vakbonden overal ter wereld is hun toenadering en hun fusie met de staatsmacht". Het proces van integratie in de burgerlijke staat gebeurt op verschillende manieren in Europa, maar het is duidelijk versneld sinds de val van de stalinistische regimes in het Oostblok eind jaren '80.
Het vakbondsoverleg in België gebeurt bijvoorbeeld binnen een institutioneel kader: de nationale onderhandelingen (interprofessioneel of per sector) hebben de kracht van wet. Daarenboven zetelen vakbondsleiders in de administratieve raden van de Nationale Bank, de spoorwegen, televisie, sociale zekerheidsinstellingen en tal van andere instellingen waar ze nauw samenwerken met de patroons en de politieke verantwoordelijken. De Belgische vakbonden zijn tevens verant-woordelijk voor taken die normaal door een openbare dienst zouden moeten uitgevoerd worden (bvb. de betaling van werkloosheidsuitkeringen) en die mee gefinancieerd worden door werkgeversbijdragen waardoor de vakbonden nog meer afhankelijk worden van het patronaat en hun staat.
In Nederland zijn de bonden vertegenwoordigd in onder andere de Sociaal Economische Raad (SER), bondsbestuurders zijn nu zelfs directieleden bij de geprivatiseerde Amsterdamse Havenpool geworden en zijn zij ook anderszins een van de "erkende" partners in het poldermodel. Met name sinds het akkoord van Wassenaar in 1982, waar de vakbondstop tekende voor loonmatiging en het vermijden van stakingen, en daaraan vast bleef en blijft houden, ook nu reeds lang het (toch al verkeerde) argument van de werkloosheid niet meer van toepassing is... Typerend is dat een bekende vakbondsleider als Wim Kok (natuurlijk toen al medeverantwoordelijk voor Wassenaar) nu minister-president is geworden en de belangen van de vakbondsleden met de voeten treedt middels bezuinigingen en privatiseringen.
Vakbonden en kapitalisme
Sinds de val van de Berlijnse Muur is er een versnelling van de integratie in de burgerlijke staat. Zo worden de interprofessionele onderhandelingen in België niet langer aangewend om sociale vooruitgang voor iedereen af te dwingen, maar eerder voor zaken zoals een "loonnorm" (maximale toename van de loonkosten).
Tegenover de opening van de markten en de internationale concurrentie heeft de vakbondsbureaucratie een standpunt ingenomen op basis van haar "eigen" burgerlijke staat of de Europese instellingen om tot een "socialer Europa" te komen. In veel gevallen is het standpunt van de vakbondsleiding niet zozeer afhankelijk van de belangen van de werknemers maar van de houding van haar "eigen" burgerij.
In België nemen de vakbonden de eis op van "een sociaal Europa" wat aansluit bij het pro-Europees standpunt van de regering en het belang van de export voor de economie. In het blad Tribune (blad van het Belgische ACOD, centrale van de openbare diensten in het socialistische ABVV) verscheen een artikel waarin het Ierse afwijzen van het Nice-verdrag werd afgekeurd en waarin tegelijk Tony Blair werd gefeliciteerd met z'n herverkiezing omdat Blair "beloofd heeft de openbare diensten te moderniseren" en omdat hij "resoluut de kaart van de Europese unie speelt".
Ook in Nederland mobiliseert de vakbondstop haar leden niet tegen de EU, terwijl de EU tegelijkertijd een excuus is voor de privatisering van de energiebedrijven en de NS, die notabene hun eigen leden direct treffen! Hoe valt dat te rijmen met de prietpraat over een "sociaal Europa"?
Welke positie tegenover het Europese kapitalisme?
Het zich wegstoppen achter de nationale staat en anderzijds de pleidooien voor een sociaal Europa vormen twee elementen van de capitulatie van de vakbondsbureaucratie tegenover de burgerij en de weigering om een onafhankelijke rol te spelen.
Het enige mogelijke antwoord daarop is de nood aan coördinatie van strijdbewegingen op Europees vlak en de nood van het opbouwen van een echte internationale vakbondsbeweging.
Waarom komt er bijvoorbeeld geen Europese staking van spoorarbeiders tegen de privatiseringen? Er zijn natuurlijk praktische problemen (taal, afstand,...) maar het is de enige weg om sterkere banden aan te halen op internationaal vlak.
Vandaag is een bureaucratische structuur zoals het Europees Vakverbond een lege doos die niet gebaseerd is op de vakbondspraktijk aan de basis. Het is één van de paradoxen van de huidige situatie: terwijl de arbeidersbeweging van bij haar oorsprong sterk de nadruk gelegd heeft op internationalisme, blijft het vandaag sterk beperkt tot het nationale kader en dat terwijl de burgerij een offensief voert van "mondialisering".
Als er dan door het vakbonds-apparaat internationale initiatieven genomen worden is het veelal om de eisen van de basis te kanaliseren of te controleren. Zo werden in de strijd rond Renault-Vilvoorde actiedagen georganiseerd in Parijs of bij Renault in Douai (Frankrijk) om de woede van de arbeiders van Vilvoorde te kanaliseren en tegelijk een solidariteitsbeweging binnen de Belgische auto-mobielsector te vermijden.
De verburgerlijking van de traditionele arbeiderspartijen
Het proces van verburgerlijking van de traditionele arbeiderspartijen is zich gaan veralgemenen in de afgelopen jaren. Tony Blair en de Britse Labour partij zijn op dat vlak het verst gevorderd. Blair kon bovendien een harde pro-kapitalistische politiek voeren omwille van de nederlagen die de arbeidersbeweging opgelopen had onder het regime van Thatcher in de jaren '80.
Elders in Europa volgen de sociaal-democraten dezelfde weg, al gebeurt het soms voorzichtiger wegens de weerstand die geboden wordt door arbeiders. We merken bijvoorbeeld dat de oude arbeiderspartijen verdedigers geworden zijn van de privatiseringen van de openbare diensten.
Terwijl de objectieve voorwaarden gunstig zijn voor het ontwikkelen van een strijdbare vakbondspolitiek op internationaal vlak is de vakbeweging in crisis door de politieke oriëntaties die opgelegd worden door de voormalige arbeiderspartijen (sociaal-democratie).
Welke weg vooruit voor de vakbondsbeweging?
De crisis van de vakbondsbeweging zal zich verdiepen als er geen vernieuwing komt vanuit de basis waarbij een strijdbare oriëntatie wordt gevolgd en een volledige onafhankelijkheid wordt afgedwongen tegenover de burgerlijke instellingen (nationale staat, Europese instellingen).
Een tweede pijler van vakbondsvernieuwing is de nood aan interne democratie: verkiezing en afzetbaarheid van alle verantwoordelijken op alle niveau's, permanente vertegenwoordigers die niet meer verdienen dan een gemiddeld arbeidersloon, arbeidersdemocratie in de debatten en in de beslissingen over de oriëntatie van de vakbonden.
Wij eisen geen "neutraliteit" of "onafhankelijkheid" van de vakbonden tegenover de politieke partijen omdat dit een reactionaire utopie is. Een vakbond die strijd voert in een verdeelde samenleving kan niet aan het politieke kader ontsnappen.
In die zin zal het belangrijk zijn dat er een politiek verlengstuk komt voor de gevoerde strijd. Een politiek verlengstuk voor al diegenen die opkomen voor een samenleving waar niet de winst centraal staat maar de behoeften van de arbeiders en hun gezinnen.
Guy Van Sinoy