Voorwoord, of ‘Last time on ‘Het grote vakantieboek’’

 

Lieve mensen,

 

Voor degenen die het nog niet wisten: afgelopen zomervakantie heb ik drie grote vakantieboeken in elkaar geflanst, de een wat groter dan de ander. Het begon als een geintje maar is uitgegroeid tot iets bloedserieus.

 

In het eerste grote vakantieboek, ‘het grote vakantieboek’, werden de belangrijkste personages geïntroduceerd: de dwerg Leor, de reus Retuow, de tovenaar Reigor, de prins Mot, de prinsessen Aramat [wie?] en Elleinad en last but not least de god Melliw. Er zat geloof ik niet veel verhaal in verder.

Het tweede grote vakantieboek, ‘het grote vakantieboek deel twee, Leor & Retuow do America’ ging over de spannende avonturen van Leor, Retuow en Elleinad in het land Amerika. En natuurlijk speelde Melliw hier een vitale rol in.

De creatieve drang was niet te stuiten: er volgde een derde vakantieboek: ‘Het grote vakantieboek deel 3: Elleinad Strikes Back’.  Dit hebben niet veel mensen gelezen – dit in tegenstelling tot de eerste twee boeken die een miljoenenpubliek genieten- dus zal ik het plot even uit de doeken doen. Elleinad komt terug naar het sprookjesbos maar stort neer op een onbewoond eiland. Ze raakt haar geheugen kwijt en helpt Melliw, die haar ging zoeken, de kwade godin Njimelliw tegenhouden. En ze leefden nog lang en gelukkig. NOT! Tenminste, dat zullen we nu zien in een verhaal vol spanning, hartstocht en avontuur.

 

En dan nog even dit: GEEN ENKELE persoon in dit verhaal is gebaseerd op mensen die ik persoonlijk ken. Wel is het weliswaar waar dat als je de namen van de hoofdrolspelers omdraait namen krijgt van mensen die ik ken, maar dat is meer omdat ik te belazerd ben om zelf namen te bedenken. En ook de gebeurtenissen zijn zomaar uit de lucht gevallen. Mocht je toch iemand of iets menen te herkennen en je daardoor gekwetst voelen dan is dat je eigen schuld. Maar laat het me wel even weten, want dat vind ik wel lachen. Dit is fictie, enkel en alleen geschreven ter vermaak van iedereen maar vooral mijzelf.

 

En dan nog iets: in het verleden zijn bepaalde dingen die ik geschreven heb min of meer uitgekomen. Dit was niet de bedoeling en nu ook niet. Maar voor de zekerheid: Willem wint de oudejaarsstaatsloterij. [En ik heb geeneens een lot.]

 

Oh en dan nóg iets: een wijze man heeft eens gezegd dat hoe meer hij iemand beledigde, hoe na-er diegene hem aan het hart lag. De hufter.

 


Er was eens een sprookje. In dat sprookje vierde men in het sprookjesbos elke winter een groot feest. Een officiële naam had het nooit gehad, het was van het 'Verlichte-Bomen-Feest' naar Hogswatch naar Festivus gegaan, maar dit jaar noemde iedereen het Kerstmis. Niemand wist waarom. En ieder jaar deelde Melliw ’s nachts cadeautjes uit aan alle bewoners van het bos. Alleen als ze een liedje voor hem zongen natuurlijk. Al maanden voor het feest plaats zou vinden was Melliw altijd al druk in de weer met de voorbereidingen. Alle winkels liep hij af om voor iedereen een presentje te vinden dat echt bij ze paste. Maar dit jaar lag zijn hart er niet in. Drie dagen voor Kerstmis had hij nog niets in huis. Hij had geen inspiratie, miste zijn muze. Oh, hij wilde haar bellen, haar stem even horen. Maar hij deed het niet. Zij hoorde nu bij Retuow, als ze hem wilde spreken moest zij het initiatief nemen. Hij wilde zich niet opdringen, geen derde wiel zijn. Maar telkens als zij zijn gedachten doorspookte, kromp zijn hart ineen, wetend dat het niet zo mocht zijn. Langzaam veranderde hij, verhardde hij. Onverschilligheid en kilte.

 

Na die ene ontmoeting wilde ze hem niet zien. Ze wilde hem niet meer spreken. Ze wilde hem vergeten, zich weer helemaal op Retuow richten. Maar wilde is moeilijk te temmen. In elk onbewaakt moment dwaalde haar gedachten weer af naar Melliw. Ze hadden iets speciaals gedeeld. Maar ze hield van Retuow. Zet het uit je hoofd. Uit het oog, uit het hart. -zucht-

 

Hij gunde hen de rust, ze hadden elkaar al zo lang niet gezien. Maar het was nu drie maanden na de eerste, na de enige ontmoeting, en nog steeds had hij niets van haar gehoord. Maar goed, hij had ook niets van zich laten horen. Hij had geen idee wat zich nu in haar leven afspeelde, zijn enige informatiebron was Retuow en die sprak hij ook niet zo vaak meer. Hij richtte zijn aandacht op andere dingen, maar soms werd hij midden in de nacht wakker met een onbestemd gevoel en voelde hij zich leeg.

 

Hij lag op bed, staarde naar het plafond. Opeens ging er een koude rilling door zijn ruggengraat. De klok sloeg. Eenmaal. Tweemaal. Driemaal. Viermaal. Vijfmaal. Zesmaal. Zevenmaal. Achtmaal. Acht uur en hij lag al in bed? Hij stond weer op.

 

Chat chat chat. Chat chat. Die had hij al gehad. Die had hij al gehad. Die. Die. Ja, die ook. Hij had meer ex-en dan een sexshop. Een koude rilling ging door zijn ruggengraat. Piep-piep. Zijn horloge. Acht uur alweer. Keilaat. De maan scheen door de bomen.

 

Na een lange dag werken zeeg ze uitgeput op de bank neer. Ze had geen zin, fut en puf om te koken, ze zou wel een pizza bellen. Een koude rilling ging door haar ruggengraat. De grote klok sloeg acht keer.

 

Er werd aan de deur geklopt. Hard geklopt. Zacht geklopt. Wie zou dat zijn? Een beetje ongerust deed Melliw de deur open [hij had toch niets beters te doen]. AAAHHHH! Hij gooide de deur dicht. Kon het zo zijn? Nee man dat kan toch niet. ”Oh jawel”, zei Njimelliw.

Melliw herstelde zich. “Je euh… je ziet wat bleek. En een beetje doorzichtig. Correct me if I’m wrong, maar was je niet dood?” “Ik ben een geest.” “Klopte jij net aan de deur?” ”Ja” “Oh, dus je bent een klopgeest.” “Genoeg flauwe geintjes. Je weet hoe ik me tijdens mijn leven gedragen heb nadat je me afwees. De haat groeide elke dag, er was geen plaats meer voor liefde in mijn hart. Verbittering vrat aan mijn ziel. Maar in het hiernamaals heb ik geleerd dat dit niet de juiste manier van leven is. Ik kom je waarschuwen: Pazzzoppe, vandaag zullen 3 geesten je bezoeken.” “Inclusief jijzelf?” “Ok, 4 geesten. Zij zullen je leren wat de ware betekenis van Kerstmis is. Verwacht de eerste geest-“ “Tweede geest” “-Tweede geest als de klok 12 slaat…” En ze verdween. ”Potverdorie, moet ik nog vier uur wachten. Nou ja, kan ik mooi 2 keer Spaceballs kijken.” Zo gezegd, zo gedaan.

 

Daar ging de deurbel. Zo, die pizzakoerier was snel. Het leek of ze hem pas een minuut geleden gebeld had. Ze deed de deur open. AAAHHHH! Ze gooide de deur dicht. Kon het zo zijn? Nee dat kan toch niet. ”Oh jawel”, zei Njimelliw. “Je ziet wat bleek. En een beetje doorzichtig. Correct me if I’m wrong, maar was je niet dood?” “Ik ben een geest.” “Belde jij net aan?” ”Ja” “Oh, dus je bent een belgeest.” “Dat slaat nergens op. Om maar meteen met de deur in huis te vallen: ik kom je een lesje leren.” Elleinad stak haar vuisten gebald op. “Kom maar op,” zei ze uitdagend. “Catfight!” Meow. En ze haalde uit. Njimelliw deed een stap achteruit. ”Nee Elleinad. Een geestelijk lesje. Ik kom je waarschuwen, pazzzoppe, en helpen. Ik kon mijn lot niet accepteren, op het gebied van de liefde. Al wist ik dat het over was tussen mij en Melliw, dat het niet zo kon zijn, toch wilde ik het niet aanvaarden. Ik zal je leren dat het geen zin heeft om in te zitten over wat zou kunnen zijn of zou kunnen zijn geweest.” “Pff kan dat morgen niet of zo? Ik heb net een hele dag gewerkt!” ”Nee, dat moet nu.” “Maareuh… Ik moet naar een begrafenis! Kan ik echt niet afzeggen!” “Nee. Het is de avond voor Kerstmis. Vanavond kan ik mijn vleugels krijgen als ik deze missie tot een goede afloop breng. Kom met me mee.”

 

Hij hoorde een zacht gefluit. Toen hij richting keuken liep werd het harder. Hij tilde de fluitketel van het gasfornuis. Zo, dat is een keigoed wapen. Het gefluit werd harder. Op de bank zat een man te fluiten op zijn fluit. “Ah, daar kwam dat gefluit natuurlijk vandaan”, dacht Mot. En terecht. In een vloeiende beweging haalde hij uit met zijn ketel. In plaats van de verwachte doffe klap en de hierop volgende bloed- en hersenspetters op de muur vloog het geïmproviseerde wapen dwars door het hoofd van de indringer en uit de hand van Mot, recht tegen de spiegel aan. In duizend stukken sprongen de glasscherven door de kamer.

 

“Dat was wel erg dom,

Riekt naar vandalisme

Ja naar vandalisme

Spiegel is nu stuk

En het is dus dubbel zonde,

want het brengt ongeluk”

 

Kon het zo zijn? Nee man dat kan toch niet. “Oh jawel” zei Marb de minstreel. “Je ziet wat bleek. En een beetje doorzichtig. Correct me if I’m wrong, maar was je niet dood?” “Ik ben een geest.” “Floot jij net op je fluit?” ”Ja” “Oh, dus je bent een fluitgeest.” “Die snap ik niet. Ik kom je hulp inroepen. Het is morgen Kerstmis, maar Melliw heeft nog geen cadeautjes gekocht en gaat ze ook niet uitdelen vannacht. Het is aan jou om zijn plaats in te nemen en ervoor te zorgen dat iedereen toch krijgt waar hij recht op heeft morgen.” “Oh, maar dan mag ik wel een lijst maken. En die twee keer nakijken. Ik moet erachter komen wie er keistout en wie er keilief geweest is. Al heb ik wel een aardig idee daarover. Hoe deed Melliw dat eigenlijk altijd?” “Die ging in een winkelcentrum staan met een krant met twee gaten erin voor zijn hoofd om de mensen ongemerkt te kunnen bekijken,“ zei Marb. “Ik noemde dat altijd ‘Observational humour’.” Maar Mot ratelde door: “En ik moet andere kleren aantrekken, deze rood-witte zijn kei-1999.” “Geen tijd voor. Ik ben een geest, heb geen stoffelijk lichaam. Dus kan ik je niet helpen. Maar ik kan je wel een hulplijn aanbieden. Wil je hulp van het publiek, de fifty/fifty of een vriend bellen?” “Nou ja, ik bel Reigor wel.” “Weet je het zeker? Speel je voor dat antwoord?” Mot sloeg hem knock-out, en dat is best knap als je bedenkt dat Marb een geest was zonder stoffelijk lichaam.

 

Het naderde 12 uur. “Nou, het zal mij benieuwen” dacht hij terwijl de melodieuze tonen van de muziek die de aftiteling van de film begeleiden wegstierven op zijn trommelvliezen. Tik-tak-tik-tak zei zijn digitale klok. “He dat is gek”, dacht Melliw. “Een pratende klok.” “De klok sprak niet, dat was ik, of liever gezegd mijn buik. Ik ben een volleerd buikspreker, in te huren voor al uw feesten en partijen.” zei een stem achter hem. Langzaam draaide Melliw zich om. Hij zag niemand. “O…K… en wie ben jij dan wel? Toon uzelf!” “Ik? Niwla, ja Niwla is hier, Niwla, man van plezier, Niwla meer mens dan dier, Hier is Niwla. Niwla, charmant en eerlijk, Niwla,…” “Dat kan niet, charmant én eerlijk.” Melliw keek omlaag. “Niwla de kabouter. Dus jij bent het eerste spook? Nog steeds zo geestig merk ik. Zeg, sorry dat ik toen op je ben staan hè.” “Maakt niet uit. Ik kom je laten zien hoe mooi het rond deze tijd vroeger was. Ik neem je mee naar vroeger tijden. Ik zal oude tijden doen herleven. Niwla de Niwla de Niwla. Door taferelen op te rakelen in je geheugen, zul je de ware betekenis van Kerstmis weer zien.” “Dat is allemaal goed en wel, maar hoe doe je dat dan?” “Dat zal ik je vertellen.” “Nou, zal dat dan.” “Ik kruip je oor binnen en dan wurm ik je langs het hamer en aambeeld, tot ik bij je hersenen ben. Daar kijk ik eens rond wat voor warme herinneringen je hebt aan Kerstmis. En dan laat ik je ze nog eens beleven, virtual reality als het ware. En dan krijg jij weer warme gevoelens en kan ik weer naar mijn kabouterhuisje. Niwla de Niwla de Niwla.” “Jij kruipt mijn oor in en geeft me warme gevoelens? Dat zal alleen lukken als je een plasje doet in mijn cerebellum vrees ik. Maar goed, spring erin. Ik ben een en al oor.” Zo gezegd, zo gedaan.

 

Niwla dwaalde door de vochtige gangen. Na een moedige strijd met een zwerm oorwurmen bereikte hij de temporal lobe. Van hieruit ging hij naar het limbisch systeem, naar de hippocampus. Stel je voor: rijen televisies, zover het oog reikt. En op elk scherm een andere herinnering. Al snel vond Niwla de centrale processor. Hij voerde een zoekopdracht uit naar Kerstmis en alle andere benamingen van het winterfeest die hij zich kon herinneren. Duizenden resultaten speelden op zijn netvlies. “Ah, deze ziet er interessant uit. Loaten veer ut veer beleiven.”

 

Reigor en Mot hadden Marb thuis achtergelaten. Ze besloten dat ze eerst maar een cadeaux moesten gaan uitzoeken. Maar alle winkels waren dicht. Gelukkig hadden Mot en Reigor twee rechterhanden. Dus na een uurtje timmeren en lassen [dat was nog best lastig] hadden ze een machine gemaakt waarmee ze papier konden maken. En op dat papier schreven ze lijstjes. Maar ze konden niets bedenken. “Wat wil jij?” “Ik wil een nijlpaard voor Kerstmis. Alleen een nijlpaard is goed genoeg. Geen krokodillen, of rhinocerossessessen, ik wil alleen nijlpaarden.” “Oh. Ik wil vrede op aarde en in de mensen een welbehagen. En Risk.” “Ja. Dat is ook leuk. Zullen we maar gewoon wat dingen zoeken en die dan willekeurig uitdelen?” “Jow is goed.” Zo gezegd zo gedaan.

 

Melliw en Niwla stonden voor een huis dat behangen was met lampjes. Het was nacht, donker. Een gezin stond voor het huis, vader, moeder, twee kinderen, grootouders. De vader deed een stap naar voren. Tromgeroffel. Hij stak een stekker in een verlengsnoer. Niks. “En, verwarmt je hart al een beetje bij deze mooie herinnering?” “Uhm, Niwla…” “Nee, wacht even. Ik spoel even door.” De mensen liepen naar binnen, weer naar buiten, naar binnen, weer naar buiten in een versneld tempo. Niwla drukte op een knopje en de tijd verstreek weer normaal. Weer stak de man de stekker in het verlengsnoer. Een oogverblindend licht vervulde de straat. Engelengezang weerklonk. Het was het mooist verlichte huis in de wereld. Niwla pinkte een traantje weg. “Ontroerend, niet? Voel je al wat komen?” “Niwla?” “Ja Melliw?” “Dit heb ik niet meegemaakt. Dit heb ik in een film gezien.” “Ah. Mmm. Oh. Ok, wacht even, ben zo terug.” De achtergrond vervaagde. Eventjes bevond Melliw zich in het niets, een witheid die hij nog nooit beleefd had. Het enige wat hij hoorde was het kloppen van zijn hart. Een moment later stond hij op de hondenrenbaan. “Zo, dat is beter. Dit is een prima moment. Weet je nog? Je vergokte het geld voor de cadeautjes en toen vond je toch nog een presentje: de hond die laatste werd in de race, de hond waarop jij al het geld gezet had. Ironisch, niet? Het lot zorgde ervoor dat alles toch nog goed kwam. Prachtig.” “Ja, dat is alleen weer niet echt gebeurd. Dat euh, dat was een televisieprogramma.” Niwla zuchtte geïrriteerd. “Niwla de Niwla de Niwla. Zo terug.” Weer die witheid. “He”, dacht Melliw, “de kleur van het oneindige is blijkbaar wit. Mooi dat is ook weer opgelost.” Vrolijk klapte hij wat met een hand.

 

“Om je duidelijk te maken dat je je niet druk moet maken over wat had kunnen zijn, zal ik je de keuze geven welke van de volgende parallelle realiteiten je wilt beleven voor één dag.” “Parawatte reahoeten?” “Parallelle realiteiten. Alternate universes? Houd het maar op “Wat had kunnen zijn”.” “Ok, kom maar op.” “Goed. A) Het universum waar je niet met Retuow maar met Melliw verkeert. B) Het universum waar niet Anthony Hopkins maar Pompy de Robodoll de hoofdrol speelde in Silence of the Lambs. C) Het universum waar je in Las Vegas met Leor trouwde. D) Het universum waar Leor en Retuow in Las Vegas trouwden. E) Het universum waar deze wereld niet bestaat, maar dit alles slechts een verzinsel is van een of andere idioot met te veel tijd en te weinig liefde. F) Het universum waar het sprookjesbos niet een gematigd zeeklimaat maar een landklimaat heeft, waardoor de productie van strokarton in Negninorg-Tsoo zware problemen kreeg. G) Het universum waar je niet met Leor maar met Mot gechat had, die dag van de eerste ontmoeting. H) Het universum waar Nesap en Neretsknip op een dag vallen. I) Het universum waar iedereen nog meer van Melliw houdt dan nu [en terecht], of J) Het universum waar je Leor nooit tegen-, en daardoor ook niet in contact met Retuow, Melliw en de hele mikmak gekomen bent.” “Moet ik daaruit kiezen? Jee, dat is makkelijk!” Njimelliw knipte met haar vingers. Een flits verlichtte de kamer. Er leek niet veel veranderd, een vaas was verplaatst. “Goed, J wordt het. Je zal alles kunnen zien en horen, niemand zal van ons ook maar iets merken.” “Nee! Nee nee nee, ik wilde A! Niet J, A! Die J kan me niets schelen! Ik wil A!” “Sorry, maar ik mag alleen het eerste antwoord accepteren. De vingerknippen groeien me niet op de rug! Je zal er maar het beste van moeten maken.” “Nou goed, zet Silence of the Lambs dan maar op.” “Nee, dit is de wereld waar Leor, Retuow, Melliw en de hele mikmak je nooit hebben ontmoet. Alles is voor hen nog bij het oude. Tenminste, dat zullen we zien. Als je het wilt zien tenminste. En doe dat nou maar dan kan ik mijn vleugels verdienen.” “Ja, doe dan maar.” Njimelliw knipte met haar vingers.

 

Het beeld versprong. “Zo, deze keer weet ik zeker dat het werkelijk gebeurd is. Ik was er namelijk zelf bij.” Ze bevonden zich in een hotelkamer. Op het bed lagen Oelc, de mysterieuze elfenprinses  en Elletse de amazoneprinses in een verleidelijke pose. Melliw had met Oelc en Elletse op de basisschool gezeten. Niwla niet, die had op een of andere proletenschool gezeten waar helemaal nul mooie prinsessen waren. En Melliw had met Oelc zelfs op de kleuterschool gezeten. Dat waren nog eens tijden! Maar goed, in een hoekje lag Slein het aardmannetje zijn roes uit te slapen. “Niwla, dit gebeurde niet met Kerstmis.” “Nee, weet ik, maar het is wel een leuke herinnering.” Dat was correct. Opeens klonk er een zacht gesnuif. De prinsessen sprongen verschrikt op. “Het is ‘de Bloedhond’! Snel, laten we ons verstoppen!” Maar in de kast was geen plaats, die stond vol met blikjes cola. Snel doken ze onder het bed. Ze werden er weer onderuit geduwd. “Zeg, dit is ons plaatsje!” zeiden de monsters die onder het bed woonden. Het gesnuif was duidelijk een stuk harder geworden. Ze hadden niet veel tijd meer. “Snel, naar de badkamer!” zei Melliw. Hij rende die kant op, de dames volgden. Hij gooide de deur open en stapte naar binnen. “Schnell, schnell!” Er werd op de deur gebonkt. Hard gebonkt. Heel hard gebonkt. “AUFMACHEN!” De deur werd ingebeukt. De openvliegende buitendeur vloog tegen de badkamerdeur aan, die dichtsloeg. Melliw zat opgesloten, de prinsessen buiten. “WAS IST DAS?” vroeg Dominee Snofla ‘De Bloedhond’ Kceh. Hij hinkte binnen, zwaaide vervaarlijk met zijn stok. “WIESO SIND DIE MÄDCHEN HIER? DAS IST DOCH NICHT ZUGELATEN! WO SIND DEINE PAPIEREN? UND DEIN FAHRRAD?” weer snoof hij. “FI FA FO FUM, DA IST NOCH EINER ANDER! WO IST DIE ANDER? SIE WERDEN SWEHR GESCHTRAFT WERDEN WORDEN!” Slein werd wakker. “Die ander is Melliw. Die zit op de pot. Oh wat zal die stinken, doe de deur op slot.” Snofla draaide zich verschrikt om. Hij zag dat de deur geblokkeerd was en Melliw er niet uitkon. Dat was een gelukje. Hij moest het snel goedmaken, anders zou hij de toorn van god voelen. “ALSO, ICH HABE EIN STRAB BEKUNKELD. MORGEN MOGEN SIE ALLEN NICHT MIT NACH ROME. SIE WERDEN HIER ACHTERBLIEBEN OHNE BEGELEITUNG. JEMAN WERD SEHEN WAS SIE HIER AUSSPOCHEN. DONNERWETTER GROSSFUNKELSCHEIN BIEDERMEIJER” Daar kwam hij goed weg. “VON SCHMALLHAUSEN, KOM MIT MIR UND BRING DIE MÄDCHEN NACH IHNE KAMERS.” En hij marcheerde de kamer uit. Toen hij de deur sloot tuimelde Melliw uit de badkamer. Hij had alles gehoord en hij sprak vloeiend Duits, in tegenstelling tot Snofla die koeterduits sprak. Niwla stond te trillen op zijn benen als Kceh was verdwenen. “Oelalalalalaah! Ze is… ze hebben ze meegenomen… en morgen moeten we hier blijven! Zonder dat er iemand bij is! Sorry, Melliw!” “Zonder dat er iemand bij is Niwla. Zonder dat er iemand bij is. Alleen thuis.” Ze slaakten beiden een kreet van blijdschap en sloegen met hun handen tegen hun wangen.

“Nou, dat was een vermakelijk intermezzo, maar het heeft me niet veel zin in Kerstmis gegeven. Wel zin in wat anders, maar dit terzijde.” “Ja, ik wilde me ook nog wel vermaken. Maar goed, een Kerstherinnering komt eraan.” Het witte licht was er weer. “Niwla, waar zijn we nu eigenlijk? Deze witheid bedoel ik.”

“ Melliw be warned, Melliw beware 

  By closing your eyes you can see what isn' t there

  Melliw be calm, open your eyes 

  Lies may be truth and truth may be lies 

  Fate is a wheel, it will reveal 

  All you've become, all that you feel 

  Destiny knows what has to be

  You'll pay the price, nothing is free 

  I'll be your guide, take the hand of your muse 

  You just might lose your way in the Land of Illusia 

  Illusia is music, a world built on rhyme 

  It's carved out of space in the absence of time 

  You've tasted how evil and good coexist, 

  The bitter and sweet of it 

  All in the lips that you kissed”  Zei Niwla. “Illusia he? Goh, ik dacht dat we gewoon in de binnenkant van mijn hoofd zaten.” “Oh ja, dat is ook zo,” zei Niwla. “Ik gooi die twee altijd door elkaar.” En het beeld versprong wederom.

 

Ze kwamen bij de Trab Tims. Dat was een speelgoedwinkel. Maar die was dicht. Gelukkig herinnerde Reigor zich dat hij een groot tovenaar was. Niet zo groot als een reus maar zeker groter dan een kabouter. Hij toverde Mot en zichzelf naar binnen. “Zo, eens kijken wat we hier vinden.” Zei Reigor, en hij liep wat rondjes door de zaak. Mot liep achter hem aan. Ze liepen nog wat rondjes door de zaak. Mot liep achter hem aan. “Misschien kunnen we ons beter opsplitsen,” zei Reigor. “ik ben geen amoebe!” Ze lachten hartelijk om de grap van Mot. “Nee, je bent niet ééncellig maar wel gezellig.” Weer schaterden ze het uit. Toen gingen ze ieder hun weg in de winkel. Na een half uur kwam Reigor weer terug op de plaats waar ze afgesproken hadden elkaar weer te zien na een half uur. Maar er was geen Mot te bekennen. Reigor hoorde muziek. Hij realiseerde zich dat er zich in deze Trab Tims een Hell’s Angels café was. Zou Mot zo dom geweest zijn om daar naar binnen te gaan? Natuurlijk zou hij. Reigor slikte eens en liep de bar binnen. De sfeer was bar slecht. Er speelde harde Duitse muziek. Overal stonden getatoeëerde bullebakken. Sommigen dronken bier, sommigen dronken whisky, anderen dronken. Ze aten er allemaal worst bij. Een paar speelden een potje geblinddoekt darts. Reigor schraapte zijn keel: “Ik zoek Mot,” zei hij. Opeens werd het doodstil. Je kon een tatoëeerspeld horen vallen. De bullebak die het meest getatoeeërd was hield op met darten en draaide zich om. Hij liep op Reigor af. “Dus jij zoekt Mot.” Reigor slikte nog eens. “Ja meneer” zei hij met een piepstemmetje. “Nou die heb je gevonden.” De man pakte iets uit zijn binnenzak en hield het voor Reigor’s hoofd. Het was een pistool! Oh nee toch niet. Het was een mes! Reigor keek nog eens. Het was een paspoort. “Ik ben Mot Nav Tdlevenrab.” “Oh.” Ietwat opgelucht haalde Reigor adem. “Ik zoek eigenlijk een andere Mot.” “Oh, ok.” De man ging weer zitten. Reigor liep naar buiten. Daar stond Mot. “Sorry dat ik zo laat ben maar ik kon mezelf niet wegrukken bij de speelgoedauto’s.” “Ja maakt niet uit. Wat is de buit?” “Twaalf trommelende tamboeren, elf fluitende fluitspelers, tien springende Lords, negen dansende dames, acht melkende meisjes, zeven zwemmende zwanen, zes ganzen aan de leg, vijf gouden ringen-“ “Geef die maar aan mij” “-vier roepvogels, drie franse kippen, twee tortelduiven, en een patrijs in een perenboom. Wat heb jij?” ”Ik heb net een bijna-dood-ervaring gehad,” zei Reigor. “Oh, heb ik ook bijna eens gehad.” Ze verlieten de winkel.

 

Hij bevond zich in een hotelkamer, een andere dit keer. Buiten werd geschoten. Snel vluchtte hij de brandtrap op. Hij zat al op de dertigste verdieping, sprintte naar boven. Ook op de hoger liggende etages wemelde het van de terroristen. Al vlug had hij door dat ze de aandelen van het Japanse bedrijf dat in dit gebouw een feest hield wilden stelen. Hun leider: de sheriff van Nottingham. Gewapend met slechts één pistool ging hij de strijd aan. Als eerste ging een Ariër eraan, uit zelfverdediging uiteraard. De tweede en derde gingen eraan toen hij de politie probeerde te waarschuwen door een ruit in te slaan met een stoel, toen dit niet lukte gooide hij er maar een lijk door en vernielde hij ook nog de politiewagen [tussentijdse score: 3 moorden, 2 vandalisme]. “Niwla de Niwla de Niwla, gewelddadig mannetje ben je zeg”, zei Niwla. Melliw had natuurlijk al lang door dat dit weer een film was, maar het was een leuke film, dus liet hij Niwla nog even in de waan. Al dit bloed en geweld deden zijn kille hart goed. Met de bom die hij gevonden had blies hij een liftschacht op. Dat telde wel voor 3 vandalisme, en hij doodde er ook nog twee terroristen mee [een geluk bij een ongeluk], dus het stond 5-5. Hij vond de leider van de terroristen maar hij wist niet dat het de leider van de terroristen was want als hij geweten had dat het de leider van de terroristen was dan had hij de leider van de terroristen wel neergeschoten. Maar de leider van de terroristen zei dat hij iemand anders was en probeerde hem neer te schieten maar gelukkig had de leider van de terroristen geen kogels. Toen kwam er hulp van de andere terroristen maar hij schoot er eerst eentje dood en toen nog een en toen miste hij er een en vernielde hij nog wat kantoorapparatuur en toen schoten de terroristen terug en de leider van de terroristen ook want die had nu wel weer kogels en toen moest hij met zijn blote voeten door het glas naar de uitgang rennen want een man in het vliegtuig had gezegd dat het lekker was om zonder schoenen over het tapijt te lopen. En de terroristen hadden nu nog meer explosieven die ze gingen gebruiken om de kluis op te blazen waar de aandelen inlagen. “Ho ho ho” zei Niwla. “Dit is weer zo’n nepherinnering hè? Dit heb jij niet zelf meegemaakt, daar is het allemaal veel te ongeloofwaardig voor! Dit is weer een film! En wat een walgelijke film! Speelt zich af tijdens Kerstmis maar er wordt alleen maar in geschoten! Hey there Mister Melliw, merry fucking Christmas! Dit is echt walgelijk! Proleet!” “You’re pushing your luck little man.” Zei Melliw. Niwla bekeek de andere herinneringen: “Die tijd die je in het Japanse gevangenkamp doorbracht? Die keer dat je een jukebox gekocht had als cadeau en die het huis in wilde smokkelen zonder dat iemand het merkte? Die keer dat kleine monstertjes het dorp overspoelden en inbraken in de bioscoop? Die keer dat je door drie geesten bezocht werd die je het verleden, het heden en de toekomst lieten zien? Die zingende kikkers?” “film, serie, film, 3 films én boek, muziekclip. En op het einde wordt het wel heel emotioneel hoor, nadat het gebouw opgeblazen is en de leider van de terroristen doodvalt, en de goedaardige dikke politieagent toch weer leert hoe hij iemand neer moet schieten. En toen die hoofdterrorist viel, schreeuwde hij: “By Grabthar’s Hammer, my death will be avenged! Allemaal heel mooi. Ja, ik voel wel weer de ware betekenis van Kerstmis eigenlijk.” “Niwla de Niwla de Niwla, wat ben jij een proleet. De enige herinneringen die je aan Kerstmis hebt zijn van de televisie of uit films.” “Maar Niwla, het heeft wel geholpen hoor!” zei Melliw. ”Oh, ik houd nu weer van Kerstmis. Kijk maar: Joepie, morgen is het Kerstmis. Hoera!” En hij deed een dansje van plezier. “Oh ja nu zie ik het ook. Nou tot ziens hè!” “Ja, ik zie je…” Niwla verdween. “..over het hoofd.”

 

Ze kwamen terecht in het huis van Melliw. Deze liep vrolijk zingend door het huis. Hij had toch niets beters te doen.  Vol vreugde maakte hij een lijst met cadeautjes. En iedereen kreeg een gedichtje erbij, de een nog mooier dan de ander. Hij praatte wat tegen zichzelf. “Oh wat ben ik toch gelukkig. Falalalala, lalalala. En ook helemaal niet nukkig. Falalalala, lalalala. Het leven is hier echt perfect hier, falala falala, lalala. Teleurstelling heeft me niet genekt hier, falalalala, lalalalaaaaah! Nou, ik mis helemaal niets in mijn leven. Het is volmaakt. Ik kan er maar niet over uit hoe gelukkig ik wel niet ben zeg.” Hij deed een dansje van plezier. “En volgens mij is iedereen die ik ken ook gelukkig.” “Loaten veer kieken.” zei Njimelliw en ze knipte met haar vingers.

 

“Stomme Niwla. Geloofde zomaar dat ik nu wel weer van Kerstmis houdt.” Melliw lachte in zijn vuistje. “Dat is niet zo aardig, Melliw.” Melliw verstarde. “De tweede geest.” Zei hij verrast. Hij draaide zich om. “En wie mag jij dan wel zijn?” “Ik ben je dode ome Einieh.” “Ome Boebie?” “Nee, Ome Einieh.“ ”De befaamde ome Einieh zelf! Mag ik even zeggen dat je geweldig mooi zwart haar hebt?” “Dat mag.” “Bij deze.” “Bedankt. Jij ook trouwens.” Met een “Och hou op,” wimpelde Melliw het weg. “Genoeg vleierij, laat me de ware betekenis van Kerstmis zien, ik sta te popelen, ik sta te springen, ik kan niet wachten, ik ben gevuld met ongeduld.” “Ik vroeg me al af wanneer je eens zou gaan rijmen. Ik laat je zien hoe de mensen nu Kerstmis vieren. Zonder jou, zonder dat jij iedereen cadeautjes geeft.” “Whoopdiedoo.” Ome Einieh knipte met zijn vingers.

 

Ze besloten dat ze vervoer moesten hebben. Toen ze bij Piet het paard kwamen, zag Mot dat hij hem al tijden niet gewassen had. Hij was helemaal vuil. Mot wilde hem nog even snel wassen -wie ging er nou cadeaus uitdelen met een zwarte Piet?- maar daar was geen tijd voor, zei Reigor. “Het weer buiten is afschrikwekkend. En binnen is het overheerlijk. Maar aangezien we ergens heen moeten, laat het niet sneeuwen, laat het niet sneeuwen, laat het niet sneeuwen!.” zei Reigor. “Is dat een toverspreuk of zo?” vroeg Mot sarcastisch. Marb kwam tussenbeiden: “Makkers, staakt uw wild geraas!” “Wat mag dat betekenen? Praat normaal man,” zei Reigor. “Hij bedoelt: kap, oen!” legde Mot uit. “Hohoho, beetje respect alsjeblieft. Je kan maar beter oppassen,” zei Reigor en hij sloeg Mot op zijn hoofd. Die kreeg geen geheugenverlies, maar begon bijna te huilen. “Je kan maar beter niet gaan huilen.” zei Reigor. Ze besloten met de trein te gaan.

 

Reteip sloop de trap af. Hij had de hele nacht bijna niet kunnen slapen van de opwinding. Wat zou Melliw deze keer gebracht hebben? Het zou vast iets geweldigs zijn. Want Melliw was attent, jolig en merry. Daarom hield Reteip ook zo van hem. Iedereen hield van Melliw. En terecht. Hij duwde zachtjes de deur open. Daar stond de kerstboom. En onder de kerstboom lag…niets. Het huilen stond Reteip nader dan het lachen. “Waar zijn de cadeautjes?” Wenend rende hij naar zijn ouders. “Mammie, pappie, er zijn geen cadeautjes!” Toen herinnerde hij zich dat zijn ouders dood waren. Het arme weesje Reteip was helemaal alleen deze Kerstmis. En hij liep ook nog mank. En hij had chronische bronchitis. En er waren twee inbrekers geweest die wisten dat hij alleen thuis was. Arme, arme Reteip. “Arme, arme Reteip, boe-hoe” zei Melliw. “Nou ja, niets aan te doen. Hebberige krengen.” Dat viel Ome Einieh wel wat tegen. Hij dacht dat de aanblik van dit zielige kind Melliw wel zou doen smelten. Gelukkig had hij nog meer ideeën. Hij knipte weer met zijn vingers.

 

Ze kwamen terecht in het huis van Leor. Die zat lekker te Tfarcratsen met Retuow. “KABOOM” zei Retuow. “Dit potje gaat echt perfect! Als jij nu even met je Adryh’s burrowt dan kan ik met mijn Nohcras eens flink huishouden daar” “Ja hè,” zei Leor. “Alles is perfect. Dadelijk komen onze echtgenotes Ave en Ardnas thuis met de boodschappen en dan gaan ze koken. Oh pas op je basis wordt aangevallen.” “Nou ik ben benieuwd hoe ze ons nu weer gaan verwennen. Maar het zal hoe dan ook wel volmaakt zijn. Elk gerecht dat ze ons voorschotelen gaat erin als koek. Haha, perfect, mijn Retibra leeft nog!” “Het is leven is toch goed hè.” “Ja dat is het zeker Leor. Dat is het zeker.” Retuow en Leor omhelsden elkaar innig. Njimelliw besloot dat het beter was om ze alleen te laten. Ze knipte met haar vingers.

 

Op een klein stationnetje ’s morgens in de vroegte stonden zeven wagentjes netjes op een rij. En het machinistje draaide aan het wieletje: “hakkuh hakkuh puf puf we staken vandaag.” Dat vonden Mot en Reigor niet zo leuk. Ze begonnen te schelden: “Tering NS-personeel!” “Vieze klote conducteurs!” “POLIO KANKER TBC SYNDROOM VAN TOURETTE conducteurs! INTERCEREBRALE SUBARCHNOIDALE HEMATOOM!” “Cholerabesmette pegnoirdragende cerebellumloze oenen!” “JA, MONGOLOÏDE MACHINISTEN!” “Ja apekotsetende urineplasjes.” “cholera epidemie veroorzakende conducteurs. Chronische bronchitis conducteurs.“ “Molotovcocktaildrinkende railslikkende wagonpoetsende apen!” “Vieze Vuile Vagina’s. [Ik moet even mijn verontschuldigingen aanbieden voor de taal die hier gebezigd wordt. Het volstaat te zeggen dat ik hier iets citeer.] Zwartrijders dat het zijn.” “Railtendermisbruikende eersteklaszitters” “Vertraagd uitgevallen mietjes” “Ja!” “Poliopikken.” “Ja!! Mierenetende koeienomgooiende kippenneukers.” “Ja!!! Mensen en auto’s platrijdende zelfmoordenaarhelpers.” “Vol urinevlekken.” “Precies! NeemDeAutoWantWijZijnKlote NS-personeel.” “neemdeautowantwijzijnstakendemietjesnspersoneel” “wijstakendoornietterijdeninplaatsvangratisterijdenteverzorgenpielies.” “Ja! Kutklotetyfuscholeransbers.” Maar toen hoorden ze dat er buitenlanders dreigden de trein op te blazen. En dat kon niet als de trein niet reed. “Oef”, zei Reigor “het is maar goed dat de trein niet rijd anders waren we nu hartstikke dood.” “Ja”, zei Mot, “Het is een Moluk bij een ongeluk.” Ze boden hun verontschuldigingen aan en besloten een ander vervoersmiddel te zoeken. Zie, ginds kwam de stoomboot weer aan. Maar die konden ze niet zo goed gebruiken nu. Toen herinnerde Mot zich wat. Hij rende naar de sloot. Daar, ondersteboven, lag Marie. Marie met de rode neus. Marie was een enorm logge koe, maar had genoeg laadruimte om alle cadeaus te kunnen dragen. Maar Marie was al oud. En toen zij in de sloot terechtgekomen was had Mot haar maar laten liggen. Het water in de sloot stroomde niet. “Pas op hoor, stille wateren hebben diepe gronden.” Zei Mot. “Lekker belangrijk,” zei Reigor en sprong in het water. Hij tilde de koe uit de sloot. “Toppie!” zei Mot. Hij deed een dansje van plezier. Mot kon heel goed dansen. Hij was als het ware de beste danser van het hele sprookjesbos. Ze noemden hem wel eens gekscherend de ‘Lord of the Dance’. Maar alleen omdat hij altijd een bandje bij zich had met tapgeluiden. Hoe dan ook, nu konden ze dan eindelijk echt aan de slag.

 

Ze kwamen terecht in een inktzwarte duisternis. “Oh jee, zonder cadeautjes ziet iedereen het wel heel donker in hè?” zei Melliw. “Zwijg en kijk.” Een ratelend geluid werd gevolgd door een streepje licht. Een grote deur ging open en weer dicht. Weer die duisternis. Er stak iemand een aansteker aan en even later ging het licht aan. Een lange man met een hoed, een schone dame en een man met een ietwat sullige uitdrukking keken rond. “Ah, daar zijn de cadeautjes,” zei de man met de hoed. Hij liep richting een stapel speelgoed. “Zo, inpakken en wegwezen.” Met veel lawaai pakte het drietal het speelgoed op. Een oude man gekleed in smoking en hoge hoed kwam de trap af, gevolgd door een blond jongetje met een beugel. “Zeg, wat moet dat daar? Dat zijn de cadeautjes die ik gemaakt heb voor de arme kinderen in het weeshuis! Die zijn niet voor jullie!” Hij zwaaide vervaarlijk met zijn stok, in een poging deze veile inbrekers af te schrikken. De man met de hoed pakte zijn pistool. “Everybody be cool, this is a robbery” schreeuwde hij. “Any of you fucking pigs move and I’ll execute every motherfucking last one of ya”. Riep de vrouw. De man met de hoed ging verder: “Wij hebben de opdracht gekregen om uit te zoeken waarom nog niemand cadeautjes gekregen heeft. Dat vonden we veel te veel werk, dus leek het ons verstandiger om gewoon langs te gaan bij de oude speelgoedmaker Dracip en zijn spullen te stelen.” De sullige man schoot het blondje neer. “Wat maak je me nou?!” vroeg de man in de hoed. “Hij probeerde te ontsnappen! Hij gaf tekens.” zei de sul. “Zwijg, sukkels.” Zei de vrouw. ”Bind Dracip ander vast, dan verzin ik wel een verhaal dat hij de cadeaus gestolen had.” Zo gezegd, zo gedaan.

“Zie je?” zei Ome Einieh. “Een onschuldig kind is gestorven! Een arme man gaat onschuldig het gevang in! Alleen omdat jij te belabberd bent om iedereen cadeaus te geven!” “Onschuldig? Die man liet dat kind werken, betaalde hem niets, en het zou me niet verbazen als hij ook nog eens pedofiel was. Dat jochie is beter af zo, kinderarbeid is verschrikkelijk, en in de nor kan die ouwe niet veel kwaad meer. Hebberige krengen.” Dat viel Ome Einieh weer tegen. Eigen schuld, zijn verwachtingen waren veel te hoog. En Ome Einieh liet Melliw nog veel meer zien. Overal waren de mensen teleurgesteld omdat ze niets kregen. Nou zou je verwachten dat er toch wel iemand zou zijn die op zou merken dat het bij Kerstmis niet om de cadeautjes gaat maar om het samenzijn met elkaar. Maar nee hoor. Over de hele wereld overal het zelfde. Zelfs de Esmo’s op de noordpool konden de ware betekenis van Kerstmis niet ontdekken. Ome Einieh raakte er een beetje gedesillusioneerd van. En ook Melliw raakte er een beetje gedesillusioneerd van. Maar Ome Einieh het gedesillusioneerdst. “Het lijkt erop dat dit hele feest een zinloos is. Er moet iets gebeuren dat de mensen en ook jou weer hoop geeft. Iets om naar uit te kijken. Maar wat?” “Jij bent hier de geest, zeg het maar.” Maar Ome Einieh wist het ook niet. Teleurgesteld keerden ze terug naar huis. “Ik heb gefaald, net als Niwla. Ik hoop de volgende geest meer succes heeft. Het geluk van de hele wereld hangt ervan af!” “Ok, hoiie he Ome Einieh.” 

 

Ze kwamen terecht in het huis van Reigor. Maar hij was niet thuis. Reigor beleefde een spannend avontuur. Dat vond hij wel leuk namelijk. Hij wilde niet een saai voorspelbaar leven leiden, integendeel. Njimelliw had hem snel gelocaliseerd. Hij beklom een steile rotswand. Yosemite National Park. Stardate 8454.1. Als een steenbok sprong de waterman van muur naar muur. Zonder veiligheidsgordel. Vanaf de grond gezien was hij een stipje, een vlieg op de muur. Zijn vingers zochten steeds opnieuw naar houvast. Het zweet parelde op zijn voorhoofd. Centimeter na centimeter naderde hij de top. Hij stopte even om van het uitzicht te genieten. Vanuit het niets stond Mot opeens voor hem. Of liever gezegd, zweefde. Hij droeg een paar jetlaarzen. “Gegroet, Reigor.” “Mot!” zei Reigor opgelucht. “Wat doe jij hier?” “Ik heb je vooruitgang in de gaten gehouden.” Zei Mot. “Ik voel me gevleid. 1200 bezienswaardigheden in Yosemite en jij kiest mij.” “Ik vind het jammer je te moeten zeggen dat het record voor het beklimmen van deze berg El Capitan geen gevaar loopt om verbroken te worden vandaag.” “Wie doet het voor het record? Ik doe het omdat ik het leuk vind! Om van de belangrijkste reden om een berg te beklimmen nog maar te zwijgen.” De normaal stoïcijnse Mot was zichtbaar geïnteresseerd. “En die is?” “Omdat hij er staat.” Moeizaam begon Reigor verder te klimmen. “Volgens mij schat je zwaarte van de situatie niet helemaal goed in.” Zei Mot. “Integendeel. De zwaartekracht speelt steeds door mijn gedachten. Luister, ik probeer deze berg te beklimmen. Ga iemand anders pesten! Je vrouw of zo.” Reigor wist dat als hij Mot even aan zijn vrouw herinnerde, hij van hem af zou zijn. Want Mot was heel gelukkig met zijn vrouw, al kon niemand haar naam ooit herinneren. Maar goed, die veranderde ze ook elke drie weken. Maar desalniettemin was Mot zielsgelukkig. En ook Reigor was zielsgelukkig. “Reigor, ik ben zielsgelukkig, weet je dat?” “Ja Mot, dat weet ik. En ook ik ben zielsgelukkig.” “Maar ik ben het zielsgelukkigst.” Zei Mot. “Wist je dat Leor ook zielsgelukkig is?” “Ja. Maar wist jij dat Retuow ook zielsgelukkig is?” “Ja.” Beiden dachten even na. In koor zeiden ze: “Wist je dat Melliw ook… ja blijkbaar wel.” “Weet je wie nog meer zielsgelukkig is?” vroeg Mot. “nou?” zei Reigor. “Iedereen. En terecht.” En zielsgelukkig vielen ze elkaar in de armen in een dikke knuffel.

 

Melliw ging zitten. Het was tijd voor wat introspectie. Waarom hield hij eigenlijk opeens niet meer van Kerstmis? Eigenlijk wist hij het al, hij kon het alleen nog niet toegeven. Het ging om haar. Hij droomde van een glorieuze toekomst samen. Maar hij wist toch dat het niet zo kon zijn. Het werd tijd dat het verwerkingsproces begon. Hij schrok wakker. Blijkbaar was hij even ingekakt. De derde geest stond voor hem. Hij was gekleed in een zwarte mantel. Hij had een zeis. “Oh, daar ben je eindelijk. Jij komt me de toekomst zeker laten zien?”. De gedaante knikte. “Natuurlijk, deze geest praat niet, veel dramatischer zo. Maar ik heb wel een donkerbruin vermoeden wie je bent.” Hij schraapte zijn keel, en met een met emotie doordrongen stem zei hij: ”Ik ga niet met je mee, jij hebt mijn vader vermoordt!” De gedaante deed zijn kap af. “Nee Melliw, ik ben je vader.” Zelfvoldaan glimlachte Melliw. “Dacht ik al. De onbewogen beweger zelf. Lang niet gezien. Maar jij bent toch geen geest?” “Inderdaad, dat is waar, maar dat is een vertaalprobleempje, het gaat om de ‘spirit’ van Kerstmis. Maar goed, ik kom je laten zien hoe de toekomst eruitziet.” “Eruit zou kunnen zien.” “Misschien.” zei Roines, de schepper van het universum. “Kom.”

 

Ze kwamen bij het eerste huis. Mot vond het toch wel spannend. Vol verwachting klopte zijn hart. Reigor ging het eerst door de schoorsteen, om te kijken of het veilig was. De kamer was prachtig versierd. Dit moest Mot zien. Reigor riep hem door de schoorsteen: “Oh, kom er eens kijken!”. Toen Mot uit de haard stapte, trok hij per ongeluk een rits lampjes los die ter versiering van de schouw opgehangen waren. “Sstt!” zei Reigor. “Hang de lampjes op en steek de boom aan, het is tijd dat we wat lol gaan maken.” Terwijl hij de pakjes uit zijn zak pakte rook hij wat vreemds. Hij keek om. “Wat doe je nu?!” siste hij. “Kastanjes roosteren op een open vuurtje. Je zei zelf dat ik de boom moest aansteken.” “Ja, leuk is dat.” Hij bluste het vuurtje [je wilt niet weten hoe]. “Kijk nou, de hele boom kapot!” “Kapot, kapot, wat heet kapot,” relativeerde Mot.  “En het was zo’n mooie boom. Ik heb hem laatst in het bos zien staan. Toen zaten er geen kaarsjes aan.” zei Reigor. “Nou ja, we zijn wel klaar hier.” Ze klommen weer door de schoorsteen naar boven. Hele kamer verruïneerd man! Naar z’n mallemoer! Een ravage! Stilletjes reden ze de rest van de huizen voorbij.

 

“Ok, ik snap het.” Zei Elleinad. “Hier is iedereen dolgelukkig. Hun leven overtreft hun stoutste dromen. Kan je… kan je mij mijn leven hier laten zien?” “Dat kan.” Zei Njimelliw. Na een seconde of tien zei Elleinad: “Nou doe dat dan!” “Oh, ok.” Ze knipte met haar vingers.

Ze verschenen in haar slaapkamer. Op bed lag een levenloos persoon.

“Wie ligt daar? Is ze… is ze dood? “Nee, Elleinad. Dit ben jij, in deze werkelijkheid. Dit is wat ingewikkeld, dus let goed op. Jouw originele lichaam is niet hier, alleen je geest, je wezen. Er kan zich in een wereld echter slechts één geest van een bepaald persoon bevinden. Dit lichaam is momenteel een leeg omhulsel, door jouw aanwezigheid in deze realiteit is de oorspronkelijke geest verdrukt, deze zal weer terugkeren als jij hier weggaat. Tot die tijd blijft ze leeg, klaar voor overname. Het is te ingewikkeld om helemaal op in te gaan” zei Njimelliw. Twijfel speelde door Elleinad’s hart. “Het lijkt iedereen allemaal voor de wind te gaan hier. Zou ik-“ “haar plaats in kunnen nemen?” vulde Njimelliw gretig aan. “In deze realiteit verder kunnen leven? Zeer zeker! Het enige wat je doen moet is hier tekenen. Met je geestbloed, je levensessentie.” Ze pakte een contract en een speld. Elleinad pakte het contract en de speld. Ze drukte de punt tegen haar huid. Waarom voelde ze de punt niet? “Harder drukken schat, je bent nog steeds een godin weet je nog.” zei Njimelliw. Inderdaad, ze was een godin… een godin. Een godin? Dat was het!. Elleinad draaide zich naar Njimelliw. Ze zou de rollen wel even omdraaien: “Voordat ik dat doe zou ik wel eens willen weten hoe jouw geplande invasie van deze zomer hier verlopen is. Niets wijst er op dat dit land hier geschaad is. Hoe kan dat eigenlijk, als ik hier nooit op jouw eiland terechtgekomen ben en Melliw mij dus niet is komen zoeken, om vervolgens je plannen te ontdekken en te voorkomen?” “Lekker belangrijk! Denk aan hoe goed het leven hier is! Is dat niet het belangrijkste?” zei Njimelliw nerveus. “Teken nu maar, dan is deze nachtmerrie afgelopen. En dan krijg ik mijn vleugels.” “En dan nog iets: ‘teleurstelling heeft me niet genekt hier’, dat past metrisch helemaal niet goed. Zoiets zou Melliw nooit gebruiken, hij zou wel iets beters verzinnen.” “Dat komt… dat komt omdat hij zo gelukkig is hier, daardoor komt dat. Daardoor. Komt dat. Daardoor.” Stamelde Njimelliw aarzelend. Het werd tijd om haar op haar plaats te zetten, vond Elleinad: “Dit is allemaal een truc, niet? Dit alles is te perfect. En niet een klein beetje ongeloofwaardig.” Alles vervaagde. Een fel licht verblindde Elleinad. Toen ze haar gezichtsvermogen weer terughad zag ze dat ze zich heel ergens anders bevond. Ze stond tot haar knieën in een geleiachtige drab op een platform. Ze keek rond. Dit platform was slechts een deel van duizend platformen, die een toren vormden, zo hoog als een heel hoge toren. Dit was maar één toren van een ongelooflijk complex. Zover het oog reikte stonden er torens. En in elk platform lag een mens in die akelige gelei. ”Dit is de echte wereld. Machines hebben hier de wereld overgenomen, en ze gebruiken menselijke energie voor hun stroombenodigdheden.” “Mhm mhm. En waarom had je mij niet direct laten zien dat de wereld waarin ik Retuow, Melliw en de hele mikmak nooit ontmoet had er zo uitziet?” “Omdat euh, omdat jij de enige bent die deze mensen kan bevrijden. En ik wist niet zeker of je het zou willen, dus probeerde ik je te foppen. Ik had natuurlijk kunnen weten dat dat nooit zou lukken. Maar doe je het? Kan je deze opdracht aan? Word je de held van deze wereld? De Ene? En krijg ik dan eindelijk mijn vleugels?” Elleinad rolde met haar ogen. “het gaat van kwaad tot erger. Dit is nog meer ongeloofwaardig dan die vorige ongeloofwaardige onzin. Als ik hier teken, zou mijn lichaam in de originele realiteit leeg achterblijven, klaar om overgenomen te worden, inclusief mijn godenkrachten.” Njimelliw keek haar aan met een blik vol walging, verachting, en een vleugje jasmijn. If her chest had been a canon, it would have shot her heart upon her. “Je bent slimmer dan ik dacht schatje. Maar die krachten zijn van mij! Ze horen mij toe! Ik verdien ze!” Elleinad concentreerde zich, en liet haar geest de illusie vervagen. Een dor landschap strekte zich uit tot elke horizon. In deze werkelijkheid, de wereld waar Elleinad Leor, Retuow, Melliw en de hele mikmak nooit ontmoet had, was alles verwoest. Hier had Njimelliw de oorlog gewonnen. “Ja, hier had ik gewonnen. En verloren. Hier was de aanval op het sprookjesbos gelukt, met een atoombom heb ik alles verwoest. Nu wordt de aarde beheerst door een stel verdomde smerige apen. Het is een gekkenhuis! Een gekkenhuis! De paar mensen die nog leven zijn slaven.”  Als Elleinad getekend had, had Njimelliw de kans gehad om het in de originele realiteit nogmaals te proberen. Pff, gelukkig dat ze dat niet gedaan had zeg. Dat zou me wat geweest zijn. Met één gedachte en twee handgebaren beroofde ze Njimelliw van de paar krachten die ze nog had. “Je bent nu machteloos. In deze wereld zul je ronddolen, niet dood, niet levend. Voor eeuwig. Ik laat je achter. You are the weakest link. Goodbye.

 

“Wat hoort er nog meer bij Kerstmis?” vroeg Reigor. “Sleighbells ring,” zei Mot. “Wat, oh wat hoort er toch nog meer bij Kerstmis…?” vroeg Reigor zich weer af. “Sleighbells ring,” zei Mot. “are you listening?!” “ah, ik weet het al!” zei Reigor, “Vuurwerk! Ik heb nog een heleboel liggen in een opslagplaats in Edehcsne.” Vrolijk kuierden ze naar een grote krater. “Ik zou toch zweren dat het hier lag,” zei Reigor. “Zeg, vuurwerk hoort toch bij de jaarwisseling?” “Oh ja dat is ook zo.” Ze gingen weer naar huis. De zon kwam op. Ze hadden gefaald.

 

Ze stonden buiten, voor een gebouw, in de sneeuw. Reeds daagde het in het oosten. Uit de barre wintergrond ontlook een roos. Melliw ging erop staan. “Een ziekenhuis. Ok, ik weet het al. ‘t Arme weesje Reteip ligt op sterven. Boehoe. Oh ik heb geleerd wat de betekenis van Kerstmis is, ik zal weer vrolijk zijn en zo. Zo goed?” “Nee Melliw. Daarom zijn we hier niet. Er staat hier iets bijzonders te gebeuren. Hier in Ziekenhuis ‘De Stal’. “ Ze gingen naar binnen.

“Dokter Lez Eneso, kom snel! Er staat een vrouw op het punt te bevallen!” De dokter dronk snel zijn kopje soep op. “Ik kom eraan. Scalpel!.” Hij volgde zuster Redreh door de steriele gangen. “Ziekenhuis ‘De Stal’? Was er geen plaats meer in Ziekenhuis ‘De Herberg’?” Roines, de onbewogen beweger, negeerde dit. “Kom, erachteraan.” Ze gingen de verloskamer binnen en stapten over de flauwgevallen Retuow. “Waarom heb je mij hiervoor gehaald? Ik ben OKN-dokter!” “Dat weet ik,” zei de zuster, “maar we wachten op de verlosser.” “De wat?” “De verloskundige bedoel ik.” Door de intercom schalde de radio. Na de ster-reclame volgden drie oriëntaalse muziekjes. “Zet die herrie af!” riep de dokter. Zo gezegd, zo gedaan. Het was weer een stille nacht. “Persen, Elleinad, persen!” Het zweet parelde over haar voorhoofd. “Zuster, haal kokend water en schone handdoeken!” “Maar… maar… ik moet nog een bonnetje!” stamelde de zuster. “Leuter niet over bonnetjes!” Hij richtte zijn aandacht weer op Elleinad. “Ik zie het hoofdje! Persen, persen!”

“Nou dit is leuk, Elleinad en Retuow krijgen een kind, whoopdiedoo! Oh ik heb geleerd wat de betekenis van Kerstmis is, ik zal weer vrolijk zijn en zo. Zo goed?” “Niet zo vorwitzig Melliw. Kijk.”

“Nog een keer persen… nu!” Elleinad drukte met haar laatste krachten. Een snerpend gehuil vulde de kamer. “Het is een meisje. Zuster, is er nog een bedje vrij?” vroeg de dokter. “Nee, alleen nog maar stro en doeken” zei ze kribbig. De dokter legde het kind in de armen van Elleinad. “Ik noem haar… Suze,” zei Elleinad. Tranen van uitputting en vreugde stroomden langs haar wangen. De aanblik van het kind verwarmde Melliw’s hart. De kilte verdween. De liefde in zijn hart groeide. Kinderen zijn echt cool. “Wat ben ik toch ook een sentimentele dwaas. Maar goed, ik heb mijn lesje geleerd. Ik heb echt geleerd wat de betekenis van Kerstmis is, ik zal weer vrolijk zijn.” Hij keek nogmaals naar het kindje, zo perfect, zo klein. Die tien kleine vingertjes. Die tien kleine teentjes. Dat lieve snoetje. Die lange zwarte haren… Zwarte haren? “Zeg pap, dat kindje he, van wie is dat? Ze heeft net zo’n zwarte haren als euh, als Ome Einieh.” Een flauwe glimlach speelde rond de lippen van Roines. “Mijn missie is volbracht.” En Melliw stond weer in zijn kamer. De zon kwam op.

 

“Zo,” zei Marb, “Dat hebben jullie mooi gedaan. Het was niet zonder gevaar, maar jullie versaagden niet! Ik heb moedige mensen gekend, die noem ik even de ‘moedigen’, maar jullie zijn moediger, de ‘moedigeren’! Dit is wel een heroïsch epos waardig. Maar ja, het is jullie schuld dat ik dood ben, dus schrijf ik het maar niet.” “Zeg Marb, het is niet gelukt hoor. We zijn maar bij één huis geweest en daar hebben we alles gesloopt.” “Wiens huis was dat dan?” vroeg Marb. “Lehcim Nessnarf, de Moredhel” “Ok dan is alles toch niet voor niets geweest.” “We wilden hem ook nog in elkaar slaan eigenlijk maar hij was er niet,” vulde Reigor aan. “nou ja je kan niet alles hebben. Het is een goed genoege daad, ik krijg er mijn vleugels wel voor.” “Dat was jij toch niet?” “Ga nu maar lekker slapen.” zei Marb. “Wacht, we hebben voor jou ook nog een cadeautje” Marb was helemaal ontroerd. Hij ontving van hen een messing plaat. Reigor nam zich voor nooit meer de hele nacht met Mot mee te rijden met Marie. Dat was het saaiste wat hij ooit had meegemaakt.

 

Het grote feest brak aan. Iedereen had eten meegenomen voor het traditionele feestmaal. Elleinad had een cake gebakken. Ze gaf ze een plak cake. Reigor kreeg een plak cake. Retuow kreeg een plak cake. Mot kreeg een plak cake. Retuow kreeg een plak cake. Melliw kreeg een plak cake. Retuow kreeg een plak cake. Reteip kreeg een plak cake. Retuow kreeg een plak cake. Retuow zat helemaal onder de cake. Melliw had soep gemaakt. Dat was wel een beetje snerteten maar ja. Hij schepte iedereen op, behalve Mot. “No soup for you!” Mot was namelijk allergisch voor groente.

 

En toen pakten ze cadeautjes uit. Het was niet veel soeps maar ja. Mot had drie schapen gekregen. Die ruilde hij tegen één hout. Elleinad kreeg een kavia. Retuow kreeg een tandenborstel. Reigor kreeg een vriendin maar alleen omdat dat moest van Mot. En kleine Reteip kreeg een gloednieuwe vader. Die was dan wel kaal, maar hij was ook rijk en hij had  een bediende uit India. Maar wat belangrijker was: iedereen had wat geleerd. Melliw had geleerd dat er nog iets om naar uit te kijken was, en dat wie de jeugd heeft, de toekomst heeft. Elleinad had geleerd dat het maar goed was dat zij in het leven van Melliw en Retuow en de hele mikmak was gekomen want anders was iedereen hartstikke dood en daar zou niemand wat aan hebben. Ze had nog niet geleerd wat ze met haar gevoelens voor Melliw aanmoest, maar ja, je kan niet alles hebben he. Reigor en Mot hadden geleerd dat hard werken stom en vermoeiend is en zeker met Kerstmis. Ze zaten aan tafel, Elleinad, Retuow, Melliw, Mot, Reigor en Reteip.

“God zegene ons, allemaal.” Zei kleine Reteip. “Jow, is goed.”, zei Melliw, en hief zijn glas. “Op oude vrienden, en nieuwe.” Hij keek iedereen aan tafel aan, de een wat langer dan de ander. “Fijn om weer allemaal samen te zijn zo” zei Retuow. “Allemaal” sprak Mot instemmend. Elleinad keek met liefde in haar ogen naar Retuow. “Allemaal.” En door emotie overmand huilde iedereen van geluk.


 

Epiloog

 

Het was koud, zeer koud. Niemand dacht aan hem. Niemand kocht zwavelstokjes van hem. Om warm te blijven stak hij er eentje aan. Het hielp niet veel. Hij liep verder door het Winter-wonderland. Een lichtje in de verte trok zijn aandacht. Hij strompelde erheen. Bij het raam aangekomen, keek hij naar binnen. Daar zaten ze, Elleinad, Retuow, Melliw, Mot en Reigor. Hij hoorde ze praten, lachen.

Melliw hief zijn glas. “Op oude vrienden, en nieuwe.” Hij keek iedereen aan tafel aan, de een wat langer dan de ander. “Fijn om weer allemaal samen te zijn zo” zei Retuow. “Allemaal?” vroeg Mot. Elleinad keek Retuow streng aan, haar ogen vernauwden zich een beetje. Hij slikte. “Ja. Allemaal.”

 

 

 

Hosted by www.Geocities.ws

1