Als we licht door een prisma leiden, dan zien we dat het eigenlijk samengesteld is uit kleuren, van violet met hoge energie tot rood met lage energie.
Elke kleur heeft zijn eigen golflengte; zo heeft rood licht ongeveer twee maal zo lange golven als blauw licht.
De elektrische stroom door een gloeidraad van een gloeilamp doet deze verhitten. Hierdoor raken de elektronen rond de atoomkernen van een gloeidraad ‘opgewonden’; de warmte geeft ze een extra hoeveelheid energie. Hierdoor kunnen ze zich verwijderen van hun atoomkernen, maar zijn ze in een zeer labiele toestand, waarin ze niet lang kunnen blijven. Om in hun normale toestand te kunnen blijven,, moeten ze echter hun overtollige energie kwijt. Deze wordt afgegeven als lichtenergie. Elk atoom zendt een keel kleine bundel hiervan uit, ook foton genoemd.
De afmeting van deze energiebundel bepaalt de kleur van het uitgezonden licht. Of nog : de golflengte van het licht hangt af van het verschil in energie tussen de ‘opgewonden’ en de ‘normale’ toestand van de elementen.
(ill)
Bij het waarnemen van onze omgeving is kleur een bepalende factor.
In het oog zijn er lichtgevoelige cellen, de bekende ‘staafjes’ en ‘kegeltjes’. De staafjes onderscheiden licht en donker en de kegeltjes nemen kleur waar. Er zijn slechts drie types kegeltjes : degene die resp. gevoelig zijn voor rood, blauw en groen licht. Elke andere kleur ervaren we als een menging van deze kleuren.
De kleur van een voorwerp wordt bepaald door de kleur van het licht dat erdoor weerkaatst wordt.
Er zijn mensen die de voor de meesten onzichtbare aura rond het lichaam kunnen waarnemen. Het gaat hier om een aangeboren gave om een groter golfbereik van het licht en de kleuren te kunnen zien dan normaal.
Zo zouden er ook dieren zijn die lichtgolven uit het UV- en IR-gebied kunnen waarnemen.