Fytotherapie

 

 

De toegenomen belangstelling voor een gezonde voeding en levenswijze en voor zelfzorg en het milieu, verklaart ook de toegenomen interesse voor kruiden.

Kruiden worden niet alleen therapeutisch gebruikt.  Ze maken deel uit van het dagelijkse leven.

Jan Dries vertelt ons dat kruiden worden gebruikt:

·        ‘in de voeding

·        bij het behandelen van eenvoudige kwalen

·        om chronische ziekten te ondersteunen

·        om de levenskwaliteit te verhogen

·        als een vorm van preventie. 

·        om een verstoorde gemoedstoestand te reharmoniseren

·        om het gevoelsleven te verbeteren.’ [1]

 

Hij omschrijft kruiden als ‘alle plantaardige middelen met een gezondheidsbevorderende of genezende werking.  Het gaat altijd om plantaardige substanties met een volledige organische structuur.  Botanisch gezien is een kruid een bepaald soort gewas dat relatief klein is. 

In de kruidengeneeskunde zijn kruiden delen van planten, struiken of bomen zoals wortels, knollen, takken, schors, bladeren, stengels of voortbrengselen ervan zoals bloemen, bloesems, vruchten, zaden of pitten.’ [2]

Bij het oogsten van de plant of het plantendeel let men erop dit te doen op het moment dat ze het hoogste gehalte aan werkzame stoffen heeft.  Kruiden worden bewaard door ze te drogen, in te vriezen of te verwerken in een preparaat.

 

De genezende stoffen bevinden zich in bepaalde delen van het kruid.  Daarom geeft men bij een advies niet alleen de naam van het kruid, maar ook het gebruikte deel, bvb. anijs-zaad, pepermunt-blad.

Er zijn een heleboel mogelijke geneeskrachtige werkzame stoffen in kruiden zoals: bitterstoffen, looistoffen, etherische oliën, glycosiden, alkaloïden, saponinen, slijmstoffen, flavonderivaten, harsachtige substanties, enz.  Jef Houben merkt op:

‘Naast een aantal gekende stoffen zijn er zeker nog erg veel onbekende stoffen en tenslotte spelen de onderlinge relaties van deze stoffen ook nog een rol.  Men kan niet zeggen dat een kruid goed is voor een bepaalde kwaal omat er die bepaalde stof in voorkomt.  twee kruiden met dezelfde geneeskrachtige stof kunnen een totaal verschillende werking hebben.’ [3]

 

In het algemeen kunnen kruiden werkzaam zijn voor het zenuwstelsel, bij maag-, darm-, lever- en galklachten, bij stofwisselingsstoornissen, hart- en vaatziekten, ademhalingsproble-men, nier- en blaasklachten, huidproblemen, immuniteitsklachten, enz.

 

Ze kunnen uiteenlopende eigenschappen hebben: samentrekkend, opwekkend, pijnstillend, libidoremmend of –stimulerend, krampstillend, antiseptisch, zweetremmend, eetlustopwek-kend, smaakgevend, welriekend, warmtegevend, windenverdrijvend, galstimulerend, bloed-zuiverend, verteringsbevorderend, vochtafdrijvend, menstruatiestimulerend, slijmophoestend, koortsverlagend, melksecretieverhogend, hartversterkend, bloedstelpend, leverstimulerend, hoeststillend, stoelgangbevorderend, bloeddrukverlagend of –verhogend,  enz.

 

Kruiden kunnen in allerlei vormen toegediend worden: als infuus, decoct, maceraat, tinctuur, nebulisaat, poeder, wijn of likeur, siroop, olie, azijn, etherische olie, keukenkruid, sap.   Zo kan men ogentroost beter klaarmaken in de vorm van een decoct en valeriaan in de vorm van een maceraat.

Uitwendig gebruikt men kruiden onder de vorm van een pleister, wikkel of kompres, kruidenzakje, zalf of crème, bad, enz. 

De toedieningsvorm kan verschillen naargelang het kruid, de klachten, de patiënt, enz.  De therapeut dient ook rekening te houden met de contra-indicaties van bepaalde kruiden vb. geen jeneverbes bij zwangerschap en borstvoeding, geen vuilboomschors bij aambeien.

 

Fytotherapie of kruidentherapie is gericht op het individuele ziektebeeld van de patiënt, dat samenhangt met het persoonlijkheidsbeeld.  Vandaar de uitgebreide anamnese.  De fytotherapeut brengt immers de klachten in verband met de persoonlijkheid en zoekt naar de diepere oorzaak.  Tijdens de begeleiding kan het kruidenrecept aangepast worden volgens het verloop van de ziekte.  Hij bepaalt de toedieningsvorm, de verhouding van de kruiden, het werkingsspectrum en de dosis.

 

Kruiden hebben een grote invloed op de orgaanfuncties; deze worden vnl. geregeld door het sympatische en het parasympatische zenuwstelsel, beide onderdelen van het autonoom zenuwstelsel.  De sympathicus stimuleert of activeert functies, terwijl de parasympathiscus zorgt voor het afremmen of vertragen ervan en het herstel.  Een onevenwicht tussen beide kan leiden tot functiestoornissen en op langere termijn zelfs tot orgaanstoornissen.

Kruiden stimuleren de werking van het zelfgenezend mechanisme.  Daarom blijven een natuurlijke levenswijze en natuurlijke voeding belangrijk.  Het gaat niet op om een kruid te gebruiken tegen slapeloosheid als men blijft laat TV kijken en daarbij cola drinkt en chips knabbelt.

 

 

Het verschil tussen farmacologie of geneesmiddelenleer en fytotherapie ligt in de werkingswijze.  ‘Bij de farmacologie gaat het om een biochemische werking van een geïsoleerde inhoudsstof (bvb. morfine uit de slaapbol en digitaline uit vingerhoedskruid), bij de fytotherapie om een biochemische werking van het kruid als thee, tinctuur, etherische olie, extract.’ [4] legt Jef Houben uit.

In de farmacologie maakt men vaak gebruik van giftige kruiden.  Het voordeel is wel dat men een exactere dosering van de werkzame stof mogelijk kan maken.  Farmacologie kent eerder nut bij acute ziekten of noodsituaties.   Fytotherapie vindt ook zijn nut bij chronische ziekten, maakt gebruik van de volledige plant en de ballaststoffen, gebruikt meer veilige kruiden (vb. linde, kamille).  Er is sprake van een synergetische werking van de inhoudsstoffen.  ‘Het is niet de stof op zichzelf maar de natuurlijke samenstelling van een aantal stoffen die de globale werking veroorzaakt bij een kruid. (…) De grote waarde van de kruidengeneeswijze ligt juist in haar natuurlijke samenstelling.’ [5]

Jef Houben stelt:

‘Fytotherapie is complementair aan de farmacologie.  Het een vult het ander aan.  Ze staan niet tegenover elkaar.’ [6]

‘In het algemeen zijn we van mening dat dokters in de fytotherapie niet moeten vinden dat hun behandelingswijzen buiten wetenschappelijke verklaring en analyse vallen, maar waar mogelijk klaar moeten staan objectieve bewijzen te verschaffen van de manier waarop kruiden werken.  Tegelijkertijd erkennen we dat kruiden in sommige gevallen niet alleen via biochemische kanalen werken.  De symbolische betekenis van hun verschijningsvorm, de associaties die ze oproepen, hun geschiedenis en de manier waarop ze gekweekt zijn, werken ten dele ook psychosomatisch.’ [7]

 

 

Bron:

 

Dries, J. & Houben, J., Kruidenadviezen vanuit de traditionele kruidengeneeskunde, Arinus, Genk, 1999

Houben, J., Kruidenchemie deel 2: Inhoudsstoffen, Arinus, Genk, s.a.

Margodt, J., Fytotherapie, Arinus, Genk, 2002

 

ã [email protected]

www.geocities.com/lucasvo



[1] Dries, J., Kruidenadviezen, p.2

[2] o.c., p.9

[3] Houben, J., Kruidenchemie, p.82

[4] Houben, J., Kruidenchemie, p.82

[5] o.c., p.202

[6] o.c., p.202

[7] o.c., p.202-203

Hosted by www.Geocities.ws

1 1