Episode
5: Kinderen en gekken, deel II
“0 seconden.
Have a nice day.”
- Het is misschien interessant om nu even terug te kijken op wat de hoofdpersonen allemaal hebben meegemaakt. Ach, misschien ook niet. Terug naar het plot. -
En op dat moment werden Eilahtan en Blowcutus doorzichtig. De vlammentongen die zeker het schip vernietigd zouden hebben vervaagden voor ze al te veel schade konden aanrichten, terwijl ze de dimensies doorliepen. Het schip was gered. Kreten van opluchting en geluk vervulden de escapepod.
“Heeft iemand godenkrachten gekregen?” vroeg Mot toen het lawaai wat was afgenomen. “Ik heb opeens wel een heel hoge eigendunk gekregen.” Zei Leor. “Opeens?” Ze voelden een schok. “Goh, dat voelde precies alsof de bom ontploft is in een hogere dimensie en daar aanzienlijke schade gedaan heeft,” zei Reigor.
Ze hoorden de stem van Melliw in hun hoofden: “Beste mensen, ik word opgeroepen terug te keren naar de hemel. De bom, een ingenieus apparaat, was ontworpen om overal schade aan te kunnen richten, zelfs daar. Een groot deel van de hemel is verwoest, een paar goden zijn zelfs tijdelijk uitgeschakeld. Ik zal terecht moeten staan voor mijn daad.” “Maar jij was het toch niet? Eilahtan deed het!” “Vertel dat maar eens aan de GVD. Ik was verantwoordelijk. Ik weet niet wanneer ik jullie weer terug zal zien. Ik weet wel dat ik jullie allemaal zal missen. Nou ja, misschien niet allemaal, maar toch zeker 83 1/3 % van jullie. Maar ik zal terugkeren.
I am, and always will be, your friend.” En hij was weg. Ze voelden allemaal een diep gat in hun ziel en hun hart. Ze begonnen allemaal te huilen. Allemaal? Nee. Eentje niet.
Rehtse, de Evil Emperess of the Galaxy, slikte. Dit was in principe haar doel geweest, maar ook zij voelde het gemis diep in haar hart. Maar goed, ze zette zich eroverheen. Ja je bent evil of niet hè. Nu Melliw een tijdje uit de weg was geruimd, werd het tijd om de aanval op de Reed-X echt in te zetten. Maar eerst had ze nog een appeltje te schillen. Ze opende een kanaal naar Ekeneim en bedacht dat ‘een varkentje moest wassen’ misschien een betere uitdrukking was in dit geval. “Ekeneim, dit was niet de bedoeling. De afspraak was dat jij mocht doen wat je wilde, maar ik zou Mot krijgen. Met die bom van jou was hij bijna ook vernietigd! Een onaanvaardbaar risico!” Oh, wat haatte ze Mot toch. ‘Not the hated but the hater has the torment that’s greater’, had ze wel eens gehoord. Nou, als zij Mot in handen kreeg zou ze het tegendeel wel eens bewijzen. “Pazzoppe, Rehtse. Ik heb nog wel wat wapens hoor, en ik ben niet bevreesd ze te gebruiken. Ik ken Melliw al langer dan vandaag. Hij zal terugkeren. Oh ja, hij zal terugkeren. En ik zal hetzelfde doen dan. Terugkeren dus hè. Om mijn ultieme wraak op hem los te laten. Ik geef hem dan een enorme schop onder zijn hol!” Ze hing op. Rehtse was ziedend! Niemand hing zomaar op als zij aan de lijn was! Ze sloeg een gat in een van de muren van de brug. Ze sloeg een van haar bemanningsleden neer. Ze stormde richting de cel. Ecyoj, de ontvoerde vriendin van Mot, zou het berouwen.
Melliw
werd ruw de cel ingesmeten. “Zeg, ik ken mijn rechten. Ik mag één telefoontje
plegen.” Melliw werd ruw de cel uitgesmeten. “Ga je nu een advocaat bellen of
zoget?” vroeg de cipier. “Nee. Dat zou zinloos zijn. Ik ben nu eenmaal schuldig
en zal moeten boeten. Ik zal wel een paar eeuwen de cel ingaan. Al mijn
vrienden zijn dood als ik weer terug kan keren. En ik wil één van hen graag
iets zeggen. Onverbloemd.” De cipier begon te lachen. “Ga je met haar trouwen?
En zoenen?” Hij maakte zoengeluidjes. “Pazzoppe, of ik sla je zo dood als een
cipier. Ik doe het hoor.” De cipier droop af. Het was een zielig mannetje, snel
beledigd. Hij zou wel even wraak nemen op Melliw. Hij ging de kamer binnen waar
alle telefoontjes doorverbonden werden. Daar verwisselde hij twee snoertjes.
Zo. Dat zou hem leren.
Rehtse stond in de lift. Ze naderde de verdieping waar Ecyoj gevangen gehouden werd. Haar woede was nog niet bekoeld. Ze zou zich een flink uitleven. Plotseling verscheen een verschijning. Het was Melliw. Voordat ze beveiliging kon oproepen begon hij te praten en zag ze dat het maar een hologram was. Een uitermate sexy hologram, dat wel.
“Mijn aller-, allerliefste. Ik heb je al die tijd van ver bewonderd, maar durfde niets te zeggen. Ik had zo mijn vermoedens dat het een tikje wederzijds was, maar we konden beiden niet de eerste stap zetten. Onze liefde is een onmogelijke. Ik had graag uitgevonden hoe het was, jij en ik samen. Helaas. Het mocht niet geschieden, hoezeer ik het ook wilde. Maar onthoud: ik heb altijd van je gehouden. Ik zal altijd van je houden. Want jij bent mijn kracht, en mijn heerlijkheid. Tot in eeuwigheid. Amen.”
Rehtse was nog nooit zo erg van haar stuk gebracht. Ze was haar à proposst. Had hij haar al die tijd ook bekeken? Maar dat had ze nooit gemerkt. Aan de andere kant moest het haast wel: hoe kon de U.S.S. Reed-X haar anders zo dicht blijven achtervolgen? Het was wel heel toevallig dat ze precies díe richting hadden gekozen waarin zij vertrokken was. Dus Melliw had haar al die tijd in de gaten gehouden. En het onvermijdelijke was toen gebeurd: hij was tot over zijn oren verliefd geworden op haar. Logisch, wie kon zo een macht in zo een lichaam weerstaan? Als ze nu eens een manier vond om hem aan haar kant te krijgen… Ze ging terug naar haar kamer. Ze moest eens nadenken over hoe ze Melliw weer terug kon laten keren. Hoe ze hem zich bij haar kon laten voegen.
Zo, dat
had hij tenminste gezegd. Het was alsof er een grote last van zijn forse schouders
was gevallen. De cipier kwam hem halen. Ten langen leste ging hij op weg naar het
Hemelse Gerecht.
“All
rise for the Honorable Roines, Creator of the universe.” klonk het door de
rechtszaal. Iedereen stond op. Roines nam plaats. “Openbare Aanklager, wat
staat er vandaag op het programma?” Trebmal Syum, de God van het Bridgen die de
rol van OA vervulde, antwoordde: “De zaak Hemelbewoners vs. Melliw. Hij wordt
ervan beschuldigd, de hemel grote schade, berokkend te hebben. We hebben
allemaal gezien hoe hij, in zijn nieuwe lichaam onder de naam Eilahtan, hier
een bom heeft gebracht, die vervolgens ontplofte, en sommige goden van hun
krachten, heeft beroofd. Hij zal-” “Zullen we eerst even de rechtszaak houden
voor we een uitspraak doen? Leid de verdachte binnen!”
De
deuren van de enorme zaal gingen open. Melliw, geflankt door twee engelen met
brandende zwaarden, liep geketend naar de beklaagdenbank.
De
rechtszaak kon beginnen.
Ekeneim
zat op de versterkte kapiteinsstoel van haar schip. Neitsirhc vroeg haar naar
haar plannen: “Wat zijn je plannen?” “Dat zal ik je vertellen. Ik heb besloten
ze nog wat te gaan jennen totdat Melliw terugkeert. Ik ga Adnil Padnil aan
boord plaatsen van de U.S.S. Reed-X.” Neitsirhc slikte. Een Padnil, dat was wel
erg drastisch. Ze had verhalen gehoord dat één Padnil een hele planeet tot
waanzin had gedreven, maar daar hechtte ze weinig waarde en geloof aan. Maar
als dit inderdaad de legendarische Adnil Padnil: de koningin van alle Padnils
was, dan zou de bemanning van de U.S.S. Reed-X nog heel wat te wachten staan.
“First
things first.” Zei Roines. “Ben jij Melliw, god van de humor en de liefde?”
“Als ik nee zeg, ga ik dan vrijuit?” De aanwezigen knikten instemmend. Het was
inderdaad Melliw. “Heb je een advocaat?” “Uhm, nee, nog niet. Ik mag zeker niet
Elocin, God van de advocatuur kiezen?” “Nee dat mag niet.” sprak Trebmal Syum.
“Je moet een sterveling kiezen. Dat is veel rechtvaardiger.” Melliw had al
eerder doorgekregen dat Syum er zou proberen voor te zorgen dat hij zwaar
gestraft zou worden. Dat was te begrijpen: hij was het zwaarst getroffen van
alle Goden. Het leek er zelfs op dat Syum zijn krachten kwijt was. Neem nou dit
spel: hij had- Met een “Hallo, kies je nog iemand?” verstoorde Roines zijn
gedagdroom. “Kan Niwla niet komen?” Het zat er dik in dat hij veroordeeld zou
worden, en zo had hij tenminste nog wat te lachen. Roines knipte met zijn
vingers. Niwla verscheen aan de zijde van Melliw. “Niwla de niwla de niwla! Wat
is dit nu weer voor onzin! Ik was net bezig de hemel te ontdekken! Proletenzooi
hier hé.” “Niwla, ik heb jou gekozen om mij te verdedigen. Jij bent mijn
advocaat.” Niwla schudde zuchtend zijn hoofd. “The man who represents himself
has a fool for a client. And so have I. Nou ja, waarvan word je beschuldigd?”
Adnil
Padnil kroop door de ventilatieschachten van het schip. Ze hoorde een stem en
naderde het rooster waar het geluid vandaan kwam. “Hallo, Rehtse? Ja, met mij.
Ja, ik dacht al dat je me kende. Ik wil me bij jou voegen. Zeg maar wat ik moet
doen om me bij jou vrouwenleger te mogen voegen. Ok. Wordt geregeld, geen
probleem. Prima. Ik zal je laten weten wanneer het zover is.” Sommige wezens
zouden dit een zeer interessante conversatie gevonden hebben. Maar Adnil Padnil
niet hoor. Nee, die zat haar aars te likken. Iemand moest het toch doen? Ze
kroop verder.
Ze
kwam langs een donker rooster. Toch hoorde ze duidelijk een gesnik hierachter.
“Hoe kon hij me zo kwetsen? Ik weet dat hij het niet zo bedoelde, maar toch. Ik
ben gebroken, van binnen. Maar eigenlijk weet ik best dat hij het niet expres
deed. Het ligt in zijn natuur. Ik neem het hem niet kwalijk, vergeef het hem.
Ik hoop dat hij dat weet. Maar ik mis hem zo. Ik mis hem zo. Ik mis hem zo
erg.”
Deze
liefdevolle wanhoopskreten gingen nog een tijdje door. Ze sprak nogmaals over
hoe ze gekwetst was, maar dat ze hem toch miste. Dat ze wist dat hij bepaalde
dingen om verkeerde redenen zei en het accepteerde, het hem vergaf omdat ze van
hem hield. Voornamelijk dat ze wilde dat hij wist dat ze het hem vergaf. Het zou
geen enkel wezen onberoerd kunnen laten. Behalve die beroerde Adnil Padnil. Die
zat weer haar aars te likken. Iemand moest het toch doen? Toen ze klaar was
liep ze verder. Ze sprong uit een open luik naar beneden, bevond zich in een
van de gangen van het schip.
Fluitend
liep Retuow door een van de gangen van het schip. Hij wist niet precies waarom,
maar hij was vandaag zo vrolijk. Zo vrolijk. Zo vrolijk. Hij was wel vaker
vrolijk, heel vrolijk, heel vrolijk, maar zo behoorlijk vrolijk was hij tot nog
toe nooit. Hij ging eens kijken hoe het met de verbouwing van het vrachtruim
stond. De deuren openden met een sjjjjjjj-pokk.
Adnil
Padnil glipte nog net door de deuren voordat ze sloten. Ze vond een plekje om
zich te verstoppen.
“Zo,
beste mensen, hoe staat het hier met de verbouwing?” Reigor en Mot keken op van
hun werk. De bom had toch nog aardig wat schade aangebracht terwijl hij de
dimensies doorliep. Ze dachten er maar liever niet aan wat er gebeurd zou zijn
als Eilahtan/Melliw de bom niet had meegenomen. Zijn/haar opoffering had hun
allemaal gered. “We waren bezig met stucadoren en toen bleek dat een muur
scheef stond dus nu gaan we die eerst bewerken zodat de ruimte wel kleiner zal
zijn maar zo hoeven we nog maar acht zakken Goldband te gebruiken in plaats van
de vijfendertig die we al gebruikt hebben op die andere muur.” “Dat kan ik niet
helemaal volgen,” zei Retuow. “Oh trouwens Mot, thanx voor die memo. We hebben
ervan genoten!” “Wat? Welke memo?” Retuow negeerde de vraag. Nou, succes! Ik ga
maar weer eens naar onze nieuwe suite.” En vrolijk fluitend liep hij weer naar
buiten.
Reigor
keek Mot eens aan. “Zou het hem nou echt niets doen dat we Melliw misschien
nooit meer terug zullen zien? Ik vind het namelijk heel erg.” “Ja ik ook. Echt
heel erg erg. Ik kan er eigenlijk bijna niet meer goed door functioneren. Maar
hij heeft er schijnbaar geen last van, professioneel hoor.” zei Mot en hij liet
een zak met stuc uit zijn handen vallen.
“Gooi
maar op de grond.” Zei Adnil Padnil.
“Wat? Van dat soort praatjes ben ik niet gediend, Reigor.” Reigor snapte het
niet helemaal maar hield wijselijk zijn mond. Afgeleid struikelde hij bijna
over een zak Goudband.
“Breek
je nek voorzichtig.” Zei Adnil Padnil.
“Ja,
daar heb ik wat aan,” zei Reigor. “Wat?” zei Mot. Geërgerd gingen ze verder met
hun werk. Ze hoorden niet eens het geluid van de deuren die open- en weer
dichtgingen.
Het
zich verwijdende lichtstreepje deed Elleinad hoopvol opkijken. “Melliw?” “Nee,
het is mij, Retuow. Ik dacht dat je deze kamer op ging ruimen, zodat wij hier
in konden trekken. Melliw maakt er nu toch geen gebruik meer van en het is de
enige vrije tweepersoonskamer. Over vrije gesproken…” “Nee, ik heb besloten dat
we deze kamer zo moeten houden. Voor als Melliw terugkomt.” “Als indien bedoel
je neem ik aan?” “Als wanneer natuurlijk. Hij zal wederkeren. Oh ja, hij zal
wederkeren.” “Nou ja vooruit dan. Trek je wel wat leuks aan vandaag? Al dat
zwart is niet echt vrolijk.” En hij liep fluitend naar buiten.
Adnil
Padnil liep nog wat verder door de gangen. Ze rook voedsel. Ze volgde haar
neus. Ah, daar was het eten. Ze rook ook nog wat anders. He bah, dat rook niet
helemaal fris. Maar het leefde wel. Adnil ging er op af. Haar instinct dreef
haar naar dit vreemde mannetje. Ze zou hem tot waanzin drijven. “Hallo hallo
hallo” zei ze. Haar stem doorliep drie octaven.
Rehtse
sloot het kanaal en lachte. Een intrigant, ze had het zelf niet beter kunnen
plannen. Nou ja, had ze natuurlijk wel, je bent Evil Emperess of the Galaxy of
niet, maar het kwam wel lekker uit. Ze zou het schip overnemen, daarmee Ekeneim
uitschakelen, en met haar schip uit de hemel een weg terugvinden daarnaartoe.
Om Melliw te redden. Met hem aan haar zijde zou ze alles regeren. Alles. Ze
draaide zich flux om, haar formfitting
dress zwierde rond haar benen. En ze lachte nogmaals haar demonische lach.
Best sexy, vind je niet?
“Ik
kom hier om wat te eten!” zei Adnil Padnil. “Daar ben ik hier voor,” zie Leor.
Hij draaide zich om maar zag niemand. “Hier beneden!” hoorde hij een stemmetje
zeggen. Hij keek naar beneden. “Ik wil wat te eten. En ik wil het nu. Dus haal
het voor me. Enneuh, doe dat ’s ex-
tra
snel.” Leor keek met grote ogen naar dit afzichtelijke wezen. “Wow. Wat ben jij
sexy. Ik denk dat ik van je houd.” Dit verbaasde Adnil. “Ik wil eten!” “Hier is
wat fruit. Wil je er koffie bij?” “Nee ik ga liever gewoon dood.” zei Adnil. Ze
at verder. Ze merkte dat Leor naar haar zat te staren. Heel lang. Beetje eng.
“Je hoeft niet te betalen hoor,” zei hij. “Voor niets gaat de zon op! Piet Krediet
woont hier niet!” zei ze. Het leek haar dat die Leor niet helemaal 100 % was.
Ze wist dat ze zelf aardig knet was maar hij was toch knetter. Maar goed, ze
moest hem compleet tot waanzin drijven. Ze kon niet anders. Ze ging een gesprek
met hem aan.
Elleinad
deed haar eerste stappen buiten de kamer van Melliw sinds 24 uur. Ze sloot de
deur af. Terwijl ze de sleutel omdraaide voelde het alsof er een hoofdstuk
afgesloten werd in haar leven. Ze accepteerde dat Melliw niet meer zou terugkomen.
Ze accepteerde Retuow. Met open armen. Hij was ook zo slecht nog niet toch? Toch?
“Maar
je weet niet eens of ik een jongen of een meisjespadnil ben!” “Och dat maakt me
niet zo heel veel uit hoor. Assemaaleutet. Maar als we een relatie krijgen dan
moet je je er wel op voorbereiden dat ik heeeeeel beroemd word. Ik ben namelijk
heel bijzonder. Zeg even dat ik heel bijzonder ben. Kom, zeg even.” “Ja ik zie
zo ook wel dat je bijzonder bent. Bijzonder vervelend!” Mensen die echt
bijzonder zijn hoeven dat niet elke keer te horen, wist ze. Nee, die doen
liever alsof ze niet bijzonder zijn en bagatelliseren alles wat ze doen. Zoals
het hoort. Ze begon door te krijgen dat ze voor ze Leor tot waanzin kon drijven
hem eerst tot onder de oppervlakte terug moest doen zinken. Ze probeerde het
met een “Maandag is de lotto simpel. Welgeteld.” Maar ook dit had geen effect. Hij
bleef haar maar aanstaren. Nerveus begon ze haar aars te likken, zoiets had ze
nog nooit meegemaakt. “Waarom lik jij je aars?” vroeg Leor. “Iemand moet het
toch doen?” zei ze. “Oh, mag ik?” Dit
werd zelfs Adnil Padnil te veel. Terwijl Leor haar naderde, zocht ze vluchtig
naar een vluchtweg. Haar ogen gingen in paniek heen en weer. Een Padnil in het
nauw maakt rare sprongen. Ze sprong over Leor heen. Recht in de oven.
“NEEEEEEEEEEEEEEEEEEEEEEEEEEEEEEEEEEEEEEEEEEEEEEEEEEE!”
riep Ekeneim gefrustreerd uit. Adnil Padnil was een van de weinige wezens die
ze echt een vriendin kon noemen. Was eigenlijk wel triest, maar ja. En nu was
ze dood. Ze zwoer wraak op de bemanning van de U.S.S. Reed-X. Wraak, dat waar
alle intelligente wezens door verbonden waren.
Mot
stond op de brug. Hij sprak de anderen toe: “Mensen en andere wezens, we gaan
Melliw redden. De dag dat hij verdween was een zwarte dag voor ons allen.” “Niet
voor Leor, volgens hem was het een blauwe dag met een groen randje.” Zei Reigor.
“Waar is Leor trouwens?” “Die ligt in bed te huilen. Hij zei dat hij pas over
een week of zo weer naar buiten kwam.” “Oh. Nou ja maakt niet uit. Ik wil dat
jullie allemaal jullie best doen om wat te verzinnen. We zullen niet rusten tot
we hem gevonden hebben!” Er piepte iets achter hem. Hij keek op zijn scherm. “Wacht
even jongens. Mmm. Dit is interessant… Ok, dat van Melliw kan wel even wachten,
die red zich wel. Dit is wel even een stuk belangrijker…”
“Het bewijs ligt om
ons heen: er zijn gewonden onder ons, gebouwen vernietigd. Ikzelf ben gelukkig
gespaard gebleven,” Syum stopte even tot het geroezemoes een acceptabeler
niveau bereikt had, “maar velen van jullie zijn diep getroffen. Ik roep op tot
de zwaarste straf die we hebben. Uitwissing: de totale vernietiging van Melliw
uit de historie van het universum!” Hij ging weer zitten. Niwla stond op. Hij
beklom enkele sinaasappelkratjes en begon zijn rede: “Het is mijn doel om te
bewijzen dat Melliw ontoerekeningsvatbaar was tijdens het ongeluk en de jaren
daarvoor. Ik zal dit doen door U een aantal gevallen voor te leggen waarvan ik
U de belangrijkste nu niet wil onthouden: hij leefde vrijwillig op aarde onder
de mensen, de laatste weken op een sterrenschip waarvan hij niet eens de leider
was!” Als één godheid haalden de aanwezigen van verbazing adem. Roines sloeg
met zijn hamer. “Aangezien ik onfeilbaar ben hoef ik jullie toespraken niet aan
te horen. Eigenlijk jammer want ik wilde wel een paar van die verhalen van
Niwla horen. Dit zou echter tijdverspilling zijn. Over één uur doe ik
uitspraak. Eerst ga ik wat nieuwe dieren bedenken en daar plaatjes van in mijn
boek plakken. Tot zo hè.” Vol spanning wachtten de aanwezigen af. Wat zou het
lot voor Melliw in petto hebben? Iedereen keek naar Tsooj-Krid, de god van het
lot. Maar zelfs die wist het niet.
Wordt
vervolgd…