Meer dan één vijfde van de wereldbevolking leeft van een dollar per dag of minder. 70% van de mensen die leeft in absolute armoede zijn vrouwen. Bijna een derde van de bevolking op wereldschaal is werkloos of heeft geen voltijdse job. Tegenover die neergang van de levensstandaard staat een gigantische opstapeling van rijkdom in de handen van een kleine groep kapitalisten. In de 20e eeuw werd de wereldbevolking 4 maal groter, de wereldeconomie werd 17 keer groter. Toch is de kloof tussen arm en rijk nog nooit zo groot geweest. De rijkste 20% consumeerde 86% van alle goederen en diensten. De 225 grootste fortuinen, voornamelijk afkomstig uit de Verenigde Staten, hebben evenveel rijkdom als het totale jaarlijkse inkomen van de armste 47% van de wereldbevolking. De boodschap is duidelijk: rijk worden kan je alleen als je zelf machines, fabrieken, arbeidskracht, enz. controleert. Wie geen kapitaal bezit, kan zich ook niet - op de rug van anderen - verrijken. Rijk word je alleen maar door de arbeid van anderen uit te buiten. Jongeren en arbeiders zijn gevoeliger geworden voor de ongelijkheden en het brutale winststreven van het kapitalisme. In de aanloop naar een nieuwe economische recessie doorprikken de levensomstandigheden meer en meer de burgerlijke propaganda. Maar welke maatregelen, welk soort programma en welke organisatie is in staat om de landen uit de koloniale wereld een fatsoenlijke levensstandaard te bieden?
Om daar een antwoord op te geven, grijpen marxisten terug naar de conclusies van de strijd van de arbeiders en arme boeren in de revoluties van 1905 en 1917 in Rusland. In het begin van de 20e eeuw waren Afrika, Azië, Rusland en grote delen van Latijns Amerika reeds herleid tot verstrekkers van goedkope grondstoffen en arbeidskrachten voor de wereldmarkt. In Rusland was aanzienlijk geïnvesteerd door Frans, Engels, Amerikaans en ook Belgisch kapitaal.
Een belangrijk element in de sociale structuur van Rusland, en politiek
overheersend in de figuur van de tsaar, was op dat moment nog het
quasi-middeleeuwse grootgrondbezit. De boeren moesten een overschot
afstaan aan de feodale heer. Vandaag is het feodale grootgrondbezit in
koloniale landen meestal vervangen door kapitalistische landbouw, waarbij
kleine boeren worden kapotgeconcurreerd door grote multinationals.
De vraag kwam destijds reeds op in het feodale Rusland, maar ook vandaag in bewegingen tegen dictators in onderontwikkelde landen: is er een fase nodig waarin wordt samengewerkt met de "nationalistische burgerij" om het land er economisch en politiek weer bovenop te helpen, vooraleer er aan socialistische maatregelen kan worden gedacht? Leon Trotsky, naast Lenin de belangrijkste leider van de socialistische revolutie van 1917 in Rusland, wees zo'n scenario van de hand. De Russische burgerij kon het land niet ontwikkelen zonder het geld van de westerse kapitalisten. De Russische kapitalist neigde ernaar om op de tsaristische politie te gaan steunen, uit schrik voor de reeds vroeg onafhankelijke arbeidersklasse. In de strijd voor een parlementair stelsel was hij meer begaan met de vrees voor arbeidersactie dan met de tsaristische tegenstander.
Enkel de arbeidersklasse kon het land aan de boeren geven en de door de tsaar onderdrukte nationaliteiten hun recht op zelfbeschikking. De boerenstand was te verdeeld tussen rijke en armere lagen om een onafhankelijke politieke leiding te creëren. Het was een klasse die dacht in individuele belangen. De rijkere lagen keken uit naar de burgerij. De armere boeren volgden de arbeidersklasse. Enkel de machtsovername door de arbeidersklasse in 1917 kon de democratische taken realiseren. Ze zou hiermee echter niet stoppen en al snel overgaan tot socialistische maatregelen: nationalisaties van de bedrijven onder arbeiderscontrole en de instelling van een democratisch gecontroleerde planeconomie. De revolutie verkrijgt een permanent karakter en kan enkel standhouden wanneer ze navolging krijgt in de meer ontwikkelde geïndustrialiseerde landen, waar de economische basis voor socialisme wel bestond.
Het geïsoleerd blijven van het economisch en cultureel achtergebleven Rusland leidde tot de opkomst van het stalinisme. Na de Tweede Wereldoorlog zorgde de uitzichtloze situatie in de koloniale landen en de aanwezigheid van een schijnbaar alternatief in Rusland voor een reeks revoluties volgens een bureaucratisch misvormd patroon. Steunend op een boerenleger balanceerden stalinistische en andere radicale leiders tussen de klassen om hun eigen macht te vestigen naar het model van stalinistisch Rusland (China, Noord-Korea,...). Nergens was de macht in handen van democratisch verkozen comités van arbeiders en boeren. Een elite kreeg het voor het zeggen en duldde geen partijen naast zich die echte arbeidersdemocratie verdedigden.
Met de voorbeelden van de Aziatische Tijgers (Zuid-Korea, Taiwan,...) probeerde de burgerij de inefficiëntie van het kapitalisme in de koloniale wereld te verdoezelen voor de crisis van 1997. Recente voorbeelden (zie hiernaast) tonen aan dat het onmogelijk is om, zelfs tijdelijk, neokoloniale landen op kapitalistische basis verder te ontwikkelen.
|
Congo
In Congo werd in 1997 de dictator Mobutu
opzij gezet. Een massabeweging
onder leiding van Kabila bracht een nieuw regime aan de macht. De
organisatie van Kabila, het ex-maoïstische AFDL, had echter al enige tijd
het perspectief van socialisme laten vallen. Dit weerspiegelde een
algemene trend. Verschillende guerillabewegingen in o.a. Afrika en Latijns
Amerika pasten zich in de jaren '90 aan de markt aan. Met de omverwerping
van het stalinisme was voor hen de mogelijkheid van een alternatief
weggevallen.
Gezien de veranderde krachtsverhoudingen op wereldvlak was Kabila niet
bereid om de confrontatie met het imperialisme aan te gaan. Hij schipperde
tussen deals met westerse bedrijven en populistische slogans naar de
bevolking toe. Bij gebrek aan democratische controle door de massa's
ontwikkelde zich al snel een corrupt en repressief regime. Etnische
spanningen werden op cynische wijze aangewakkerd. De levensstandaard kon
onder het kapitalisme niet worden opgetrokken. Congo bleef onderworpen aan
de voorwaarden van de wereldmarkt, wat vandaag hongerlonen en armoede met
zich meebrengt.
Dit wil niet zeggen dat een socialistisch antwoord eenvoudig zou zijn.
Volgens ons had Kabila de werkende massa's in de stad en op het
platteland, en de kleine handelaars, de kans moeten geven om zich te
organiseren in vrij verkozen comités en vakbonden. Hij had een plan voor
de productie en verdeling van voedsel moeten laten bediscussiëren, de
natuurlijke rijkdommen in gemeenschapsbezit brengen en, tegen een
imperialistische boycot in, handelspartners moeten zoeken in het
buitenland. Je moet je voorstellen wat voor een effect zo'n echte regering
van de werkende bevolking en de arme boeren zou hebben op de regio. Een
internationale oproep voor socialisme zou al snel belangrijke bewegingen
in gang zetten en pogingen tot interventie door het imperialisme in het
nauw drijven.
De strijd op voorhand beperken tot burgerlijke perspectieven haalt elke
dynamiek uit een beweging. Het CWI vecht voor elke democratische opening,
maar dit kan niet kunstmatig worden gescheiden van de strijd van arbeiders
en arme boeren voor het socialisme.
|
Indonesië
Eind jaren '90 werd in Indonesië de militaire dictatuur van Soeharto omvergeworpen. In 1999 kwam Wahid als president uit de verkiezingen. Sinds de Aziatische crisis van 1997-98 zit Indonesië economisch echter in slechte papieren. Wahid maakte veel beloften en aarzelt nu, uit schrik voor sociaal protest, om het land voor de multinationals open te stellen. Dit is een voorwaarde om leningen te krijgen van het IMF. De laatste maanden wordt het Indonesisch regime verscheurd door conflicten tussen de fractie van Wahid en die van vice-president Megawati, waarbij die laatste op steun kan rekenen binnen de legerleiding.
Net als in de beweging tegen de dictatuur van Soeharto zijn er vandaag linkse krachten, zoals de Democratische Volkspartij, die beweren dat er enkel voor een meer "democratisch kapitalisme" kan worden gevochten. Deze partij vindt dat Wahid moet worden beschermd tegen de oude krachten van de dictatuur. Maar Wahid is een neoliberale politicus. Hij balanceert tussen verschillende partijen en zelfs klassen om zijn eigen vel als kapitalistisch politicus te redden. Bovendien deinst hij er niet voor terug om het leger in te zetten tegen minderheden die met hun strijd voor onafhankelijkheid de investeringen van multinationals als ExxonMobil in het gedrang brengen. Om de band met de onderdrukte minderheden in Indonesië te behouden is het nodig om het recht op politieke zelfbeschikking te erkennen, maar er tegelijkertijd de beperkingen op kapitalistische basis van aan te tonen. Ook de ervaring in Indonesië toont aan dat "democratie" gelijk staat aan IMF-slavernij, uitverkoop aan multinationals, besparingen, armoede en de hieruit resulterende etnische, sociale en politieke conflicten. Enkel de opbouw van een revolutionaire wereldpartij, voorzien van een socialistisch programma, is in staat om de koloniale landen een reëel perspectief op een andere samenleving te bieden. Het is die ambitie, wereldsocialisme, die het CWI in de komende historische periode wil realiseren.