Proloog:
Ze
lag nog steeds ver voor op het schip van Mot. De afstand werd zelfs steeds
groter. Het leek alsof Mot bij elke planeet waar zich ook maar iets boeiends
zou kunnen afspelen wilde stoppen. De U.S.S. Reed-X was toch geen
onderzoeksvaartuig? Als zij, Evil Emperess of the Galaxy een doel voor ogen had
zou ze zich door niets laten afleiden. Ze zou de eerste de beste mogelijkheid
grijpen om het te bereiken. Damn the consequences. Consequences
Schmonsequences. Consequences are inconsequential. Maar wat zou hij toch
uitspoken op die planeet…? Ze gaf het bevel het schip te stoppen. Ze wilde
niets missen.
Melliw
keek op van zijn scherm. “Mot, ik zie hier wat interessants. Je weet dat we in
de haast vergeten waren om eten mee te nemen hè? Mot? Mot! KAPITEIN!!” “Wat? Ik
hoorde je niet over het rommelen van mijn maag. Heb je nog geen planeet
gevonden waar we eten kunnen inslaan?” “Ik heb een planeet gevonden waar we
eten kunnen inslaan! Wacht, ik zal Marb-Twee-Kennietfluisteren een koers laten
inzetten.” “Nou ja, als je een planeet vind, laat je
Marb-Twee-Kennietfluisteren maar een koers inzetten. En anders eten we hem
gewoon op, klonen we wel weer een nieuwe.” Zo gezegd zo gedaan. Nou ja, dat
laatste niet dus hè. Maar goed, aangezien het nog een paar uur zou duren
voordat ze de planeet, die hij Anorev genoemd had, zouden bereiken, besloot
Melliw een wandelingetje te gaan maken door het schip. Eerst maar eens een bezoekje
afleggen.
De deuren van de ziekenboeg schoven open met een sissend geluid: Ssssssssssssjjj-pokk. Ardnas keek op van haar werk. “Hoi. Kom je doen?” “Even buurten. Ik vroeg me af hoe het met de bemanning stond. Ikzelf kan jaren zonder eten, maar niet iedereen is zo goed bedeeld als ik.” Ardnas stond watertandend naar hem te kijken. “O…k… je beeldt je toch niet in dat ik een enorme vis ben hè? Je weet wel, een knapperig gebakken scholfilet of zo, met een salade erbij, heerlijk knapperige sla. Citroenschijfje erop… verrukkelijk.” Ardnas nam een scalpel ter hand. “Het lijkt me tijd voor je lichamelijk onderzoek, Melliw. Als je even plaats neemt voor die enorme magnetron daar…” “Eum… volgens mij hoor ik iemand roepen. Wat? Ja, ik kom! Ik kom eraan! Hé, moet je daar eens zien!” Ardnas keek om. Melliw sprintte weg.
Mot
was in zijn element: bevelen uitdelen. Delegeren. “Retuow, ik wil dat je een
away team samenstelt. We moeten eten verzamelen, dus lijkt me het beste als je
Leor meeneemt want die is de kok, of Ardnas want die is dokter en die kan
kijken of het voedsel giftig is. Misschien zijn er vijandige wezens op deze
planeet, dus moet Elleinad ook mee om hen in te schatten met haar
gedachtenlezerij. En neem Marb ook maar mee, je weet immers maar nooit. Zijn
maar suggesties hoor. Hier is het boodschappenlijstje in ieder geval.” Retuow
zuchtte. Dit was veel te veel werk allemaal. Waarom moest hij alles doen hier?
Nou ja, eerst maar eens iedereen inlichten. Hij zocht Elleinad. Ah, daar zat
ze, aan de andere kant naast de stoel van Mot. “Lieveling, heb je het gehoord?”
“Ja, en ik ga niet mee met Ardnas of Leor hoor. Melliw kan dat toch ook wel?”
“Melliw hoeft niet eens te eten. Die is een God! Daar heb je niets aan zo.”
“Ja, ok, maar Reigor kan dat ook wel hoor. Anders ga ik niet mee want dan voel
ik me rot.” Mot, die op de stoel tussen hen in zat, zei: “Ik vind het best,
maar jij bent verantwoordelijk als we dadelijk allemaal dood neervallen,
Retuow!” Dat vond Retuow natuurlijk niet zo leuk. Razendsnel verzon hij een
alternatief: “Als we nou eens twee groepen sturen, eentje met mijzelf, Elleinad
en Reigor en eentje met Marb, Ardnas en Leor? Dan kunnen we ook meer verzamelen
en op verschillende plaatsen tegelijk zodat we de diversiteit van de flora en
de fauna ten volste kunnen uitbaten.” Mot haalde zijn schouders op. “Jow, is
goed.” Zo gezegd, zo gedaan.
Ze
waren in een baan om de planeet. Het eerste away team stond in de
transportkamer: Retuow, Elleinad en Reigor. Melliw zou hen zo naar beneden
verplaatsen, na een laatste briefing: “Het is onwaarschijnlijk, hoewel niet
onmogelijk, dat jullie intelligente levensvormen zullen tegenkomen, we hebben
de planeet gescand en er bevinden zich alleen planten op. Jullie zijn het
eerste of het ‘A’-team. Onthoud dit als jullie je weer melden. I pity the fool
who doesn’t remember his teamname.” “Zeg, moeten we geen wapens meenemen?”
vroeg Retuow. “Laserpistolen of zo?” “Lazer-op-pistolen zul je bedoelen. Het
eerste gebod voor ruimtereizigers is dat je de natuurlijke levensloop van een
planeet nimmer mag verstoren.” “Ok, maar doen we dat niet al door eten mee te
nemen?” vroeg Reigor. “Het tweede gebod is: Ik stel hier de vragen. En zoals ik
al zei, het zal toch niet echt nodig zijn. Zwieg nu, als ik me niet kan
concentreren dan gaat er misschien iets mis, dat jullie transportpatronen
versmelten bijvoorbeeld.” Hij concentreerde zich. Natuurlijk had hij een
machine kunnen ontwerpen om personen molecuul voor molecuul, atoom voor atoom,
quark voor quark, elektron voor elektron, melliwinia* voor melliwinia uit
elkaar te halen, te versturen en melliwinia na melliwinia, elektron na
elektron, quark na quark, atoom na atoom, molecuul na molecuul weer in elkaar
te zetten op een andere locatie, maar dat was leipe boel. En bepaalde personen
zou hij nooit zo in gevaar willen brengen. Vooral zichzelf. Nee, deze manier
was toch beter: ouderwetse godenkrachten. Nadat de eerste groep veilig en wel
verplaatst was, kwam de rest binnen: Ardnas, Leor en Marb. Hij stuurde hen naar
de andere kant van het enige continent van de planeet.
Ze
materialiseerden in een bos. Ze waren omsingeld door het grootste fruit dat ze
ooit gezien hadden. Manshoge appels. “Mmm, lekker. Appels. Mjam mjam.” zei
Reigor. Een van de appels bewoog. “Volgens mij bewoog die appel.” Als één appel
draaiden alle appels zich om. Alle appels richtten hun wapens, grove zwaarden
en bogen, op de drie vreemdelingen. “Ik voel… ik voel… grote agressie. Agressie
en woede.” Zei Elleinad. Reigor rolde met zijn ogen: “Meen je dat nou? Ik dacht-” “Zwijg, spion!”, onderbrak een van de appels
hem. “Wie zijn jullie? Waarom zien jullie er zo vreemd fruit? Jullie schil is
helemaal roze… Walgelijk!” “Wij zijn Retuow, Elleinad en Reigor van het
ruimteschip U.S.S. Reed-X. We zijn hier gekomen op zoek naar eten. Dus als
jullie nog wat fruit over hebben of zo, dan nemen wij het wel mee.” De appel
schoot in de lach. “Ha! En dat moeten wij geloven? Nee, jullie zijn vast
spionnen van onze aartsvijanden, de Du Comices. We nemen jullie mee naar onze
leider: de oudste appel die er is: Granny Htims.
* Na uitgebreid onderzoek in het laboratorium hadden Lom en Amsfaahcs ontdekt dat het allerkleinste deeltje bekend opgebouwd was uit nóg kleinere deeltjes. Deze noemden ze Saculreteps. Nadat de bliksem ingeslagen was in het huis naast hen veranderden ze de naam in Melliwinia. En terecht.
Leor,
Ardnas en Marb-twee-Kennietfluisteren materialiseerden in een bos [een ander
bos]. Overal stonden perenbomen. “IK ZAL EVEN KIJKEN OF HET VEILIG IS HIER,”
zei Marb. “MAAR BEGINNEN JULLIE MAAR
VAST TE PLUKKEN.” Terwijl Marb van boom naar boom liep, stak Ardnas haar hand
uit naar een lekkere verse peer. Toen ze hem aanraakte hoorde ze een stemmetje:
“He, dat kriebelt!” Ze schrok, trok haar hand terug. “Zei je wat?” vroeg Leor.
“Wat? Ik dacht dat jij wat zei. Nou
ja zal mijn verbeelding wel geweest zijn.” Ze reikte weer naar de peer. “Zeg,
wat moet dat daar?” zei nu een stem achter hen. Leor en Ardnas draaiden zich
vliegensvlug om. Voor hen stond de grootste peer die ze ooit gezien hadden. Een
peer met armen, handen, ogen, een mond. Vol ongeloof knipperden ze met hun
ogen. “Wie zijn jullie?” zei de peer. “Komen jullie van de appels? Heeft… heeft
Oemor jullie gestuurd?” “Oemor? Wie is Oemor?” De peer draaide zich hevig
geëmotioneerd om. “Hij is een appel. Dé appel. Hij is… hij is mijn minnaar.
Maar ik, Ailuj du Comice zal nooit met Oemor Deligues kunnen trouwen. Onze
families zijn in oorlog… God, ik weet niet waarom ik jullie dit eigenlijk
vertel, maar ik zit hier al zo lang mee. De pijn…! De pijn.” Ze ging zitten.
“De vete tussen onze families speelt al jaren. De overlevering leert ons dat
sinds onze grote leider, de Bwanaan, omgekomen is in dat onfortuinlijke ongeluk
er iets broeit tussen de appels en de peren. Zijn vrouw-” “Wie?” Onderbrak Leor
haar. “Kiwi.” Zei Ardnas. “Nee,” vervolgde Ailuj, “Niet kiwi. Dat zou absurd
zijn. Zijn vrouw, de weduwe Anna Nas, heeft nog geprobeerd om de breuk te
lijmen voordat hij te groot werd, maar het mocht niet baten. En toen Granny
Htims de leiding claimde, kwamen de grootste problemen erbij.” “Waarbij?”
“Aardbei. Zij vergeleek onze rassen en kwam tot de conclusie dat de appels het
hogere ras waren. Dat de peren hun kostbare vruchtbare teelgrond ingenomen
hadden. Dat was de aanleiding van de eerste grote slag. Op een nacht, geheel
onverwacht, organiseerden de appels een bloedbad. Ze vielen binnen bij onze
grootste boomgaard en velden alle bomen. Sommige waren volgeladen met kleine
peertjes…” Ze slikte een traan weg. “Velen dapperen zijn gesneuveld in die
nacht. De overlevenden zijn hem diezelfde morgen nog gepeerd.” Dit alles raakte
Leor diep. Hij zwoer deze jonge geliefden te helpen. Op zijn eigen speciale
manier.
“Leid
de gevangen voorkomen!” galmde het door de raadszaal. Reigor, Retuow en
Elleinad werden de zaal binnengeleid. “Voorkomen is beter dan genezen,”
mompelde Reigor. Niemand lachte. En terecht. Een rimpelige appel zat hoog
verheven op een rieten troon. Onderaan de verhoging waarop de leider van het
fruit zich bevond stond een appel in een cape met een klein snorretje.
Overduidelijk de grootvizier. Hij stampte een paar keer met zijn staf op de
grond. “Orde, orde. De rechtszaak zal beginnen. Voor ons staan drie wezens, die
beweren dat ze van een andere planeet komen. Dit is natuurlijk onmogelijk. Het
staat geschreven in de geschriften dat God in de Grote Fruitmand in de lucht
alle intelligente wezens geschapen heeft in zijn evenbeeld en dat er verder
geen planeten zijn. Dit is het onweerlegbare bewijs dat deze wezens spionnen
zijn van de peren, die goddeloze hersenloze wilden.” Om zijn woorden kracht bij
te zetten prikte hij Retuow met zijn vinger. “Blijf met je gore poten van me
af, jij verdomde smerige aap…pel. Aappel. Appel.” Kreten van verwondering en
verbazing klonken door de zaal. “Het praat!
“Alleen appelen kunnen praten!” “Hoe is dit mogelijk?” “Wat is een aappel?” “Orde,
orde. Deze goedkope truc bewijst niets. Morgenochtend, voor het ochtendappèl,
zullen ze worden opgehangen. En daarna zal de veile daad gewroken worden:
eindelijk zal het complete perenras uitgeroeid worden! Onze oosterburen, het
land Peren, zal dit voorjaar geannexeerd worden! Zo sprak onze leidster, Granny
Htims tegen mij, Vizier Elstar. Hij hief zijn rechterhand op als groet. Zijn
groet werd beantwoord: “Heil Elstar! Heil Elstar! Klop!” Ze werden naar de
kerkers geleid.
Elleinad
probeerde het nogmaals. Ze had haar mentale godenkrachten al aardig ontwikkelt
voor ze op reis waren gegaan. Ze begon er spijt van te krijgen dat ze zich
alleen gericht had op geestbeïnvloeding toen en niet op manipulatie van het
fysieke. Deze fruitwezens waren zo anders dat ze geen grip had op hun
gedachten. “Probeer Melliw nog eens te bereiken,” zei Retuow. Reigor knielde.
“Nee, antwoordapparaat staat aan.” “Laat mij maar eens,” zei Elleinad. Ze sloot
haar ogen. “Believe it or not, Melliw isn’t at home, please leave a-” ze
verbrak de verbinding. Een appel naderde de cel. “Psst. Psst!” Schichtig keek
hij om zich heen. “Ik ben Oemor. Jullie komen niet van de peren hè? Jullie
verhaal was waar.” “Hoe wist je dat?” “Niet alle appels zijn zo orthodox als
Elstar.” En hij vertelde hen de geschiedenis van de twee volken. Hoe Granny
Htims vlak nadat ze tot leider gekozen was vermoord was door de grootvizier,
die de macht overgenomen had en in haar naam zijn eigen racistische beleid
uitvoerde. Dat hijzelf een beweging opgezet had om de regering omver te gooien.
“Ik ben van plan om de twee rassen weer te herenigen. Te beginnen met het
huwelijk tussen mij en Ailuj du Comice.” “Leuke huwelijksnacht: kruisbestuiving,”
zei Reigor. “Morgen, vlak voor jullie executie, zal de fruit d’état
plaatsvinden. En zal die filosofaster van een Elstar eindelijk zijn verdiende
loon krijgen.” “Kunnen jullie dit niet vreedzaam oplossen? Een burgeroorlog…
verschrikkelijk.” zei Retuow. “Nou ja, als jullie wat beters verzinnen kunnen:
je hebt tot morgenochtend. Welterusten.”
Leor
gooide een steentje tegen het slaapkamerraam van Oemor. Hij had het idee
geopperd om Oemor en Ailuj mee te nemen op hun schip. Niet om op te eten, maar
om hun leven en hun liefde te redden. Er kwam geen reactie. “Misschien moet je
wat zwaarders gooien.” Stelde Ailuj voor. Leor pakte zijn zaklamp. Die deed het
toch niet meer, er moest een nieuw peertje in. Hij gooide de lamp door het raam. “Welk licht breekt door dat venster
ginds?” klonk het van binnen. Ze maakten dat ze wegkwamen. Ze hijgden uit in
nabijgelegen bosjes. “Oh Oemor, Oemor, waarom zijt gij Oemor? Loochen uw vader
en verzaak uw naam!” “Voldongen verzaking: twee strafslagen.” Ardnas negeerde
hem. “Wat zegt een naam?” vroeg ze. “Dat wat een roos heet, geurde als het een
andre naam had even zoet.” “Een roos? Wat is een roos?” “Uhm, appelbloesem. Dat
wat een appelbloesem heet, geurde als het een andre naam had even zoet.” “Niet
als het stinkkruid heette. Of schurftplant.” Wierp Leor tegen. “Werp jij nou
maar nergens meer wat tegen Leor, je hebt genoeg schade aangericht vanavond. We
moeten trouwens gaan, we zijn te laat. Het wordt al ochtend, ik hoorde een
leeuwerik fluiten.” zei Ardnas. “Wilt gij reeds gaan? Het is nog lang geen dag:
het was de nachtegaal, en niet de leeuwerik, wiens stem zo schel uw bange oor
indrong; op die granaatboom zingt hij elke nacht.” “Vreemd toch dat jullie hier
geen rozen kennen maar wel leeuweriken en nachtegalen.” Er kwam iemand aan. Het
was Oemor. “Mijn liefste, ik ben zo blij dat je er bent.” Morgenochtend worden
drie vreemdelingen veroordeeld en daarna zal het leger jullie aanvallen.
Tenminste, dat denkt Elstar. Hij weet niet dat wij een derde van het leger in
handen hebben. Als jullie ons steunen, kunnen we overwinnen en zullen onze
kinderen zonder angst kunnen leven.” “Drie vreemdelingen? Leken ze op ons?”
“Ja, sprekend. Komen jullie uit dezelfde boom? Nou ja, jullie lijken allemaal
op elkaar. Hoe dan ook, als jullie er morgenochtend niet zijn zullie jullie
vrienden sterven.” Na een innige omhelzing slopen ze weg in de nacht.
Beide
kanten gebruikten die nacht voor de laatste voorbereidingen. De kant van de
appels voor de executie van Elleinad, Retuow en Reigor. Morgenochtend zouden
hun levens veranderen. Morgenochtend zouden ze vermaakt worden. Een executie,
wat een aanblik.
Morgenmorgen.
Retuow ijsbeerde door de cel. “Ik moet wat verzinnen. Anders ziet het er naar
uit dat we geen geluk meer hebben. Morgenochtend zijn we flink genaaid.” “Ik
zou mijn laatste nacht met mijn vriendin wel anders gebruiken.” Zei Reigor.
“Begin jij nou ook al?”
De
peren bereidden een wanhopige poging om ze te bevrijden voor. Ardnas sprak ze
bemoedigend toe: “Melliw lacht jullie deze dag toe. Het lot van een natie in
jullie handen. En gezegend zijn de peren die met al onze dapperheid vechten,
tot alleen de rechtvaardigen nog staan. Zie de vlammen in de verte, ze wenken
in de nacht. Jullie vechten in onze naam voor wat we weten dat goed is. En wanneer
ze jullie martelen, zul je niet de behoefte voelen weg te rennen, hoewel je
sterft: La Resisd’avranche leeft voort.” Velen probeerden hierna te deserteren.
De
zon kwam op. Ze werden naar het schavot geleid. Elleinad herkende Oemor in een
van de bewakers. “Alles is klaar. Jullie lopen geen gevaar zolang jullie je
maar uit de voeten maken als het vechten begint. Hij sneed de touwen door
waarmee hun handen gebonden waren.
Elstar
maande de menigte tot stilte: “Deze dag betekent het einde van de verdeeldheid.
De zwakkeren zullen vernietigd worden.” Een angstaanjagende strijdkreet
overstemde zijn toespraak. Vanuit het bos kwamen de peren, geleid door Ardnas
en Leor. Ze baanden zich een weg tot het schavot. Het vechten stond op het punt
van uitbreken.
Ze
stonden midden tussen de partijen in: het conventionele leger aan de ene kant,
de rebellen en Resisd’avranche aan de andere. Retuow hief zijn handen op:
“Stop! Zien jullie dan niet dat jullie hetzelfde zijn? Jullie groeien aan
bomen, hebben steeltjes en het belangrijkste: jullie hebben allemaal pitten.
Het gaat om het binnenste, niet om de vorm van je lijf.” Reigor schoot in de lach. Retuow keek hem
pissig aan. “Binnenpretje.” Zei Reigor. “Mag ik? Ben je klaar? Ja? Hij hief
zijn handen weer op in een dramatische pose: “Jullie vete is nergens op
gebaseerd! Ik had een droom! Al het fruit leefde in harmonie!” Hij nam Oemor en
Ailuj ieder bij de hand. “Bouw aan die toekomst…samen.” En terwijl hij hun
handen in elkaar legde steeg er een luid gejuich op uit de menigte. Als één
stuk fruit gooiden ze hun wapens neer Ontroerd vielen ze elkaar in de armen,
appels en peren, Retuow en Elleinad, Reigor en Ardnas, Leor en Elstar.
Vanuit
de achterste geleden klonk een ijselijke kreet. “IK KOM NAAR DEZE VERDOMDE –
hak- ROTPLANEET OM ETEN IN TE – klap - SLAAN EN DAN – Afgeslagen steeltje
- WORDEN MIJN COLLEGAS ONTVOERD EN DAN
MOET IK DIE HELE –fontein van appelsap- ROTPLANEET DOOR OM –
doorkliefd[doorkloven?] perenhoofd – ZE TE VINDEN. START SPREADING THE NEWS,
I’M LEAVING TODAY! – Rondvliegende pitjes, klokhuizen, blaadjes en stukjes
schil – THE LINE MUST BE DRAWN HERE! HIER BEN IK, VERSE GROENTEMAN, MET MIJN
WORTELS EN MIJN SELDERIJ. AL DIE VERSE GROENTEN ZIJN HEEL ERG GOED VOOR MIJ. EN
OOK VOOR JOU DUS EET ZE GAUW JE WORDT GEZOND IN PLAATS VAN ROND…” En terwijl
hij met een krachtige zwaai van zijn bemachtigde bijl in een vloeiende beweging
zowel Oemor en Ailuj, de laatste nog staande appel en peer, bissectreerde, ontving hij een dolk in zijn
voorhoofd. “Dat is omdat je ware liefde hebt verpest, klootzak.” zei Leor, die
zijn dolk weer loswrikte uit het levenloze hoofd van Marb. “En omdat je het
verschil tussen groenten en fruit niet weet. Ik zou niet kunnen leven in een
wereld waar de vernietiging van ware liefde niet gewroken werd.” “Verbeter de
wereld, begin bij jezelf,” mompelde Elleinad. “Nou ja, we hebben nu in ieder
geval genoeg te eten voor een tijd. Deze verdelging is dus niet voor niets
geweest. Begin deze fruitsalade maar vast te verzamelen, dan roep ik het schip
wel op,” zei Reigor. Hij knielde en begon te bidden: “Melliw, als je zo ver
bent, team A en B melden zich. Een somb’re vrede brengt ons deze morgen; de zon
omfloerst van wee haar aangezicht; dit onderzoek eist nog mijn droeve zorgen,
opdat ik streng, en toch genadig richt. Nooit trof het noodlot twee geliefden
zo, als ’t Ailuj hier deed en haar Oemor. Maar goed, om een lang verhaal kort
te maken: we hebben een hele lading fruit en een lang verhaal. Jullie nog wat
meegemaakt, amen?” “We hebben meer meegemaakt dan je zou verwachten of
geloven,” hoorde hij Melliw zeggen in zijn hoofd. “Maar dat vertel ik nog wel
een andere keer. Maak je klaar voor transport, amen en sluiten.”
De
vrachtruimte was volgeladen met fruit. Het zou vers blijven, daar zorgde Melliw
wel voor. Ze konden hun zoektocht verder zetten. To infinity and beyond. We’re
blasting trough the dawn. To another galaxy, won’t you come along with me to
infinity and beyond?
Ze
zette het scherm uit. Interessante ontwikkelingen. Hoe zou Mot reageren als hij
ontdekte dat er alleen maar fruit te eten was? Wat speelde er nou eigenlijk
tussen Elleinad en Melliw? Wat speelde er nou eigenlijk tussen Elleinad en
Ardnas? Wat speelde er nou eigenlijk tussen Elleinad en Leor? Wat deed Reigor
er eigenlijk bij? Ze zou het in de gaten houden. Iedereen was anders, anders
dan ze verwachtte. Maar in de volgende aflevering volgt toch echt de
afrekening, hield ze zichzelf voor. Nou ja, misschien in de aflevering daarna. Maar
wel snel. Echt waar.