Uittreksel uit ‘Melancholie
en depressie, begeleiding van een wonderlijke patiënt’, eindwerk in gediend
tot het behalen van het diploma gezondheidstherapeut aan de Europese Academie
voor Complementaire Gezondheidszorg, Deurne, Academiejaar 2003-2004
Inhoudstafel:
2.1. Pathologische gegevens
<2.1.1. Omschrijving van de ziekte
2.1.1.1. Melancholie
2.1.1.2. Depressie
2.1.1.3. Verband en verschil
2.1.2. Symptomen
2.1.2.1. Melancholie
2.1.2.2. Depressie
2.1.3. Oorzaken en aanleidingen
2.1.3.1. Melancholie
2.1.3.2. Depressie
2.2. Anatomische
en fysiologische gegevens
2.2.1.
Het zenuwstelsel
2.2.2.
Het hormonaal stelsel
2.2.3.
Psychoneuro-immuniteit
2.2.4.
Biochemische vaststellingen
2.2.5.
Neuro-endocriene vaststellingen
2.2.6.
Neuro-immunologische vaststellingen
2.2.7.
Chronobiologische vaststellingen
2.2.8. Biometeorologische invloeden
2.2.9. Elektromagnetische invloeden
2.2.10.Emoties en stemmingen
2.3. Reguliere
diagnostische mogelijkheden
2.3.1.
Anamnese
2.3.2. Beleid
2.4. Reguliere
behandelingsmogelijkheden
2.4.1.
Melancholie
2.4.2.
Depressie
2.4.3. Een stapje verder
2.5. Natuurgeneeskundige
stellingname
2.5.1.
Natuurgeneeskundige principes
2.5.2.
Humoraalpathologie
2.5.3.
Homotoxicose
2.5.4. Melancholie en depressie
2.6. Besluit
2.1. Pathologische gegevens
2.1.1. Omschrijving van de ziekte
2.1.1.1. Melancholie
Ik heb melancholie in enkele
encyclopedieën opgezocht.
In de Brockhaus Enzyklopedie vond ik:
‘eine von schwermütiger Ahnung
des Niedergangs oder von Bedrückung durch die Sinnlosigkeit des Lebens, auch
von Trauer über die Begrenztheit der eigenen Möglichkeiten geprägte
Grundstimmung, die besonders bei geistig hochstehenden Menschen auftritt. Stimmungsmässig liegt der Melancholie der
Weltschmerz nahe.’ [1]
Verder vermeldt men naast deze zwaarmoedigheid, gevoel van zinloosheid en droefheid over beperkingen, nog als mogelijke kenmerken: wanhoop, angst, minderwaardigheidsgevoelens, schuldgevoelens, armoedewaan, zelfmoordgedachten, ongegronde zorgen, denkblokkade, besluiteloosheid, gebrek aan soepelheid, gebrek aan eetlust, vermagering, slapeloosheid, constipatie.
In het bijzonder wil ik hier even ingaan op Weltschmerz:
‘Ein von Jean Paul geprägter
Ausdrück für eine eigentüml. Form pessimist. Lebensgefühls, die aus einem
Bewusstsein der Unangemessenheit der äusseren Wirklichkeit zu Ansprüchen und
Bedürfnissen dess inneren Lebens erwächst. (…)
Das Christentum, das das Leiden an Vergänglichkeit und Todverfallenheid,
bes. aber an dem Unrecht in der Welt durchaus kennt, unterfängt den
sentimentalen Weltschmerz durch die Distanzierung von der Gleichschaltung mit
dieser Welt und den Aufruf zu initiativer Veränderung der Welt.’ [2]
Het gaat dus om een vorm van pessimisme die het gevolg is van ontevredenheid met deze wereld, en met het besef dat de uiterlijke wereld niet overeenstemt met de innerlijke wereld.
De Grote Winkler Prins Encyclopedie leert ons:
‘In de meest uitgesproken vorm is er sprake van een diepe somberheid en uitzichtloosheid, sterke remming in denken en spreken en in de motoriek tot mutisme en bewegingloosheid toe (melancholische stupor), gepaard met remming van de vegetatieve functies (droge mond en huid, geen tranen ondanks wanhoop, obstipatie, ontbreken van eetlust en opvallend gewichtsverlies, ernstige slaapstoornissen); ook de tijdsduur wordt als veel langer beleefd. Daarbij komen vaak zgn. melancholische wanen: zondewaan, hypochondrische waan, kleinheids- en armoedewaan, vervolgings- en/of vergiftigingswaan en soms nihilistische wanen. Hoewel de duur soms maanden is, treedt er steeds, ook spontaan, herstel op bij goede verpleging als men suïcide weet te voorkomen. Ofschoon de constitutie een grote rol speelt, zijn er meestal wel aanleidingen waardoor een melancholie wordt geprovoceerd, waaronder nogal eens een werkelijk of vermeend liefdesverlies. (…) De laatste jaren meent men vanuit biochemisch opzicht met betrekking tot het centrale autonome zenuwstelsel aanknopingspunten voor het psychobiologische proces van deze ziektebeelden op het spoor te zijn.’ [3]
In de Encyclopaedia Universalis wijst men ook op het feit dat het vaak mensen treft die men zou kunnen beschouwen als geniaal en dat vele grote schrijvers, dichters, schilders, historici en politici leden aan melancholie.
Zehentbauer: ‘Johannes Caspar
Lavater spreekt in zijn boek ‘Fysiognomische fragmenten ter bevordering van mensenkennis
en mensenliefde’ van ‘verheven, zachtaardige en diepzinnige melancholie. Deze gemoedsgesteldheid is werkelijk de
meest onafscheidelijke metgezellin van het genie.’ Maar ook het geniale dat voortkomt uit melancholie, lijdt
uiteindelijk schipbreuk door de absurditeit van het leven. Er bestaat een onoverbrugbare kloof tussen
het melancholische verlangen naar harmonie en helderheid en de irrationele,
absurde toestand van de wereld.’ [4]
Zelf omschreef D. melancholie
eens als ‘een verlangen naar een toestand die was maar niet meer is.’
Er bestaat discussie onder auteurs over het feit of melancholie al dan
niet een ziekte is.
Het is m.i. in elk geval een manier om naar de wereld, naar het leven en naar zichzelf te kijken. Iedereen heeft uiteraard het recht om naar de dingen te kijken zoals hij zelf wil. Niemand is verplicht op een bepaalde manier naar de wereld te kijken. Waar het wellicht om gaat is met welke gevoelens dit wereldbeeld gepaard gaat en of iemand daar al of niet last van heeft.
2.1.1.2. Depressie
Voor een omschrijving van depressie ga ik te rade bij Lieve Van Zeebroeck:
‘Een definitie uit de Winkler
Prins luidt als volgt: ‘Een depressie is een psychopathologische toestand die
gekenmerkt wordt door een ziekelijk gedrukte, sombere stemming vaak gepaard
gaand met geremdheid in denken en handelen’.
Bob Vansant definieert het zo:
‘Depressie is een syndroom, dit wil zeggen een groep tekens, een groep van
symptomen die samen voorkomen. Die
manifesteren zich meestal lichamelijk en bovendien is de persoon in kwestie
lusteloos, moedeloos, hij kan voor niets nog belangstelling opbrengen, hij
gelooft niet meer in zijn toekomst, hij vraagt zich af of het leven nog zin
heeft.’’ [5]
Volgens Prof. Cosyns is depressie ‘een pathologische variante van de gekende en normaal voorkomende gemoedstoestand die men triestigheid noemt.’ [6]
2.1.1.3. Verband en verschil
Volgens het Handboek Psychopathologie en volgens prof. Cosyns vallen beide onder het begrip “stemmingsstoornissen”.
Stemmingsstoornissen zijn volgens
Cosyns ‘psychiatrische stoornissen hfdz. gekenmerkt door een gestoorde
stemmingstoestand. De overige
psychische functies zoals psychomotoriek of cognities zijn eveneens gestoord,
maar het klinisch beeld wordt vnl. beheerst door de pathologische stemmings- of
gemoedsverandering.’ [7]
In de DSM-IV vallen beide onder de “pleasure-deficient personality disorders” en het blijkt dat in de loop van de geschiedenis de inhoud van deze labels aan menige veranderingen onderhevig is geweest.
In dit boek onderscheidt men historische bijdragen tot de beschrijving van deze ‘persoonlijk-heidsstoornis’ (Hippocrates, Areteus, Burton, Feuchtersleben, Kraepelin e.a.), moderne bijdragen (Freud, Kretschmer, Kahn e.a.) en hedendaagse bijdragen (Beck, Kernberg, Millon, e.a.). Men kan dus noch in het verleden, noch in het heden en waarschijnlijk ook niet in de toekomst een definitieve invulling van depressie en melancholie verwachten, noch van andere persoonlijkheidsstoornissen.
In de differentieeldiagnose krijgen we dan ook te maken met heel wat mogelijke overlappingen met andere persoonlijkheidsstoornissen.
Bovendien is het zo dat iemand in de loop van zijn leven meer dan één
persoonlijkheids-stoornis kan hebben en dat iemand zelfs meerdere persoonlijkheidsstoornissen
tegelijk kan vertonen…
In de DSM-IV geldt melancholie
als een kenmerk of onderdeel van depressie.
Volgens prof. Cosyns wordt melancholie tegenwoordig endogene depressie
genoemd.
Ik ga ook even te rade bij Josef Zehentbauer:
‘Melancholie gold in de Middeleeuwen als een ziekte, in de klassieke Oudheid en de Renaissance als een uitstekende karaktereigenschap en voor de romantici vormde zij de toegang tot het geheim van het menselijk bestaan. Maar in de wetenschappelijke schuifladen van de huidige psychologen en psychiaters is ‘melancholie’ eigenlijk niet meer te vinden. Eerst hebben de in toenemende mate natuurwetenschappelijk georiënteerde geneeskunde en de psychiatrie van de negentiende eeuw essentiële eigenschappen van melancholie tot psychiatrische symptomen verklaard, ze opnieuw geclassificeerd en het resultaat als ‘ziekte’, ‘melancholische ziekte’ betiteld. Hiermee werd de ‘heilige melancholie’ onttroond als eminent gebied van ons bestaan, de brug naar het transcendente werd afgebroken. In de laatste decennia van de twintigste eeuw werd het begrip ‘melancholie’ in toenemende mate geschrapt uit de catalogus van psychologie en psychiatrie en vervangen door de term ‘depressie’. Voorzover ‘melancholie’ in het taalgebruik mag blijven bestaan, wordt zij gezien als een toestand die geen psychiatrische interventie nodig heeft, terwijl ‘depressie’ (…) wordt bestempeld als ziekte en behoort tot het ressort van de psychiatrie.’ [8]
Verder zegt hij:
‘Wanneer de vele facetten van melancholie extreem toenemen (angstige voorzichtigheid ontwikkelt zich tot paniek, een beheerste omgang met de dood groeit uit tot een per se willen sterven of mondt zelfs uit in een zelfmoordpoging), en wanneer deze extreem intens geworden melancholische constitutie als ondraaglijk en martelend wordt ervaren – dan zou deze extreme toestand van de mens ‘depressie’ kunnen worden genoemd. Depressie wordt gekenmerkt door een zeer diepe droefheid, absolute wanhoop, adynamie (=zwakte, ook lichamelijk), angst en paniek, een kwellende onrust, dwangmatig gepeins, eenzaamheid en doodsverlangen…’ [9]
Enkele overeenkomsten worden ook gelegd door Whybrow:
‘Hoewel we bij depressie en
melancholie van stemmingstoornissen spreken, gaat het in feite om psychische processen
die veel verder reiken dan de stemming, verder ook dan het emotionele
bewustzijn waarop de sociale communicatie steunt. De essentiële elementen van het denken – geheugen, concentratie
en besluitvorming – plus een groot aantal van wat ik de huishoudelijke
hersenfuncties noem – de cyclus van slapen en waken, seksueel gedrag, eten en
uitscheiding – zijn eveneens ontregeld.
Verschillende hormonen, de chemische boodschappers die in de bloedbaan
circuleren en met behulp waarvan de hersenen het lichaam besturen, verliezen
hun dagelijkse ritme. Al deze
ontregelde gedragspatronen, die zich gedurende korte tijd voordoen bij normaal
verdriet en overdreven vormen aannemen bij depressie en melancholie, wijzen op
een toenemende verstoring van de hersenregulatie. De kernervaring van het zijn, het vertrouwde patroon van denken,
voelen en handelen dat we losjes identificeren als het ‘ik’, is aangetast. Bij stemmingsstoornissen is het leven uit
zijn normale evenwicht geraakt.’ [10]
In verband met het verschil tussen rouw, melancholie en depressie vertelt Whybrow:
‘Uit onderzoek blijkt dat maar
ongeveer vijf procent van alle mensen die een rouwproces doormaken, getroffen
wordt door een melancholische depressie.
Vaak is het zowel voor het slachtoffer zelf als voor een buitenstaander
onduidelijk wanneer een toestand van rouw precies overgaat in een
melancholische toestand. Maar zodra het
nieuwe set-point is ingesteld, vormen neerslachtigheid en emotionele matheid
slechts de mest zichtbare kern van de ontwrichtingen die de ziekte teweeg kan
brengen. De dagelijkse levensfuncties
raken al snel ernstig ontregeld. Er
vinden ingrijpende veranderingen plaats in de regulatie van de energie, de slaap,
de eetlust en het seksuele gedrag. De
verkwikkende werking van de slaap verdwijnt soms, of de slaap wordt in de
vroege ochtend verdreven door een martelende slapeloosheid, de voorbode van
weer een nieuwe uitputtende dag.
Banden met familie en vrienden
verliezen hun betekenis; men eet niet meer met smaak, als men al eet; de seksualiteit
verdwijnt naar de achtergrond. Het
geheugen en de besluitvor-ming worden aangetast. Een overdreven aandacht voor futiliteiten en vroegere
mislukkingen verstoort het normale concentratievermogen en verdrijft elk gevoel
van vreugde. Men is niet langer in
staat zich aan veranderende omstandigheden aan te passen; de energie is sterk
verminderd en er ontstaat een negatief zelfbeeld. Sociale verplichtingen worden vergeten of verwaarloosd. Het leven wordt een last, en naarmate men
zich verder terugtrekt uit het sociale leven, groeit bij sommigen het verlangen
naar de dood, een verlangen dat voortkomt uit de wanhoop en vertwijfeling die
in elk aspect van het leven binnensijpelen.
Uit de wortels van droefheid
en teleurstelling waarmee we allemaal vertrouwd zijn, is een stemming gegroeid
die losstaat van de gewone ervaring; een nieuw set-point in het
neurobiologische regelmechanisme van de hersenen heeft het emotionele evenwicht
van het slachtoffer zichtbaar verstoord.
Het melancholische ziektebeeld vertekent de persoonlijkheid. (…) Wat misschien begonnen is als een
adequate reactie op een tragische gebeurtenis, groeit uit tot een soort
emotioneel kankergezwel, een kwaadaardige tumor die het wezen van de persoon binnendringt
en ontwricht.’ [11]
Volgens de DSM-IV zegt Freud dat mensen bij rouw de wereld als leeg
ervaren en dat bij melancholie echter de patiënt zijn ego als leeg ervaart,
waardeloos en moreel verwerpelijk.
Bij een depressie is er net als bij verdriet een stemmingsdaling, maar
is er geen sprake van het verwerken van verdriet; die komt niet op gang of
stagneert. De mens wordt overmeesterd
door het leed, dat hij ervaart als een overmacht. Er vindt geen constructief maar een destructief proces plaats,
een zelfvernietigingsproces.
Bij verdriet, brengt de mens zichzelf na verloop van tijd over het dieptepunt heen. Het verdriet, de stemmingsdaling is in overeenstemming met de zwaarte van het geleden verlies. Mensen met verdriet zijn vatbaar voor troost, begeleiding, vriendschap.
Bij een depressie is de reactie ondoelmatig omdat men niet tot een constructieve verwerking komt, de wanhoop keert zich tegen de eigen persoon en wordt een ziekte. Bij depressie is een medische behandeling mogelijk maar ook noodzakelijk.
Er is ook
een verband tussen depressie en agressie.
Gedeprimeerde mensen hebben heel wat moeten slikken. Vaak hebben ze zich ingehouden om iemand niet te kwetsen, de lieve vrede te bewaren, omdat ze niet wisten hoe te reageren, enz. Ofwel barst de bom en zal men op een bepaald moment plots wél kwaad worden ofwel keert de ingehouden agressie zich tegen zichzelf. Men kan bij een depressie spreken van richtingsverandering van de natuurlijke agressie als verdedigingsreactie, naar zelfbestraffing, zelfveroordeling, zelfhaat, schuldgevoelens, zelfverwijten, wroeging om de eigen slechtheid, of mogelijke verslavingen.
Het risico bestaat dat iemand vanuit deze zelfdestructieve neiging dingen gaat doen met ongunstige gevolgen die niet terug te draaien zijn. Zo is een zelfmoordpoging in wezen een daad van agressie tegen zichzelf.
Het verband tussen depressie en
stress situeert zich volgens Bob Vansant in de veranderingen in het leven. Bij veranderingen moeten we ons flexibel
aanpassen, onze verwachtingen en overtuigingen herbekijken. Onze draagkracht of stressbestendigheid
hangt af van het aantal, de intensiteit en de duur van stressituaties, en van
onze persoonlijke stresstolerantie, die dan weer te maken heeft met onze
constitutie, opvoeding en ervaring. Een
teveel aan stress kan leiden tot overspannenheid of depressie.
2.1.2. Symptomen
2.1.2.1. Melancholie
Josef Zehentbauer geeft een uitstekende opsomming van kenmerken van melancholie:
Vanuit de ervaring met deze patiënt meen ik ook te kunnen zeggen dat melancholici als geen ander beseffen en voelen dat deze maatschappij niet aangepast is aan het innerlijke van de mens. Verder zijn de aspecten controle, onmacht, verlies, tragiek, en verlangen naar een verloren geluk in zijn leven een belangrijk gegeven. Soms lijkt het wel of hij geen zin had om op deze lelijke, ellendige en onrechtvaardige wereld gezet te worden. Nu hij er toch is, verblijft hij er met tegenzin en is het tragische dat hij zichzelf niet ongedaan kan maken. Hij ervaart het leven als zinloos en doelloos.
Het lijkt erop dat bij hem als het ware het spirituele inzicht ontbreekt dat we allemaal deel uitmaken van een groter geheel, het Grote Plan. Met ons beperkt verstand zien we dit geheel niet, kennen het doel en de richting ervan niet. Met ons kleine persoontje vormen we slechts een minuscuul, nederig (maar daarom niet waardeloos) stipje in de kosmische gebeurtenissen.
2.1.2.2. Depressie
Lieve Van Zeebroeck somt enkele kenmerken van depressie op:
Prof. Cosyns deelt de symptomen in vier gebieden in:
1.
Gevoelsleven
De grondstemming is negatief gekleurd.
De patiënt voelt zich ongelukkig, ellendig, ontmoedigd tot zelfs wanhopig. Hij is ook loom en moe, lusteloos. Plezier kent hij niet meer, niets is nog de moeite waard.
2.
Cognitieve functies
De gedachten zijn vertraagd en draaien vaak rond in een kringetje, hij heeft concentratie- en geheugenstoornissen. Hij heeft een negatief en onrealistisch beeld van zichzelf, een overdreven negatieve zelfwaardering, minderwaardigheidsgevoelens, soms zelfmoordgedach-ten. Hij maakt denkfouten zoals o.a. besluiten trekken zonder bewijs of op basis van een detail of van één voorval. Hij heeft negatieve overtuigingen die niet vatbaar zijn voor weerlegging. Hij is selectief in het percipiëren en interpreteren van ervaringen op een negatieve wijze, ziet alleen fouten, mislukkingen, ongunstige omstandigheden. Positieve ervaringen of aspecten worden systematisch genegeerd en onbetekenend geacht.
3. Psychomotoriek
De patiënt heeft een hangende houding van neerslachtigheid, een trage gang, weinig mimiek, praat monotoon en traag, zucht veel. Anderzijds kent hij ook momenten van agitatie, rusteloosheid.
4.
Lichamelijke functies
Er kan sprake zijn van weinig eetlust, constipatie, vermindering van libido, slaapproblemen, hoofdpijn, gewichtsvermindering, enz. Deze klachten kunnen veel aandacht in beslag nemen tot het hypochondrische toe.
Bij D. heb ik in zekere zin een relatief overdreven aandacht voor
algemene en lichamelijke problemen kunnen waarnemen. Het ontbreken van een zinvolle daginvulling zoals werk speelt
natuurlijk een rol. Hierdoor
concentreert men zich immers makkelijker op zaken die anders op de achtergrond
worden geschoven en niet zo prioritair zijn, zolang de problemen maar het
werken niet al te hinderlijk zo niet onmogelijk maken.
Ook z’n overgevoeligheid voor afwijzingen en kritiek en soms het gebrek
aan assertiviteit in bepaalde situaties die hij heeft beschreven kunnen volgens
dr. Steven Bratman in zijn boek “St.Janskruid” een teken zijn van depressie.
2.1.3. Oorzaken en aanleidingen
Dr. Steven Bratman gebruikt een interessante en mooie vergelijking tussen de factoren die depressie veroorzaken of een aanleiding daartoe kunnen zijn. Het geeft ons ook een idee over het belang van de psychische weerstand:
‘Een auto rijdt over een weg die bezaaid ligt met spijkers. De auto zal langzaam rijden omdat de bestuurder de spijkers zal willen ontwijken. Maar als er te veel spijkers zijn, zal de auto er uiteindelijk toch een raken. De band zal leeglopen en de auto komt tot stilstand. In deze analogie zijn het duidelijk de spijkers die het probleem veroorzaken. Niettemin zal het resultaat voor elke auto die over de weg rijdt, weer anders zijn. Het resultaat hangt voor een belangrijk deel af van het profiel en het type van de banden.
Versleten banden kunnen al lek raken als er een paar korte, stompe spijkers op de weg liggen. Maar sterke banden met dikke lagen rubber en staal kunnen alleen lek raken als ze over de grootste en scherpste spijkers rijden. Zowel interen als externe factoren zijn dus van belang. Als een auto halverwege de weg tot stilstand komt, zijn er twee verschillende ‘behandelmethoden’ nodig. De band moet geplakt worden, maar daarnaast moeten ook de spijkers van de weg worden gehaald. Als slechts een kant van de vergelijking wordt aangepakt, is het resultaat op zijn best een tijdelijke oplossing.’ [14]
In de literatuur vindt men nogal wat verwarring tussen oorzaken en aanleidingen. Mijns inziens zijn de oorzaken terug te brengen tot constitutie, temperament en dispositie en de aanleidingen tot de expositie.
Gebeurtenissen in het dagelijks leven zijn op zich gewoon feiten. Hoe we ze ervaren of interpreteren is van belang. Zo kan men zogenaamde tegenslagen, tekortkomingen, mislukkingen ook zien als een uitdaging of als een les om iets uit te leren. D. ervaart tegenslagen eerder als een bewijs van zijn minderwaardigheid, een aanslag op zijn ego, een impuls voor zelfmoordgedachten of hij steekt de schuld op anderen of op de maatschappij. Het lijkt er trouwens wel op dat hij misschien relatief meer tegenslagen of negatieve ervaringen meemaakt dan anderen. D. is zo’n type waarvan men zegt: “Zet hem ’s morgens op een stoel op het voetpad en alle ongelukken die die dag in de omgeving moeten gebeuren zullen naar hem toekomen”. Hij lijkt wel een magneet voor tegenslagen en een levend bewijs voor de wet van Murphy.
2.1.3.1. Melancholie
In verband met melancholie zijn volgens Zehentbauer de opvoeding en de latere versterkende of corrigerende ervaringen niet de bron van melancholie, hoewel deze de vorming ervan wel kunnen bevorderen.
‘Melancholie is in ieder mens
vanaf de geboorte aanwezig, en gedurende de kinderjaren wordt melancholie
alleen mede ontwikkeld. Daarbij kan een
kind leren het geniale aan melancholie te ontdekken of dit te verdringen of de
aan melancholie tegengestelde capaciteiten (zich op extraverte wijze handhaven,
agressie, enz.) te versterken… of melancholie als – goddelijk – geschenk te
respecteren. Met de eerste ademtocht
direct na de geboorte laten wij de melancholie toe in onze ziel… en met de
laatste zucht op het sterfbed verlaat de melancholie ons, met een droevige
glimlach, voor altijd.’ [15]
Onder de natuurgeneeskundige stellingname verder in het werk zal ik melancholie plaatsen binnen het temperament. Eerder heb ik het al uitvoerig gehad over de structurele of maatschappelijke aanleidingen, en de persoonlijke levensgeschiedenis van de patiënt. Over zijn ervaring van het gebrek aan een vader zal ik het nog hebben in deel 3.
2.1.3.2. Depressie
Het onderscheid tussen oorzaken en aanleidingen vinden we ook terug in de vormen van depressie. Depressies kunnen op allerlei manieren worden ingedeeld bvb. naargelang de leeftijdsfase (baby, kind, puber, postnataal, menopauze, bejaarde) of naargelang de ontstaanswijze bvb. endogeen, reactief en somatogeen.
Endogene of vitale depressie (oorzaak)
Een depressie die zonder verklaring of aanwijsbare reden plotseling opduikt als wolken voor de zon; men wordt overvallen door wanhoop zonder er iets van te begrijpen. Door de psychiatrie wordt deze stoornis gewijd aan een malfunctie van bepaalde enzymsystemen in de hersenen, meestal voortkomend uit erfelijke aanleg, ‘van binnen uit’ (endogeen).
‘Een antwoord op de vraag, of misschien toch nog een niet onderkende psychische factor tot het startsein aan de hierbij betrokken enzymsystemen geeft, ligt vooralsnog buiten onze horizon.’ [16]
Depressie als reactie op bepaalde schokkende, ingrijpende gebeurtenissen, die iemand soms de grond onder de voeten wegneemt. Meestal is er een langzame overgang van ontstemming of verdriet naar depressie. Als een voorafgaande ziekte of overbelasting iemand hebben uitgeput, en er bovenop dan nog een emotionele schok plaatsheeft, dan kan iemand niet genoeg spankracht meer hebben om het allemaal op een normale manier te verwerken. Men gebruikt ook de term situationele depressie.
Aanleidingen zijn bvb. een verhuizing, een overlijden, gezinsproblemen, gepest worden, enz.
De psychodynamische theorie legt hier de nadruk op onopgeloste scheidingen of verlies van geliefde objecten. Een vroeg opgelopen trauma van verlies wordt in de levensloop steeds herhaald of heropgeroepen door gelijkaardige gebeurtenissen bvb. ontslag, ruzie, scheiding, afwijzingen… Zij vereenzelvigen of identificeren zich met het object en verinnerlijken het d.w.z. ze nemen de eigenschappen van de andere in zich op. Ze hebben het object nodig om zichzelf psychologisch in stand te houden. Kwaadheid of agressie naar dit object als ze het kwijtspelen, worden op zichzelf gericht en leiden tot zelfbeschuldigingen en daling van de zelfwaardering bvb. ‘ik ben niets waard’, ‘ze laten mij in de steek’, ‘hij of zij ziet mij niet graag’, enz.
De cognitieve theorieën benadrukken de logische denkfouten en rigide depressogene denkschema’s die ontstaan zijn als gevolg van de interpretatie van gebeurtenissen, van wat men te horen heeft gekregen van ouders en belangrijke medemensen.
Iemand die heel zijn jeugd kritiek heeft moeten horen dat hij dom is, alles verkeerd doet, niets waard is, raakt hiervan overtuigd. Hij vindt bevestiging hiervan in het dagelijks leven, in zijn relaties of op het werk door interpretatie van gebeurtenissen en van wat tegen hem gezegd wordt en van zijn eigen reacties hierop.
In het geval van D. wil ik even het gebrek aan een vader
vermelden. Prof. Coolsaet zegt
hierover:
‘Dat brengt ons bij het belang
van de aanwezigheid van de vader. De
vader moet er onder meer zijn om de zoon de mogelijkheid te geven zich te
identificeren met hem (…) De fysieke,
mentale en emotionele aanwezigheid van de vader is essentieel. Waarschijnlijk ondervinden zoveel jongeren
problemen in hun groei naar de volwassenheid, omdat hun vader er niet was.’ [17]
Over het belang van een goede communicatie tussen ouders en kinderen is in juni 2003 een studie verschenen van het Centrum voor Bevolkings- en Gezinsstudie op basis van een rondvraag onder ongeveer 2000 tieners. Hieruit blijkt:
‘dat een meerderheid weliswaar
niet in een problematische gezinscontext opgroeit, maar dat slechts 45 tot 68
procent aangeeft dat er een positieve communicatie is met de ouders. Ongeveer de helft van de tieners geeft ook
aan dat ze hun verdriet moeilijk kwijt kunnen bij hun ouders. Ook andere belangrijke positieve factoren –
zich aanvaard voelen door de ouders, vaak aan je ouders kunnen vertellen wat je
bezighoudt, wat je blij maakt, of elkaar regelmatig omhelzen – zijn elementen
die een redelijk omvangrijke groep tieners missen. Maar liefst een derde tot de helft van de tieners, zo stelden de
onderzoekers vast, ervaart systematisch zulke emotionele tekorten in het
contact met hun ouders.’
En verder:
‘Het is niet zo dat alleen
slechte relaties met de ouders aan de basis liggen van de problematische
depressies die steeds meer tieners vertonen.
Ook genetische en maatschappelijke aspecten spelen daarbij een rol. Maar een goede ouder-kind relatie leidt wel
tot een betere zelfwaardering, zo blijkt uit de resultaten.’ [18]
Uit hetzelfde onderzoek:
‘Jongeren die zich niet aanvaard voelen thuis, die te sterk worden gecontroleerd of juist te weinig interesse ervaren van hun ouders, dreigen vaak af te glijden in een depressie. Eén op vier jongeren voelt zich af en toe depressief. Eén op de twintig vertoont zelfs vaak tot altijd depressiesymptomen.’ [19]
Het belang van het heersende mensbeeld wordt ook niet onderschat:
‘Jongeren worden te vaak
benaderd als ‘bij te sturen personen’.
Als ze afwijken van ‘normale’ standaarden, dan is het antwoord bijsturen
of isolement. (…) De auteurs van de studie dringen aan op meer inspraak en
betrokkenheid van jongeren in de samenleving en op school, meer nadruk op het
‘coachen’ van de emotionele groei van kinderen en beleidsinitiatieven om de
druk die opvoeden met zich meebrengt, te verminderen.’ [20]
Somatogene depressie (oorzaken en aanleidingen)
Hierbij is er sprake van een lichamelijke oorzaak bvb. genetische
factoren of hormonale oorzaken (vb. puberteits-, postnatale, climacterische
depressie, verstoring van de balans van bepaalde neurotransmitters zoals
serotonine en noradrenaline).
Het gebruik van bepaalde medicamenten zoals o.a. bepaalde antihypertensiva, analgetica, antibiotica, hormonale preparaten of het gebruik van alcohol en andere drugs kan leiden tot een depressie. Depressie kan ook optreden bij bepaalde ziektes zoals schildklieraandoen-ingen, kanker, bloedarmoede, CVA, CVS, hepatitis e.a.
2.2. Anatomische en fysiologische gegevens
2.2.1. Het zenuwstelsel
Aangezien uit onderzoek is gebleken dat stemmingen, emoties, gedrag en gedachten beïnvloed worden door neurotransmitters en hormonen, dienen we even stil te staan bij de hersenen die zowel voor de fysische als de psychische werking van de mens instaan, bij het zenuwstelsel (ZS) en bij het hormonaal stelsel.
Daar het ZS, waarvan de hersenen eigenlijk een onderdeel zijn, erg complex is, heb ik niet alle structuren en onderdelen besproken, maar wel diegene die in het kader van depressie en melancholie relevant zijn.
Het ZS en het hormonaal stelsel vormen de belangrijkste besturingssystemen van het lichaam. Elektrische prikkels gaan veel sneller dan de hormonale.
Het ZS kan anatomisch onderverdeeld worden in het centrale ZS en het perifere ZS.
Tot het centrale ZS behoren de hersenen, beschermd door de schedel, en het ruggenmerg, beschermd door de wervelkolom. Hier situeren zich de cognitieve en emotionele functies en de waarneming en verwerking van zintuiglijke prikkels.
Tot het perifere ZS horen de hersenzenuwen voor hoofd en nek en de ruggenmergzenuwen voor de rest van het lichaam. Vanuit de hersenen vertrekken er twaalf hersenzenuwen en vanuit het ruggenmerg 31 paar (perifere) ruggenmergzenuwen.
(Afbeelding)
De hersenen bestaan uit de voorhersenen waartoe de grote hersenen behoren; uit de middenhersenen en uit de achterhersenen waartoe de kleine hersenen en de pons behoren. De voorhersenen worden ook verdeeld in een linker- en een rechtersenhelft die onderaan verbonden zijn door de hersenbalk. Elke hersenhelft wordt verdeeld in een aantal hersenkwabben, die elk hun specifieke functies hebben: de voorhoofdskwab, de temporale of slaapkwab, de zijkwab en de achterhoofdskwab. Uit onderzoek is gebleken dat elke hersenhelft zijn eigen functies heeft.
Linkerhersenhelft |
Rechterhersenhelft |
|
|
|
|
logisch |
gevoelsmatig |
|
verbaal |
non-verbaal |
|
analyse |
synthese |
|
letterlijk |
metaforisch, verbeelding |
|
lineair |
ruimtelijk |
|
taal |
herkennen van gezichten |
|
intelligentie |
intuïtie, creativiteit |
|
wetenschappelijke kennis |
gevoelsmatig begrijpen |
|
direct, functioneel, zakelijk |
|
|
wiskunde |
muziek, ritmegevoel |
Tabel
2.2.1.1. Specifieke functies van de hersenhelften
De buitenste laag van de hersenen heet de cortex of hersenschors. Deze bestaat uit zenuwcellichamen en vormt de grijze stof. Hier situeren zich gebieden voor het geheugen, het denken, de zintuigen, de spraak, besturing van de bewuste bewegingen, enz.
De binnenste laag bevat de witte stof die bestaat uit zenuwvezels.
(Afbeelding)
Er zijn zenuwen die van de organen of spieren naar het ruggenmerg lopen en van het ruggenmerg naar de hersenen. Dit zijn opstijgende of afferente of sensibele zenuwen. Er zijn echter ook zenuwen die de omgekeerde richting volgen, dit zijn afdalende of efferente of motorische zenuwen. Beide zenuwen kunnen echter in één en dezelfde zenuwbundel lopen; de meeste zenuwen zijn ‘gemengde’ zenuwen. Elke ruggenmergzenuw is met twee wortels aan het ruggenmerg verbonden; één wortel bevat de sensibele en de andere de motorische zenuwvezels. Kort bij het ruggenmerg vertakken de ruggenmergzenuwen zich en bestrijken een heel gebied.
(Afbeelding)
Functioneel kan het ZS onderverdeeld worden in het autonome of vegetatieve of onwillekeurige ZS en het somatische of animale of willekeurige ZS.
Het somatische ZS onderhoudt het contact met de buitenwereld via de zintuigen, en stelt het lichaam in staat tot beweging.
Het autonome ZS, dat gecontroleerd wordt door de hypothalamus, regelt de inwendige functies van het lichaam zoals de hartslag, de spijsvertering, afscheiding van hormonen, de ademhaling. Dit ZS wordt onderverdeeld in het sympathisch en parasympathisch ZS. Ze bezenuwen zowat dezelfde organen maar met een tegengesteld effect. Het sympathisch ZS activeert bepaalde lichaamsfuncties bvb. bij een stressreactie en het parasympathisch ZS remt bepaalde functies en zorgt voor herstel.
(Afbeelding)
De hypothalamus ligt onderaan de hersenen net onder de thalamus, een belangrijk schakel- en integratiestation dat informatie ontvangt over alle zintuigen behalve het reukvermogen. De hypothalamus is volgens Smink ‘een verzameling gespecialiseerde zenuwcentra, die in verbinding staan met andere belangrijke delen van de hersenen en met de hypofyse. Hier worden functies als eten, slapen en temperatuur gereguleerd. Ook is het nauw betrokken bij het hormoonstelsel. De hypothalamus heeft zenuwbanen die een verbinding vormen met het limbisch systeem, dat nauw verbonden is met de reukcentra van de hersenen. Dit gedeelte van de hersenen is weer verbonden met delen die betrokken zijn bij andere zintuigen, zoals gedrag en herinnering.’ [21]
De hypothalamus is van groot belang voor de homeostase en is betrokken bij
regeling van de hypofyse, het autonoom ZS, het eet- en drinkgedrag, de
lichaamstemperatuur, de beheersing van emotioneel gedrag en het
slaap-waakritme, en van het geheugen.
Ik ga even in op het limbisch systeem (LS) of emotioneel circuit van Papez, een ring van onderling verbonden structuren aan de bovenkant van de hersenstam. In de evolutie van de mens vormt dit de tweede hersenlaag. De eerste is de hersenstam, die bestaat uit de middenhersenen, de reticulaire formatie, de pons of brug en het verlengde merg; de hersenstam staat in voor het levensbehoud. De laatste laag in de evolutie van de mens is de hersenschors, verantwoor-delijk voor denkprocessen en bewustzijn. Het LS maakt verbindingen tussen de hersenstam en de hersenschors.
Het bestaat uit:
Het LS houdt zich bezig met emotie, stemming, herinnering en analyseert berichten van de ontvangstcellen in de neus. Daarom hangen geuren vaak samen met emoties. Denken we maar aan parfums of de geur van het zelfgebakken brood van grootmoeder. Smink legt uit:
‘Bepaalde geuren kunnen
herinneringen aan lang vergeten belevenissen oproepen. Dit komt doordat we de neiging hebben ons
die dingen te herinneren, die een emotionele betekenis hebben. Dit komt doordat die delen van de hersenen
die herinneringen bewaren en oproepen, nauw verbonden zijn met het LS, dat weer
verbonden is met de geurcentra in de hersenen.’ [22]
Prof. Abrahams verduidelijkt:
‘Door de verbindingen met de
hersenstam biedt het LS een manier waarop de emotionele toestand van invloed kan
zijn op de inwendige toestand van het lichaam.
Dit kan het lichaam wellicht voorbereiden op een daad van zelfbehoud,
zoals weglopen in angst of een seksuele gebeurtenis. Dankzij de uitgebreide verbindingen tussen het LS en de
hersenschors kunnen mensen hun kennis gebruiken om hun reactie op emoties te
reguleren. Indien noodzakelijk kan de
hersenschors dus voorbijgaan aan het primitievere LS.’ [23]
Cokelaere voegt hieraan toe:
‘Dit systeem staat in
verbinding met de hypothalamus en het autonoom systeem. Dit verklaart waarom emoties het autonoom
systeem en het hormonaal systeem kunnen beïnvloeden.’ [24]
Boodschappen tussen zenuwcellen worden doorgegeven in de synaptische spleet tussen hun uitlopers. We bekijken even een zenuwcel van naderbij.
Vanuit het cellichaam lopen er twee soorten uitlopers. De relatief korte dendrieten brengen de prikkel naar het cellichaam en de langere neuriet of axon brengt de prikkel van het cellichaam weg en is omgeven door een isolerende stof, de myelineschede.
In het presynaptische deel van de axon van zenuw 1 bevinden zich kleine blaasjes met een neurotransmitter, die wordt uitgestoten in de synaptische spleet, waar hij zich zal verbinden met een receptormolecule in het postsynaptische membraan van de dendriet van zenuw 2. Het gevolg hiervan is dat via een elektrisch spanningsverschil zenuw 2 wordt geëxciteerd of geïnhibeerd of gemoduleerd, afhankelijk van de aard van de receptormolecule. Na de actie van de neurotransmitter wordt deze afgebroken door een enzyme of geremd door bepaalde chemische stoffen of terug opgenomen in het presynaptische deel.
Enkele voorbeelden van neurotransmitters: acetylcholine, noradrenaline, adrenaline, dopamine, glutaminezuur, serotonine.
(Afbeelding)
2.2.2. Het hormonaal stelsel
Het hormonaal of endocrien stelsel omvat de klieren die hormonen afscheiden in het bloed of in een orgaan. Hormonen, de chemische boodschappers van het lichaam, kunnen een remmende of activerende werking hebben op andere klieren of organen. Voorbeelden van klieren zijn de hypofyse, de schildklier, de bijnieren, de testes en de eierstokken, de eilandjes van Langerhans in de pancreas. De verschillende klieren staan met elkaar in verbinding, ook door middel van het terugkoppelings- of feedbackmechanisme.
De belangrijkste klier is de hypofyse, die zelf neuraal of hormonaal gestuurd wordt door de hypothalamus, die het zenuwstelsel met het endocrien stelsel verbindt en impulsen doorgeeft tussen hersenen en organen. De hypofyse produceert hormonen die rechtstreeks het hiervoor ontvankelijke orgaan beïnvloeden en hormonen die de hormoonproductie van andere klieren beïnvloeden. Een verklaring waarom hormonen en emoties nauw verwant zijn ligt in de sterke band tussen hersenen en hypofyse. Denken we bvb. aan PMS of aan een postpartum depressie.
(Afbeelding)
2.2.3. Psychoneuro-immuniteit
Men dacht lang dat de weerstand los stond van het zenuwstelsel. Nu weet men echter beter:
‘Levensopvattingen, emoties en verwachtingen kunnen wel degelijk ons afweersysteem beïnvloeden en zelfs gedeeltelijk besturen. Bij psychische spanningen komen er invloedrijke hormonen vrij die ons weerstandsvermogen doen verminderen. Vatbaarheid voor vele ziekten hangt voor een deel samen met de mate waarin wij situaties met veel spanningen aankunnen.’[25] schrijft Dr. De Greef.
Zowel het ZS als het afweersysteem ontvangen exogene en endogene
signalen, verwerken ze en reageren erop.
Voor het afweersysteem gaat het om een antigen en voor het ZS om een
stressfactor. De betrokken organen van
het afweersysteem noemt men lymfoïde organen, waarin de lymfocyten (een soort
witte bloedcellen) zich bevinden. Deze
zijn het beenmerg, de milt, de thymus, de lymfeklieren, de amandelen, het
lymfatisch weefsel van de luchtwegen en van de darmen.
Het vegetatief ZS beïnvloedt bovendien rechtstreeks de tonus van de lymfevaten. Ik verwijs verder ook naar de uitleg bij manuele lymfedrainage. Virginia Cool, docente manuele lymfedrainage, spreekt in dit verband van de “psycho-neuro-endocrino-lymfo-immunologie”.
De hersenen kunnen het afweersysteem regelen door middel van neurotransmitters, waarvoor de vermelde organen receptoren bezitten. Hiervan zijn de belangrijkste:
De stressreactie begint in de hypothalamus die de hypofyse prikkelt om hormonen af te geven die het bijniermerg adrenaline doen afscheiden en de bijnierschors corticoïden. Adrenaline brengt het lichaam in een toestand van paraatheid, en de corticoïden onderdrukken het afweersysteem. Chronische stress ondermijnt dus het afweersysteem.
Ook tekort aan slaap is een stressfactor en vermindert de weerstand. Cortisol kan in verband gebracht worden met o.a. depressie, zwaarlijvigheid, kanker, diabetes.
Dankzij de psychoneuro-immuniteit weten we dat de psychische weerstand
afhangt van fysiologische processen tussen cellen, receptoren en
neuropeptiden. Jan Dries leert ons:
‘Mensen met goed
functionerende hersenen, zenuwstelsel en hormoonstelsel zullen over een sterke
psychische weerstand beschikken in tegenstelling tot hen bij wie deze processen
verstoord zijn of minder goed functioneren.
Een zwakke psychische weerstand kan aangeboren zijn maar kan ook het
gevolg zijn van spanningen, stress, onverwerkte emoties, niet kunnen ontladen,
angst, twijfels, onzekerheid, enz.’ [26]
Bij het ontstaan van psychische problemen is de psychische weerstand doorslaggevend. Zij die een zwakke psychische weerstand hebben, kennen overwegend de negatieve eigenschap-pen die bij hun temperament horen. Een ongunstige expositie kan de psychische weerstand aantasten, net zoals een gunstige expositie, een gezonde voedings- en levenswijze en aangepaste therapieën deze kan verbeteren.
In verband met de psychoneuro-immuniteit raadt Dr. De Greef aan de kwaliteit van het afweersysteem te verbeteren of onderhouden door gezonde voeding, lichaamsbeweging, ontspanningstechnieken, door negatieve denkpatronen los te laten en te leren goed met spanningen om te gaan.
2.2.4. Biochemische vaststellingen
Een laag niveau van bepaalde aminen
in de hersenen kan volgens de amine-hypothese depressie veroorzaken, maar ook
angst- of eetstoornissen. Aminen zijn
stoffen die gemaakt worden uit aminozuren.
De bekendste neurotransmitters (een vorm van aminen) zijn serotonine,
noradrenaline en dopamine.
De neurotransmitters worden bij een depressief persoon te snel of te veel afgebroken door gedesorganiseerde enzymsystemen. Daardoor krijgen hersencentra waar de motoriek, de emotionaliteit en het driftleven geregeld worden een tekort aan deze stoffen. Deze functies worden dan ook geremd. Zo kwam men op het idee om de concentratie aan neurotransmitters te verhogen d.m.v. medicatie.
De MAO-remmers remmen het enzym monoamineoxidase, dat aminen afbreekt. Deze medicijnen waren effectief maar hadden veel bijwerkingen en men moest ook letten op wat men at, want bepaalde voedingsmiddelen bevatten tyramine, een verwant van de biogene aminen. Als de afbraak van tyramine wordt geremd, bestaat er nl. een risico op een stijging van de bloeddruk.
Een andere groep antidepressiva, de tricycliden, zoals imipramine, blokkeren de reabsorptie van serotonine en noradrenaline.
Er werden ook antidepressiva ontwikkeld die specifiek werken op een bepaald amine. Deze groep heten de SSRI’s, de selectieve serotonine-heropnameremmers. Zo verhoogt bvb. Prozac het serotoninegehalte.
Het grootste probleem zijn de bijwerkingen, zoals o.a. misselijkheid, hoofdpijn, seksuele problemen, vermoeidheid, droge mond, slaapproblemen, gewichtstoename.
Ondertussen is aangetoond dat er zwakke plekken in de aminehypothese
zitten.
Het standpunt van dr. Steven Bratman: ‘In werkelijkheid is een depressie het gevolg van een combinatie van
factoren. Een traumatische jeugd,
biogene aminen, verdrongen herinneringen, negatief commentaar op jezelf,
specifieke plekken van aminereceptoren – ze spelen waarschijnlijk allemaal een
rol en beïnvloeden elkaar.’ [27]
2.2.5.Neuro-endocriene
vaststellingen
In meerdere, maar niet
alle onderzoekingen is vastgesteld dat het bijnierschorshormoon cortisol
tijdens een depressie vaak langdurig verhoogd is. Dit wordt eerder als een gevolg dan een oorzaak gezien en geweten
aan een verhoogd stressniveau. Dit
geldt ook voor het corticotropin-releasing hormone (CRH) uit de hypothalamus en
het adrenocorticotroop hormoon (ACTH) uit de hypofyse.
CRH zorgt in de hypofyse
voor de productie van ACTH, dat de bijnier stimuleert tot productie van
cortisol.
Er is ook een verlaging
van het schildklierhormoon vastgesteld.
De respons van het thyrotrophin-releasing hormone (TRH) uit de
hypothalamus op het thyroïd-stimulating hormone (TSH) uit de hypofyse is
verminderd, waardoor de schildklier minder gestimuleerd wordt tot aanmaak van
het schildklierhormoon. Dit gaat
gepaard met traagheid, zwaarmoedigheid en onlustgevoelens, verhoging van het
lichaamsgewicht, vermindering van het libido.
Bob Vansant over de
relatie tussen stress en depressie:
‘De overeenkomsten tussen overstress en depressies worden bij lichamelijke metingen teruggevonden. Bij depressieve mensen zijn de niveaus van de verschillende stresshormonen (bvb. cortisol) allemaal abnormaal. Bij niet-depressieve proefpersonen werden stresshormonen ingespoten en dan bleek dat de hypothalamus hierop reageert door onmiddellijk minder CRH af te scheiden. De hypothalamus zorgde er dus voor dat de aanmaak van nieuwe stresshormonen werd onderdrukt, en dat het normale evenwicht in het lichaam terugkeerde. De hypothalamus trapte dus op de rem, omdat de spanning in het lichaam te hoog werd. Bij mensen die depressief zijn, blijkt deze rem echter niet meer te werken. (…) Bij mensen die tijdens hun leven ernstig depressief waren geweest, werden vier keer zoveel cellen gevonden die CRH aanmaakten! Bovendien bleek elke cel op zich ook nog eens extra CRH aan te maken. Hieruit kunnen we concluderen dat stress en depressie een bijzonder nauwe relatie hebben.’ [28]
2.2.6. Neuro-immunologische vaststellingen
Een verhoging van het aantal leukocyten en geactiveerde T-cellen en van de concentratie van bepaalde interleukines duiden op een pro-inflammatoire toestand tijdens een depressie. Dit wordt eveneens gezien als een reactie van het lichaam op langdurige stress.
In verband met de psychoneuro-immuniteit, neuro-endocriene en neuro-immunologische vaststellingen verwijs ik naar het uitmuntende artikel in bijlage 5 van Steinberg en Gold in het eerste nummer van het tijdschrift Sciam. Hierin wordt de communicatie tussen hersenen en immuunsysteem in detail uit de doeken gedaan en het verband gelegd tussen stress, depressie, immuunziekten en zelf- en wereldbeeld.
2.2.7. Chronobiologische vaststellingen
Slaapproblemen, moeheid en een niet uitgerust gevoel overdag zijn een gekend symptoom van depressie. Ook bekend is dat bij sommigen de klachten ’s morgens erger zijn dan ’s avonds, bij anderen dan weer omgekeerd.
In verband met D’s gewoonte laat te gaan slapen en op te staan ergens in de namiddag, wil ik hier graag het belang van de serotonine-melatonine stofwisseling vermelden.
Cryptochroom is de lichtactieve stof die zich in de ogen bevindt en die verantwoordelijk is voor de synchronisatie van onze biologische klok. Het licht dat in onze ogen valt, wordt naar het kijk- en het klokcentrum in de hersenen gestuurd, waar een complex samenspel van hormonen plaatsvindt.
‘Bovenaan de reactie staat het
melatonine. Melatonine is een neurohormoon of neurotransmitter, dus een
informatiedrager in de zenuwcellen in de hersenen. Het melatonine is de stof,
die het binnenste van ons regelmatig met de buitenwereld vergelijkt met de (cryptochroom-)ogen.
Ons circadiaan (24uurs-) ritme loopt op 23 tot 25 uur. Via lichtinformatie van
buiten houdt het melatonine ons steeds weer op 24 uur synchroon.
Melatonine wordt in donkere periodes (meestal in de nacht) geproduceerd. De
hoeveelheid daalt overdag geleidelijk. Is de concentratie van melatonine zo ver
gedaald dat het een kritieke laagstand bereikt, dan worden wij moe en
ongeconcentreerd. Krijgen we dan geen slaap, dan treden storingen op die zich
uiten in hoofdpijn, verhoogde agressie of depressie of gewoon negatieve
emoties.
(Afbeelding)
Melatonine wordt gemaakt van
een andere neurotransmitter, het serotonine, dat weer wordt gemaakt van het
aminozuur tryptofaan. Een goed functioneren van ons dagnachtritme kan dus door
onvoldoende of eenzijdige voeding verstoord worden. Voedselbronnen die veel
tryptofaan bevatten zijn melk, vis, vlees, bananen en kwark.
Melatonine en serotonine
hebben invloed op het hongergevoel, op de seksuele activiteit, het goed of
slecht voelen, op de lichaamstemperatuur en op onze agressiepeil; ze regelen
dus zo’n beetje ons hele welzijn.
De grootste verstoring van ons biologische ritme is de manier waarop wij leven. Dag en nacht fel licht in de steden, werken in de nacht en verre reizen zetten onze bioklok regelmatig op nul.’ [29]
Ik wijs ook op het belang van de kunstmatige zomeruurveranderingen:
‘Tijdens de winter leven we
een uur vooruit op de natuurlijke tijdzone, ook aangeduid als GMT. In de zomer komen daar nog eens zestig
minuten bij. Volgens de Belgische
Vereniging tegen de Zomertijd lijden we in die periode continu aan
slaaptekort. Als iemand om 7 uur uit de
veren is, wijst de zonnetijd nog maar 5 uur aan. ’s Avonds hebben we geen zin om vroeg te gaan slapen omdat het
langer licht blijft en omdat ons lichaam twee uur achter loopt. Een ander argument van de BVTZ luidt dat het
zomeruur de productie van melatonine verstoort.’ [30]
2.2.8. Biometeorologische invloeden
Het is misschien een open deur intrappen, maar we kunnen heel gemakkelijk bij onszelf in het dagelijks leven de invloed van het weer op onze stemming vaststellen.
In België hebben we niet zoveel geluk met het weer. De gemiddelde jaartemperatuur bedraagt ong. 11°C: te warm om te vriezen en te koud om te kunnen genieten… Slechts een paar maanden per jaar kunnen we ons zonder een paar kilogram kleren buiten begeven. Is het een mooie zomer, dan zitten we weer te sukkelen met de muggen, de fruitvliegen en de bladluizen… Ik heb eens met een Italiaanse Erasmus-studente gepraat aan de UIA en zij verbaasde zich over de instabiliteit van het weer in België. Vandaag is het zus, morgen is het zo.
‘Dr. Volker Faust heeft een
indeling gemaakt van seizoensgebonden ziekten maar op het terrein van psychisch
klachten en psychiatrische ziekten is in verhouding weinig onderzoek
verricht. Nochtans mag men aannemen dat
de psyche erg gevoelig is voor extreme weerschommelingen. Toename van depressiviteit, onrust, angst,
onzekerheid, prikkelbaarheid, zwaarmoedigheid, onvriendelijkheid, apathie, enz.
tijdens grauwe regendagen of koude winterdagen zijn algemeen vast te stellen.’ [31] vertelt Jan Dries.
Hippocrates besteedde al veel aandacht aan de negatieve invloed van de
wind. Het is vooral de invloed van de
wind op de nieren die aanleiding geeft tot psychische klachten.
Uiteraard en gelukkig kan het weer ook onze stemming gunstig
beïnvloeden…
2.2.9. Elektromagnetische invloeden
Er zijn op zijn minst aanwijzingen dat elektropollutie een invloed kan hebben bij depressie. Kijken we even bij Syd Baumel:
‘Two forms of electromagnetic smog are causing the most concern: the nonionizing electromagnetic radiation (NEMR) emitted primarily by broadcast towers, radar installations, and microwave appliances, and the magnetic fields surrounding electrical appliances and power lines.
Even at low exposure levels, NEMR and magnetic
fields can interfere with subtle electrobiochemical processes. Weak
power-line-frequency magnetic fields have been shown to induce depression-like
abnormalities in neurotransmitter and endorphin levels and body rhythms, and to
impair sleep quality. Chronic overexposure even seems to promote brain cancer.
In several studies, the association between
magnetic fields, suicide, and depression has been further explored. A 1990
study cited by Charles Poole and associates found a normal suicide rate among
electric utility workers. But soon after, a study by David Savitz et al. of the
University of North Carolina found significantly more signs of depression among
electrical workers than controls. In a survey by Poole's group, people living
very near a transmission line right-of-way were nearly three times as likely to
be depressed as people living far away. In contrast, a study by S. McMahan et
al. compared women who lived right next to a power line to ones who lived only
a block away. There were no significant differences in depression. But then, in
a 1989 study by Stephen Perry et al., depressed patients had stronger
power-line magnetic fields outside their homes than healthy controls. Earlier,
Perry and a colleague similarly found that people hospitalized for depression
were significantly more likely than their healthy apartment-block neighbors to
have lived near the main electrical supply cable. Even geomagnetic storms were
implicated as a trigger of depression in a study by R. W. Kay.’[32]
Het magneetveld van de aarde heeft een belangrijke invloed op planten, dieren en mensen. Zo gebruiken bvb. heel wat dieren het ter oriëntering en is de vorming van rode bloedlichaampjes bij de mens het hoogst als hij in de richting Noord-Zuid slaapt.
Bij storingen in het aardse
magneetveld neemt het aantal acute ziektegevallen, vooral hart- en
vaatproblemen, plots toe.
Omdat ze zo makkelijk overal doordringen, hebben magnetische velden een belangrijke invloed op alle organen, de besturingscentra inbegrepen. Onze zenuwuiteinden zijn zeer gevoelige ontvangers, tijdens de slaap zelfs nog meer dan overdag. Wulf-Dietrich Rose gaat erop in:
‘De hersenen met hun rond tien miljard zenuwcellen vormen een netwerk
van duizenden ingewikkeld vertakte communicatiekanalen. De communicatie die zich hierin afspeelt,
bestaat uit elektrochemische processen op het laagste energieniveau.
Zo hebben Amerikaanse onderzoekers magneetveldspanningen aan de zenuwuiteinden
gemeten van 1 nGs (0,000000001 Gauss) en elektrische veldwaarden van ongeveer 1
mV/m.
De frequentie van de door de schedel heen dringende hersenstromen, die
op het hoofdhuidoppervlak meetbaar is (en in het ‘elektro-encefalogram’, het
EEG, wordt vastgelegd), schommelt tussen 0,3 en ongeveer 60 Hz, waarbij het
meetbare potentiaalverschil, afhankelijk van de hersenactiviteit, ongeveer 5
tot 250 mV bedraagt.
Maar ook de huid bevat miljoenen zenuwuiteinden. Deze zenuwuiteinden zijn zo gevoelig voor de
geringste variaties van elektrische velden en minimale magneetveranderingen,
dat men kan zeggen dat zij het menselijk
lichaam tot een extreem gevoelige antenne maken.
Dat dit werkelijk zo is, kan men gemakkelijk vaststellen wanneer men gevoelige meetontvangers van radio- en tv-monteurs op het menselijk lichaam aansluit. Deze apparaten geven aan dat het huidoppervlak van het lichaam EM straling in duizenden frequenties opneemt. (…) Het lijdt dan ook geen twijfel dat de van buiten op de natuurlijke elektrische stromen van het menselijk lichaam inwerkende kunstmatige elektrische velden de in het lichaam bestaande besturingsprocessen zullen verstoren en ze zelfs geheel zullen verdringen door lichaamsvreemde besturingsprocessen.’ [33]
Deze besturingscentra zijn volgens Rose:
1. De centrale en autonome zenuwstelsels
2. De endocriene klieren
3. Het enzymsysteem
4. Het immuunsysteem
Niet alleen onze zenuwuiteinden maar ook deze besturingscentra reageren zelfs op uiterst kleine veranderingen in elektrische en magnetische velden. Via de hypothalamus staan de regelprocessen van het zenuwstelsel in nauw verband met hormonale regelprocessen en werken ze ook in op de stofwisseling, dat dan weer in nauw verband staat met de vorming van afweerstoffen.
Het hoeft dan ook geen verwondering dat er in een groot aantal onderzoekingen enorm veel mogelijke klachten vermeld worden als gevolg van blootstelling aan elektromagnetische stralingen: hoofdpijn, vermoeidheid, slaapstoornissen, potentiestoornissen, bloeddrukverho-ging of –verlaging, bloeddruk, transpiratie, veranderingen van het bloedbeeld, temperatuurs-veranderingen, kanker, nervositeit, gedragsstoornissen, krampen, verminderde weerstand van het immuunsysteem, reuma, e.v.a.
Rose stelt dat ‘Elke elektromagnetische straling kan aanleiding geven tot verstoring van de gezondheid, afhankelijk van de persoonlijke gevoeligheid en individuele ontvankelijkheid. De samenhang wordt meestal niet herkend omdat de oorzaak niet herkenbaar is. (…) Vooral in onze huizen worden wij, in het bijzonder gedurende de regeneratiefase van de slaap, door de vermenging van natuurlijke en vervormde kunstmatige golven, ongunstig beïnvloed.’ [34]
Er zijn ook aanwijzingen dat de melatonineproductie wordt geremd door langdurige blootstelling aan elektropollutie, wat dan weer bijdraagt tot slaapstoornissen, vermoeidheid, stemmingsverandering en verminderde onderdrukking van kankercellen. Bovendien is melatonine een antioxidant; minder melatonine betekent dus minder ontgifting van het lichaam.
2.2.10. Emoties en stemmingen
Ik laat Whybrow aan het woord:
‘Strikt genomen is een
stemming de consistente uitbreiding van een emotie in de tijd. Een emotie is meestal van voorbijgaande aard
en wordt beïnvloed door de gedachten, activiteiten en sociale situaties van het
moment. Stemmingen daarentegen kunnen
uren, dagen, of in het geval van bepaalde depressies, zelfs maanden duren. Stemmingen hebben bovendien een halo-effect:
ze kleuren herinneringen en bestaande ervaringen met de heersende stemmingstoestand. Een emotie wijst erop dat het homeostatisch
regelsysteem actief is, terwijl de stemming het set-point is waar de emoties
omheen schommelen – een set-point dat bij de meeste mensen vrij neutraal en
stabiel is, zoals ook een goed werkend thermostaat de temperatuur in een ruimte
constant houdt. Onze stemming, onze
emotionele evenwichts-toestand, heeft dus een grote invloed op de manier waarop
we met anderen omgaan en de wereld waarnemen.’ [35]
‘Het veranderlijke gedrag dat
we emotie noemen is de afspiegeling van een homeostatisch systeem van
hersenactiviteit dat door de evolutie is ontwikkeld om de aanpassing te
verbeteren, vooral in complexe sociale groepen. Onze overlevingskansen zijn afhankelijk van dit systeem van
emotionele intuïtie. (…) De krijsende
zuigeling doet een beroep op de ouder om terug te keren, terwijl de volwassene
met zijn verdriet en neerslachtigheid opwekt tot medeleven en steun. In beide gevallen is het doel van het gedrag
het herstel van de harmonie – het corrigeren van negatieve sociale
veranderingen, het verkrijgen van hulp en het in balans brengen van
veranderende omstandigheden.’ [36]
Emoties kunnen dus gezien worden als een streven door de hersenen naar
harmonie met de omgeving. In dit licht
sta ik even stil bij het begrip homeostase.
Een homeostatisch systeem is een ‘systeem dat een dynamische stabiele toestand handhaaft door middel van
interne regulatie, waarbij het de externe krachten in balans houdt die anders
het vitale evenwicht dat het systeem moet handhaven zouden verstoren. Emotioneel gedrag is een homeostatisch
systeem; het zorgt voor evenwicht in onze interactie met de wereld, in het
bijzonder de complexe sociale wereld waarin de meesten van ons leven. (…) Het is een wezenlijk kenmerk van alle
homeostatische systemen dat ze permanent streven naar een zo goed mogelijke
aanpassing aan de omgeving waarin ze functioneren. (…)
In perioden
van verdriet en tijdens een ernstige depressie, wanneer de regelmechanismen van
hersenen overbelast raken, gaat deze natuurlijke harmonie verloren en treden de
ritmische patronen van slapen, eten en energieverbruik aan het licht doordat ze
niet langer synchroon lopen. (…)
Lichamelijke
harmonie en geestelijk evenwicht vereisen dat er soepel wordt ingespeeld op
verandering, dat allerlei zaken van moment tot moment worden bijgesteld ten
behoeve van een betere aanpassing, het zij aan de constante uitdaging van het
aardse milieu, hetzij aan de sociale orde die een groot deel van ons dagelijks
bestaan uitmaakt.’ [37]
Bij pasgeborenen hebben de primaire emoties de overhand, maar bij het volwassen worden raken emotie, gevoel, geheugen en denken met elkaar verweven.
Als gevolg van een reeks
onderzoekingen ‘werd duidelijk dat wat wij emotie noemen eigenlijk een
combinatie van geheugen en gevoel is.
(…) Herinneringen aan vroegere
ervaringen zijn zo nauw verweven met gevoelens dat beide elkaar kunnen
oproepen. Een trieste stemming, zoals
die voorkomt bij een depressie, leidt dus tot het selectief oproepen van
herinneringen aan andere trieste gebeurtenissen, wat ten dele verklaart hoe een
melancholische stemming zichzelf kan versterken en kan uitgroeien tot een
negatief wereldbeeld. (…)
Deze interessante verbinding
tussen gevoelstoestanden en herinneringen verklaart niet alleen de vertekening
van het geheugen tijdens een depressie, maar heeft ook belangrijke implicaties
voor de wijze waarop stemmingsstoornissen ontstaan – waarom het emotionele
effect van een ervaring meestal meer te maken heeft met de abstracte betekenis
en de persoonlijke waarde die we eraan hechten dan met de gebeurtenis als
zodanig. Naarmate we ouder worden
en onze levenservaring toeneemt, worden
emoties steeds meer bepaald door het bijzondere vermogen van de mens om
betekenis te vinden in het abstracte denken.’ [38]
En zo komen we tot het resultaat:
‘We rijgen onze herinneringen en gevoelens aaneen tot een persoonlijke geschiedenis, een emotioneel verhaal dat de significante momenten omvat die ieder van ons tot een unieke persoon maken; dat zijn de verhalen die we aan anderen vertellen wanneer we onszelf beschrijven. Geheugen en gevoel, samengevoegd tot emotionele ervaring, dragen de individuele entiteit en verschaffen ieder van ons unieke sterke en zwakke punten.’ [39]
2.3. Reguliere diagnostische mogelijkheden
2.3.1. Anamnese
De huisarts is de bestgeplaatste persoon om de diagnose te stellen, gezien hij meestal ook het gezin, het verleden en het medicatiegebruik van de patiënt kent. Hij kan ev. verwijzen naar gespecialiseerde hulp (bvb. psychiater, maatschappelijk werker), besluiten tot een opname, bepalen of complementaire hulp nuttig is.
Naast de symptomen, bestaan er ook vragenlijsten om de ernst van een depressie te weten te komen.
Soms kan een laboratoriumonderzoek, vaak een bloedonderzoek (bvb. hormonale testen bij een vrouw), de arts helpen de oorzaak van een depressie vast te stellen.
Er bestaan vragenlijsten om te
bepalen of iemand aan depressie lijdt en in welke mate. Voorbeelden:
D.’s huisarts heeft bij hem de diagnose
depressie gesteld maar hiervoor geen medicatie voorgeschreven, wel psychologische
begeleiding aangeraden.
2.3.2. Beleid
De reguliere behandeling van depressie omhelst 3 fasen:
De behandeling is erop gericht de symptomen te
verminderen en op te heffen; het psychosociaal functioneren te herstellen, de
mogelijkheid van terugval te voorkomen.
De geneesheer
overweegt of en welke antidepressiva hij zal voorschrijven en welke
psychotherapeutische of psychiatrische begeleiding de patiënt moet
krijgen. Naargelang de ernst kan hij
ook tot een opname besluiten.
Psychofarmaca kunnen een nuttig
middel zijn om te zorgen voor meer energie, een minder neerslachtige stemming
en meer helderheid en ze kunnen aldus zorgen voor een sprankeltje hoop. Hierdoor kan de patiënt meer open staan om
iets te gaan veranderen in zijn leven, in zijn manier van denken, voelen en
handelen.
Wat betreft de benadering vertoont de arts een affectieve betrokkenheid en een empathische houding en prijst hij de patiënt voor het zoeken van hulp, dat eerder een teken is van wijsheid dan van zwakte. Hij schetst het verloop van de behandeling, geeft steun, stelt gerust en geeft een realistische hoop dat de gemoedstoestand waarin hij nu verkeert voor verandering vatbaar is. De arts vermijdt een autoritaire, minimaliserende of betuttelende houding die de patiënt als een afwijzing zou aanvoelen en besteedt aandacht aan positieve aspecten in diens leven en persoonlijkheid en tracht ook de moeilijkheden van de patiënt te relativeren en te wijzen op denkfouten.
Hij zorgt ev. voor een tijdelijke ontlasting van familiale en professionele verplichtingen, geeft uitleg over de medicatie, bespreekt expliciet de ev. zelfmoordgedachten.
2.4. Reguliere behandelingsmogelijkheden
2.4.1. Melancholie
Over de vroegere behandelingen laat ik Binkert aan het woord:
‘De behandeling van de ziekte
melancholie was al in de late oudheid minder gericht op het gebruik van
geneesmiddelen dan op psychische beïnvloeding: een verblijf in lichte ruimten,
licht verteerbare voeding, vermindering van de alcoholconsumptie, beweging,
verandering van plaats en positieve beïnvloeding van gedachten. En ook de muziektherapie werd in die tijd al
psychiatrisch toegepast.’ [41]
Volgens Bob Vansant schreef de Zwitserse geneeskundige en alchemist Paracelsus (1493-1541) Sint-Janskruid voor tegen melancholie.
Zehentbauer houdt zelfs een pleidooi voor melancholie:
‘Melancholie hoeft niet aan
een therapie te worden onderworpen – integendeel: melancholie is een geneesmiddel. (…) Melancholie is niet negativistisch, maar
de medisch-psychologische beschrijvingen daarvan zijn negativistisch. De typering door Aristoteles van
melancholici als ‘buitengewone mensen’ lijkt al vroeg te zijn vergeten.’ [42]
‘Melancholie is nooit een ziekte
maar een fantastische karaktereigenschap, vol diepgang, innerlijke
creativiteit, rust en (stille) hartstocht. (…) Melancholie moet niet worden
bestreden of aan een therapie worden onderworpen, maar men zou de waarde ervan
moeten inzien en respecteren. In deze
wereld zou niet minder maar meer melancholie wenselijk zijn, dan zou de wereld
er vreedzamer en rechtvaardiger uitzien, dan zou het leed in de derde wereld
worden verzacht, en misschien zouden de mannen ophouden met het voeren van
oorlogen.’ [43]
Hij verduidelijkt verder dat melancholie wel aanleiding kan zijn voor ziekte óf een voedingsbodem voor creativiteit, waarbij hij depressie beschouwt als een teveel aan melancholie. Ook depressie ziet hij echter niet als een ziekte:
‘De vraag of en wanneer
depressie een ziekte wordt, kan eenvoudig worden beantwoord: een depressieve
persoon is ziek wanneer hij zichzelf als ziek ervaart. Maar: niet ieder lijden is een ziekte.’ [44]
Aangezien echter melancholie tegenwoordig door de meeste deskundigen beschouwd wordt als een vorm van depressie, wordt deze dan ook aldus behandeld.
2.4.2. Depressie
Volgens Prof. Paul Cosyns situeren de behandelingsmethoden zich op biologisch vlak (psychofarmaca), op psychologisch vlak (psychotherapie) en op sociaal vlak (steun, verlich-ting van externe druk).
Bij antidepressiva zijn er meerdere mogelijkheden:
Psychotherapie beoogt dat de behandelde persoon beter de druk van het leven aankan, stilaan verantwoordelijkheden terug opneemt, ingrijpende gebeurtenissen die aanleiding waren tot de depressie verwerkt, zich aanpast aan veranderingen in de levenswijze, negatieve gedachten-patronen wijzigt. Bij milde depressies kan psychotherapie even effectief zijn als de behandeling met medicatie.
Er bestaan gedragstherapieën, cognitieve therapieën, gezinstherapie, interpersoonlijke benaderingen, groepsbenaderingen, psychodynamische benaderingen, enz.
Een interessant voorbeeld van psychotherapie is de rationeel-emotieve therapie (RET). In de RET stelt men dat klachten minder te maken hebben met de omstandigheden of gebeurtenissen maar met de interpretatie ervan of met bepaalde opvattingen erover, die soms sterk moraliserend, veralgemenend, rigide zijn en waar allerlei normen, waarden of eisen aan kleven.
Vandereycken: ‘Deze strikte eisen die aan ‘het leven’ worden gesteld leiden er vrij gemakkelijk toe dat de werkelijkheid als frustrerend of als ‘verschrikkelijk’ wordt ervaren. De therapie is er dan ook op gericht deze irrationele opvattingen te doen wijzigen door deze ‘uit te dagen’, dwz op hun werkelijkheidswaarde te toetsen en vervolgens zo mogelijk te verwerpen.’ [45] Als deze opvattingen adequater en rationeler worden, zullen ook de gevoelens en het gedrag die erbij horen veranderen.
In de cognitieve therapie, die sterke gelijkenissen vertoont met de RET, worden waarnemings- en denkfouten aangepakt die de depressie in stand houden.
Beide therapieën stellen veel voorkomende veronderstellingen of overtuigingen aan de kaak.
Ik vermeld enkele voorbeelden:
Vandereycken vat samen:
‘Eigenlijk grijpen alle
therapievormen op een vergelijkbare manier aan in de keten van mentale
functies. Alle vormen richten zich op de
interpretatie van waargenomen gebeurtenissen en situaties. Die interpretatie wordt gekleurd door
eerdere ervaringen (geheugen) en door wensen of belangen. De uitkomst ervan is vaak niet bewust, maar
wordt geregistreerd als een emotie.
Alle psychotherapievormen geven betekenis aan de emotie als uitkomst van
het proces van interpretatie. Ze
beïnvloeden daarmee de relatie tussen emotie en handelingsimpuls. Ze veranderen daarmee de richting van
reacties. Vervolgens maken ze gebruik
van het feit dat de veranderde reactie op zichzelf via een feedbackproces een
gunstige invloed heeft op cognitieve interpretaties en de emotionele
registratie daarvan.’ [46]
In zelfhulpgroepen kan het zeer
heilzaam zijn om met lotgenoten te kunnen praten die met dezelfde ervaringen
kampen. Men hoeft zich in deze groepen
niet te schamen, men zit immers met hetzelfde probleem, zodat men zijn
gedachten en gevoelens eens kwijt kan.
Men voelt zich vaak onvoldoende begrepen in het eigen gezin, de
vriendenkring of bij collega’s op het werk
2.4.3. Een stapje verder
In zijn grensverleggend boek “Depressie is geen ziekte” denkt Bob Vansant een heel stuk verder, tot op politiek niveau. Aangezien depressie een maatschappelijk probleem is, dient volgens hem de overheid ook naar deze mensen, die hun vertrouwen in de wereld verloren hebben, te luisteren. Daar er heel waarschijnlijk nooit een betoging zal zijn van mensen met een depressie, doet hij op basis van zijn ervaring heel wat voorstellen.
Hij besteedt enorm veel aandacht aan het belang van moeders voor een emotioneel gezonde en evenwichtige ontwikkeling van hun kinderen. Hun fysieke of emotionele afwezigheid is vaak verantwoordelijk voor depressies op latere leeftijd. Vansant vindt dat moeders thuis zouden moeten zijn gedurende de eerste zes jaar van het kind om hen de nodige tijd, ruimte en aandacht te geven. Ze zouden een soort maandloon hiervoor moeten krijgen en bij de opvoeding de nodige ondersteuning en vorming krijgen via “Kind en Gezin”. Overdag zouden er op TV allerlei educatieve programma’s moeten zijn voor moeder en kind.
Verder zouden bedrijven hun personeel niet alleen moeten bijscholen op technisch vlak maar ook op vlak van emotionele en sociale vaardigheden. Politieagenten zouden niet in wapen-techniek moeten bijgeschoold worden (bekostigd door de dienst), maar ook in communicatie-vaardigheden en oplossen van problemen (niet bekostigd). Er zijn nu al heel wat gesubsidieerde vormingscentra voor volwassenen, maar deze zouden moeten gemobiliseerd worden door de overheid om haar personeel vorming te geven op intermenselijk vlak. Verder zou de overheid burencontacten moeten stimuleren door buurtfeesten, buurwinkels, enz.
Daar voeg ik zelf nog aan toe dat er in het onderwijs, dat nu al te
eenzijdig intellectueel of technisch gericht is, ook ruimte moet komen voor
sociale en emotionele vorming (om over voedingsleer en gezondheidsleer nog maar
te zwijgen…).
Hij klaagt ook aan dat psychiaters en medische adviseurs van de ziekenfondsen niet getraind worden in communicatievaardigheden, luisteren en elementaire omgangsvormen. ‘Dit verklaart de soms grove, onbehouwen manier waarop sommige artsen met hun patiënten omgaan. Niet alleen wat je zegt, is belangrijk, maar ook hoe je het zegt, je gedraagt, je verhoudt.’ [47] stelt Vansant.
Heel wat depressieven blijven op hun honger zitten omdat ze niet de – laatste jaren sterk gestegen - hoge kosten van de consulten bij een psycholoog of psychiater kunnen betalen. Vansant vindt dat de overheid psychotherapeuten (misschien ook gezondheidstherapeuten?…) een basisloon zou moeten geven zodat patiënten bij hen terecht kunnen en niet jaren moeten blijven sukkelen omdat ze er te weinig geld voor hebben.
Vansant adviseert: ‘Als we
depressieven in onze omgeving als gestoord gaan behandelen, spreken we eerder
iets uit over onszelf en onze normen en waarden. Het zegt iets over hoe wij vinden dat mensen wel of niet moeten
zijn. De depressieve maatschappij houdt
ons een spiegel voor die ons vertelt hoe genormeerd we proberen te
(over)leven. Samen met de depressieven
vragen stellen, dingen ter discussie stellen, dus niet per definitie uitgaan
van ‘zo is het en niet anders’ is de beste hulp die de omgeving van een
depressief persoon kan bieden.’ [48]
2.5. Natuurgeneeskundige stellingname
2.5.1. Natuurgeneeskundige principes
(Afbeelding)
Jan Dries omschrijft de
natuurgeneeswijze als een ‘autonome behandelingsmethode die er van uitgaat
dat ieder mens een zelfgenezend mechanisme bezit dat spontaan en instinctief
het verstoorde evenwicht herstelt.’ [49]
De natuurgeneeswijze is een autonome behandelingsmethode omdat zij een eigen geschiedenis, filosofie en evolutie heeft, die niet zomaar te vergelijken is met andere geneeswijzen.
Elk mens bezit een zelfgenezend mechanisme (ZGM), dat behoort tot het instinct en dat een omvangrijk systeem is dat het leven beschermt en in stand houdt. Door de degeneratie van de mens als gevolg van de ontwikkeling van de landbouw en de cultuur, is deze zelfgenezende kracht aangetast. De natuurgeneeskundige therapieën zijn erop gericht om het zelfgenezend vermogen te stimuleren.
Ook al heeft de mens zichzelf
boven de natuur gesteld door zijn antropocentrisme, toch is hij een deel van de
natuur en onderworpen aan de natuurwetten. De omgeving bepaalt immers de levensvoorwaarden,
nl. zuurstof, voedsel, water, warmte.
Daarom ligt genezing ook in de natuur verborgen en maakt de
natuurgeneeswijze gebruik van natuurlijke middelen, zoals voeding, kruiden,
water, rust, beweging, zon, lucht, klei, muziek, massage, enz. Jan Dries waarschuwt: ‘De
natuurgeneeswijze is niet van toepassing in het geval van levensbedreigende
ziekten (…) noch bij ongevallen, zware brandwonden, vergiftiging,
verstikkingsverschijnselen, etc.’ [50]
Gezondheid is volgens Jan
Dries ‘een toestand van relatief evenwicht dwz dat het organisme in staat is
om zich aan te passen aan de veranderingen in zijn omgeving. Ziekte
wordt gezien als een verstoring van het evenwicht en genezing als een
herstel ervan.’ [51]
De WHO omschrijft volgens Jan Dries gezondheid als ‘een toestand van algemeen, lichamelijk, geestelijk en sociaal welbehagen en niet alleen het ontbreken van ziekten.’ [52]
Bijna alle therapieën zijn gericht op lichaam en geest, want beide vormen een eenheid. Men beïnvloedt het lichaam via de geest of via de geest het lichaam. Men besteed dus ook veel aandacht aan iemands stemming, gevoelsleven, welbevinden, levenswijze.
‘Behandel de zieke en niet de ziekte.’ [53] De therapieën zijn gericht op de mens als geheel en op het terug in evenwicht brengen van de zieke met zichzelf en zijn omgeving zodat ziekteverwekkende invloeden niet de bovenhand krijgen. Door de zieke te behandelen geneest men de ziekte. Daarom wordt het ziektebeeld altijd in verband gebracht met het persoonlijkheidsbeeld.
De reguliere geneeskunde staat in voor het behandelen van de ziekte. Hoewel de gezond-heidstherapeut hier ook aandacht besteedt, is hij echter primair op de zieke gericht.
(Afbeelding)
Genezen is ontgiften. Veel ziekten ontstaan door vervuiling, veroorzaakt door het milieu, ongezonde voeding of drank, chemische medicijnen, stress, negatieve gedachten of gemoeds-toestanden, enz. Gifstoffen ontstaan ook tijdens de vertering en de stofwisseling. Het lichaam kent een zelfreinigende werking dankzij een aantal uitscheidingsorganen zoals de darm, de huid, de lever, de nieren, de longen. Een ziekte ontstaat als het organisme niet meer in staat is om zich voldoende te reinigen, bij een verzwakte uitscheidingsfunctie of als het aanbod van vervuilende stoffen te groot is.
De natuurgeneeswijze steunt op de vier elementenleer. Empedokles wist de vier elementen als theoretisch model te ontwikkelen, dat werd overgenomen door Hippocrates en door Galenus verder ontwikkeld. Fernel heeft vanuit de vier elementen de fysiologie ontwikkeld en Avicenna heeft de leer verspreid in de Arabische wereld. Deze leer berust op de analogie tussen de menselijke organen, hun bouw en werking enerzijds en de natuur anderzijds.
Voor een uitgebreid schema over de vier elementenleer verwijs ik naar bijlage 3.
(Afbeelding)
Men gaat ervan uit dat het uiterlijke de weerspiegeling is van het innerlijke. Als men de mens uiterlijk goed observeert weet men hoe het van binnen gesteld is. Een inwendige ziekte heeft bijna altijd een uitwendige oorzaak (expositie). Constitutie, dispositie en temperament zijn belangrijke gegevens bij het opsporen van de oorzaak van een ziekte, maar de expositie is meestal doorslaggevend. Alle behandelingen zijn vooral gericht op het uiterlijke; ze hebben vaak een globale werking. Specifieke of gerichte behandelingen zijn ook wel gekend maar worden meestal binnen een holistische context toegepast. De therapeut probeert niet zozeer te achterhalen hoe, maar waarom iemand ziek is geworden.
De therapeut werkt multitherapeutisch, d.w.z. dat hij gebruik maakt van meerdere natuurgeneeskundige therapieën binnen een therapieplan. De patiënt wordt benaderd in zijn totaliteit en krijgt daardoor een op zijn persoon gerichte individuele behandeling.
Een gezondheidstherapeut stelt geen diagnose, maar kan aan de hand van een aantal uiterlijke gegevens informatie inwinnen over iemands gezondheidstoestand en trachten tot een totaalbeeld te komen van iemands persoonlijkheidsbeeld en ziektebeeld. Verder steunt hij op medische gegevens uit de reguliere geneeskunde, indien dat nodig zou blijken.
De natuurgeneeswijze is een actieve geneeswijze omdat de patiënt zelf moet meewerken aan zijn genezing. De beste vorm van preventie is een natuurlijke voeding en levenswijze. Preventie zou eigenlijk ingebouwd moeten zijn in de manier van leven.
Ziekte wordt ook gezien als een
kans om te groeien. De mens is
verantwoordelijk voor zijn eigen gezondheid; gezondheid is niet de
verantwoordelijkheid van de therapeut.
Deze zal wel de basisprincipes van de natuurgeneeswijzen, van een
natuurlijke levenswijze en van een gezonde voeding bijbrengen.
De therapeut zal nooit de patiënt onder druk zetten op moreel, religieus, filosofisch, psychisch of financieel vlak.
Voedingstherapie wordt samen met de gastro-intestinale therapieën beschouwd als de basis van de natuurgeneeswijze. Voedsel is levende natuur en bevat levenskracht én geneeskracht. Een verkeerde voeding zorgt voor vervuiling en een gezonde voeding werkt reinigend.
De natuurgeneeswijze steunt op de
natuurfilosofie,
die ervan uitgaat dat de mens een open, biologisch en energetisch systeem is.
·
Open:
duidt op de
verbinding en de wisselwerking van de mens met zijn omgeving, met de natuur en
de hele kosmos.
· Biologisch:
houdt in dat
hij een deel is van de natuur (ecologie), hij staat niet boven de natuur
(antropocentrisme). Ziekte wordt
beschouwd als een ontsporing van de relatie tussen de mens en zijn/de natuur,
zodat genezing een herstel is van de verbroken harmonie.
· Energetisch:
wijst erop dat energie zich vermaterialiseert in biologische, chemische of andere processen in en buiten de mens. Deze processen zijn slechts mogelijk doordat ze energetisch gedragen worden. De kosmische energie zorgt voor de harde structuren, voor het anorganisch leven, zoals de aarde, de hemellichamen, de kosmos. De bio-energie is gesublimeerde kosmische energie en staat in voor de fijne structuren, voor het organisch leven, zoals mensen, dieren, planten, micro-organismen. De mens en zijn omgeving ziet men dus als trillingsverschijnselen.
Een gezondheidstherapeut maakt niet alleen gebruik van zijn kennis, maar ook van intuïtie en empathie. Hij gaat dus wetenschappelijk én gevoelsmatig te werk, maakt gebruik van zijn linker- én rechterhersenhelft. Het evenwicht tussen gevoel en verstand is één van de aandachtspunten van de therapeut bij het begeleiden van zijn patiënten.
Een ander aandachtspunt is het evenwicht tussen de aspecten van de levenspiramide, meer in het bijzonder het biologische aspect, het instinctieve, het gevoelsleven, het intuïtieve, het creatieve, het intellectuele, het spirituele en het transcendentiële aspect.
2.5.2. Humoraalpathologie
De humoraalpathologie werd ontwikkeld door Hippocrates op basis van de vierelementenleer van Empedocles en vormt de basis van de natuurgeneeskunde. Het gaat hier om een gevoelsmatige benadering van de menselijke fysiologie waarin de talrijke lichaamssappen herleid worden tot vier nl. gele gal (vuur), bloed (lucht), slijm (water), en zwarte gal (aarde). Deze kenmerken zich elk door een tastbare hoofdkwaliteit en een nevenkwaliteit (warm, vochtig, koud, droog).
Laten we niet vergeten dat +- 70% van het lichaam bestaat uit vocht zoals het intra- en extracellulair vocht, bloed, lymfe, speeksel, maagsap, gal, pancreassap, darmsap.
Omdat de realiteit te complex is om zich voor te stellen en ermee te werken, is de vierelementenleer een handig model, dat meer dan tweeduizend jaar gebruikt werd in de filosofie, astrologie, architectuur, theologie, enz. Dit model is in onbruik geraakt in de zeventiende eeuw onder invloed van het rationeel, wetenschappelijk denken (Descartes, Vesalius, enz.). Het is de verdienste van Jan Dries deze leer terug nieuw leven te hebben ingeblazen.
De vier elementenleer biedt ons het grote voordeel op een gevoelsmatige, subjectieve manier de werkelijkheid te kunnen benaderen. Er wordt echter ook gebruik gemaakt van de huidige wetenschappelijke, objectieve kennis. Het gaat om een bipolair model waarbij de tegenstellingen elkaar opheffen en een eenheid vormen.
(Afbeelding)
De humoraalpathologie gaat ervan uit dat ziekte ontstaat als gevolg van vervuiling van de lichaamsvochten, die in hun samenstelling of onderlinge verhouding verstoord zijn geraakt. Omdat de vier lichaamssappen samenvallen met de vier temperamenten, zijn behandelingen dan ook gericht op reiniging of ontgifting en het stimuleren van het zelfgenezend mechanisme op zowel lichamelijk als geestelijk vlak.
Het zelfgenezend mechanisme is een deel van het instinct, een autonoom automatisme, gericht op zelfbehoud en herstel. Dit mechanisme bestaat uit een groot aantal systemen en mechanismen die alle op één of andere wijze bijdragen tot het genezingsproces. Ik som op:
Er zijn talrijke ziekmakende factoren waaraan de mens wordt blootgesteld. ‘De invloed van de omgeving op de gezondheid van de mens staat in de natuurgeneeswijze centraal’ [54] benadrukt Jan Dries. Voorbeelden zijn: het klimaat, de milieuvervuiling, elektromagnetische of geopathische belasting, bouwmaterialen, synthetische vezels in kleding, airconditioning, te hoog werkritme, amalgaamtandvullingen, chloor in leidingwater, relatieproblemen, giftige planten, de overbevolking, ongezonde voeding, erfelijke belasting, emotionele aandoeningen.
De cellen van het lichaam zijn gevuld met het eigen vocht, dat intracellulair vocht genoemd wordt, en bevinden zich in een waterrijke omgeving, dat extracellulair vocht of nog inwendig milieu of de interstitiële ruimte genoemd wordt. De gezondheid van de cel is dus afhankelijk van de gezondheid van zijn omgeving.
Voedingsstoffen komen niet rechtstreeks vanuit de haarvaatjes (kleine bloedvaatjes) in de cellen. De stoffen komen eerst in het inwendig milieu (IM) of het bindweefsel terecht en vandaar uit dan weer in de cellen. Omgekeerd komen de afvalstoffen van de cellen eerst in het IM terecht en vandaar uit in de bloedbaan, die ze brengt naar de nieren, de longen, de lever en de darmen om uitgescheiden of verwerkt te worden.
Het lichaam tracht steeds het IM constant te houden. Men noemt dit homeostase. Bijna alle organen werken hieraan mee.
Zuurstof wordt aangevoerd door de longen, voedingsstoffen door het spijsverteringskanaal en het lymfesysteem. CO2 en vluchtige stoffen worden door de longen uitgescheiden; afval- en gifstoffen worden door de darmen, de huid, de slijmvliezen van de luchtwegen, de nieren uitgescheiden; ook de lever neutraliseert en elimineert bepaalde gifstoffen. Het lymfesysteem staat ook mee in voor afvoer van afvalstoffen uit de weefsels, zoals grote moleculen, brokstukken van beschadigde cellen, bacteriën, eiwitten en vocht.
Ziekte ontstaat wanneer ons IM uit balans raakt. Dit kan door het ontbreken van bepaalde voedingsstoffen en/of als de concentratie aan afval- en gifstoffen te groot wordt.
Voedingsstoffen kunnen ontbreken door :
De concentratie aan toxines in het IM kan te hoog worden door :
Naast de toxines van buitenaf, is het ook mogelijk dat we in een toestand van zelfvergiftiging verkeren door een vervuilde darm. In de dikke darm bevinden zich bij veel mensen stukken versteende, uitgerotte stoelgang. Volgens Dr. De Greef draagt de gemiddelde zgn. gezonde mens sinds zijn jeugd meerdere kilo’s nooit uitgescheiden stoelgang met zich mee. De toxines als gevolg van rottingsprocessen in de dikke darm komen in de bloedstroom, overbelasten de lever en gaan heel het lichaam vergiftigen en verzwakken.
We kunnen dus teveel toxines binnenkrijgen of zelf produceren maar het is ook mogelijk dat onze uitscheidingswegen slecht functioneren door bvb. lever- of galziekten, nierbeschadiging, geblokkeerde zweetafscheiding, vervuilde darm, verstopte lymfecirculatie. Het lichaam kan ook noodkleppen gebruiken om toxines kwijt te raken, bvb. huidziekten, neusbloedingen en bloedende aambeien, vaginale afscheidingen, menstruatie, overproductie van slijm door de slijmvliezen van de ademhalingswegen.
De meeste ziekten zijn volgens deze visie een gevolg van de vervuiling van het IM en het verstopt raken van het kanalensysteem van het lichaam. Veel lokale symptomen kan men zien als een opstapeling van toxines op die plaats.
Door over te schakelen op een gezonde voeding, voedingstherapie, gebruiken van bepaalde kruiden, vastenkuren en zuiveringskuren kan men veel ziektes gunstig beïnvloeden of zelfs genezen. Door de voeding te verbeteren gaan er zich echter allerlei zuiveringsreacties voordoen, waardoor men zich slechter gaat voelen dan toen men nog ongezond at, omdat de opgeslagen toxines in de bloedbaan terechtkomen. Zuiveringsreacties ontstaan als de snelheid waarmee toxines loskomen groter is dan de snelheid waarmee de uitscheidingsorganen ze kunnen verwijderen. Deze reacties kunnen voorkomen of begeleid worden in de therapie.
2.5.3. Homotoxicose
Dr. Reckeweg heeft in 1955 de
humoraalpathologie een moderne versie gegeven in zijn homotoxicologie. Ziekte ziet hij volgens Jan Dries als ‘de
uiting van een biologische, doelmatige afweer van giften (endogene en/of
exogene homotoxinen), m.a.w. ziekte is de uiting van een poging om toxische
beschadigingen op te heffen.’ [55]
Hij ziet zes fasen in de vervuiling van het lichaam, waarbij er telkens een sterkere afweer nodig is om te ontgiften en de beschadigingen steeds ernstiger worden. Voor een schema verwijs ik naar bijlage 6.
In de excretiefase is er een verhoogde uitscheiding, vb. oorsmeer, tranen, talg, overmatig zweten, lopende neus, vaak plassen. In de reactiefase is er een pathologisch versterkte uitscheiding vb. ontstekingen, huiduitslag, koorts. In de depositiefase gebeurt er een goedaardige afzetting van toxines vb. levervlekken, nierstenen, reumatische ontstekingen. Deze eerste drie fasen zijn de humorale fasen, waarin de lichaamssappen zichzelf reinigen.
In de volgende drie cellulaire
fasen gebeurt de beschadiging op intracellulair vlak en is de afweer belemmerd. Zo zien we in de impregnatiefase
beschadigingen van celenzymen en celstructuren vb. maagzweer, osteoporose,
migraine, astma. In de degeneratiefase
zijn er duidelijke organische storingen vb. MS, diabetes, artrose, vergroeiingen.
In de neoplasmafase ontstaan er carcinotoxinen vb. kwaadaardig gezwel.
Verschillende fasen kunnen tegelijkertijd
optreden. Genezing gebeurt als er een
verschuiving optreedt naar minder ernstige fasen en als er een excretie- of
reactiefase optreedt.
Homotoxicose doet zich ook voor in het
gevoelsleven.
Onze gemoedstoestand kunnen we beschouwen als
een vorm van homeostase. Als een
negatieve gemoedstoestand langdurig aanhoudt, kan dit leiden tot allerlei
geestelijke maar ook lichamelijke aandoeningen en tot een toestand van emotionele
toxicose, waarin ook een zestal fasen kunnen onderscheiden worden. Jan Dries: ‘Bij verdriet, eenzaamheid,
heimwee, ontgoochelingen enz. ontstaan er in de hersenen bepaalde reacties die
op hun beurt neurologische, hormonale en biochemische processen op gang
brengen. Al deze processen gebruiken
energie om te functioneren en laten afvalstoffen achter.’ [56]
Als het om lichamelijke afvalstoffen gaat,
spreekt men van homotoxicosen, gaat het om psychische afvalstoffen, dan spreekt
men van psychotoxicosen. Deze zijn
minder in aantal dan de homotoxicosen uit voeding, luchtvervuiling, enz. maar
ze zitten wel op cerebraal en neurologisch niveau. Wordt een bepaalde grens van vervuiling overschreden, dan kan er
een ziekte in casu een psychische stoornis ontstaan.
De reactie op gevoelens en psychotoxicosen
hangt af van iemands temperament en constitutie (beide vallen samen in de
natuurgeneeskunde). Zo zullen de
extraverte vuur- en luchttypes vlugger en spontaner hun gevoelens uiten (“klikt
het niet dan botst het maar”) dan de introverte water- en aardetypes die
gereserveerder zijn en geneigd zijn hun gevoelens op te kroppen en het juiste
moment af te wachten om ze te uiten.
In dit verband is het belangrijk dat in de
opvoeding het karakter (of aangeleerd gedrag) in het verlengde ligt van het
temperament (of aangeboren gedrag) van het kind. Ook kan de druk uit de omgeving (expositie) zo zwaar of langdurig
zijn dat de psychische weerstand wordt aangetast. Zo ontstaan er wrijvingen, gedragsstoornissen en psychische
vervuiling van de hersenen waardoor het gedeelte dat instaat voor het uiten van
emoties ontregeld raakt en waardoor de positieve kwaliteiten van een
temperament worden omgezet in negatieve.
Er bestaat vaak een parallel tussen emotionele
en lichamelijke toxische fasen. Als de
exogene factoren zo belastend zijn en de psychische weerstand verzwakt is,
kunnen psychische stoornissen zich op termijn omzetten in lichamelijke
functiestoornissen en zelfs chronisch worden.
Denken we bvb. aan slaapproblemen, vermoeidheid, spierspanningen.
Lichamelijke ontgifting kan een gunstige
invloed hebben op emotionele problemen.
Jan Dries verduidelijkt:
‘Een belangrijke somatische oorzaak van
psychische stoornissen is de homotoxicose of lichaamsvergiftiging. Door verkeerde voeding en onjuiste
voedingsregels vervuilt de dikke darm en komt er een grote hoeveelheid
gifstoffen in het bloed en in het extracellulaire vocht. Metabole zuren worden in het bindweefsel
opgeslagen om tijdens de nacht door de longen te worden verbrand, en via de
huid, de urine en stoelgang te worden uitgescheiden. Een onnatuurlijke levenswijze, onvoldoende of verstoorde
nachtrust beletten dit reinigingsproces.
Zo raakt de mens steeds verder vervuild. Deze vervuiling heeft een nefaste invloed op de gemoedstoestand
van de patiënt. Psychische problemen
vinden hier gemakkelijk hun oorzaak.
(…) In de natuurgeneeskunde zegt men: ‘genezen is ontgiften’ en dat
geldt ook voor psychische stoornissen.’ [57]
(Afbeelding)
Niet alle ziekten zijn
toe te schrijven aan homotoxinen zoals ook niet alle ziekten genezen door
ontgifting. Ontgifting heeft echter bij
gelijk welke ziekte wel een gunstige invloed.
Jan Dries besluit:
‘Zoals de natuurgeneeskunde aantoont, hebben
alle organen en stelsels hun eigen, specifieke invloed op de psyche. Een goed functionerend organisme zorgt niet
alleen voor een goede fysieke conditie maar tevens voor een actieve en ruime
geest. Anderzijds zal een open geest,
een positieve ingesteldheid, een evenwichtige gemoedstoestand en een sterke
weerbaarheid een grote invloed hebben op het fysieke leven.’ [58]
2.5.4. Melancholie en depressie
Ik laat Jan Dries aan het woord die in aansluiting op het voorgaande nog even de humoraalpathologie in verband brengt met geestelijke vervuiling:
‘Stress, psychische spanningen
of emotionele aandoeningen veroorzaken eveneens fysische vervuiling. Dat komt doordat er tijdens stress en
emotionele toestanden in het lichaam versnelde biochemische processen plaatsvinden
die grote hoeveelheden afvalstoffen produceren. Vrij veel homotoxinen zijn immers afkomstig van stress en
emotionele aandoeningen. Bovendien
hebben homotoxinen met een fysische oorzaak een negatieve invloed op de
gemoedstoestand van de mens. Gifstoffen
prikkelen het zenuwstelsel en zorgen voor een innerlijke onrust. Ze veroorzaken angst, onzekerheid en soms
zelfs depressie. Bij een vergevorderde
intoxicatie domineert immers de zwarte gal (aarde). Te veel zwarte gal veroorzaakt melancholie. De lichaamssappen drogen dan uit en stollen,
d.w.z. dat ze te sterk geconcentreerd zijn.
De doorstroming wordt geremd en de intoxicatie neemt toe. Bovendien geraakt de verhouding tussen de
lichaamssappen verstoord. Homotoxinen
prikkelen het zenuwstelsel en zorgen voor zwartgalligheid.’ [59]
Melancholie kan beschouwd worden
als de afwijkende gemoedstoestand van het Aardetype.
Het Aardetype in een positieve gemoedsgesteldheid is te herkennen aan heel wat mooie eigenschappen zoals zijn helderheid, stabiliteit, betrouwbaarheid, realistische kijk op de wereld (o.a. omdat hij zintuiglijk aangelegd is), werklust, verantwoordelijkheidszin, sensuele ingesteldheid, geduld, vredelievendheid, hulpvaardigheid, waarheidslievendheid, onpartijdigheid, gehechtheid aan traditionele waarden, doorzettingsvermogen, vastberadenheid, routine, planmatigheid, praktische aanleg, nuchterheid, objectiviteit.
Nochtans kent hij negatieve eigenschappen en loopt hij enkele risico's:
Als het uit de hand loopt, dan raakt het gevoelsleven opgedroogd; hij wordt te droog, te ernstig, te realistisch, teveel op zichzelf afgestemd. Hij verliest het contact met de anderen, heeft zich te hard ingespannen. Hij wordt moe, somber en treurig, hij kan zich moeilijk uiten. Hij lijdt onder mislukte pogingen, gemiste kansen, fouten, ontgoochelingen en zelfverwijt. Hij raakt verstrikt tussen willen en niet kunnen. Hij beweegt traag en moeizaam, zijn spieren en gewrichten worden stram, hij gaat gebukt onder zijn stemming, zijn huid wordt droog, hij krijgt rimpels en gaat snel verouderen.
Bij vervuiling domineert het element aarde. De lichaamssappen raken belast, de toxicatie neemt toe. Homotoxinen van fysieke oorzaak beïnvloeden het geestelijk leven negatief. Anderzijds brengen stress en emoties ook heel wat homotoxinen met zich mee. Zo zien we de wisselwerking tussen lichaam en geest.
D. is echter geen zuiver Aardetype en het element Water speelt ook een grote rol bij hem.
‘De flegmaticus bevindt zich in een afwijkende gemoedstoestand van het watertype.’ [60] stelt Jan Dries.
Waar bij de zuivere melancholicus het gevoel (W) opgedroogd raakt, komt D. terecht in een modderpoel (A+W) van gevoelens en gedachten.
Ik stel bij D. vast dat hij overgevoelig is, introvert, weinig sociaal contact heeft, alles vasthoudt en zich soms moeilijk durft uiten. Hij piekert nogal wat af, maakt vlug negatieve veronderstellingen, heeft een gevoel van machteloosheid en is innerlijk vaak onrustig.
Over het omgaan met gevoelens klaagt homeopaat George Vithoulkas aan:
‘Onze omgeving weegt het zwaarst op ons individueel gedragspatroon bij de opvoeding en wij ervaren dat ons opvoedkundig systeem algemeen tekortschiet bij de emotionele vorming van de jeugd, met als gevolg dat het emotionele gedeelte in ons werkelijk ondervoed is en dus gemakkelijk vatbaar voor ziektes, m.a.w. stoornissen op emotioneel niveau. In deze moderne wereld van materialisme en techniek constateren wij dat ons opvoedingssysteem vooral twee terreinen beslaat nl. het atletische (fysisch niveau) en het intellectuele (het mentale niveau). Het atletische kind en het zeer verstandige kind zijn de helden van onze maatschappij. Gevoelige, artistieke, muzikale of poëtische jonge mensen worden zelden gewaardeerd of aangemoedigd. De televisie blijkt in deze tijd een zeer grote invloed uit te oefenen op de emotionele opvoeding van de jongeren. Spijtig genoeg worden camera’s hoofdzakelijk gericht op overdreven of gefantaseerde levensaspecten. (…) Gezonde emotionele uitdrukkingen worden de kop ingedrukt: ons opvoedkundig systeem beklemtoont het in de rij lopen, het normale en het succes in de wedijver met anderen.’ [61]
Toch heb ik ook gemerkt dat het Vuur in hem latent ligt te flakkeren tot het kan oplaaien onder bepaalde omstandigheden, zodat hij cholerisch wordt.
Hij heeft een sterke wil, kan agressief en fanatiek zijn, lijdt aan gefixeerde ideeën, kan ongeduldig zijn en onrustig, bijt zijn nagels af, zweet veel.
Verder valt het op in de levenspiramide dat D. te veel met het mentale aspect bezig is, het denksysteem is helemaal overbelast en kan als medeoorzaak van melancholie bij D. gezien worden.
Ook het evenwicht in gebruik tussen linker- en rechterhersenhelft is verstoord en draagt bij tot een afwijkende gemoedsgesteldheid; hij neemt alles te letterlijk, hij denkt te veel logisch en analytisch, is te verbaal bezig. Daarentegen zijn de functies van de rechter hersenhelft niet afwezig maar ondervertegenwoordigd: de intuïtie, het creatieve, het non-verbale, de gevoels-matige benadering; er is bovendien bij D. sprake van een verstoring van het dag-nachtritme.
2.6. Besluit
In dit deel ben ik op zoek gegaan naar een omschrijving van melancholie en depressie, ben ingegaan op de symptomen en op het verschil en het verband tussen beide stemmingsstoornissen. Ik ben ook ingegaan op het onderscheid tussen oorzaken, die eerder aansluiten bij het temperament en de constitutie, en aanleidingen, die eerder te vinden zijn in de expositie.
De betrokken anatomische en fysiologische gegevens omhelzen de hersenen met daarin de belangrijke rol van het limbisch systeem, het zenuwstelsel waarbij ik aandacht heb besteed aan neurotransmitters, en het hormonaal stelsel. Het verband tussen het immuunstelsel, het zenuwstelsel, het hormonaal stelsel en de psychische weerstand werd behandeld onder de noemer psychoneuroimmuniteit. Ik heb het ook gehad over de invloed van het dag/nacht-ritme, het klimaat en elektromagnetische stralingen.
Ten slotte heb ik uitgeweid over stemmingen als een vorm van homeostase en over emoties als een combinatie van geheugen en gevoel dat het denken en de besluitvorming beïnvloedt.
Ik heb aandacht besteed aan de reguliere diagnostische en therapeutische mogelijkheden, waarbij vooral de psychofarmaca en de psychotherapie naar voren kwamen.
Om melancholie en depressie te benaderen vanuit de natuurgeneeskunde zien we hoe vanuit het model van de vierelementenleer en de humoraalpathologie aandacht besteed wordt aan iemands individueel temperament en constitutie met de erbij horende dispositie. Er wordt een verband gelegd tussen ziektebeeld en persoonlijkheidsbeeld en de invloed van de expositie en de vervuiling van het inwendig milieu op lichamelijk vlak (homotoxicose) of geestelijk vlak (psychotoxicose) komt aan bod.
Er wordt groot belang gehecht aan een juist aanbod van wat het lichaam en de geest nodig hebben en aan een goede ontgifting van afvalstoffen zowel op lichamelijk als geestelijk vlak om het zelfgenezend mechanisme te stimuleren met natuurlijke therapieën.
[1] Brockhaus, Brockhaus Enzyklopädie, Volume 12, p.365
[2] id., Volume 20, p.212
[3] Van Caenegem, Grote Winkler Prins Encylopedie, Deel 15, p.206
[4] Zehentbauer, De troost der melancholie, p.56
[5] Van Zeebroeck, Sint-Janskruid en citroenmelisse, p.8
[6] Cosyns, Psychiatrische kliniek voor niet-psychiaters, p.M4
[7] id., p.M3
[8] Zehentbauer, De troost van melancholie, p.64
[9] id., p.66
[10] Whybrow, Een gevoel apart, p.25
[11] id., p.37-38
[12] Zehentbauer, De troost van melancholie, p.44-45
[13] Van Zeebroeck, Sint-Janskruid en citroenmelisse, p.10-14
[14] Bratman, St.Janskruid, p.59
[15] Zehentbauer, De troost van melancholie, p.40
[16] Vali, Depressie, p.70
[17] Hamerlijnck, Gesprekken over liefde, Dag Allemaal, oktober 2001
[18] Debusschere, Pa en ma staan altijd klaar maar niet voor tienerverdriet, De Morgen, 17 juni 2003, p.6
[19] N.N., Helft tieners ervaart emotionele tekorten in relatie met ouders, Metro, 17 juni 2003, p.1
[20] id., ibid.
[21] Smink, Atlas van de anatomie, p.48
[22] Smink, Atlas van de anatomie, p.58
[23] Abrahams, De atlas van het menselijk lichaam, p.27
[24] Cokelaere, Functionele anatomie van de mens, deel 2, p.84
[25] De Greef, Immunologie, p.17
[26] Dries, Psychologie van de eenheid, p.110
[27] Bratman, St.Janskruid, p.58
[28] Vansant, Depressie is geen ziekte, p.85
[29] http://www.highlife.nl/frame_ned.html?mainframe=hesi_ned.htm
[30] I.U., Langere avonden, minder slaap, De Streekkrant, 27 maart 2003
[31] Dries, Psychologie van de eenheid, p.69
[32] http://www.mts.net/~baumel/electropollution.html
[33] Rose, Elektrostress, p.37
[34] Rose, Elektrostress, p.25-26
[35] id., p.42-43
[36] id., p.30
[37] id., p.31-33
[38] Whybrow, Een gevoel apart, p.35-36
[39] id., p.36
[40] Giltay, Depressie??? Van onrust naar rust, p.31
[41] Binkert, Melancholie, p.142
[42] Zehentbauer, De troost van melancholie, p.55
[43] id., p.9-10
[44] id., p.10
[45] Vandereycken, Handboek psychopathologie deel 2, p.111
[46] Vandereycken, Handboek psychopathologie, p.200
[47] Vansant, Depressie is geen ziekte, p.186
[48] id., p.205
[49] Dries, Natuurgeneeswijze, p.3
[50] id., p.7
[51] id., p.3
[52] id., p.84
[53] id., p.7
[54] Dries, Natuurgeneeswijze, p.12
[55] Dries, Natuurgeneeswijze, p.119
[56] Dries, Psychologie van de eenheid, p.129
[57] Dries, Psychologie van de eenheid, p.110
[58] Dries, Psychologie van de eenheid, p.42
[59] Dries, Natuurgeneeswijze, p.107
[60] Dries, Natuurgeneeswijze, p.142
[61] Vithoulkas, Homeopathie, p.19-20