| Geschiedenis >> Ontstaan van de bedevaart | |||||
| Tijdens de Synode van Venlo in 1647 werd de wonderbaarlijke oorsprong van de bedevaart naar Kevelaer kerkelijk bevestigd. Tijdens een van de vergaderingen legde Hendrik Busman een verklaring af. Hierin vertelt hij hoe hij van Maria de opdracht kreeg een kapel voor haar te bouwen. Het verhaal luidt als volgt... "Op deze plaats zult gij mij een kapelleken bouwen!" Tijdens de woelige Dertigjarige Oorlog (1618-1648) woonde Hendrik Busman met zijn vrouw Mechel in de stad Gelder. Hij verdiende de kost als marskramer. Om zijn waar aan de man te brengen trok Busman in de wijde omgeving van plaats tot plaats. Zo komt hij eind 1641 langs het hagelkruis bij Kevelaer, dat aan de weg van Weeze naar Gelder stond. Zoals gewoonlijk stopt Busman bij het wegkruis voor een kort gebed. Plots hoort hij een stem die zegt: "Op deze plaats zult gij mij een kapelleken bouwen!" Busman kijkt om zich heen om te zien waar de stem vandaan komt. Hij ziet echter niemand en zet zijn reis voort. Ongeveer een week later komt Busman opnieuw langs het kruis bij Kevelaer en hoort dan weer de woorden: "Op deze plaats zult gij mij een kapelleken bouwen!" Als dit korte tijd later voor een derde keer gebeurt komt Busman tot de conclusie dat het een opdracht uit de hemel moet zijn. Op dat moment besluit hij elke dag een gedeelte van zijn inkomen opzij te leggen voor de bouw van een kapelletje. Het visioen van Mechel In lente van het volgende jaar raakt ook Mechel Schrouse, de vrouw van Busman, betrokken bij het ontstaan van het kapelletje. Vlak voor Pinksteren wordt er bij Mechel op de deur geklopt. Ze doet open en ziet twee soldaten van de keizerlijke eenheid van generaal Lamboy. De mannen bieden een paar kleine kopergravures van Onze Lieve Vrouw van Luxemburg aan. De prentjes waren eigenlijk bestemd voor de luitenant van de compagnie van Mackewitz, die gevangenzat in Kempen. Maar omdat de soldaten zonder geld zitten proberen ze de prentjes te verkopen. Ze vragen 10 cent per prentje. Mechel vindt dat echter te duur en koopt er geen. Korte tijd later heeft Mechel 's nachts een visioen waarin ze een van de prentjes terugziet. Ze ziet een klein kapelletje waarin een afbeelding van Onze Lieve Vrouw van Luxemburg is geplaatst. Het is omgeven door een stralend licht. De volgende dag vertelt Mechel haar man over de verschijning, maar die hecht weinig waarde aan het verhaal. Busman neemt het pas serieus als een paar soldaten hem vertellen dat ze tijdens hun nachtelijke ronde door de stad een merkwaardig licht hebben opgemerkt in zijn huis. De plaatsing van het prentje Busman vraagt zijn vrouw vervolgens de twee soldaten met de prentjes te zoeken. Ze vindt de soldaten, maar zonder de prentjes. Ze waren al overhandigd aan de keizerlijke luitenant, die nog steeds in Kempen gevangen werd gehouden. Na zijn vrijlating gaat Mechel meteen bij de luitenant langs en vraagt hem om een van de prentjes. Als ze hem vertelt over haar visioen laat hij haar een van de prentjes kiezen. Ondertussen had Busman genoeg geld gespaard en was begonnen aan de bouw van het kapelletje. Eind mei 1642 is het gereed. Op 1 juni wordt het prentje van Onze Lieve Vrouw van Luxemburg door de pastoor van Kevelaer plechtig in het kapelletje geplaatst. Nog diezelfde dag wordt de kleine bidzuil vanuit de wijde omgeving bezocht door een grote schare mensen. Hiermee waren de eerste bedevaarten naar Kevelaer een feit. TERUG |
|||||