
Griekse Mythologie
In het begin was er niets. De wereld werd beheerst door de vormeloze god Chaos. Choas deelde de troon met zijn vrouw, de godin van de duisternis, Nyx (of Nox). Zij brachten een zoon voort, Erebos de god van de duisternis. Op een gegevn moment werd Choas van zijn troon geworpen door zijn zoon. Erebos huwde met zijn moeder en samen heersten zij over de wereld. Ze kregen samen twee kinderen, Aether (god van het licht) en Hemera (godin van de dag). Samen namen zij de macht over de wereld over van hun ouders. Toen zij de heerschappij in handen hadden, werd er licht geworpen op de vormeloze ruimte van de choas. Zij vormden samen met hun kinderen Eros (de Liefde), Gaia (de Aarde) en de Zee (Pontos).
De aarde was nog kaal en bewegingloos. Door Eros' levenswekkende pijlen begon de wereld te leven. Planten, bomen, bossen en wouden bedekte de aarde, ook ontstonden er allerlei diersoorten. Vogels bevolkte de lucht, vissen de wateren.
Gaia bracht Ouranos (de hemel) voort. Samen met Ouranos nam zij de macht over van Aether en Gaia. Zij kregen twaalf reuzenkinderen, de titanen. Uit de verbinding van de Aarde met de Hemel ontstonden de titanen (zes zonen:Okeanos, Japetos, Koios, Krios, Hyperion en Kronos en zes dochters: Tethys, Rheia, Ilia, Mnenmosyne, Phoibe en Themis), drie cyclopen (Brontes (de Donderaar), Steropes (de Bliksem) en Arges (de Lichtende)) en de drie hekatoncheiren (honderdarmige reuzen). De reuzenkinderen werden zo sterk dan Ouranus bang van zijn kinderen werd en liet hen vastketenen in de Tartaros (de donkere afgrond onder de aarde).
Gaia was het niet met haar gemaal eens en daalde af naar de Tartaros om haar kinderen aan te zetten om in opstand te komen tegen hun vader. Kronos(bij de Romeinen Saturnus) , de jongste van de titanen, was hiertoe het meest bereid. Zij verloste hem van zijn ketenen en gaf hem een scherpe zeis waarmee hij zijn vader aanviel en overwon. Uit de bloeddruppels van de gewonde Ouranos die op de grond vielen, ontstonden de erinyen (furiën, wraakgodinnen), de vreselijke giganten (reuzen) en de Melische nimfen, die zowel zegen als vloek brachten. Als goede geesten waken ze over de kudden en de vruchtbomen, als kwade zijn ze de godheden van moord, wraak en vloek. Ouranus sprak voor zijn teloorgang een vloek over Kronos uit, dat ook Kronos het zelfde lot zou ondergaan als Ouranos en dat hij ook door zijn kinderen zou worden overwonnen.
Nadat Kronos zijn broers uit de Tartaros had bevrijd en zich meester had gemaakt van de heerschappij, trouwde hij met Rheia, die hem drie dochters schonk: Hestia, Demeter en Hera, en twee zonen: Hades en Poseidon. Maar Kronos, die bang was dat zijn kinderen hem hetzelfde zouden aandoen als wat hij zijn vader had aangedaan, verslond hen zodra ze geboren waren. Daarom ging Rheia, toen ze op het punt stond aan,.een derde zoon het leven te schenken, op aanraden van haar ouders Gaia en Ouranos naar het eiland Kreta, waar ze in een donkere grot haar zoon Zeus (bij de Romeinen Jupiter) ter wereld bracht en verborg. Aan Kronos gaf ze, in plaats van het pasgeboren kind, een in doeken gewikkelde steen, die hij onmiddellijk verslond.
Intussen groeide Zeus in zijn schuilplaats op de berg Ida en beschermd door de Melische nimfen voorspoedig op. Hij werd gevoed door de geit Amalthea. Toen Kronos ontdekte dat zijn zoon nog leefde, was het te laat. Na een korte doch hevige strijd werd hij door Zeus verslagen. Hiermee werd hij de opperheerser. Metis, een dochter van Okeanos en Tethys, had hem een braakmiddel gebrauwd, dat Kronos te drinken kreeg. Alle kinderen die Kronos had verslonden, kwamen stuk voor stuk weer te voorschijn. Toen begon Zeus met zijn broers en zussen een strijd tegen Kronos en de titanen. Zeus en de zijnen waren gelegerd op de berg Olympus in Thessalië; Kronos en de titanen lagen op de berg Othrys. Zeus werd nog geholpen door de cyclopen en de hekatoncheiren, die door Kronos naar het onderaardse waren verbannen, maar door Zeus waren bevrijd. Met behulp van de door de cyclonen gesmede bliksemschichten overwonnen de Olympiërs. Zeus wierp de titanen geboeid in de Tartaros, waar ze door de Poseidon bewaakt werden.
Hoog op de top van de Olympus stonden de door Hephaistos gebouwde godenpaleizen. Daar viel regen noch sneeuw, daar waaide geen wind. Alle goden hadden toegang tot de Olympus, maar ze hadden daar niet allemaal een blijvende woonplaats. De drie broers Zeus, Poseidon en Hades hadden de wereldheerschappij verdeeld. Zeus, die tevens de koning van alle goden was, had de hemel tot zijn bijzondere gebied genomen, Poseidon de zee en Hades de onderwereld. De aarde was hun gemeenschappelijk bezit, maar stond eigenlijk onder de bijzondere bescherming en heerschappij van hun zus Demeter. Door dit alles ontstonden drie grote godengroepen:
1. De goden van de hemel: Zeus, Hera (zijn zus en echtgenote) en Hestia (zijn zus), evenals Zeus' kinderen: Athena, Hephaistos, Apollo, Artemis, Ares, Aphrodite, Hermes en enkele mindere goden zoals Helios, Selene, Themis en Iris.
2. De goden van de wateren: Poseidon, Amphitrite (zijn vrouw), Triton, Okeanos, Nereus, enzovoort.
3. De goden van de onderwereld en de aarde: Hades, Persephone (zijn vrouw), Demeter, Dionysos.
De Olympus reikt met zijn viertoppige kruin tot in de hemel, zodat 'hemel' en 'Olympus' vaak in dezelfde betekenis gebruikt worden. Het hemelgewelf, gedragen door Atlas, een afstammeling van Japetos, verheft zich boven de aardschijf en langs dat gewelf gaan elke dag de zon en alle sterren op en neer. De aardschijf wordt omgeven door de geweldige wereldstroom Okeanos, de vader van alle wateren. In het binnenste van de aarde is het dodenrijk, dat naar zijn heerser ook wel Hades wordt genoemd. Onder de aarde welft zich de duistere Tartaros, waar de titanen met ijzeren ketenen geboeid liggen, en aan de uiterst westelijke rand van de aarde, aan de verste oever van de wereldstroom, liggen de Eilanden der Gelukzaligen oftewel het Elysium. Maar de Tartaros en Elysium worden ook wel voorgesteld als delen van de Hades. Het ene is de verschrikkelijke verblijfplaats van de misdadigers die boete moeten doen, het andere de lieflijke woonstede van de goden na hun dood.
De hemel en de aarde waren geschapen. De wereld was weelderig begroeid en wemelde van de dieren. Maar het ontbrak de schepping nog aan een wezen dat de onsterfelijke ziel kon huisvesten en die door die onsterfelijke geest de aarde kon beheersen. Prometheus, een nakomeling van Kronos, kneedde uit het stof der aarde dat hij nat had gemaakt met water uit de vloed een gestalte naar het evenbeeld van de goden. Om de gestalten van klei levend te maken, nam hij van de dieren enkele eigenschappen die hij bij zijn creatie in de borst legde. Pallas Athene blies de halflevende wezens de goddelijke adem in, zodat de eerste mensen ontstonden. Prometheus leerde de mens alles wat ze moesten weten.
Intussen had Zeus de heerschappij over de wereld overgenomen. De nieuwe heersers wilde het mensengeslacht wel beschermen in ruil voor offers en eerbewijzen. Prometheus vertegenwoordigde de mens en zorgde ervoor dat de goden zich hun bescherming niet te duur lieten betalen. Maar Prometheus bedroog de goden. Zeus wilde de mens straffen door hen de laatste gave te onthouden die ze nodig hadden om volledig beschaafde wezens te worden: de kunst van het vuur. Maar Prometheus wist toch aan het vuur te komen door dit met een droge rietstengen te stelen van de gloeiende wagen van Helios de zonnegod toen deze bij dageraad aan het firmament verscheen. Met deze rietstengen ontstak hij op aan een hoop droog hout waarmee de mensheid kennis maakte met het vuur. Dit ergerde Zeus, want nu de mens vuur had, kon de mens niet meer gestraft worden voor het bedrog van Prometheus. De goden creëerden een onweerstaanbaar mooie vrouw, Pandora. Pandora trouwde met de broer van Prometheus, Epimetheus. Als geschenk van de goden kregen ze een wonder mooie pot die was afgesloten met een deksel. Hen werd verboden in de pot te kijken. Uit de pot kwamen allerlei vreemde geluiden. De nieuwsgierigheid werd de twee te veel en het deksel werd van de pot gehaald. Een zwerm onheil verspreidde zich razend snel over de aarde. De ellende vulde op allerlei manieren de aarde, het water en de lucht. Alleen hoop bleef nog in de pot achter. De ellende dreef de mensen tot wanhoop, de dood die eerst langzaam en pijnloos was, sloeg nu pijnlijk, snel en meedogenloos toe. Pandora en Epimitheus, de aanstichters van de ellende, hoorde regelmatig nog een zwak geluid uit de pot komen, iets dat om bevrijding smeekte en beterschap beloofde. Bang voor wat hun de vorige keer was overkomen toen de pot werd opengemaakt, weerhield hen er lange tijd van de pot voor de tweede maal te openen. Maar toen hij voor de tweede keer werd geopend, vloog de hoop, met zijn sneeuwwitte vleugels, over de mensheid heen en verzachtte de pijn en wonden van de mensen.
Prometheus zelf werd aan een rotswand in het Kaukasos-gebergte vastgeketend, vlak boven een enorme afgrond. Zeus stuurde een adelaar op hem af die zich voedde met de lever van Prometheus. Hij heeft dertigduizend jaar aan de rotswand gehangen, tot hij door Heracles werd verlost.