Vaginisme



Door Lotte Loones
www.vaginisme.be


Wat is vaginisme?

Er is sprake van een vaginistische reactie als bij pogingen om geslachtsgemeenschap te hebben de spieren rondom de vagina zich samenknijpen, zonder dat de vrouw dit zelf wil. Gemeenschap is hierdoor niet mogelijk of alleen met veel moeite en pijn (dyspare�nie). Het spannen van de bekkenbodemspieren gebeurt soms al voor er iets (bv. penis, tampon of speculum) in de buurt van de vagina komt. Vrouwen die vaginistisch reageren denken vaak dat ze �te nauw� zijn. Dit is echter bijna nooit het geval. Het nauwe gevoel wordt veroorzaakt door een verhoogde spanning van de bekkenbodemspieren.

[...]

Oorzaken van vaginisme

Oorzaken kunnen psychisch, psychosomatisch of louter lichamelijk zijn. Vaak wordt aangenomen dat vaginisme een ernstige psychologische oorzaak heeft of blijft voortbestaan door psychologische problemen (bv. relatieproblemen). In mijn praktijk kom ik ook in contact met vaginistische pati�nten en mensen met pijn bij betrekkingen die de oorzaak van hun vaginisme niet kennen en geen zware psychologische achtergrond hebben of een onderliggend psychologisch conflict manifesteren. Vaak kan een banale pijnervaring bij een eerste poging tot vrijen de stoornis initi�ren en komen vrouwen in een vicieuze cirkel terecht. Ze hebben telkens weer pijn als ze proberen te vrijen, zo spannen de bekkenbodemspieren zich verder op waardoor de angst om te vrijen weer toemeemt en de pijn verergert. Deze pati�nten zijn de doelgroep voor lichamelijke therapie.

[...]

In de literatuur worden heel veel psychologische verklaringen gegeven voor het onstaan van vaginisme. Bij wijze van illustratie zal ik er enkele citeren maar ik wil erbij bemerken dat het zeker mijn bedoeling niet is ��n of andere theorie op te dringen als allesomvattende waarheid. De onderstaande lijst van verklaringen is zeker niet volledig en ik wens me in geen enkel geval uit te spreken over het waarheidsgehalte ervan. Elke persoon is anders en het kan best zijn dat geen enkele van deze theorie�n op u van toepassing is, terwijl u wel degelijk vaginisme hebt.

De klassieke psychoanalytische theorie�n zagen vaginisme als een conversiestoornis die veroorzaakt werd door niet opgeloste psychoseksuele conflicten in de kindertijd (Fenichel, 1945). Vaginistische vrouwen vertonen een regressie naar de preoedipale of oedipale stadia in de ontwikkeling. De vrouwen kunnen hun libinale energie niet transfereren van hun vader naar hun partner (Abraham, 1945). In ernstige gevallen blijven vaginistische vrouwen gefixeerd op hun moeder. Nieuwe psychopathologische theorie�n beschrijven vaginisme als een psychofysiologische stoornis met fobische elementen die resulteren uit echte of ingebeelde negatieve ervaringen met seksualiteit en/of penetratie. Figueira (2001) wees hieromtrent op het hoge voorkomen van seksuele disfuncties bij pati�nten met paniekstoornissen of sociale fobie.

Angst is dus een heel belangrijke factor die ook als onderhoudende trigger kan meespelen. Een vari�teit van ervaringen in de kindertijd kunnen een angst voor pijn bewerkstelligen (bv. fysiek trauma in de kindertijd Malleson,1942), angst voor vader (Silverstein, 1989; Barnes, 1986; O� Sullivan, 1979), een negatieve moederlijke conditionering,... (Shortle en Jewelewicz, 1986). Ook banale, kleine pijnervaringen kunnen angst doen ontstaan waardoor de pati�nt vaak in een vicieuze cirkel terechtkomt van angst en pijn.

Seksueel misbruik kan aansluitend hiermee aangehaald worden maar er moet op gewezen worden dat de aard van de seksuele dysfuncties, resulterend uit verkrachting en seksueel misbruik, kunnen vari�ren. Chapman (1989) suggereert dan aanvallen van seksueel geweld zowel de affectieve als fysiologische gezondheid van de vrouw kunnen aantasten. Hij heeft een studie verricht waarbij hij de impact van seksueel misbruik op het seksueel verlangen, angst, arousal en orgasme (seksuele dysfuncties als onderdelen van de affectieve gezondheid) evalueerde. De fysiologische en gynaecologische gezondheid onderzocht hij via de fenomenen dyspare�nie, vaginisme, intra-uteriene bloedingen, vaginitis en pelvische operaties. Hij vond bij 61% van de seksueel misbruikte pati�nten enige vorm van seksuele dysfunctie. Ongeveer hetzelfde percentage heeft gynaecologische problemen. Dit percentage is vrij hoog als we dit vergelijken met andere studies. Velen tonen geen significante groepsverschillen voor vaginisme bij misbruikte en niet-misbruikte personen (Depree Jones et al., 1997; Bisuas en Ratnam, 1995; APA, 1994; De Moor, 1972). Er moet wel op gewezen worden dat studies van deze aard heel moeilijk zijn omdat veel slachtoffers weigeren mee te werken (slechts 45% van de slachtoffers in de crisiscentra wilden meewerken aan de studie van Chapman). Dit gegeven moet in het achterhoofd gehouden worden bij de interpretatie van de data en bij verder onderzoek van deze pati�ntenpopulatie.

Een andere stroming benadrukt de inbreng van de partner van de vrouw met vaginisme. Hij kan ook bijdragen aan dit seksuele probleem. In de literatuur wordt vaak gewezen op de ondercompetentie en de te angstige, brave partner bij een vrouw met vaginisme. Een vrouw neemt zo�n passieve en niet assertieve partner als reactie op haar dominante vader waardoor een normale seksuele relatie in het gedrang komt (Silverstein, 1989). Een tweede bijdragende factor zijn seksuele dysfuncties bij de man (erectieproblemen, premature ejaculatie), deze komen vaak samen voor met de seksuele problemen van de vrouw. Vooral de systeemdenkers zien de seksuele dysfunctie van de vrouw als een noodzakelijke component om de relatie te doen overleven. Als een vrouw succesvol behandeld wordt kan haar man, bij wijze van reactie, nu zelf seksuele problemen manifesteren, dit omdat het koppel eigenlijk niet zonder het probleem kan, het probleem heeft een functie in hun relatie en als je het wegneemt loopt de relatie stuk (Harrison, 1996; Speckens, 1995; Lamont, 1994; Hawton en Catalan, 1990; Barnes, 1986, Vansteenwegen).

[...]

Behandeling van vaginisme

I. Kinesitherapeutische behandeling

De kinesitherapeutische behandeling van vaginisme is heel eenvoudig (�Incredibly simple�, Kaplan 1974) en heeft als primaire doel het opheffen van het spierspasme (Halvorsen, 1992). In de literatuur wordt dit vermeld als �desensitization�. Het heeft een heel hoge succesratio.

Concreet kan dit gedaan worden door een speciaal opgeleide kinesitherapeut-seksuoloog gespecialiseerd in bekkenbodemspierre�ducatie. Het doel van de behandeling is de vicieuze cirkel (angst � spanning - pijn � meer angst) te doorbreken. Door middel van een spiegel en door contact met de vaginale zone wordt aan de pati�nt een betere kennis van het lichaam aangeleerd. Er wordt naar een betere proprioceptie van de genitali�n en spieren gestreefd. De pati�nt moet de bekkenbodemspieren leren sluiten en aanspannen en de spieren in verschillende posities (lig, zit, stand en beweging) leren controleren.

[...]

Het kan gebeuren dat er ondanks deze lichamelijke behandeling toch nog bijkomende problemen optreden. Bij geassocieerde psychologische problemen, zoals fobische elementen, negatieve conditionering, schuldgevoelens, angst voor pijn, relatieproblemen, enz,... zijn verdere psychotherapeutische of sekstherapeutische interventies aangewezen (zie laatste paragraaf). Operaties zijn niet effectief gebleken (Luyens en Smits, 2001; Biswas et al., 1995).

II. Algemene medische behandeling

De algemene medische behandeling is gericht op de organische en hormonale condities die bijdragen aan vaginisme, dyspare�nie of andere seksuele disfuncties. Voorafgaande of bestaande kwetsuren, littekenweefsel, kysten, gezwellen of verkeerde positioneringen moeten uitgesloten of effectief behandeld worden. Aanwezige chronische systemische ziektes worden bekeken; diabetes wordt gecontroleerd, thyro�d-disfuncties gecorrigeerd alsook andere mogelijke stoornissen die kunnen bijdragen aan de irritatie en het minder vochtig worden van de vagina (na de zwangerschap kan het geven van borstvoeding een tijdelijke vaginale droogte bewerkstelligen). Negatief werkende farmacologische therapie�n worden aangepast. Tenslotte moeten slechte gewoontes omtrent medicatiegebruik, voeding en onvoldoende rust weggewerkt worden (Halvorsen et al., 1992).

III. Algemene psychoseksuele behandeling

In de medische behandeling van organische seksuele problemen kan sekstherapie helpen de pati�nten aan te passen aan de negatieve impact van de fysiologische beperkingen op hun seksualiteit. Daarenboven kunnen alternatieve wegen aangeboden worden om seksuele voldoening te bekomen.

Voor de behandeling van psychogeen vaginisme en andere seksuele disfuncties is psychoseksuele therapie effectief gebleken. Het centrale principe is het principe van �verantwoordelijkheid voor zichzelf (responsibility for self)�. Elke partner krijgt hier, naast gemeenschappelijke behandeling, ook afzonderlijke therapie gericht op de ontwikkeling van hun eigen seksualiteit. Een tweede basisprincipe houdt gedragsverandering in, zodat, vanaf een bepaald punt in de behandeling, groei in seksuele attitudes, prestatie en gevoelens kan optreden. Het aanleren van fysiologische relaxatie is het primaire doel van de behandeling (zie kinesitherapeutische behandeling). Adequate en voldoeninggevende seksuele prestaties zijn afhankelijk van de mogelijkheid tot relaxatie van de bekkenbodemspieren. Dit is de belangrijkste fundering voor een natuurlijke fysiologische en psycho-seksuele opwinding. Een laatste principe bestaat uit de opheldering van de grenzen tussen de seksuele en de niet-seksuele aspecten van de disfunctie. Seksualiteit verbetert alleen als al deze aspecten behandeld worden.

[...]

Als er zich na al deze sekstherapeutische interventies toch nog problemen manifesteren, is individuele psychotherapie aangewezen (liefst voor allebei de partners).

Prognose van vaginisme

De prognose van vaginisme en dyspare�nie varieert afhankelijk van de aard van de geassocieerde organische en psychologische problemen en het succes van de medische, kinesitherapeutische en psychoseksuele behandeling. In gevallen met een zuiver lichamelijke (somatische) of heel eenvoudige psychogene oorzaak liggen de succesratio�s hoog. Scholl (1988) heeft een groep van vaginistische pati�nten over een periode van vier jaar onderzocht en vond een gemiddeld succesratio van meer dan 90% (bij louter lichamelijke oorzaak). De lengte van de therapie werd geanalyseerd en men zag een associatie met de volgende factoren: duur van de disfunctie, het concept van de pati�nt over de oorzaak van het probleem, vroegere pogingen om operatief behandeld te worden, motivationele factoren (zwangerschap), steun van de echtgenoot, voorafgaande organische abnormaliteiten, graad van seksueel inzicht en kennis, angst voor seksueel overdraagbare ziektes, attitudes van de ouders m.b.t. seksualiteit en de houding van de pati�nt t.a.v. de genitali�n. Succesvolle resultaten waren gerelateerd aan het verlangen om zwanger te worden (dit werd ook bevestigd door Drenth et al., 1996), een goede relatie en de motivatie van het koppel. Niet-succesvolle prognoses werden gevonden bij koppels met anatomische abnormaliteiten, negatieve attitudes t.a.v. de genitali�n en seksualiteit, angst voor seksueel overdraagbare aandoeningen en negatieve ouderlijke attitudes t.a.v. seksualiteit.

Over het algemeen kunnen we dus stellen dat de prognose van vaginisme en dyspare�nie, mits adequate behandeling en afwezige comorbiditeit, uitermate gunstig is. De succesratio�s liggen hoog bij personen met een louter lichamelijke oorzaak van vaginisme (met uitsluiting van medische problemen). (Beck, 1993; Halvorsen, 1992; Van de Wiel et al., 1990; Leiblum et al., 1989; Scholl, 1988; Shortle en Jewelewicz, 1986; Lazarus, 1963).

Voor de gehele tekst kun je naar www.vaginisme.be gaan.
Hosted by www.Geocities.ws

1