Technisch glossarium

Elektriciteit

 

Structuur van het atoom

 

  Alle stoffen die we kennen, zijn uiteindelijk opgebouwd uit een negentigtal mogelijke bouwelementen : de atomen.  Deze elementen kunnen we niet verder delen.

Atomen voegen zich samen tot moleculen.  Eén molecule water bezit nog alle eigenschappen van water (H2O).  Als we deze molecule splitsen, dan krijgen we twee atomen waterstof (H) en één atoom zuurstof (O).  Deze afzonderlijke atomen hebben zelf heel andere eigenschappen dan water.

 

(ill)

 

  Een atoom bestaat zelf ook nog uit vele deeltjes.  De belangrijkste voor ons zijn de kern en de elektronen.

Rond de kern, die bestaat uit protonen en neutronen, vliegen de elektronen in verschillende banen met grote snelheid, net als de planeten rond de zon.  De uiterste punten van de banen die een elektron volgt, zouden we kunnen verbinden en voorstellen als een bol : dit noemen we een elektronenschil.  Het zijn de elektronen op de buitenste schil die het elektrisch gedrag van het atoom bepalen.

 

(ill)

 

  Protonen en elektronen trekken elkaar aan omdat ze een verschillende lading hebben.  Een proton heeft evenveel positieve lading als een elektron negatieve lading, ook al is een proton tweeduizend maal zo zwaar.   De neutronen zijn elektrisch neutraal : ze hebben geen lading.

Het atoom zelf is neutraal, omdat de som van de negatieve ladingen gelijk is aan de som van de positieve ladingen van de kern.

Door de aantrekkingskracht van de kern vliegen de elektronen niet zomaar weg, maar vliegen rond in banen.

Daar protonen zeer klein zijn en geconcentreerd zijn in een massieve kern en daar elektronen zelfs nog kleiner zijn en zich op enige afstand van de kern rondbewegen, bestaat een atoom merkwaardig genoeg vooral uit lege ruimte.

 

  Elk element heeft zijn eigen aantal protonen, neutronen, elektronen en elektronenschillen.  Zo heeft waterstof  (H) geen neutronen en slechts één elektron dat om slechts één proton cirkelt.  Een koolstofatoom (C) heeft zes protonen, zes neutronen en zes elektronen.

 

  Als een atoom één of meer elektronen bijkrijgt, dan heeft dat atoom een negatieve lading, vermits er nu meer elektronen dan protonen zijn.  We noemen dit atoom dan een negatief ion.

Als een atoom één of meer elektronen verliest, dan krijgt dat atoom een positieve lading, daar er nu meer protonen dan elektronen zijn.  We spreken van een positief ion.

Een ion is dus een elektrisch geladen atoom, omdat het teveel of te weinig elektronen heeft.

 

 

Elektrische stroom

 

  Een elektrische stroom is een beweging van elektrische ladingen.

Gaat die door vaste stoffen, dan is het een beweging van elektronen.  Gaat die door een vloeistof, dan is het een beweging van ionen.

 

  Deze beweging of verplaatsing van elektronen kan alleen als deze worden losgemaakt op de buitenste elektronenschillen van de atomen.  Dit kan bvb. door verhitting, bestraling of wrijving.

Een elektrische stroom is dus een verplaatsing van vrijgemaakte of vrije elektronen doorheen een vaste stof.

  Elektrische lading krijgt in de elektriciteitsleer het symbool Q en de eenheid is de Coulomb  (afk. C), een maat voor de hoeveelheid verplaatste elektronen.

Eén Coulomb vertegenwoordigt een verplaatsing van 1019/1,6 elektronen.

 

Geleiders

 

  Geleiders bestaan uit een stof waarin gemakkelijk elektronen worden vrijgemaakt en waarin dus elektrische stroom kan vloeien.

De meeste metalen zijn goede geleiders omdat ze op hun buitenste schil minder dan vier elektronen hebben, die gemakkelijk worden losgemaakt, zodat ze door het metaal vloeien als er een spanning op wordt uitgeoefend. 

De beste geleider is zilver maar men neemt koper voor het elektriciteitsnet, dat is goedkoper en het is ook een goede geleider.  Een isolator of niet-geleider bestaat uit een stof waarin zeer weinig elektronen kunnen vrijgemaakt worden.

Het koper in een elektriciteitsdraad is een geleider en het rubber of plastic omhulsel is een isolator. 

 

(ill)

 

Spanning

 

  Hoe brengen we nu een elektrische stroom op gang, zodat we hem nuttig kunnen gebruiken voor de verlichting, de radio, enz. ?

 

  Als A positief en B negatief geladen lichamen zijn, dan trekken deze elkaar aan door het verschil in lading.

 

(ill)

 

  Er is een spanning tussen A en B omdat de elektronen van B naar A willen, van een plaats van teveel naar plaats van te weinig.

Als we nu A met B verbinden door een geleider, dan zullen de elektronen van B naar A stromen tot er evenveel elektronen zijn in A en B en de lading dus gelijk is.  Op dat moment is er ook geen stroom meer.

Een lamp kan alleen blijven branden als de stroom blijft vloeien en de spanning of het ladingsverschil blijft bestaan.  Dit kan alleen als er een kracht is die uit A evenveel elektronen wegneemt en naar B terugvoert als dat er van B naar A vloeien.  Deze kracht noemen we de elektromotorische kracht of E.M.K., letterlijk : de kracht die de elektronen voortbeweegt.

Deze kracht duwt de vrije elektronen van het eerste atoom opzij naar het volgende atoom, maar het kan ook één van de reeds aanwezige elektronen zijn die wordt uitgestoten.

De stroom vloeit in een kring van A naar B, een afspraak die binnen de natuurkunde  gemaakt werd naar analogie met andere natuurkundige verschijnselen.

 

(ill)

 

  De verbruiker zet de aangevoerde energie om in de gewenste vorm : licht, warmte, beweging, enz.

De spanning (U) drukt men uit in Volt (V).

 

 

Stroomsterkte

 

  De stroomsterkte (I) is de hoeveelheid elektrische lading (Q) die er per seconde door de doorsnede van een geleider vloeit.  De eenheid is de Ampère (A).

Een stroomsterkte van l Ampère verplaatst een lading van l Coulomb op l seconde tijd door een geleider.

 

 Omdat men in de elektriciteit veel werkt met veelvouden van eenheden zoals bvb. kiloVolt (kV), milliAmpère (mA) e.a., vindt u hieronder een tabel met veel gebruikte veelvouden.

 

(ill)

 

Weerstand

 

  Elke stof biedt weerstand aan de elektrische stroom.  De atoomkernen proberen immers hun elektronen vast te houden en om elektronen vrij te maken, is er energie nodig.

De weerstand van een toestel is de verhouding tussen de spanning over het toestel en de stroomsterkte door het toestel (Wet van Ohm).

Hoe hoger men de spanning opvoert bij een bepaalde weerstand, hoe groter de stroomsterkte.  Hoe kleiner de weerstand bij een bepaalde spanning, hoe groter de stroomsterkte, enz.

De eenheid van weerstand is de Ohm, symbool W.

Een spanning van l Volt die een stroomsterkte van l Ampère veroorzaakt, ondervindt een weerstand van de kring en de verbruiker van l Ohm.

 

  De weerstand van stoffen hangt van allerlei factoren af, zoals het soort materiaal, de doorsnede en de lengte van de geleider, de temperatuur, de spanning, de verlichtingssterkte, de druk, de stroomzin, mechanische vervorming, het magnetisch veld.

Een toepassing van een weerstand is de smeltzekering :

 

(ill)

 

Kracht, arbeid en energie

 

Kracht  (F) :

 

  Elke oorzaak die een lichaam dat in rust is, in beweging brengt, of aan een lichaam dat al in beweging is, een verandering aanbrengt. 

Kracht is gelijk aan massa maal versnelling.  De eenheid is Newton (N).

Om eenzelfde snelheid te behouden, is er dus theoretisch geen kracht nodig.

 

(ill)

 

Arbeid (W) :

 

  Een kracht die een lichaam doet bewegen, levert arbeid. 

Arbeid is de verplaatsing van een kracht (F) over een afstand, bvb. door duwen, trekken of tillen.

De eenheid is de Joule.

Als u een steen vasthoudt zonder hem te verplaatsen, zegt de natuurkunde dus dat u geen arbeid verricht !

Energie (E) :

 

  Arbeid kan zich uiten in verschillende vormen.  Energie is het in staat zijn om voorwerpen te verplaatsen of om arbeid te verrichten.

Elektrische energie kan zich omzetten in warmte- of lichtenergie, of in mechanische, magnetische of scheikundige energie.  Ook het omgekeerde is mogelijk.

Een batterij zet chemische energie om in elektrische.  Een krachtstation zet warmte-energie door verbranding van fossiele brandstoffen om in mechanische energie in de turbine, die de generator aandrijft die elektrische energie opwekt, waarmee we een boormachine kunnen gebruiken (mechanische energie) of een licht aansteken (licht-energie).

  Energie kan men niet vernietigen, men kan ze alleen omzetten in andere energie.  Dit is de wet van het behoud van energie.

 

Vermogen

 

  Het vermogen van een toestel vertelt ons wat dit toestel aankan, hoeveel arbeid het kan leveren per tijdseenheid.  Het is de energie die een spanningsbron moet leveren om een stroom te laten vloeien.

Het elektrisch vermogen (P) is evenredig met de spanning (U) en de stroomsterkte (I).  De eenheid is de Watt.

Als u een stofzuiger heeft met een vermogen van 2200W bij een netspanning van 220V, dan zal deze maximaal 10A nemen.

 

  Het elektrisch energieverbruik is de arbeid (W) geleverd door een elektrische stroom.  Deze is rechtevenredig met het vermogen en de tijd.  De eenheid is de Joule.

Een vermogen van lW dat geleverd wordt gedurende l seconde, heeft een arbeid teweeggebracht (verbruik) van l Joule.

Daar de Joule een heel kleine eenheid is, gebruikt men in de praktijk een andere eenheid, nl. de kiloWattuur (kWh) :

1 kWh = 1000Wh = 1000W.3600s = 3600000 J

 

Stroomkring

 

  Als we nu eens één en ander op een rijtje zetten en een eenvoudige elektrische stroomkring bekijken :

 

(ill)

 

1.      In de bron, bvb. een accu, generator, enz., wordt een vorm van energie (chemische, mechanische, magnetische,…) omgezet in elektrische energie. 

Het verschil in lading van de polen van de bron veroorzaakt een spanning U, uitgedrukt in Volt.  De elektromotorische kracht zorgt ervoor dat de spanning blijft bestaan, zodat er zowel binnen als buiten de bron een stroom kan blijven vloeien.

2.      De vrijgemaakte elektronen op de buitenste schillen van de atomen verplaatsen zich door de

      geleider, bvb. een koperdraad.

3.      Deze elektrische stroom I, uitgedrukt in Ampère, kunnen we aanzetten of onderbreken door een

       schakelaar s en ze vloeit van + naar -.

4.      De verbruiker zet de elektrische energie om in warmte, licht, mechanische, magnetische of

       chemische energie.

       Een verbruiker biedt weerstand (R) aan de stroom, uitgedrukt in Ohm.  Ook de kring zelf biedt

       altijd een zekere weerstand.

       Het vermogen (P) van een verbruiker, uitgedrukt in Watt,  vertelt hoeveel arbeid deze kan leveren

       in een bepaalde tijdsduur en is rechtevenredig met de spanning en de stroomsterkte.

 

Schema

 

Grootheid

Symbool

Eenheid

Symbool

 

 

 

 

lading

Q

Coulomb

C

stroomsterkte

I

Ampère

A

spanning

U

Volt

V

weerstand

R

Ohm

W

vermogen

P

Watt

W

arbeid

W

Joule

J

energie

E

Joule

J

kracht

F

Newton

N

tijd

t

seconde

s

verplaatsing

s

meter

m

massa

m

kilogram

kg

versnelling

a

meter/seconde/seconde

m/s2

 

 

   I = Q/t

 

  U = R.I        R=U/I     I = U/R

 

  P = U.I

 

  W = F.s       F = m.a 

 

  P = W/t       W = P.t

 

 

Gelijkstroom en wisselstroom

Onderscheid

 

  Bij gelijkstroom bewegen de elektronen in dezelfde zin : van – naar + in de bron en van + naar – in de kring.  Gelijkstroom kort men af tot DC, uit het Engels ‘Direct Current’.

Bij wisselstroom vloeit de stroom in de kring ook van + naar -, maar de polariteit van de klemmen van de bron wisselt voortdurend.  De elektronen bewegen zich afwisselend voor- en achterwaarts langs de geleider.  Wisselstroom kort men af tot AC, uit het Engels ‘Alternating Current’.

 

  Voor het industrieel net gebruikt men wisselstroom, vooral omdat het gemakkelijk transporteerbaar is zonder groot verlies in tegenstelling tot gelijkstroom en omdat het makkelijk transformeerbaar is tot zeer hoge waarden (bvb. honderdduizenden Volt) over lange afstanden.  Transformators verlagen die dan weer voor huishoudelijk gebruik.

Bij transport van 220V over lange afstanden, van de centrale naar de woning, zouden de leidingen gloeiend heet worden en een groot deel van de energie zou verloren gaan.  Mede daarom gebruikt men een zeer hoge wisselspanning met een veel lagere stroomsterkte, waardoor dit verschijnsel niet optreedt.

Grafische voorstelling

 

  Voorbeeld van een constante gelijkstroom (batterij) :

 

(ill)

 

De stroomsterkte van 5A blijft op elk willekeurig moment hetzelfde.

 

  Voorbeeld van een wisselstroom (huishoudelijk net van 50Hz) :

 

(ill)

 

De periodetijd T is de tijd nodig voor l cyclus, d.w.z. 1 stroomverandering van + naar -.

De frequentie f van een wisselstroom is het aantal cycli per seconde, dus het aantal keer per seconde dat de stroomzin verandert van + naar -.  De frequentie drukt men uit in Herz (Hz).

 

T = 1/f     f = 1/T

 

De periodetijd van 1 cyclus bij 50Hz is dus 0,02s.  De stroomzin verandert dus 50 keer per seconde van + naar -.

Tegelijk met de wisseling van de stroomzin gebeurt ook een spanningswisseling, die niet plotseling gebeurt, maar geleidelijk verandert van bvb. –22OV naar +220V en terug.

 

  Als we op elk ogenblik in een cyclus telkens de stroomsterkte meten en de bekomen waarden uitzetten op een grafiek met een X-as voor de tijd in seconde en loodrecht erop een Y-as voor de stroomsterkte in Ampère, dan krijgen we een golvende lijn als we alle waarden verbinden, de beroemde en gevreesde sinuslijn.

Als we wisselstroom of –spanning meten met een Ampère- of Voltmeter, duidt het toestel steeds de effectieve waarde aan.  Een gelijkstroom van 12A en een wisselstroom met een effectieve waarde van 12A hebben hetzelfde effect op de verbruiker.

In werkelijkheid gaat een gloeilamp bij AC 100 maal per seconde aan en uit, vermits de stroomsterkte in elke cyclus 2 maal het nulpunt bereikt.

De weerstand bij AC noemt men impedantie.  De weerstand van de geleiders en verbruikers tegen wisselspanning is groter dan tegen gelijkspanning.

 

 

 

Stroombronnen en bijzondere toestellen

 

·        De cel of galvanisch element :

Levert een constante gelijkstroom.  De cel zet chemische energie om in elektrische energie.  Levert een stroomsterkte uitgedrukt in mA.  Ook primaire cel genoemd.

 

·        Batterij :

Wordt gevormd door een aantal in serie geplaatste primaire cellen.

 

(ill)

 

·        Dynamo :

Is een generator met vaste elektromagneten.  Zet opgewekte wisselstroom om in pulserende gelijkstroom.

 

·        Generator :

Genereert of wekt elektriciteit op.  Een magnetisch veld heeft de eigenschap om over een elektrische draad of spoel die zich in dat veld bevindt, een spanning op te wekken, die een elektrische stroom voortbrengt.  Dit is het werkingsprincipe van een generator. 

Deze heeft meerdere spoelen van draadwindingen, geplaatst zoals de spaken van een wiel en om ijzeren kernen gewonden die zorgen voor een grotere concentratie van de magnetische krachtlijnen, die ze snijden.

 

(ill)

 

·        Spoel of wikkeling :

Bestaat uit meerdere windingen van een draad rond een cilinder of plaat, bvb. in een transformator of een halogeenlamp.

 

·        Transformator :

Zet wisselspanning om van hoge naar lagere waarden of omgekeerd d.m.v. spoelen.  Tegelijkertijd zal hij de wisselstroom verlagen of verhogen.

 

·         Condensator :

Bestaat uit twee geleidende platen, door een isolator van elkaar gescheiden, waarop een zekere hoeveelheid elektriciteit kan opgeslagen worden via een kortstondige stroom.  Deze hoeveelheid elektriciteit is de capaciteit van een condensator.

Het elektrisch veld tussen de platen houdt de ladingen op hun plaats. 

Men kan een condensator gebruiken als kortsluiting voor hoge frequenties, bvb. in filters om hoge en lage tonen te splitsen.  In de autotechniek worden ze gebruikt om vonken te vermijden.  Men vindt ze ook in radio’s.

 

·        Oscillator :

Is een circuit, bestaande uit een inductiespoel en een condensator, dat oscillaties of trillingen van elektronen opwekt.  Deze wisselende stromen worden in een radiostation naar de zendantennes gevoerd voor het opwekken van de draaggolven die men naar de ontvangstantenne wil uitzenden.  Door de waarde van de spoel of de condensator te veranderen, regelt men de frequentie.

In de plaats daarvan kan een radio echter ook een kwartskristal bevatten, dat op een bepaalde frequentie mechanisch trilt, naargelang de afmeting van het schijfje kwartskristal.  Dit heeft het voordeel van een veel betere weerklank voor de frequentie waarop het is afgestemd.

 

Aarding

 

  Aarding van de elektrische installatie, gecombineerd met de verliesstroomschakelaars, beschermt ons bij onrechtstreeks contact wanneer zich bij een toestel een storing voordoet.

Elke elektrische leiding moet verplicht een beschermingsgeleider bevatten, die we kunnen herkennen aan de geel/groene kleur van de isolatie van de kabel.

Ook alle toestellen moeten op de aarding aangesloten zijn.

 

  Verder maakt men een zgn. ‘equipotentiale verbinding’ tussen de hoofdaarding en alle metalen delen van de woning, zoals geraamten, centrale verwarming, metalen badkuipen, water- en gasinstallaties.  Deze voorkomt het ontstaan van een gevaarlijke spanning tussen twee massa’s die men tegelijk zou kunnen aanraken.

De aarding heeft betrekking op de elektrische toestellen en de equipotentiale verbindingen op alle metalen delen van de woning.

 

  Verder zijn er de automatische differentieelschakelaars die de stroom uitschakelen als er zich een stroomverlies voordoet in de kabels, draden, toestellen of naar een levend wezen.

 

 

Magnetisme

 

Omschrijving en vormen

 

  Rond de kern van een atoom draaien elektronen, die zelf echter ook nog eens rond hun eigen as wentelen.  Hierdoor wordt het magnetisme, de eigenschap van sommige stoffen om andere stoffen aan te trekken, opgewekt.

Zo’n elektron noemen we een magnecule.

 

  Natuurlijke magneten vindt men bvb. terug onder de vorm van ijzererts.  Magneetsteen is een vorm van zwart ijzeroxide.

De meeste magneten worden echter kunstmatig magnetisch gemaakt.

 

  Klassieke vormen zijn de staaf-, de naald-, de hoef- en de ringmagneet.

 

(ill)

 

  Elektromagneten zijn magnetisch gemaakt d.m.v. elektrische stroom.

  Als het magnetisch gemaakte materiaal zijn werking behoudt, spreken we van permanente magneten.

  Ferromagnetische stoffen zijn stoffen die door een magneet worden aangetrokken zoals bvb. ijzer, staal, nikkel, kobalt en hun legeringen.

  Niet-magnetische stoffen zijn bvb. koper, mangaan, zilver, cadmium, lood.

De bekendste toepassing van magnetisme is wel het kompas.

 

Kenmerken

 

  Als we een glazen plaat op een magneet leggen en we strooien ijzervijlsel op de plaat, merken we een aantal zaken op :

 

(ill)

 

·    Aan de uiteinden van de magneet is de aantrekkingskracht het grootst.  Deze uiteinden noemen we de polen.

·    Eén pool wijst altijd naar het aardrijkskundige noorden : deze pool is de noordpool van de magneet.  De andere pool wijst naar het aardrijkskundige zuiden en is de zuidpool van de magneet.

·    Beide polen hebben dezelfde poolsterkte of magnetische massa.  Er is bijna geen magnetische werking in het midden van de staaf.  De magnetische veld- of krachtlijnen lopen buiten de magneet van noord naar zuid en erbinnen van zuid naar noord.  Ze volgen de weg van de minste weerstand.  Het magnetisch veld breidt zich uit om de hele magneet, dus driedimensionaal.

·    Twee zuidpolen of twee noordpolen stoten elkaar af; een zuidpool en een noordpool trekken elkaar aan.  Dit is de polariteit.  Als we een magneet doormidden zagen, ontstaan twee nieuwe magneten, elk met hun eigen noord- en zuidpool.

·    Met een magneet kunnen we een andere magneet maken door met een uiteinde van de magneet over het andere materiaal bvb. een stuk ijzer, steeds in dezelfde richting te strijken. Verhitten en schokken kunnen de magnetische werking vernietigen.

 

(ill)

 

  Als we een staafmagneet zo ophangen dat hij vrij kan bewegen, zal de noordpool zich altijd naar het magnetische noorden van de aarde richten.  De aarde is zelf een reusachtige magneet.  De oorsprong van het magnetisch veld rond de aarde kan men nog niet goed verklaren.

  De pool van de staafmagneet of kompasnaald die ‘het noorden zoekt’ wijst dus naar het magnetische noorden van de aarde.  Aangezien alleen ongelijke polen elkaar aantrekken, betekent dit dat er eigenlijk een zuidpool is op de plaats die men gemakshalve het magnetische noorden noemt.

Het magnetische noorden en zuiden vallen niet samen met de aardrijkskundige noord- en zuidpool.  De hoek tussen de aardrijkskundige en magnetische meridiaan noemt men de declinatie.  Bovendien verandert de plaats van de magnetische polen elk jaar.

 

Veldsterkte

 

  Volgens bevindingen van de Franse geleerde de Coulomb, is de kracht die twee magneetpolen op elkaar uitoefenen afhankelijk van de poolsterkte (magnetische massa m) van de magneetpolen, van de afstand tussen de twee polen en van de doorlaatbaarheid van de middenstof waar ze zich in bevinden.

De aantrekkingskracht (F) drukt men uit in Newton en de poolsterkte (m) in Weber.  De veldsterkte (H) drukt men uit in Newton/Weber.

 

Flux

 

  De magnetische flux (F) drukt de sterkte uit van een magnetisch veld doorheen een oppervlakte.  Men kan zich dit voorstellen als het totaal aantal veld- of krachtlijnen dat aan de noordpool buitengaat, zich in de ruimte verspreidt en terug aan de zuidpool binnenkomt. 

De flux wordt bepaald door de veldsterkte (H), de oppervlakte (A) en de absolute doorlaatbaarheid van de middenstof (m).  Naargelang de aard van de stof kan deze in meer of mindere mate de magnetische krachtlijnen bundelen.

 

Fluxdichtheid of inductie

 

  De inductie (B) is de sterkte van een magnetisch veld per vierkante meter.

De inductie in bvb. ijzer is veel groter dan die in lucht, gezien de grotere doorlaatbaarheid van ijzer.

  Magnetisch materiaal kan ook verzadigd raken als men de veldsterkte opdrijft.  Op dat moment kunnen er a.h.w. geen veld- of krachtlijnen meer bij en is de maximale inductie bereikt.

Een oude eenheid voor inductie is Gauss (Gs) : 1T (Tesla) = 10.000Gs.

 

Schema

 

Grootheid

Symbool

Eenheid

 Symbool

 

 

 

 

Veldsterkte

H

Newton per Weber

N/Wb

Flux

F

Weber

Wb

Inductie

B

Tesla

T = Wb/m2

Aantrekkingskracht

F

Newton

N

Poolsterkte of magnetische massa

m

Weber

Wb

Oppervlakte

A

Vierkante meter

m2

Absolute doorlaatbaarheid van de middenstof

m

Henry per vierkante meter

H/m2

 

 

H = F/m

 

F = m.H.A

 

B = F/A = m.H.A/A = m.H

 

 

Elke elektrische stroom veroorzaakt een magnetisch veld

 

  Als we rond een stroomvoerende geleider ijzervijlsel strooien, dan vormt dit concentrische cirkels rond de geleider in een vlak loodrecht op de geleider.  Dit is de proef van Oersted.

 

(ill)

 

  De veldsterkte in een punt rond een lange rechtlijnige geleider waar elektrische stroom doorvloeit, wordt bepaald door de stroomsterkte en de afstand van het punt op een cirkelomtrek tot de geleider.

Hoe groter de stroomsterkte en hoe kleiner de afstand tot de geleider, hoe sterker het magnetisch veld. 

 

  De magnetische veldsterkte in een spoel is afhankelijk van de stroomsterkte, de lengte en diameter van de spoel, en het aantal windingen van de spoel.

Hoe meer windingen op een spoel, hoe sterker het magnetisch veld !  Elke winding is a.h.w. een schijfvormige magneet.

 

(ill)

 

Elektromagnetische inductie

 

  D.m.v. de magnetische eigenschappen van elektrische stroom is het mogelijk elektrische energie om te zetten in mechanische. 

Het omgekeerde is echter ook mogelijk : mechanische energie omzetten in elektrische.  Zo vond Faraday in de vorige eeuw de dynamo uit, nu generator genoemd, een belangrijk element in de stroomvoorziening.

 

  Hierbij brengt men een geleider of een spoel in een magnetisch veld tussen de polen van een magneet.  Deze beweging of fluxverandering veroorzaakt een spanning die in een gesloten stroomkring een elektrisch stroom voortbrengt.

De grootte van de opgewekte spanning is afhankelijk van het aantal windingen, de poolsterkte en de snelheid van de fluxverandering.

 

  Het natuurlijk magnetisme is te zwak om in de praktijk te kunnen gebruiken.  Het elektromagnetisme wordt echter veel gebruikt.

Enkele toepassingen vinden we bij de elektromagnetische bel, hefmagneten, beveiliging, relais en contactoren, luidsprekers, meetinstrumenten, de elektrische motor, de wisselstroomgenerator en de gelijkstroomgenerator, die de opgewekte wisselspanning omzet in gelijkspanning door een systeem van koperen lamellen.

 

  Een eenvoudige transformator bestaat uit twee afzonderlijke spoelen van geïsoleerd koperdraad gewonden om dezelfde ijzeren kern.  Elke spoel behoort tot een afzonderlijk circuit.

 

(ill)

 

  De wisselstroom door de primaire spoel zorgt voor een magnetisch veld rond die spoel.  De secundaire spoel bevindt zich in het magnetisch veld van de primaire spoel.  Dit veld induceert een wisselspanning.

De spanning is recht evenredig met het aantal windingen.  Heeft de secundaire spoel 100 keer zoveel windingen als de eerste, dan is de spanning ook 100 keer zo groot, maar de stroomsterkte 100 keer zo klein als het vermogen hetzelfde blijft.

Op dit principe berust de stroomtoevoer van het elektriciteitsnet.  Een transformator verhoogt de spanning waardoor de stroomsterkte vermindert, zodat de elektriciteit vervoerd wordt zonder veel energieverlies door verhitting van de geleiders.  Aan het einde van de leiding wordt de spanning weer verlaagd door andere transformatoren voor industrieel of huishoudelijk gebruik.

 

Hosted by www.Geocities.ws

1