| Uitgaan word steeds gevaarlijker. Het lijkt wel of er op iedere hoek tegenwoordig een of andere anabolide klerenkast met een rothumeur ligt te wachten. Normaliter heb ikzelf eigenlijk nooit problemen, omdat ik altijd uitga met ongeveer dezelfde groep, in ongeveer dezelfde kroeg, waar ongeveer gelijkgestemde mensen komen. Maar iedereen kent wel verhalen over ruzie in kroegen. En in de vier jaar dat ik nu frequent uitga is het ook wel eens voorgevallen dat er wat ophef ontstond. Meestal is dan een verontschuldigend opgestoken hand genoeg, in extreme gevallen moet er samen een pilsje gedronken worden. Afgelopen zaterdag ben ik met Stefan en een tweetal meisjes een avondje wezen stappen. Leuke avond gehad, hoewel ertussen de voor mij geregelde date en mij verder geen enkele vonk te ontdekken was. Maakt niet uit, leuke meid, niet altijd feest. Rond een uur of twee, misschien iets eerder of later, wandel ik enigszins beschonken richting bar. Niet helemaal goed geco�rdineerd plof ik neer op een barkruk, daarbij een vrij mooi blond meisje op de kruk naast mij aanstotend. Ik zeg sorry, draai naar de barman en bestel vier biertjes. Drie daarvan speel ik door aan Stefan, met mijn eigen biertje in de hand ga ik met mijn gezicht naar de zaal toe zitten. Om de een of andere reden raak ik in gesprek met het meisje dat ik zojuist aanstootte. Ze blijkt Marije te heten, 23 jaar oud te zijn en uit Culemborg te komen. Ze studeerde een of andere economische studie in een of andere niet bijgebleven Nederlandse stad waarvan ik me nog wel afvroeg of daar als student iets te beleven viel. Net toen het gesprek een beetje dood begon te bloeden kwam er een heel erg kwaad kijkende, heel erg grote kerel op me aflopen. Hij had zijn zwarte haar met een indrukwekkende hoeveelheid gel strak naar achteren gekamd. Verder viel zijn veel te strak zittende glanzende polyester shirtje mij nogal op. Hij stoot me aan, ik kijk ietwat verbaasd op. Onze blikken kruisten elkaar, en naast een afschrikwekkende bierwalm vielen mij zijn bloeddoorlopen ogen op. Ik keek weg, maar hij bleef me aanstaren. Aangezien de kerel een half hoofd groter en twee schouders breder was, en bovendien een IQ of zeventig minder leek te tellen, begon ik me ietwat ongemakkelijk te voelen. Non-verbale interactie met andere mensen is nooit mijn sterkste kant geweest, maar ik kreeg sterk de indruk dat deze man mijn aanwezigheid niet zo heel erg op prijs stelde. Zoals iedereen vast wel is opgevallen ben ik een broodmagere, nog geen 60 kilo wegende jongen met een vrij rustig karakter. Mijn permanente staat van opperste gemoedsrust is legendarisch te noemen en ik zal dan ook niet snel tot geweld vervallen. Het leek me dan ook een goed idee om het conflict uit de weg te gaan en een migratiebeweging te ondernemen. Wanneer ik opsta en weg wil lopen blokkeert mijn nieuwe buddy mij met zijn indrukwekkend opgepompte bovenarm de weg, en de moed zinkt mij in de schoenen. Naast mager en rustig ben ik namelijk ook niet bijzonder sterk. Vanaf mijn prille jeugdjaren is mij bijgebracht dat een conflict of ruzie iets is dat uitgepraat moet worden. Dat is mij op een paar kleine uitspattinkjes na altijd zeer goed afgegaan. Ik moet dan ook tot mijn spijt bekennen weinig praktijkervaring te hebben met de edele kunst van het �andere-kerels-om-helemaal-niks-afpuinen�. Noem me een pacifistische klotenhippie, maar daar ben ik eigenlijk vrij trots op. Een vlugge blik in de ogen van de naast mij staande gorilla leert mij echter dat ik er deze keer niet zonder kleerscheuren af ga komen. Hij gromt iets, en fronsend grijp ik naar mijn mobieltje. Een vriend van mij studeert �Nederlandse dialecten en aanverwante manieren van communicatie�, en samen met hem breng ik de onbestemde grom terug tot drie mogelijkheden: a. � Pardon mijnheer maar zou u met mij in discussie willen gaan over het wel een wee van de Nederlandse literatuur� b. �Ik eet graag spruitjes� c. �Wat moet je met mijn wijf� Na een vlugge blik schrapte ik optie een, en hoewel het best een �spruitjeskerel� geweest kan zijn, was er een klein stemmetje in mijn achterhoofd dat me aanspoorde om voor deurtje numero 3 te gaan. Niks, zeg ik naar waarheid. Geloof je niet, pareerde hij strijdlustig. Om zijn woorden wat kracht bij te zetten sodemieterde hij me tegen de bar aan, gevolgd door een uitdaging om mee naar buiten te gaan. Nu beviel het me aardig binnen, dus zuchtend klopt ik mijn kleren af, ondertussen balend. En toen deed ik iets wat me zelfs nu nog verbaast. In plaats van er vandoor te gaan, of lijdzaam mijn onfortuinlijke lot af te wachtten terwijl ik mijn broek bevuilde, ging ik rechtop staan. En ik begon te praten. Ik praatte voor mijn leven. Voor de vorm wachtte hij, met zijn armen over elkaar. Noem het een edel gebaar van de barbaar tegenover de po�et. En ik praatte werkelijk wonderbaarlijk. Mijn geest draaide overuren, en de redenaar in mij stond op. Op dat moment was ik een Odysseus, een John F. Kennedy (oke, wellicht een slecht voorbeeld aangezien ik van plan was dit te gaan overleven). Ik vroeg hem waarom kerels zoals hij een leuk avondje uit onmogelijk proberen te maken. Waarom hij de niet te stillen drang voelde om mij in elkaar te slaan. Wat hij ermee op schoot. Of de maatschappij nou gewoon echt een keer wat zou leren van wat er met Meindert Tjoelker, Rene Stegemans en Joes Kloppenburg gebeurd is. En het werkte echt helemaal voor gene meter. Het is de beste rede die ik ooit gevoerd heb. Hele volkstammen zouden aan mijn lippen hebben gehangen, klaar om op mijn woord op te springen en me te volgen, waar ik ook heen zou gaan. Maar hij niet. Deze achterlijke proleet, deze enorme IQ-loze klootzak met de kleinzielige geest van een dolle hond, bleef bij zijn punt: jij praatte met mijn vriendin dus ga ik jou al je tanden uit je bek rammen, punt uit. Ik besloot het op een andere koers te gooien. Een beetje slijmen kan nooit kwaad niet? Ik becomplimenteerde zijn spierballen, en vertelde hem dat ik hem zo ook wel geloofde. Zoiets van: ik weet dat je sterker bent, ik weet dat je me waarschijnlijk met een hand op je rug nog het ziekenhuis in kan slaan, je hoeft het niet te laten zien hoor. Verder speelde ik in op zijn edelmoedigheid, of dit op hem over kwam als een eerlijk gevecht. En het werkte voor gene meter. Ik stond versteld. Mijn hele arsenaal had ik tegen hem ingezet. Iedereen zou zijn gezwicht. Hussein en Bush zouden de hand geschud hebben. Hitler en de Joden zouden elkaar een lieve knuffel gegeven hebben. Satan en God zouden zich weer met elkaar verenigen. Maar hij niet. In zijn beperkte geest was slechts plaats voor een paar gedachten. Met zijn linkerhersenhelft onthield hij zijn naam, huisnummer en pincode, in zijn rechter hing slechts een gedachte: ik ga iemand verbouwen vanavond. Just my freakin luck. Het ging niet werken, dat zag ik. Ik zag hem op zijn horloge kijken, pissig omdat het allemaal veel te lang duurde. Deze keer zou ik er niet aan ontkomen en een pak op mijn donder krijgen. En, ge�nspireerd door veel te veel bier, begon een stemmetje in mijn hoofd te praten. Het moest zo zijn, zei het stemmetje, en het spoorde mij aan om hero�sch ten onder te gaan. Strijden moest ik. Tandloos door het leven gaan moest ik toch, dan is die gebroken neus extra het zelfrespect wel waard. Vuil grijnzend vroeg ik hem of het allemaal niet gewoon onzekerheid over zijn eigen mannelijkheid was. Dat hij bang was dat zijn meisje hem zou verlaten. Ik vroeg hem of hij door de immense hoeveelheid spierversterkers zijn lul nog wel omhoog kon krijgen, en of hij dit gebrek probeerde te compenseren door overdreven agressief op te treden tegen iedereen die nog wel in staat was zijn vriendin een goed beurt te geven. Dit verpakte ik in een stortvloed van moeilijke woorden, in de hoop dat de schat me niet zou begrijpen. En het leek te gaan werken. Bij het woord �onzekerheid� werden zijn ogen glazig, �mannelijkheid� versufte hem en na �immense hoeveelheid� was hij het spoor volledig bijster. Helemaal werken deed mijn plan echter niet: ik wilde hem in slaap wiegen en er dan snel vandoor gaan, maar hoewel zijn aandacht afdwaalde kwam het zover nog net niet. Toch was het genoeg. Zie je wel, het loont om een monotone stem en een brede woordenschat te hebben. Op hetzelfde moment kwam in mijn sluwe brein een plan tot volle wasdom, een ingenieuze strategische zet ingegeven door een vermetel drang tot lijfsbehoud. Qua inzicht zette het me op dezelfde lijn als vermaarde legeraanvoerders zoals Julius Caesar, Karel de Grote en Napoleon Bonaparte. En het was ongelofelijk vals. Ik wachtte even op mijn kans en greep die zodra hij kwam. Even lette mijn nieuwe vriend niet op. Mijn prachtige zwartgrijze rechterNikey ontmoette zijn indrukwekkende edele delen in een tedere collisie. Even waren mijn wreef en zijn voortplantingsorganen een en dezelfde, wat voor mijn wreef beduidend prettiger moet zijn geweest. Klokken begonnen te luiden, engelen zongen en eureka: het werkte. Het zaakje van mister Anabol 2002 bleek in ieder geval nog over genoeg gevoel te beschikken om hem op de knieen te dwingen. Met een blik die het midden hield tussen ongeloof en afschuw betastte hij zijn geklutste, kloppende testikels. En David overwon Goliath! Troje haalde het paard binnen! Hussein blijkt toch wel atoombommen te hebben en blaast het hele vrije Westen op! Ik had mijn hachje weer gered, en voor het eerst helemaal alleen. Ditmaal zonder glad praatje, zonder sprintje of zonder vriend die voor me opkwam. En wat deed ik toen? Draaide ik om, om mijn biertje te pakken en alle hevig onder de indruk zijnde meisjes het hoofd te bieden? Slaakte ik een oerkreet, ondertussen brullend: �yeah, King Kong ain�t got shit on me�? Vernederde ik mijn gevallen vijand door over hem heen te pissen? Nee. Wat ik wel deed? Nou, zoals de Amerikanen het zeggen: I ran like crazy. Na een glorieus moment van opspelend testosteron en ultieme doodsverachting besloot mijn brein het weer over te nemen van mijn ballen en peerde ik hem vlugjes. Winnen is heel leuk, ook al gebeurd het op een vrij laffe wijze, maar dan moet je er wel van profiteren en er vandoor gaan zo lang het kan. Je moet het geluk niet tarten. Met een vriendelijk groet en trotse glimlach, Marx Noot van de schrijver: Pas op kinderen: geweld is niet de oplossing. Geen van wat hierboven staat mag als rechtvaardiging voor het gebruik van fysiek of mentaal geweld aangevoerd worden. Geweld maakt zaken alleen maar erger. Het is niet stoer of mannelijk. Probeer zaken altijd uit te praten. In een ideale wereld zou er geen geweld zijn, zouden de mensen harmonieus en tolerant samenleven. En mocht dat echt niet mogelijk zijn: mik dan op geslachtsorgaan, oor of strottenhoofd. Geheid dat het werkt. |
| Geweld: het maakt meer kapot dan mensen lief is |