Leukemie

 

 

 

 

 

Eindwerk

Sint Bernardus College

Oudenaarde

 

 

 

 

 

 

 

Callebaut Lien

Schooljaar 2003-2004
Inhoudstafel eindwerk: leukemie

 

1.      Inleiding – Persoonlijke motivering

2.      Het ontstaan en de oorzaken van leukemie

2.1.   De oorzaken

2.2.   Het ontstaan

3.      Soorten leukemie

3.1.   Acute leukemie

3.1.1.      Acute lymfatische leukemie

3.1.2.      Acute myeloïde leukemie

3.2.   Chronische leukemie

3.2.1.      Chronische lymfatische leukemie

3.2.2.      Chronische myeloïde leukemie

4.      Kanker bij kinderen

5.      Symptomen van leukemie

6.      Diagnose en vaststelling van leukemie

7.      Behandeling

7.1.   Radiotherapie

7.1.1.      Uitwendige radiotherapie

7.1.1.1.            Voorbereidingen en hulpmiddelen

7.1.1.2.            Behandeling

7.1.2.      Inwendige radiotherapie

7.1.2.1.            Brachytherapie

7.1.2.2.            Nucleaire therapie

7.1.3.      Bijwerkingen

7.2.   Chemotherapie

7.2.1.      De betekenis van het woord ‘chemotherapie’

7.2.2.      Behandeling

7.2.3.      Bijwerkingen

7.3.   Beenmergtransplantatie

7.3.1.      Beenmergtransplantatie: autoloog of allogeen

7.3.1.1.            Autologe transplantatie

7.3.1.2.            Allogene transplantatie

8.      Psychische begeleiding

9.      Begeleiding na het slagen van de medicatie

10.  Tot slot

 


1. De oorzaken en het ontstaan van leukemie

 

1.1. De oorzaken

                                       

Er zijn verschillende redenen waardoor mensen leukemie krijgen, maar in de meeste gevallen is de oorzaak niet bekend. Het is wel duidelijk dat mannen meer kans hebben om leukemie te krijgen dan vrouwen. Blanken hebben ook meer kans dan zwarten.

Mensen die veel blootgesteld zijn aan radioactieve straling of benzeen hebben meer kans om leukemie te krijgen. Een goed voorbeeld hiervan is de grafiek onder deze tekst.

De grafiek toont het verschil aan tussen het aantal leukemiegevallen onder de, in 1945 aan straling blootgestelde, bevolking in Hirosjima na de val van de atoombom, ten opzichte van een niet aan straling blootgestelde groep mensen van diezelfde regio. 

Ongeveer 3% van de patiënten die in het verleden met chemotherapie behandeld zijn voor een andere kwaadaardige ziekte, krijgen na verloop van een aantal jaren leukemie doordat het beenmerg beschadigd is. Men probeert met aanpassingen van de behandeling dit risico te verminderen, maar deze cijfers wegen niet op tegen het aantal mensen die ondertussen genezen zijn door een behandeling met chemotherapie.

Er kan ook sprake zijn van een virus dat leukemie veroorzaakt, het HTLV-virus (afkomstig van het Engelse: Human T-cell Lymphotrophic Virus), maar verdere onderzoeken moeten nog uitwijzen of dit echt wel het geval is. In Japan, het Caraïbisch gebied en in Afrika is dit retrovirus de oorzaak van een vorm van leukemie.

Er zijn aanwijzingen dat een erfelijke aanleg mogelijk van invloed is bij het ontstaan van sommige vormen van leukemie.

Acute leukemie komt het meest voor bij ouderen maar dat neemt niet weg dat het de meest voorkomende kanker is bij kinderen en jonge volwassenen. Bij de acute lymfatische leukemie ligt een duidelijke piek bij kinderen, en dit vooral bij kinderen uit hoger ontwikkelde landen (in tegenstelling tot de meeste andere ziektes). In deze landen blijkt de ziekte bovendien het meest onder de sociale hogere klassen voor te komen. Dit zou kunnen wijzen op een mogelijke virale oorzaak van acute lymfatische leukemie bij kinderen.

Leukemie en virussen zouden dus wel iets met elkaar kunnen te maken hebben.

Figuur 1: Aan deze grafiek kun je zien dat vanaf 1945 het aantal leukemie-gevallen heel veel gestegen is bij de mensen die zijn blootgesteld aan straling bij de atoombom op Hirosjima. Bij de bevolking die er niet is aan blootgesteld, blijft het aantal ongeveer gelijk.

 

 

 

Figuur 2: Het HTLV-virus

 

1.2. Het ontstaan

                                

Bij leukemie is er sprake van een grote woekering van witte bloedlichaampjes in het beenmerg.

In het beenmerg (het zachte gedeelte in het midden van beenderen) worden meerdere soorten cellen aangemaakt:

-         Rode bloedcellen (erythrocyten) : deze zorgen voor het transport van zuurstof van de longen naar de weefsels. Ze zorgen ook voor het transport van koolstofdioxide van de weefsels terug naar de longen. Zij zorgen ervoor dat het bloed een rode kleur heeft. (zie verder)

-         Witte bloedcellen (leukocyten) : deze helpen het lichaam om te vechten tegen ziektes en infecties. (zie verder)

-         Bloedplaatjes (thrombocyten) : deze helpen bloedklonters te vormen die het bloeden bij kwetsuren stoppen. (zie verder)

In het beenmerg doorlopen deze cellen verschillende rijpingsstadia beginnend vanuit de stamcel naar de jonge bastcel tot een rijpe cel. Die rijpe cel komt dan in het bloed terecht.

Op een bepaald moment begint 1 cel zich onaangepast te gedragen door blootstelling aan cancerogene stoffen. Hierdoor krijgen we een beschadiging van het DNA waardoor de belangrijke genetische informatie voor groei en differentiatie gewijzigd wordt. Zodoende krijgen we een ongecontroleerde groei van leukemiecellen die niet in staat zijn normale functies uit te voeren. Hierdoor ontstaan grote hoeveelheden onrijpe witte bloedcellen. Door deze woekering komt de productie van normale bloedcellen in het beenmerg in het gedrang. Hiervan is het gevolg dat het tekort aan rode bloedcellen bloedarmoede veroorzaakt, een gebrek aan granulocyten tot ernstige infecties kan leiden, en te weinig thrombocyten spontane bloedingen kunnen doen optreden.

Eerst is er enkel in het beenmerg een overmaat aan onrijpe bloedcellen maar na een tijdje komen die in de bloedbaan en de weefsels terecht. Hierdoor vergroten de lymfeklieren, de milt en de lever.

De normale samenstelling van het bloed is dus verstoord.

 

Figuur 3: Voorstadium van de cellen in het beenmerg

 

1.2.1. Functie van rode bloedcellen

 

De kleurstof van rode bloedcellen heeft het vermogen zuurstof aan zich te binden. Deze wordt in de longblaasjes onttrokken aan de ingeademde lucht. De gebonden zuurstof wordt dan vervoerd naar de plaatsen waar zij nodig is voor stofwisselingsprocessen. Het bij deze processen vrijgekomen koolzuur kan zich dan weer aan de hemoglobine hechten, waarna het in de longen wordt afgegeven aan de lucht die wordt uitgeademd. Indien het bloed te weinig hemoglobine bevat, ofwel doordat er te weinig cellen in het bloed circuleren, ofwel doordat er per cel te weinig hemoglobine aanwezig is, spreekt men van bloedarmoede. Mensen die hieraan lijden, zien er bleek uit, zijn snel vermoeid en klagen over hoofdpijn en duizeligheid.

 

1.2.2. Functie van witte bloedcellen

 

Witte bloedcellen kunnen naar kenmerken van de kern en het protoplasma worden onderscheiden in volgende groepen: de granulocyten, de monocyten en de lymfocyten.

De normale verdeling van deze cellen is:

-         50-60% neutrofiele segmentkernige granulocyten

-         5% neutrofiele staafkernige granulocyten

-         1% basofiele granulocyten

-         2-4% eosinofiele granulocyten

-         6-8% monocyten

-         20-35% lymfocyten

Het normale aantal witte bloedcellen is 7000/mm³, maar bij leukemie-patiënten ligt dit aantal veel hoger.

 

Granulocyten

 

De granulocyten worden in het beenmerg gevormd.

De belangrijkste taak van de witte bloedcellen is de afweer tegen vreemde stoffen die het lichaam binnendringen. Wanneer bacteriën via een wonde in de huid naar binnen dringen, scheiden ze een bepaalde stof af. De neutrofiele granulocyten worden door deze stof aangetrokken. De bloedcellen verplaatsen zich door de vaatwand om de aanvallende bacteriën te omsingelen en in zich op te nemen. In de witte bloedcellen worden de bacteriën onschadelijk gemaakt, waarna de cellen afgebroken worden. Indien een infectie ontstaat, kan men door bloedonderzoek aantonen dat het aantal witte bloedlichaampjes gaat stijgen. Doordat ze afgebroken worden na het onschadelijk maken van bacteriën, blijven ze slechts enkele uren in de bloedsomloop. Als er door een afwijking in de bloedaanmaak geen of te weinig granulocyten aanwezig zijn, is een acute afweer tegen infecties niet mogelijk. Eosinofiele granulocyten nemen in aantal toe bij allergische reacties. Basofiele granulocyten zorgen voor de verwijding van de bloedvaten en zijn waarschijnlijk ook betrokken bij het wegruimen van afstervend weefsel dat ontstaat bij ontstekingsprocessen.

 

Lymfocyten

 

De lymfocyten zorgen voor de immuniteit, dit is het afweren van bepaalde lichaamsvreemde stoffen. Een immunologische reactie is gericht tegen één specifieke lichaamsvreemde stof (een antigeen) en treedt alleen op als het lichaam al eens eerder met het antigeen in contact kwam. Na dit contact ontstaat er een sterk toegenomen specifieke afweer tegen het antigeen. Het antigeen wordt onschadelijk gemaakt door een reactie met antistoffen of lymfocyten.

Lymfocyten worden in het lymfoïde weefsel gevormd dat zich bevindt in lymfeklieren, milt, slijmvliezen van de darm en ook in het beenmerg.

 

Figuur 4: Lymfocyten en een lymfoblast (een onrijpe lymfocyt)

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Monocyten

 

Monocyten worden in het lymfoïde weefsel gevormd dat zich bevindt in lymfeklieren, milt, slijmvliezen van de darm en ook in het beenmerg.

Monocyten maken zich verdienstelijk bij het bestrijden van bacteriën en schadelijke stoffen.

 

Figuur 5: De monocyt

 

1.2.3. Functie van bloedplaatjes

 

Het aantal bloedplaatjes (thrombocyten) varieert van 250.000 tot 500.000/mm³. Ze worden in het beenmerg gevormd door afsplitsing van kleine deeltjes protoplasma van grote stamcellen  en bevatten dan ook geen kern. Zij blijven ongeveer acht dagen in de bloedsomloop. In het bloedplasma bevindt zich onder andere het eiwit fibrinogeen, dat een belangrijke rol speelt bij de bloedstolling.

 

Figuur 6: Bloedplaatjes (thrombocyten)

2. Soorten leukemie

 

Leukemie kan onderverdeeld worden in 2 groepen: acute en chronische leukemie. Het onderscheid is gebaseerd op de mate van de uitrijping van de abnormale cellen. Naast het onderscheid tussen acute en chronische leukemie, wordt er ook een onderscheid gemaakt tussen myeloïde en lymfatische leukemie. Dit heeft te maken met het type witte bloedcel dat de leukemie veroorzaakt. Bij de myeloïde leukemie zijn de granulocyten betrokken             (zie 1.2.2.) en bij de lymfatische leukemie de lymfocyten (idem).

Een vermeerdering van rode bloedcellen wordt erythroleukemie genoemd. Indien de witte bloedlichaampjes verlaagd zijn wordt dit aleukemische leukemie genoemd.

Als men leukemie niet behandelt, leidt dit vrijwel altijd tot een dodelijke storing in de samenstelling van het bloed, ernstige bloedingen of zware ontsteking.

Alle soorten bloedkanker veroorzaken 50% van alle sterfgevallen door kanker bij mensen jonger dan 30 jaar. In de Grote Spectrum Encyclopedie uit het jaar 1973 stond nog dat leukemie tot dan toe een fataal aflopende ziekte gebleken was.

 

2.1. Acute leukemie

 

Bij acute leukemie rijpen de cellen vrijwel niet uit en vindt er in een korte tijd een ophoping van onrijpe cellen plaats. Deze onrijpe cellen worden ook blasten genoemd. Acute leukemie geeft vaak in korte tijd klachten.

 

2.1.1. Acute lymfatische leukemie

 

Het gaat hier om een probleem met de vorming van de lymfocyten.

 

2.1.2. Acute myeloïde leukemie

 

Acute myeloïde leukemie is een zeldzame leukemie, het gaat om 2,3 patiënten per 100.000 personen per jaar met een voorkeur voor mannen. Het gaat hier om een probleem met de vorming van granulocyten.

 

 

2.2. Chronische leukemie

 

Bij chronische leukemie is het proces trager want de cellen rijpen nog redelijk goed uit. Chronische leukemie geeft minder snel klachten en wordt dan ook vaal bij toeval ontdekt als er om een andere reden bloedonderzoek wordt gedaan.

 

2.2.1. Chronische lymfatische leukemie

 

Het gaat hier om een probleem met de vorming van de lymfocyten, maar het is niet zo acuut als bij acute lymfatische leukemie. De onrijpe lymfocyten komen niet opeens in grotere hoeveelheden in het bloed, maar het duurt langer want de cellen rijpen nog redelijk goed uit.

 

2.2.2. Chronische myeloïde leukemie

 

De meeste mensen met chronische myeloïde leukemie overlijden door de overgang naar een acute leukemie, de blastencrisis, waarbij plotseling vele voorlopercellen en onrijpe bloedcellen in het bloed verschijnen. Het gaat hier om een probleem met de vorming van de granulocyten. Toch heeft iemand met chronische leukemie meestal betere vooruitzichten dan iemand met acute leukemie.

 

Figuur 7: Chronische lymfatische leukemie

 

Figuur 8: Chronische leukemie

 

 

3. Kanker bij kinderen

 

Kwaadaardige aandoeningen op kinderleeftijd komen weinig frequent voor. Toch zijn zij de op één na belangrijkste doodsoorzaak bij kinderen (de voornaamste doodsoorzaak beneden de 15 jaar zijn verkeersongevallen). Ongeveer 1 op 10.000 kinderen tussen 0 en 15 jaar krijgt kanker, voor België betekent dit dat 200 tot 240 kinderen jaarlijks door deze ziekte getroffen worden.

Bij kinderen is er sprake van 25 tot 35 verschillende vormen van kanker. De meest voorkomende daarvan zijn: de verschillende soorten leukemie, de ziekte van Hodgkin, niertumoren, hersentumoren, bottumoren, …

Acute lymfatische leukemie is dé meest voorkomende kanker op kinderleeftijd.

“In het UZ Gent werden tussen 1937 en 1997, 2066 kinderen behandeld met kanker. Hiervan hadden 37% een vorm van leukemie, 16% hadden een tumor in het centraal zenuwstelsel, 11% ontwikkelde een lymfoom, …”[1]

Kinderkanker heeft een enorme impact op het leven van het kind, zijn familie en de omgeving. De diagnose brengt gevoelens van angst, verbijstering, ontreddering, onrechtvaardigheid, … mee. Bovendien zijn de behandeling en de gevolgen ervan een zware belasting voor alle betrokkenen. De noodzaak aan een gespecialiseerd team, dat steeds klaar staat om doeltreffende medische, verpleegkundige en psychosociale zorg te geven, is onontbeerlijk.

Daar waar vroeger veel kinderen stierven aan hun ziekte, kan nu 70% genezen worden. Dit is het geval door nieuwe inzichten en steeds verder evoluerende behandelingsmethoden. Onderzoek naar mogelijke oorzaken of naar nieuwe behandelingsmethoden zijn nog steeds noodzakelijk om in de nabije toekomst nog betere resultaten te bekomen.

De meeste kinderen met leukemie (ongeveer 85%) hebben acute lymfatische leukemie, de anderen acute myeloïde leukemie. De chronische vormen komen op kinderleeftijd zelden voor.

Acute lymfatische leukemie komt het meest voor in de leeftijdscategorie van 3 tot 6-jarigen, maar de behandeling leidt bij een hoog percentage tot genezing.

 

 

 

4. Symptomen

 

4.1. Acute leukemie

 

Veel patiënten hebben vage klachten die het gevolg zijn van afwijkingen in het bloed tot drie maanden voor het stellen van de diagnose. Het gaat om vermoeidheid, pijn, gewichtsverlies, koorts zonder duidelijke reden, vatbaarheid voor ontstekingen, bloedend tandvlees, keelpijn, slechte eetlust, zware bloedarmoede, blauwe plekken, bloedingen en opgezette klieren in de hals, de lies en onder de oksels. Deze symptomen kunnen ook bij andere aandoeningen voorkomen, zonder dat er sprake is van een ernstige ziekte. Het is belangrijk een arts te raadplegen als deze klachten al langere tijd bestaan.

In het bloed wordt maar bij een kwart van de patiënten in eerste instantie een te groot aantal leukocyten gevonden. Bij minder dan 5% van de patiënten worden er geen leukemische cellen in het bloed terug gevonden. Het aantal bloedplaatjes is meestal laag. Om de diagnose te kunnen stellen, moet het beenmerg onderzocht worden.

 

4.2. Chronische leukemie

 

Bij chronische leukemie komt de vermoeidheid langzamer op. De milt vergroot geleidelijk tot deze zo groot is dat er een aanhoudende pijn linksboven in de buik ontstaat; geleidelijk gewichtsverlies, bloedneuzen, pijnlijke en langdurige erecties bij mannen, koorts en nachtelijk transpireren zijn andere symptomen van chronische leukemie. Vele mensen trekken hiervoor niet direct naar de dokter, hierbij wordt de ziekte soms per toeval ontdekt door een routine bloedonderzoek.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

5. Behandeling

 

5.1. Radiotherapie

 

Radiotherapie kan op verschillende manieren gebruikt worden.

-         als enige behandeling, zoals in een vroeg stadium van prostaatkanker

-         in combinatie met een operatie, onder andere bij een borstsparende behandeling

-         in combinatie met chemotherapie, dit gebeurt bij leukemie

-         als bijkomende behandeling, onder andere bij uitzaaiingen van een tumor

-         als enige therapie, voor het bestrijden van klachten die het gevolg zijn van een tumorgroei bij patiënten die niet meer te genezen zijn. Het doel is hier de pijn van de patiënt zoveel mogelijk te verminderen.

Deze therapie is een plaatselijke, lokale behandeling. Het heeft dus alleen effect op het gebied dat bestraald wordt. Het zijn vooral de sneldelende cellen die geraakt worden door de bestraling, dit zijn bijgevolg ook de kankercellen. Deze bestraling beschadigt het DNA zodanig dat de cel bij een volgende celdeling afsterft. Er zijn twee soorten radiotherapie: uitwendige en inwendige.

 

5.1.1. Uitwendige radiotherapie

 

Bij dit soort radiotherapie worden met behulp van elektrische hoogspanning röntgenstralen van heel hoge energie geproduceerd. Uitwendige radiotherapie wordt gebruikt bij oppervlakkige tumoren, zoals huidkanker. Hierbij worden apparaten gebruikt die vergelijkbaar zijn met die waarmee bij röntgendiagnostiek foto’s gemaakt worden. Uitwendige therapie wordt ook orthovolttherapie of oppervlakte- en dieptetherapie genoemd.

“Tegenwoordig wordt vooral gebruik gemaakt van lineaire versnellers, dit apparaat kan een elektronenbundel versnellen tot een energie van 4-25 megavolt. Deze elektronen kunnen voor bestraling gebruikt worden of omgezet worden in röntgenstraling van dezelfde energie.”[2] Dit wordt teletherapie genoemd. Die energetische bestraling is zo hoog dat zij eerst enkele centimeters door het oppervlak heen dringt voordat de energie wordt afgegeven. Ook dieper gelegen tumoren kunnen dus bestraald worden terwijl de huid niet beschadigd wordt.

Straling beschadigt alle cellen: de kankercellen én de gezonde cellen die ermee in aanraking komen. Gezonde cellen zijn wel minder gevoelig voor bestraling dan tumorcellen en kunnen zich dus ook beter herstellen van de opgelopen schade. De specialist zal altijd proberen het doelgebied (waar de tumor of het operatiegebied zich bevindt) zo goed mogelijk te bestralen en zo weinig mogelijk de gezonde weefsels te beschadigen. Om de gezonde cellen zoveel mogelijk de kans te geven om te herstellen van de bestraling, worden curatieve bestralingsseries (waarbij heel hoge doses straling gegeven worden) in het algemeen in kleine porties – fracties – gegeven. Deze bestralingsseries kunnen dus soms zes of zeven weken duren, waarin vier- of vijfmaal per week bestraald wordt.

 

5.1.1.1. Voorbereidingen en hulpmiddelen

 

Bij uitwendige radiotherapie is het heel belangrijk dat de stralenbundels precies op de goede plaats terechtkomen. Voordat de bestralingsserie begint, worden daarom eerst de bestralingsvelden op de huid aangetekend. De simulator is hierbij een belangrijk hulpmiddel, dit apparaat bootst de bewegingen van het bestralingstoestel na. Door de simulator te gebruiken weet men welk gebied moet bestraald worden en wat voor houding of positie het beste kan. Deze lijnen worden met een pen met moeilijk uitwisbare inkt op de huid getekend. Hierna worden er röntgenfoto’s van de bestralingsvelden gemaakt en soms is het nog eens nodig om een CT-scan te maken om de precieze plaats van de tumor en de gezonde organen te bepalen.

Na dit alles te hebben uitgevoerd, wordt met behulp van de computer uitgerekend hoe de bestraling het beste kan worden gegeven. Soms zal de simulator nog eens moeten gebruikt worden als controle van het uitgerekende plan.

Onder het bed worden stalen mallen bevestigd die ervoor zorgen dat het precieze doelgebied bestraald wordt en dat gezonde organen die geen bestraling nodig hebben niet bestraald worden.

Voor bestraling van het hoofd of de hals wordt voor de simulatie een soort masker van een doorzichtige kunststof gemaakt dat ervoor zorgt dat je tijdens de simulatie en de daaropvolgende bestraling steeds in dezelfde positie blijft liggen. De bestralingsvelden worden dan ook getekend op dit masker en het bespaart de patiënt om de hele behandelingsperiode lang met zichtbare strepen rond te lopen.

 

 

5.1.1.2. Behandeling

 

De meeste mensen moeten bij een uitwendige bestralingstherapie niet in het ziekenhuis verblijven maar moeten enkel naar het ziekenhuis toe voor de behandeling.

Tijdens de bestraling voel je bijna niets, je kan het ook niet zien of ruiken. Soms kan je wel een lichte tinteling of  prikkeling voelen.

Tijdens de bestraling lig je alleen in de bestralingsruimte omdat anderen door ‘strooistraling’[3] meebestraald zouden worden. De mensen die de apparaten bedienen, houden contact met jou via de intercom of via de microfoon en kunnen je zien door een raam of op een monitor. Bestralingen zijn meestal van korte duur (meestal korter dan één minuut), maar toch kun je je door die isolatie angstig of moederziel alleen voelen. De korte tijd die een bestraling meestal duurt, lijkt dus vaak veel langer dan hij in feite is.

Tijdens de behandeling moet je elke week gecontroleerd worden door de radiotherapeut-oncoloog (specialist van radiotherapie), hij stelt je allerlei vragen en houdt je huid en de kwaliteit van je bloed in de gaten.

 

5.1.2. Inwendige radiotherapie

 

Bij inwendige radiotherapie wordt radioactief materiaal in het lichaam geplaatst in of naast de tumor. Dit kan op twee manieren gebeuren:

-         Bij brachytherapie wordt het radioactieve materiaal in het lichaam gebracht met behulp van geleiders. De radioactieve bron wordt via buisjes, holle naalden, of een katheter (slangetje) in het lichaam gebracht. Deze behandeling wordt toegepast bij prostaatkanker, kanker van de baarmoedermond, …

-         Bij nucleaire therapie wordt het materiaal direct in het lichaam gebracht via een drankje, een capsule, een injectie of een infuus. Deze behandeling wordt bijvoorbeeld toegepast bij schildklierkanker.

 

5.1.2.1. Brachytherapie

 

Brachytherapie kan maar bij enkele gevallen toegepast worden. Het inbrengen van de stralingsbron wordt meestal onder narcose gedaan maar soms ook meteen na de operatie waarbij de tumor verwijderd is. De computer berekent hoe lang de radioactieve stof in het lichaam moet blijven, soms is dit enkele uren, soms enkele dagen.

“Het aanbrengen van de radioactieve bronnen in naalden, buisjes of katheters, ook wel ‘laden’ genoemd, gebeurt tegenwoordig meestal met afterloading-apparatuur. Hiermee kunnen de bronnen indien nodig tijdelijk uit de naalden of buisjes worden teruggezogen of er weer ingebracht worden zonder dat de omgeving wordt blootgesteld aan die straling. Dit maakt toiletbezoek of een korte pauze mogelijk om bezoek te ontvangen. Tegenwoordig bestaat ook afterloading-apparatuur die de inwendige bestraling in porties, zogenaamde pulsen, over de dag verdeelt.”[4]

Als het radioactieve materiaal in je lichaam zit, ben je zelf niet radioactief, maar zend je wel straling uit. Zodat de mensen die je verzorgen beschermd zouden zijn tegen de straling die je uitzendt, lig je tijdens de behandeling in een speciale kamer. Ook bezoek moet dan tot een minimum beperkt worden. Als de volledige behandeling gegeven is, worden de naalden en de buisjes uit je lichaam verwijderd en meestal mag je dan direct naar huis. Soms moet je nog even in het ziekenhuis blijven om te kijken of er geen complicaties optreden.

Inwendige therapie kan dus zeer belastend zijn, zeker als de behandeling enkele dagen in beslag neemt en als je, bijvoorbeeld bij de bestraling van de baarmoedermond, zo min mogelijk mag bewegen. Je bent ook bijna helemaal afgesloten van de buitenwereld, je kan enkel telefonisch contact hebben en naar de televisie kijken.

Brachytherapie is dus heel zwaar, maar het heeft ook zijn voordelen. Het te bestralen doelgebied kan bestraald worden met relatief weinig belasting voor het omliggende gezonde weefsel. De kans op bijwerkingen is hierbij geringer, dus kan men hogere doses straling geven. Daardoor kan de totale dosis bestraling die nodig is voor de behandeling in veel kortere tijd gegeven worden dan bij uitwendige bestraling.

 

5.1.2.2. Nucleaire therapie

 

Bij nucleaire therapie wordt radioactief materiaal toegediend met behulp van een injectie, een infuus, een capsule of een drankje. Dit materiaal wordt opgenomen door de sneldelende cellen daardoor concentreert het zich op de tumor. Daar geeft het zijn maximale straling af. Wanneer de straling is uitgewerkt hangt af van de dosis, meestal is de straling uitgewerkt na een aantal dagen tot iets meer dan een week. Deze behandeling wordt gegeven door een nucleair geneeskundige. Bij deze soort therapie wordt ook met radioactieve stoffen gewerkt, vaak wordt ze dan ook op dezelfde afdeling gegeven als branchytherapie.

Tijdens deze behandeling ben je, in tegenstelling tot bij de branchytherapie, wel radioactief. Daarvan merk je zelf niets, maar je bent wel een risico voor je omgeving. Daarom word je, ook bij deze therapie, in een geïsoleerde kamer verpleegd. Dagelijks wordt er gecontroleerd hoeveel straling er nog vrijkomt. Zodra die hoeveelheid een bepaalde norm bereikt heeft, mag je naar huis.

 

5.1.3. Bijwerkingen

 

Bestraling op zich doet geen pijn maar pijn kan wel een van de bijwerkingen zijn waar je in de loop van de behandeling kan mee te maken krijgen. Welke bijwerkingen je kan krijgen hangt af van de mate, de plaats, de duur en de intensiviteit van de behandeling. Sneldelende cellen, zoals die van huid, haar, slijmvliezen en beenmerg, reageren vlugger dan langzaam delende cellen en zullen ook vlugger klachten geven. De meeste bijwerkingen verdwijnen als de behandeling eenmaal is afgelopen, binnen twee tot zes weken.

 

Vermoeidheid

 

Vermoeidheid is de meest voorkomende bijwerking bij radiotherapie. Dit komt deels doordat het lichaam extra energie nodig heeft voor het herstel van de aangetaste gezonde cellen. Maar ook de dagelijkse gang naar het ziekenhuis kan vermoeidheid met zich meebrengen.

 

Huidproblemen

 

Bij uitwendige bestraling kan na enkele weken irritatie op de huid ontstaan. Eerst wordt de huid rood zoals bij zonnebrand, later wordt de huid donkerder omdat er extra pigment wordt aangemaakt. De huid kan ook gaan vervellen: er ontstaat een oppervlakkige verwonding die lijkt los te laten. Deze bijwerkingen kunnen pijnlijk zijn en kunnen een reden zijn om de behandeling tijdelijk te onderbreken. De huid herstelt zich 1 of 2 maanden na de behandeling.

 

 

 

 

Haaruitval

 

Niet iedereen die bestraling ondergaat wordt kaal. Alleen op de bestraalde plek kan haaruitval voorkomen. Als dat boven op het hoofd is, op je buik of in je oksels, kan het haar ongeveer drie weken na het begin van de behandeling gaan uitvallen. Meestal zal het na enkele maanden terugkomen. Als de behandelingsdosis erg hoog geweest is of als er voor een tweede keer bestraald moet worden, kan het erg lang duren voordat het haar terug zal groeien. Soms kan de kaalheid blijvend zijn.

 

Maag- en darmklachten

 

De slijmvliezen van het hele darmstelsel bestaan uit sneldelende cellen die dus relatief gevoelig zijn voor bestraling. Afhankelijk van het deel van het maag- en darmstelsel dat bestraald wordt, kunnen daar problemen optreden. Zo kan bestraling in het hoofd- en halsgebied ontstekingen in de mond en beschadiging van de speekselklieren tot gevolg hebben. Als je op de hals bestraald wordt, kan dat keelpijn veroorzaken. Bestraling van de slokdarm kan slikproblemen geven en bij bestraling van de maag of het buikgebied kun je misselijk worden. Bij bestraling van de darmen kunnen ook problemen met de ontlasting optreden.

 

Vruchtbaarheid

 

Bestraling van de onderbuik kan gevolgen hebben voor de vruchtbaarheid. Hier kunnen wel maatregelen voor getroffen worden bijvoorbeeld het laten invriezen van zaad of eicellen. Zwangerschap wordt tijdens bestraling het beste vermeden omdat de bestraling schadelijk kan zijn voor de vrucht.

 

Bloed

 

Als er grote delen van het lichaam bestraald worden en als de behandeling intensief en langdurig is, kan het beenmerg aangetast worden en komt de aanmaak van gezond bloed in het gedrang. Als dit het geval zou zijn, wordt de behandeling tijdelijk stilgelegd totdat het bloed terug op peil is.

 

5.2. Chemotherapie

 

5.2.1. Betekenis van het woord ‘chemotherapie’

 

Chemotherapie betekent eigenlijk niets anders dan behandeling van een ziekte met scheikundig bereide stoffen. Een aspirientje tegen de hoofdpijn kan dus net zo goed chemotherapie genoemd worden, want de meeste geneesmiddelen worden scheikundig bereid. Deze term wordt echter vooral gebruikt voor de behandeling van kanker met medicijnen. Chemotherapie en kanker zijn in het dagelijks spraakgebruik onverbrekelijk met elkaar verbonden.

 

5.2.2. Behandeling

 

Het doel van de chemotherapie is uitzaaiing van kanker te voorkomen en tumorcellen te vernietigen, zodat zieke organen gespaard kunnen worden. De patiënt krijgt hierbij een kuur van medicijnen, in de vorm van pillen of injecties.

Chemotherapie is vlak na de Tweede Wereldoorlog geïntroduceerd, nadat een onderzoek van mosterdgas had uitgewezen dat deze stof een vernietigende uitwerking heeft op levende cellen, vooral op cellen die zich vlug delen zoals in het beenmerg, de darmen en de lymfeklieren. Door dit onderzoek kwamen artsen op het idee om mosterdgas te gebruiken voor de vernietiging van kankercellen, die zich sneller splitsen dan elke andere soort cel in ons lichaam.

Chemotherapie kan op verschillende manieren gebruikt worden. Het kan als enige of belangrijkste behandeling gebruikt worden bij tumoren die er gevoelig voor zijn, zoals de ziekte van Hodgkin, bepaalde vormen van zaadbalkanker en sommige kindertumoren. Chemotherapie kan ook als aanvulling bij een lokale behandeling gebruikt worden om de kans te verkleinen dat kanker later terugkomt., zoals na een operatie voor borstkanker of dikke-darmkanker. Door chemotherapie voorafgaand aan een operatie of in combinatie met radiotherapie te geven, kan het effect van die behandelingen versterkt worden. Tot slot wordt chemotherapie ook palliatief gegeven om klachten van een uitgezaaide tumor zoveel mogelijk te onderdrukken of uit te stellen.

De medicijnen die bij chemotherapie worden gebruikt, worden cytostatica genoemd. Ze zijn in staat cellen te doden of de celdeling te remmen. Ze doen dit door op een bepaald moment in het ontwikkelingsproces van een kankercel in te grijpen en die ontwikkeling stop te zetten. Sommige cytostatica tasten de cel aan op het moment dat deze net aan het rijpen is, andere op het tijdstip dat het DNA in de celkern wordt aangemaakt, terwijl nog andere pas in het geweer komen wanneer de cel op het punt staat zich te delen.

Kankerpatiënten krijgen vaak verschillende cytostatica tegelijk om het effect ervan zo groot mogelijk te maken. Dit doet men omdat de medicijnen op verschillende tijdstippen de ontwikkeling van de kankercel kunnen tegenwerken. Zo kunnen de cytostatica elkaars werking aanvullen of versterken.

Tot op heden zijn er al meer dan 40 verschillende soorten cytostatica gevonden. Niet ieder cytostaticum is echter even geschikt voor de behandeling van iedere vorm van kanker en niet elke vorm van kanker is even gevoelig voor cytostatica. Daarom wordt voor de verschillende vormen van kanker naar een ‘eigen’ chemotherapie gezocht. Voor een aantal vormen van kanker is nog geen doeltreffend cytostaticum gevonden.

Sommige cytostatica worden gegeven als pillen of capsules die via de mond worden ingenomen. Vaak worden de medicijnen ook door middel van een injectie of een infuus toegediend. Vroeger werd je, als je chemotherapie kreeg, opgenomen in het ziekenhuis. Nu hoeft dit niet meer als je deze therapie krijgt door middel van tabletten, capsules, injecties of kortdurende infuzen.

Deze cytostatica komen via de bloedbaan in het hele lichaam terecht. Dit is zeer gunstig omdat dan, naast de tumor, eventuele uitzaaiingen op andere plekken in het lichaam inwerken Chemotherapie is dus een heel andere behandelvorm dan een operatie of radiotherapie. Bij deze laatste twee wordt alleen een bepaalde plek of een bepaald orgaan onder handen genomen, er wordt hierbij ‘lokaal’ gehandeld. Chemotherapie, daarentegen, heeft invloed op het hele lichaam. Chemotherapie wordt ook wel systemische therapie genoemd.

Een systemische behandeling zoals chemotherapie, werkt dus niet alleen in op kankercellen, maar ook op gezonde cellen. Tot nu toe is men er nog niet in geslaagd om een cytostaticum te vinden dat enkel de kankercellen aantast en de gezonde ongemoeid laat. Gezonde cellen zijn wel minder gevoelig voor cytostatica dan kwaadaardige. Daarom wordt een behandeling met cytostatica over het algemeen met tussenpozen gegeven: de perioden waarin je medicijnen neemt worden dan afgewisseld met rustperioden om je gezonde cellen de kans te geven om te herstellen, zodat je zo weinig mogelijk last hebt van de bijwerkingen.

 

Figuur 9: Na de start van de chemotherapie bij leukemie dienen er gedurende de behandelperiode regelmatig een aantal thrombocyten-transfusies te gebeuren om de kritieke periode te overbruggen

 

5.2.3. Bijwerkingen

 

Chemotherapie heeft effect op het hele lichaam, dus is er een grote kans dat je last krijgt van bijwerkingen. Doordat de meeste gezonde cellen in staat zijn zich te herstellen, verdwijnen deze bijwerkingen meestal na afloop van de kuur. Als je je haar verloren bent door de behandeling, krijg je dit altijd opnieuw terug.

De meeste mensen denken bij het woord ‘chemotherapie’ aan de meest verschrikkelijke bijwerkingen, maar niet iedereen die chemotherapie ondergaat heeft daar last van. Van het ene cytostaticum kan je veel zieker worden dan van een ander, terwijl er ook cytostatica bestaan waarvan je maar weinig merkt.

Je moet natuurlijk rekening houden met het feit dat iedereen anders reageert op medicijnen.

 

 

 

Vermoeidheid

 

Sommige mensen die chemotherapie ondergaan, voelen zich moe en lusteloos. Naarmate de kuur langer duurt, kan dit erger worden.

De oorzaak hiervan ligt bij het feit dat je lichaam hard moet werken om de aantasting van de gezonde cellen weer ongedaan te maken, en dit kost veel energie. Daarnaast speelt de psychische belasting van ziekte en behandeling een grote rol.

 

Misselijkheid en braken

 

Misselijkheid en braken zijn voor sommige mensen onverbrekelijk met chemotherapie verbonden. Vroeger klopte dit misschien wel, maar de laatste jaren is hierin verandering gekomen. Je wordt van lang niet alle cytostatica ziek en er zijn medicijnen ontwikkeld die helpen tegen acute misselijkheid en braken.

Er zijn mensen die na een tijdje een grote weerstand hebben tegen de behandeling, dat die nog voor een nieuwe kuur moeten braken. Er treedt een soort reflex op die volstrekt buiten eigen wil om gaat.

Behalve lichamelijk, kan de oorzaak van de misselijkheid ook psychisch zijn.

 

Irritatie van slijmvliezen

 

Bepaalde cytostatica kunnen de slijmvliezen aantasten en kleine, soms erg hinderlijke en pijnlijke, wondjes veroorzaken, vooral in of rond de mond.

Chemotherapie kan ook leiden naar irritatie van de darmslijmvliezen, dit kan diarree tot gevolg hebben.

 

Invloed op het beenmerg

 

Een aantal cytostatica remt de aanmaak van cellen in het beenmerg: witte en rode bloedcellen, en bloedplaatjes. Als er te weinig witte bloedcellen in het lichaam zijn, neemt de natuurlijke weerstand af en wordt de kans op infecties groter. Infecties gaan vrijwel altijd gepaard met koorts.

Een tekort aan rode bloedcellen betekent bloedarmoede: je ziet bleek, je bent kouwelijk en hebt last van moeheid en duizeligheid.

Bloedplaatjes zijn betrokken bij het stollingsproces. Als er een tekort aan bloedplaatjes is, kun je gauw last hebben van bloedneuzen en bloedend tandvlees, en kun je veel bloed verliezen bij verwondingen. Je krijgt blauwe plekken terwijl je je nauwelijks gestoten hebt.

 

Invloed op seksualiteit, menstruatie, vruchtbaarheid

 

Bij vrouwen kunnen door cytostatica veranderingen optreden in het menstruatiepatroon. De menstruatie kan onregelmatig worden of helemaal verdwijnen, maar dit is afhankelijk van de leeftijd van de vrouw en van de soorten cytostatica die je krijgt.

Sommige cytostatica kunnen de vruchtbaarheid aantasten, in een aantal gevallen is dit van tijdelijke aard. Soms is dit echter blijvend.

Zowel bij mannen als bij vrouwen kunnen cytostatica veranderingen in de kwaliteit van de zaadcellen, de eicellen of de vrucht veroorzaken.

 

 

5.3. Beenmergtransplantatie

 

Door een hoge dosis chemotherapie (dit is een heel hoge dosering celdodende medicijnen, die over het algemeen in korte tijd wordt toegediend) wordt het beenmerg ernstig beschadigd of zelfs helemaal vernietigd. Bij leukemie is dit dan ook de bedoeling. Bloedcellen worden in en door het beenmerg geproduceerd, en met de vernietiging van het beenmerg probeert men het kwaad bij de wortel aan te pakken.

Zo een ernstige aantasting van het beenmerg brengt grote risico’s met zich mee:

-         een ernstige bloedarmoede door een tekort aan rode bloedcellen

-         een sterk verminderde afweer tegen infecties vanwege een groot gebrek aan witte bloedcellen

-         een zeer groot risico op bloedingen doordat er nauwelijks of geen bloedplaatjes in het bloed aanwezig zijn

Alle typen bloedcellen zijn dus van vitaal belang voor een goede lichamelijke conditie. Het komt erop neer dat een hoge dosis chemotherapie alleen maar gegeven kan worden wanneer er tegelijkertijd iets wordt gedaan om het beenmerg te beschermen. Dit gebeurt met behulp van een beenmerg- of stamceltransplantatie.

 

 

5.3.1. Beenmergtransplantatie: autoloog en allogeen

 

Bij een beenmergtransplantatie krijg je nieuw beenmerg toegediend. Na een tijdje gaat het lichaam dan weer zelf beenmerg aanmaken en van daaruit nieuwe bloedcellen. Het nieuwe beenmerg kan afkomstig zijn van jezelf: ‘autologe transplantatie’. Het kan ook van iemand anders zijn, een donor: ‘allogene transplantatie’.

 

5.3.1.1. Autologe transplantatie

 

Bij een autologe transplantatie (ook ‘reïnfusie’ genoemd) krijg je eerst een uitgebreide voorbehandeling met cytostatica, om ervoor te zorgen dat er zo weinig mogelijk kankercellen in je beenmerg zitten. Hierbij is het heel belangrijk hoeveel celdodende medicijnen je precies krijgt, er moeten namelijk zoveel mogelijk kankercellen vernietigd worden en het beenmerg moet zoveel mogelijk gespaard worden, want hiervan wordt een deel afgenomen om later terug te kunnen geven.

Na deze voorbehandeling wordt het beenmerg door middel van puncties uit het bekken of het borstbeen gehaald, meestal is dat ongeveer anderhalve liter. Om de puncties te kunnen uitvoeren worden er enkele botboringen uitgevoerd. Dit is heel pijnlijk dus gebeurt het meestal onder algemene narcose. Hierna word je behandeld met een hoge dosis chemotherapie en – eventueel –  met een totale lichaamsbestraling.

Na deze behandeling, krijg je met behulp van een infuus je beenmerg terug. De beenmergcellen weten zelf de weg naar het beenmerg te vinden en na een viertal weken is het tekort aan rode en witte bloedlichaampjes en bloedplaatjes weer aangevuld.

Dit lijkt een simpele behandeling maar dit is het zeker niet. Een autologe transplantatie is een hele zware ingreep die veel tijd in beslag neemt en die heel veel van je vergt, zowel lichamelijk en geestelijk.

Aan deze behandeling zijn een aantal risico’s verbonden. Eén ervan is dat het beenmerg, ondanks de behandeling met cytostatica nog niet helemaal ‘schoon’ is, met andere woorden dat er nog kankercellen inzitten. Deze worden mee getransplanteerd en zo loop je het risico dat ze weer gaan uitgroeien. Als de kans hierop groot is, gebruikt men liever het beenmerg van een donor en vindt er dus een allogene transplantatie plaats.

 

 

 

5.3.1.2. Allogene transplantatie

 

Een allogene transplantatie is een zware ingreep, maar niet zo belastend als een autonome transplantatie omdat er geen beenmergpuncties moeten uitgevoerd worden. Soms komt het voor dat het getransplanteerde beenmerg wordt afgestoten en niet tot ontwikkeling komt. Vaker komt het voor dat je lichaam het getransplanteerde beenmerg als vreemd herkent en daartegen reageert met afstoting.

Om die afstoting tegen te gaan, wordt er meestal gezocht naar een donor wiens beenmerg de grootst mogelijke overeenkomst met het jouwe vertoont. Vaak blijkt beenmerg van broers, zussen, ouders of familieleden het meest geschikt te zijn. Maar niet iedereen heeft familie die donor voor je willen zijn of van wie het beenmerg op dat van jou lijkt. In praktijk is er slechts voor een derde van alle patiënten die een beenmergtransplantatie nodig hebben, een geschikte verwante donor. Het grootste deel van de patiënten is dus aangewezen op beenmerg van een niet verwante donor.

Deze niet verwante donors worden opgespoord met behulp van een beenmergbank. Dit is geen plaats waar beenmerg bewaard wordt, maar een computer met daarin de gegevens met mensen die zich bereid hebben verklaard beenmerg af te staan. Dit zijn mensen die bloeddonor zijn of familieleden van patiënten die een beenmergtransplantatie ondergaan hebben.

 

Zowel bij een autologe als een allogene transplantatie moet er een periode van ongeveer 4 weken overbrugd worden waarin je conditie zeer slecht is en waarin je uiterst vatbaar bent voor infecties of andere ziektes. Dit komt doordat het ongeveer vier weken duurt voordat het beenmerg zich hersteld heeft. Vier weken lang produceer je dus nauwelijks of geen bloedcellen. Daarom moet je in die periode intensief en apart worden verpleegd.

 

Figuur 10: Dit is de manier waarop men het beenmerg 'oogst'

 

Figuur 11: Flesjes beenmerg kort na afname

 

 

Figuur 12: De manier waarop het beenmerg bewaard wordt

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

6. Psychische begeleiding

 

Dit hoofdstuk heeft vooral betrekking op kanker bij kinderen. Uit de ervaring van mijn ouders weet ik dat er bij mijn broer geen begeleiding heeft plaatsgevonden.

 

6.1. Het Kinderkankerfonds

 

Kinderkanker is een zeer ingrijpend gebeuren. Er is dan ook nood aan aangepaste materiële hulp, voldoende goedgetrainde en sterk geëngageerde mensen om de verschillende problemen te kunnen opvangen. De Belgische overheid heeft daar maar ten dele voor gezorgd: er worden onvoldoende middelen ter beschikking gezet om goede zorgen te kunnen verstrekken aan zieke kinderen en hun familie. Daarop wordt de overheid al vele jaren gewezen. In afwachting dat de overheid dit veranderd, wordt er uitgekeken naar andere mogelijkheden om aan middelen te geraken.

Het allereerste initiatief bestond uit een feest in de familiekring van één van de stichters. Aan genodigden werd gevraagd het bedrag dat voorzien was voor een geschenk over te schrijven op een rekening. Met dit bedrag werden geneesmiddelen betaald die niet door het ziekenfonds werden terugbetaald. Door dit succes werd besloten om een structuur op te zetten en een vereniging zonder winstoogmerk op te richten. Het Kinderkankerfonds werd een vzw in het jaar 1988.

De doelstellingen van het KKF[5] zijn: de sociale situatie van het betrokken kind en het gezin te verbeteren, de lichamelijke en geestelijke gezondheid van het kind met kanker te bevorderen en het wetenschappelijk kankeronderzoek te ondersteunen.

De ouders onthaalden het voorzichtige begin van het  KKF zeer enthousiast. Al van in het begin werden overal initiatieven genomen en kreeg de vereniging steeds meer middelen.

Sinds de oprichting hebben vele initiatieven ervoor gezorgd dat het lot van zieke kinderkankerpatiëntjes veel is verbeterd: materiële hulp gaande van telefoons, zetels, speelgoed, videobewaking, monitors, infuuspompen en dergelijke meer… maar ook financiële hulp ging naar ouders die de middelen niet hadden om hun kind de beste behandeling te geven.

Het KKF investeerde vooral veel in professionele hulp. De vzw geeft aan de     hospitalisatieafdeling de mogelijkheid om bijkomend personeel in te schakelen. Zo zijn er extra verpleegkundigen werkzaam op de afdeling en werd het KOESTER-project opgestart waarvoor ook 3 verpleegkundigen tewerkgesteld zijn.

Deze projecten zijn mogelijk geweest door de vele giften, steunacties en subsidies. Bijna 60% van de middelen wordt verzameld door de families. Daarnaast is er ook veel steun van de bevolking via acties als Kom op tegen Kanker (25%).

 

Figuur 13: Het logo van het Kinderkankerfonds

 

6.2. KOESTER

 

Een ernstig ziek kind heeft er ook behoefte aan om zoveel mogelijk thuis te zijn bij zijn ouders, broers en zusjes. Het kind verlangt er zeer erg naar om naar huis te gaan. Voor vele kinderen domineert dit verlangen dan ook. Met deze gedachte voor ogen werd thuiszorg voor kinderen met kanker het doel.

De thuiszorg werd geconcretiseerd in een project met de naam KOESTER, deze staat voor Kinder Oncologische Eenheid voor Specifieke Thuiszorg en Rehabilitatie.

Het eerste luik van KOESTER was de curatieve hulpverlening.

Een groot probleem hierbij was de overbrenging van deze zorg van het ziekenhuis naar huis. De overdracht van deze zorg moet snel en doelgericht kunnen gebeuren. “Zonder assistentie vanuit het kinderoncologisch team is dit niet haalbaar omdat enerzijds de thuiszorg nooit echt vertrouwd raakt met de problemen van een kind met kanker (gezien de zeldzaamheid van voorkomen), anderzijds omdat een ontslag uit het ziekenhuis dikwijls onverwacht gebeurt. Hier komt de brugfunctie van de persoon die én het ziekenhuis én de thuiszorg kent volop tot zijn recht.”[6]

Bij de behandeling van kinderen met kanker zijn er veel specifieke handelingen b.v. de meeste kinderen beschikken over een katheter waardoor er ook thuis medicatie wordt toegediend. Naast deze specifieke technische handelingen zijn er ook verpleegkundige handelingen zoals inspuitingen, wondverzorgingen,…

Het tweede luik van KOESTER is de palliatieve verzorging. Als de behandeling niet slaagt of als alle mogelijkheden uitgeprobeerd zijn en geen resultaat hebben, kan er in overleg met de ouders beslist worden om over te gaan op een ondersteunende therapie gericht op het comfort van het kind. De beide ouders worden betrokken bij alle beslissingen. Met goede informatie en hulp kunnen zij een aantal keuzes maken, b.v. de keuze om het kind in het ziekenhuis verder te laten verzorgen of naar huis te brengen. Hierbij worden de directe hulpverleners (de verplegers die hen telkens verzorgen, …) ingelicht en wordt er besproken wat zij kunnen doen. Als het kind naar huis gebracht wordt, wordt er tegelijkertijd naar gestreefd sociale steun voor het gezin te mobiliseren, zowel voor hulp tijdens de terminale fase als voor opvang erna.

De psychosociale zorgen van het kind, de ouders en zijn omgeving nemen ook een belangrijke plaats in in het project. De begeleidende activiteiten stoppen dus niet als het kind plotseling terug opgenomen wordt in het ziekenhuis.

De psycholoog en de sociaal verpleegkundige zorgen ook voor extra opvang naast het psychologische comfort dat de betrokkenen geboden wordt in de relatie met de arts en de verpleegkundige. Zowel thuis als in het ziekenhuis ligt de nadruk op het beter maken van de communicatie en de relatie tussen de gezinsleden. Het kind moet de kans krijgen om zijn gevoelens van angst, onmacht, … te verwoorden. Er wordt ook nagegaan of het kind nog wensen heeft die nog kunnen vervuld worden.

Na het overlijden houdt de organisatie nog contact met het gezin. Dit is zeer belangrijk voor het verloop van het rouwproces en het voorkomen van psychologische problemen bij de ouders, broertjes of zusjes.

KOESTER is een project dat is opgestart en gefinancierd door het kinderkankerfonds en in verbinding staat met de kinderkankerafdeling van het Universitair Ziekenhuis te Gent.

 

7. Begeleiding na het slagen van de medicatie

 

Nadat de patiënt definitief ontslaan is uit het ziekenhuis, wordt de patiënt om de zoveel tijd in het ziekenhuis verwacht voor een onderzoek. Eerst is dit wekelijks, dan om de maand, daarna om de twee maanden, en zo worden de perioden steeds langer. Nu moet mijn broer nog om het jaar op onderzoek gaan. De patiënt ondergaat een bloedonderzoek en verschillende andere onderzoeken. In de eerste 10 jaar nadat leukemie is vastgesteld, heeft de patiënt meer kans om terug leukemie te krijgen dan iemand die het nog nooit gehad heeft. Na 10 jaar hebben ze terug evenveel kans om de ziekte op te lopen als iemand die nooit leukemie gehad heeft.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

8. Slot

 

Ik ben heel blij dat ik mijn eindwerk over dit onderwerp gedaan heb. Ik heb er veel over bijgeleerd en dit was de bedoeling. Het was zeer interessant om het fijne te weten over de behandelingen. Ik heb het wel soms moeilijk gehad om bepaalde onderwerpen te kunnen uitleggen, zoals het hoofdstuk van de symptomen. Dit was een onderwerp waar eigenlijk niet zo veel over te vertellen viel, ik kon ze enkel opsommen en meer niet… Het hoofdstuk over de behandelingen was ook zeer zwaar, vooral de benamingen waren niet gemakkelijk, maar ik ben blij dat ik me erdoor geworsteld heb.

Ik hoop dat er vlug een remedie komt om deze ziekte te voorkomen. Er sterven toch nog steeds veel mensen aan deze aandoening, ook al zijn er behandelingen.

Ik heb zeker geen spijt van mijn keuze en ik hoop dat dit voor mijn promotor ook geen slechte ervaring was.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

                                                Literatuurlijst                                               

 

Boeken:

 

HAGENS, H., e.a., Over Kanker. 1ste druk, Contact, 1997.

 

KOTHARI, M.L., e.a., Kanker: Fabels en Feiten. 1ste druk, Het Wereldvenster Bussum, 1981, 158 blz.

 

LAMBLEY, P., De Psychologie van Kanker. 1ste druk, Baarn, De Kern, 1988, 208 blz.

 

STEENKAMP, F., Hoe voorkomen wij kanker? : de persoonlijke en maatschappelijke mogelijkheden van kankerpreventie. 1ste druk, Amsterdam, SUA, 1985, 157 blz.

 

NAGELS, L., e.a., Grote Nederlandse Larousse Encyclopedie. Medische Encyclopedie, Hasselt, Heideland-Orbis en ’s-Gravenhage, Scheltens & Giltay, 1983.

 

Internet:

 

http://www.kankerbestrijding.nl

http://www.diagnose-kanker.nl

http://www.vermoeidheid.be

http://www.gezondheidsplein.nl

http://www.cancer.gov/cancerinfo/wyntk/leukemia

 

 

 



[1] Uit de folder ‘Kind en Kanker’: een document voor studenten van het middelbaar onderwijs.

[2] ‘Over Kanker’ door Hetty Hagens, Golida Donner, Kitty van Leuven-Zwart, e.a. Uitgeverij CONTACT, gedrukt in 1997.

[3] De straling die niet in het lichaam dringt en die dus in de kamer aanwezig is. Deze straling kan in andere personen dringen en dit is niet aan te raden.

[4] ‘Over Kanker’ door Hetty Hagens, Golida Donner, Kitty van Leuven-Zwart, e.a. Uitgeverij CONTACT, gedrukt in 1997.

[5] Het Kinderkankerfonds.

[6] Uit de folder ‘Kind en Kanker’: een document voor studenten van het middelbaar onderwijs.

Hosted by www.Geocities.ws

1