
Genesis
Volgens het Christelijk en Joodse geloof is de aarde en alles wat er op leeft in zes dagen geschapen door een opperwezen, zoals staat beschreven in Genesis:
In den beginne was er niets. Toen schiep God de hemel en de aarde. De aarde nog was woest en ledig, en duisternis was op den afgrond. En God zei: Het zal licht worden! en aldus geschiedde. En God zag dat het goed was. God maakte scheiding tussen het licht en tussen de duisternis. Het licht noemde Hij dag, en de duisternis nacht. De volgende dag zei God: Er zal een uitspansel zijn in het midden der wateren, wat de wateren zal scheiden! En God maakte dat uitspansel, wat een scheiding maakte tussen de wateren van onder het uitspansel zijn, en tussen de wateren, van erboven. En God noemde het uitspansel hemel. En aldus geschiedde op de tweede dag. God sprak op de derde dag: de wateren van onder de hemel zullen bijeengebracht worden zodat het droge gezien zal worden! En God noemde het droge aarde, en de vergadering der wateren noemde Hij zeeën. God bedekte de aarde gras, planten en bomen. Hij zag dat her goed was. Op de vierde dag zei God: Er zullen lichten zijn aan de hemel, die scheiding te maken tussen dag en tussen nacht; welke tekenen zullen zijn tot gezette tijden, en tot dagen en jaren! En dat deze lichten de aarde mogen verlichten! En het was alzo. God dan maakte die twee grote lichten; dat grote licht tot heerschappij van de dag, de zon, en dat kleine licht tot heerschappij van de nacht, de maan met de sterren. En God zag dat het goed was. God sprak op de vijfde dag: De wateren zullen overvloedig gevuld worden met een gewemel van levende zielen; en vogels zullen boven de aarde vliegen! En God schiep de grote walvissen, en alle levende zielen, welke de wateren overvloedig voortbrachten, en al het gevleugeld gevogelte van de aarde. En God zag dat het goed was. God zegende ze, en zei: Wees vruchtbaar, en vermenigvuldigt. Op de zesde dag zei God: De aarde zal levende zielen voortbrengen! En het was alzo. En God maakte het wild gedierte der aarde naar zijn aard, en het vee naar zijn aard, en al het kruipende gedierte van de aardbodems. En God zag, dat het goed was. En God zei: Laat Ons mensen maken, naar Ons beeld, naar Onze gelijkenis; en dat zij heerschappij hebben over de vissen der zee, en over het gevogelte van de hemel, en over het vee, en over de gehele aarde, en over al het kruipend gedierte, dat op de aarde kruipt. En God schiep den mens naar Zijn beeld; naar het beeld van God schiep Hij hem uit het stof der aarde, en in zijn neusgaten geblazen de adem des levens; alzo werd de mens tot een levende ziel; man en vrouw schiep Hij ze. En God zegende hen, en God zei tot hen: Wees vruchtbaar, en vermenigvuldigt u, en vervult de aarde, en onderwerpt haar, en hebt heerschappij over de vissen der zee, en over het gevogelte, en over al het gedierte, dat op de aarde kruipt! En het was alzo. En God zag al wat Hij gemaakt had, en ziet, het was zeer goed.
Nu, op de zevende dag had God Zijn werk volbracht, op de zevende dag heeft Hij gerust van al Zijn werk, dat Hij gemaakt had. En God zegende de zevende dag, en die geheiligd.
Dit zijn de geboorten van de hemel en de aarde met alles wat deze bevolkt, zoals zij geschapen door de Heere God.
Voor gelovigen is alles wat men in de bijbel of thora leest waar. Maar er waren ook zaken waar de bijbel geen verklaring voor geeft.
Met fossielen bijvoorbeeld wist de kerk in eerste instantie geen raad, want immers dier- en plantensoorten werden volmaakt geschapen en wat volmaakt is sterft niet uit. Maar de kerk zou de kerk niet zijn als er hier geen Christelijke verklaring voor kon worden gevonden: Fossiele organismen waren versteende resten van de levende organismen, als er fossielen waren die niet van gekende dieren of planten afkomstig konden zijn, dan moesten die dier- en plantensoorten nog ontdekt worden. Als die niet gevonden zouden worden, zo redeneerde men, dan waren de fossielen spelingen van de natuur of misbaksels die tijdens de schepping waren afgekeurd. Een andere verklaring was dat de fossielen resten overblijfselen waren van soorten van voor de zondvloed en dat zij op een of andere manier mee hadden gekund op de ark van Noa. Echter uit nadere bestudering van de aardlagen bleek dat er wel zeven verschillende zondvloeden zouden moeten zijn geweest om de verschillende lagen met fossielen vondsten te kunnen verklaren, dit terwijl er in de bijbel maar een wordt vernoemd.