Uit de Telegraaf van zaterdag 24 oktober 1998, door Bert Dijkstra
Sinds de Spelen van Nagano wordt ze op gezette tijden uitgenodigd voor chique partijen met een hoog vip-gehalte. Filmpremières en andersoortige samenscholingen van de high society. Dan verschijnt ze. In het lang, met vriend Kevin in smoking. Zwijgzaam, de ogen wijd open.
"Stil in een hoekje kijken naar sterren als Monique van der Ven, heerlijk. Je komt er de gekste mensen tegen."
En daar staat zij dan tussen: Maria Aaltje Timmer, meisje uit Sappemeer, op een geruisloze dwaaltocht door glamourland, iedere dag lerend van de uitersten in het leven. "Nog geen jaar geleden riepen mensen: dom wicht, gaat niet eens naar de HBO ofzo, alleen maar dat schaatsen. Alsof er een keus is: èn dit èn dat. Na die twee gouden medailles zeg ik tegen alle blaaskaken die het zo goed wisten: lekker puhhh. Je leert zoveel van topsport, daar kan een school niet aan tippen. Zo ben je het zielige twijfelkontje uit Groningen, zo sta je in de roddelbladen, omdat je weg zou zwijmelen bij de 'magic kisses' van Kevin. Dan voel ik dus een onbedwingbare drang om lekker slap te gaan ouwehoeren. Erben Wennemars en ik deden in Nagano alsof we stiekem een romance waren begonnen, om die blaadjes op een dwaalspoor te zetten. En voor de gein riep ik: als Playboy komt, zeg ik niet nee. Stapels brieven over gekregen. Gedichten zelfs: 'je bent zo al naakt genoeg'. Zalig."
-Je hebt mooie ogen.
"Vind je? Zo voel ik het niet. Ik voel me normaal. Nou, oké dan: normaal mooi. Ik heb laatst echt geposeerd als een model. Ze hadden een dame meegenomen die de houdingen voor ging doen; dat maakte het makkelijker. Als ik dan later die foto's zie, dan denk ik: meisje uit Sappemeer, hoe is het mogelijk?".
Meisje uit Sappemeer... In de heiige heuvels van Inzell keren haar gedachten even terug naar 't Achterdiep, brokje ongerepte natuur op het Groningse platteland. 't Achterdiep, tijdloos kabbelend watertje langs herfstige bosranden, pal voor de deur van de familie Timmer. Haar vader scheert er de schapen, haar moeder knipt er de dorpelingen aan huis. Althans, de Sappemeerders die nog goed ter been zijn. Voor de permanéntjes van de bedlegerigen reed ze drie maal per week naar bejaardentehuis St Jozef, totdat een voetoperatie haar thuis hield. Dus ging Marianne, met kam en krullers. Dat doe je gewoon, in Sappemeer, ook al ben je twee maal olympisch kampioene. Laatst werd ze per brief uitgenodigd voor de verjaardag van een wildvreemde jongen. Was meteen ook een soort afscheidsfeest, want die jongen heeft niet lang meer te leven. De woorden raakten haar zodanig dat ze ging. "We zijn contact blijven houden. Eigenlijk levert ook hij een topprestatie, eigenlijk is ook hij kampioen. Toch?"
Mooie gevoelige uitdrukking op het blozende gezicht. Ze kan tamelijk sociaal zijn, zolang er althans niet wordt gesport. Zodra ze van zichzelf prestaties verwacht, slaat het egoïsme toe: een Godsgeschenk voor iedere topper. Ik dacht dat het met mij nog wel meeviel, maar laatst heb ik een EQ/IQ test gedaan en de uitkomst loog er niet om. Zat je rond de honderd, dan was je sociaal normaal. Ik hing er dus ver onder; 75!"
Fietste ze vroeger als kind van 't Achterdiep naar het dorpscentrum, dan kwam ze langs een rustiek huisje met een rood dak en een blauwe deur, waarop met witte letters was geschreven: DFS (gymnastiek, volleybal, handbal). Ze hing er een tijdje aan de ringen, totdat de leider zich begon verzetten tegen de natuurwet dat de beste altijd voorop loopt. Daar moest zelfs de puber Timmer niets van hebben.
"Ik was buitengewoon fanatiek. Ging extra vroeg heen, want dan kwam je vooraan te zitten en mocht je vooraan inlopen. Toen draaide die man 't om: mocht de achterste beginnen. Daar was ik dus goed flauw van. Ben er onmiddellijk mee gestopt. Op school kwam dat gevoel terug: weer als eerste op het bankje tijdens gym, weer het langst door willen lopen tijdens een Coopertest. Altijd de beste willen zijn, daar word je niet sociaal van. Ik ga niet over lijken, maar kennelijk kan ik in de sport tamelijk egocentrisch zijn. Ik wil best eens van mijn lijn afwijken, maar niet om op een onnozel zijpad terecht te komen waar niets valt te winnen. Dat accepteer ik niet. In mijn hoofd zit mijn weg. Mijn eigen Weg naar Rome."
-Maakt dat eenzaam?
"Ik ben heel eenzaam geweest, vorig jaar nog. Uren piekeren op de kamer, van ellende naar huis gaan bellen en dan net doen alsof er niets aan de hand is, om m'n ouders geen rotgevoel te geven. Beetje struisvogelpolitiek, want vooral mijn vader voelt onmiddellijk wanneer ik niet lekker in m 'n vel zit."
-En dan ook nog uitgerekend verliefd worden op een Canadees...
"Ik heb inderdaad wel eens gedacht: heb ik dat weer, een vriend aan de andere kant van de oceaan. Maar die dingen gebeuren gewoon, dus moet je ze nemen zoals ze zijn. We zien elkaar niet vaak, maar gelukkig wel steeds vaker. En wanneer ik in de put zit, zijn ook Wennemars, Jan Bos en Frauke Oonk er nog voor mij. Achteraf denk ik: goed dat ik door zulke diepe dalen moest gaan. Dat ze mij in de all round-kernploeg links hebben laten liggen, dat ik met de Ziekte van Pfeiffer heb rondgereden, dat ik van vermoeidheid niet meer uit m'n ogen kon kijken en dat de artsen zeiden: niets aan de hand. De twijfels die daaruit voortkwamen: ben ik wel geschikt voor topsport? Zo moe zijn na een training, dat is toch niet normaal? Heb ik wel de juiste mentaliteit? Pfeiffer heb je met pieken en dalen en ik ben gecontroleerd toen het nauwelijks in mijn bloed zat. Had ik weer. Maar ik ben er sterker door geworden."
Als een vergeten offerlam werd ze opgepakt door Leen Pfrommer, beschermheilige van jong schaatstalent. Later, tamelijk eigenzinnig inmiddels, waren er de vrolijke, ontwapende, soms irritante lichtelijk seksistische prikkels van Peter Muller, coach van de sprintploeg.
Fel: "We konden het beter met elkaar vinden dan velen dachten."
-Ga je die wonderlijke Amerikaan missen?"
Peter is niet langer mijn coach, maar hij is niet uit mijn leven verdwenen. Hij komt straks een paar nachten bij me slapen; dan gaan we stappen in Groningen."
-Bij jou slapen?
"Ja, op de bank. Ik heb ook een logeerkamer, maar Peter wil altijd op de bank. Het contact is nog steeds goed. Hij vindt het jammer dat ik uit zijn ploeg ben gestapt, maar hij gaf me niet ongelijk. Ik heb me regelmatig aan hem geërgerd en hij heeft zich ongetwijfeld aan mij gestoord. Hij heeft altijd van die typisch Amerikaanse kreten als 'jij wint' en dan kan ik niets anders dan roepen: doe even normaal, jij. Je kunt alleen winnen als alles meezit, maar dat besef is meer Gronings dan Amerikaans. In Nagano had ik precies op tijd het vlieggevoel. Zo'n mooi gevoel, daar doe je het voor. Dansen over het ijs, alle klappen raak, dat is nog veel mooier dan winnen."
Als kind ging ze 's winters soms wel zes weken logeren bij haar opa en oma, een kilometer verderop. Overladen worden met aandacht, leren schaatsen op het verlengde van 't Achterdiep. Thuis waren er de schapen, soms luidruchtig, meestal teder en aanhankelijk. Haar ogen glinsteren als ze over die beesten praat.
-Wat is er nou mooi aan een schaap?
"Je vertroetelt ze, loopt achter ze aan. Met een flesje in zo'n hok om een lammetje te voeden, zo zuiver. Je haalt 't aan en voelt de dankbaarheid. Iedereen wil aandacht; dat zie je mooi terug bij zo'n beestje"
-Zelf veel warmte nodig?
"In feite zijn we allemaal dat lammetje dat gekoesterd wil worden, niemand uitgezonderd. De één straalt het alleen meer uit dan de ander." Ze heeft tegenwoordig haar eigen woning, aan de andere kant van het witte bruggetje over 't Achterdiep. Meer een verantwoorde investering dan een bewuste ontworsteling uit de moederschoot. ,,'t Was zo voor mekaar. Ik ben naar die mensen toegestapt en heb gevraagd: kan ik jullie huis kopen? Week later was het rond."
-Niet slecht voor een notoire twijfelkont.
"De prijs was gunstig en dan ben ik snel klaar. Een huis kopen is voor mij iets totaal anders dan bijvoorbeeld een schaats afstellen. Kan ik weken mee lopen pieren. Zo lang zelfs dat jongens als Bos en Wennemars wel eens hebben gezegd: Timmer, nu hou je je kop en ga je gewoon rondjes draaien. Als je niet goed rijdt, is het aantrekkelijk om je schaatsen de schuld te geven. Ik ben aan het sleutelen geslagen en bleef aan de gang. Tot een wedstrijd in Berlijn, vorig jaar. Toen heb ik gezegd: zo zijn ze goed, verder geen gezeik, als het nu niet gaat, ligt het aan jezelf."
-Tegenwoordig blijf je zeuren over de noodzaak va lactaattesten.
"Dat mag jij overdreven vinden, maar voor mij zijn die testen een noodzakelijke graadmeter. Ik heb de natuurlijke neiging om mezelf over de kop te trainen en lactaattesten laten zien tot hoe ver je kunt gaan. Je moet luisteren naar je lichaam, ik weet het, maar ik ga er elke keer weer de mist mee in. Ik kan slecht luisteren, wat dat betreft. Fiets of loop ik met de jongens, dan wil ik bijblijven. Op de tenen sporten dus. Je blijft toch een soort zusje van de jongens, doet alles samen. We waren onafscheidelijk, Bos, Wennemars, Frauke Oonk en ik. Dat is zo gaaf. We blijven vrienden, ook al schaatsen we nu in verschillende ploegen. Het nadeel was dus dat ik me altijd aan die jongens heb willen optrekken en dus regelmatig overtraind ben geweest. Daarom zijn lactaattesten voor mij erg belangrijk. Peter Muller wilde daar niet aan; 't was één van de redenen waarom ik naar Sanex ben gegaan. Minstens zo zwaar woog de organisatorische warboel binnen de schaatsbond. Vier dagen voor het WK moesten we terug naar Nederland om een olympische jas op te halen en dat vind ik dus belachelijk. Als sommigen binnen de kernploeg mij nu met de nek aan willen kijken: ze gaan hun gang maar. Lig ik niet wakker van. Maar ik heb de indruk dat het wel meevalt met de haat en nijd. 't Is een klein wereldje, je komt elkaar toch telkens weer tegen."
Verlegen oogopslag. Pantser van Groningse bedeesdheid, maar van binnen knaagt de honger naar spektakel. Ze is een wilde kat op de kartbaan, op uitnodiging sprong ze zonder dralen uit een vliegtuig.
"De landing was niet perfect. De instructrice en ik kwamen in een bramenstruik terecht. Ze zijn een tijdje bezig geweest om de stekels uit m'n benen te trekken. Beetje pijnlijk, maar ik had het voor geen goud willen missen. Een keertje racen op Zandvoort, dat lijkt me helemaal het einde."
-In welk opzicht lijk je op Yvonne van Gennip?
"Ik ken haar niet maar als het klopt dat ze na drie gouden olympische medailles extreem ging relativeren, dan ben ik anders. Ik zou nooit kunnen zeggen: sneu voor de meiden die ik heb verslagen. Dat zit niet in mijn karakter. Ik merk wel dat sommige mensen om mij heen afgunstig zijn; ik proef de jaloezie, het gevoel van 'wacht maar tot het minder met haar gaat'. Je moet de mensen dus niet te dicht bij je in de buurt laten komen. Daar ben ik al regelmatig mee op m'n bek gegaan. Word je automatisch voorzichtiger van. Iedereen wil een stukje energie van je. Als je niet oppast, word je volledig leeggezogen."
-Nooit gedacht, wanneer je Gunda Niemann over het ijs zag stomen als een op drift geraakte heggenschaar: allemachtig, met wat voor sport ben ik bezig?
"Ja, dat heb ik wel eens gedacht, ook als ik de immense bovenbenen van de sprintsters zag. 't Zijn mijn voorbeelden bepaald niet. Het oog wil ook wat. Althans, mijn oog. Zie ik mezelf weer die 1500 meter rijden in Nagano, dan kan ik spontaan volschieten. Dan denk ik terug aan de moeilijke momenten van de afgelopen jaren. Die 1500 meter van de Spelen is mooi, van de eerste tot de laatste klap. Van die beelden kan ik intens genieten. In m'n eentje en vaak ook met m'n ouders. Zeg ik 'even thuis de 1500 meter zien', roepen ze: we gaan mee." Samen zwijgend kijken op de driezitter in dat huisje aan 't Achterdiep, vechtend tegen de tranen. Want janken, da's niks voor Sappemeerders.
|
|