Retep
rende door de gangen van het ondergrondse laboratorium.
Sacul
zat als een bezetene te zappen. Marb kwam binnen met popcorn en limonade. “Heb
je ze al gevonden?” vroeg hij. “Nope. Maar als je nagaat hoeveel paralelle
universa er zijn, dan weet je dat ik nog wel even bezig ben. Hadden we maar een
apparaatje dat Melliw, Mot en die twee meisjes snel kon opsporen.” “Ja maar dat
hebben we niet dus stop your whining and get zapping.” Hij leunde achterover.
Hij leunde snel voorover. “Wacht! Wat was dat? Zap eens terug.”
Retep
gooide een deur open en sprong erdoor. “Eureka!” De kamer was leeg.
Sacul
zapte terug. “Je weet toch dat ik altijd
van je houden zal? Zwijg nu en kus me!” Ok, zap maar weer door. Dit is wel
een heel walgelijk universum.” Zei Marb. Sacul leunde achterover met een enorme
grijns. “Mwah, ik weet niet. Misschien zijn ze daar wel terecht gekomen.” “Daar, ja, ja, daar! Ga door! Ga door!”
Retep
gooide een deur open en sprong erdoor. “Eurekatverdamme wat doen Marb en die
man daar op televisie?” Marb keek tussen zijn vingers door naar Retep. “We
hebben een universum gevonden waarin Marb een pornoacteur is. Homoporno.”
“Acteur? Ik zie daar helemaal geen camera’s hoor!” Retep ging tussen ze in zitten
op de bank. Hij schoof een beetje weg van Marb na een ‘aparte’ scene op de
televisie. “Die ander ziet er wel uit als een pornoacteur. Het lijkt wel Siuol,
de damgod vind je niet?” “Wat dacht je
van een lekkere vleeslol-” Sacul zapte snel verder. “Ik ga mijn netvlies
wassen. Met zoutzuur.” Zei Marb. “Wilde jij trouwens wat zeggen net Retep?”
“Wat? Nee. Ja toch! Waar is Ymer, want die moet het ook horen.” “Ymer had een
accute aanval van godsdienst en is de negertjes gaan bekeren.” “Waar?” “Ergens
in het zuiden van een of ander continent. Zuid-Afrika. Nee wacht,
Zuid-Antartica. Hij wilde zich er niet al te makkelijk vanaf maken.” “Nou ja
dan hoort hij het wel een ander keertje. Wat ik wilde zeggen was dus-” Hij
stond op. “Eureka!” Hij ging weer zitten. “Ik heb namelijk een peilzendertje
gemaakt dat we op de ABCD kunnen zetten zodat we Mot, Melliw en die twee
chickas kunnen blijven volgen. Het is gemaakt van-” “Messing” zeiden Sacul en
Marb in koor. “Wat? Nee. Al zou dat misschien beter werken. Wacht, ik ben zo
terug.” Sacul pinde hem terug op de bank. Hij was verbazend sterk voor zo’n
klein mannetje. “Laten we eerst maar eens proberen of het werkt.” Retep zette
het apparaatje op de afstandsbediening. “Ik moet eerst even de polariteit
omkeren.” “Waarom?” vroeg Marb. “Dat heb ik altijd al eens willen doen.” Hij
drukte op het knopje. Rehtse, Melliw, Ecyoj en Mot flitsten tevoorschijn op het
scherm.
Rehtse,
Melliw, Ecyoj en Mot flitsten tevoorschijn in de kamer.
“Ok,
we zijn weer thuis geloof ik.” zei Mot. Ze stonden in de slaapkamer van zijn
paleisje. “Tenminste…” Hij keek in het rond. “Dit stond dus wel aan de andere
kant van de kamer.” Hij verzette een vaas. “En dit schilderij hing aan de
tegenovergestelde muur.” Zei Ecyoj. “Wat weet jij veel over Mot’s slaapkamer
zeg.” Zei Rehtse met een onderdrukte glimlach. Melliw deed de deur open en stak
zijn hoofd naar buiten. Hij keek eens rond en draaide zich om. “Alles ziet er
vrij normaal uit.” Een verwarde blik vertoonde even zijn gezicht op zijn
gezicht. Hij keek nogmaals naar buiten. “Tenminste… was jou kamer niet aan de
linkerkant van de gang, in plaats van de rechterkant?” “Dat was hij wel.” Zei
Mot. “Dan zijn we dus toch verkeerd. En ik dacht nog wel dat ik alles goed
gedaan had! Geef me die ABCD eens.” Zei Melliw. “What’s the magic word?” zei
Mot. “Oh, ik weet het niet, geefmehetnuofiktrekjedarmenuitjelijfdoorjepupillen
misschien?” “Close enough.” Mot gaf het
hem. Melliw maakte het open. “Ah nee hè.” “Wat oeps?” zei Rehtse. “Ik zei geen
oeps maar ah nee hè. Hoe dan ook, ik had dus in het vorige parallelle universum
in het geniep nieuwe batterijen in dit ding gedaan en niets gezegd om jullie te
verrassen. Maar in het donker heb ik de batterijen er verkeerdom ingedaan: de
positieve kant aan de negatieve zijde en vice versa. Mijn hypothese is daarom
dat we in het spiegeluniversum terechtgekomen zijn. We moeten op onze hoede
zijn, want alles is hier tegenovergesteld aan onze wereld.” “Dus harten zitten
niet aan de linker- maar aan de rechterkant? En als je moet huilen zuig je
water op met je ogen? En mensen zeggen hallo als ze weggaan? En vampieren hier
spugen bloed? Bizar hoor.” Zei Ecyoj. “Ik denk niet dat hier vampieren zijn
hoor.” Zei Rehtse. “Die hebben geen spiegelbeeld.”
Melliw
de Duivel zat op zijn troon in de onderwereld. Hij verveelde zich en dat beviel
hem best. Een goede verveling moet je koesteren, zei hij altijd maar. Maar als Hoofd
Executive Managing van de hel had hij een zekere reputatie hoog te houden. Hij
bedacht daarom een aantal gemene plannetjes. Hij had er altijd wel een paar
achter de hand. Misschien dat hij nog maar eens wat prille liefdes moest
verstoren. Of nee, beter nog, hij zou de macht overnemen van de Oppergodin. Dat
was nog eens een goed plan. Maar hij moest voorzichtig zijn, niet te opvallend.
Eerst moest hij haar klooster in het paleis maar eens infiltreren. Dan zou hij
wel weer verder zien. Hij hield niet zo van vooruit plannen, dan ging de
spontaniteit ervanaf.
Mot
de bedelaar dook weg voor een laagvliegende vork. “Hou eens op met dat gegooi! Stop
met smijten! En wees opgehouden met werpen!” zei hij. “Het plastic bestek
groeit me niet op de rug! Weet je hoe lang ik heb moeten wroeten in het afval
bij de friture?” Hij dook weer weg, ditmaal voor een bord. Het ketste tegen de
muur. “Ga toch werk zoeken!” riep Ecyoj de bedelares en ze mikte met een
bekertje op hem. “Weet je wel hoe moeilijk het is om een leuke baan te vinden als
je zo bedeeld bent als ik? Als je je in mijn positie bevindt?” vroeg Mot. “En
welke positie bedoel je? De beste vriend van de koning?” “Nee, als je zo lui
bent als ik bedoel ik. En jij zit ook maar een beetje op de bank de hele dag.
Waarom zoek jij geen werk, hè? Vertel me dat eens dan!” Een bakje met
mayonaiseresten raakte hem op zijn hoofd. “Het huwelijk is als een plastic
vorkje: na drie keer consumeren is het waardeloos.” Zei hij en stormde de deur
uit.
Retuow
de dwergenkoning werd wakker en drukte op het belletje op zijn nachtkastje. Er
kwam niemand. Hij drukte nogmaals op het belletje. Weer kwam er niemand. Dit
deed zich nog enkele malen voor. Retuow pakte het belletje en rinkelde ermee.
Dat had meer succes. Het dienstmeisje kwam binnen. “Over twintig minuten willen
mijn vrouw en ik het ontbijt gebruiken, daarna voegen we ons bij Godin Rehtse
voor de ochtendmis.” zei hij. Ze knikte. Ardnas de vuurmeermin, zijn eega,
vrouw en echtgenote de koningin rekte zich naast hem uit. “En deze keer hebben
we graag warme thee, niet die afgekoelde rotzooi van gisteren, oke?” zei ze.
Elleinad het dienstmeisje sloot de deur achter zich en pinkte een traan weg.
Melliw,
Rehtse, Mot en Ecyoj slopen de deur uit. “Ik denk dat wij in de gastenkamer
terechtgekomen waren en dat onze gastenkamer in dit universum de kamer van de
prins is. Dat klinkt wel logisch, toch?” zei Ecyoj. “Zou kunnen. Maar de regels
van de logica zouden eigenlijk
tegenovergesteld moeten werken in het spiegeluniversum, want alles is
tegenovergesteld.” Zei Rehtse. “Maak ons nou niet nog meer in verwarring.” Zei
Mot. “Het is zaak dat we zo snel mogelijk nieuwe batterijen vinden om hier weg
te komen.” “En moeten we dan lege of volle batterijen hebben?” vroeg Rehtse.
“Hou op, dat is een bevel!” zei Mot. Melliw wist dat dit niet het gewenste
effect zou hebben op Rehtse en zag haar ogen al opvlammen. Hij greep snel in.
“Ze heeft gelijk.” Zei hij. “We weten niets zeker hier. Laten we maar eens wat
verkenningswerk doen.” Hij gaf haar een arm en knipoogde vlug naar Mot, die
steeds ongeloviger keek. “Probeer je me te versieren?” vroeg hij en volgde ze.
Ze begonnen de kamers te controleren.
Melliw
de Duivel klopte aan bij de achterdeur van het paleis, de ingang van het
klooster. Leor de Reus deed het luikje open. “Ja?” zei de abt (Leor de Reus was
een abt). “Ik kom hier een beroep doen op de beroemde gastvrijheid van de kerk
van Rehtse, Godin van alles wat goed is en zo. Dus kan ik hier misschien
binnendringen, ik bedoel slapen vannacht?” Leor de Reuzenabt fronste. “Ben jij
niet Melliw de Duivel?” vroeg hij achterdochtig. “Nee, maar dat denken mensen
wel vaker. Ik ben niet Melliw de Duivel, de kindereter, de zielenslikker, de
hielenlikker, debielentikker, senielenbikker, de wielenkikker. En zeker niet de
pielenflikker. Ook niet de vernietiger van werelden, Graaf van Netols, Hertog
van Keens, Koning van Dnalseirf. Ik zou niet weten over wie je het hebt
eigenlijk. Melliw de Duivel zei je? Nooooit van gehoord.” Loog hij, aaiend over
zijn geitesikje. Leor opende de deur. “Maar het is net ochtend! Zoekt u nu al
een plaats om te slapen?” Melliw knikte en mm-mmde instemmend. “Nou, kom maar
binnen dan. Ik heb geen tijd meer om naar je geleuter te luisteren, ik zat net
te bridgen met de monniken. Zoek maar een kamer uit.” “De kamer van Rehtse de
Godin?” “Nee, die niet. Die is bezet. Door Rehtse de Godin.” “Oh ja,
natuurlijk. Die mag ik natuurlijk niet storen. Kun je me misschien even
vertellen waar haar kamer is dan? Zodat ik niet per ongeluk bij haar
binnenstorm en haar vermoord in een poging om de macht over te nemen en mijn
duizendjarig, nee miljoenjarig, nee eeuwigdurend, nee miljardjarig empirium te
stichten bedoel ik?” “De kans daarop lijkt me klein. Kom nu maar binnen, dan
kan ik de deur sluiten aangezien ik dat op dit moment niet kan doen vanwege het
feit dat je de deur blokkeert door in de opening te staan.” Zo gezegd zo
gedaan.
“Misschien
kunnen we ons beter opsplitsen.” Zei Ecyoj. “We zijn geen amoeben.” Zei Rehtse.
Toen zij en Melliw weer bijgekomen waren van het lachen, vroeg Melliw waarom ze
dan moesten opsplitsen. “Omdat we dan sneller batterijen vinden, meer
interessante personen ontmoeten en ik me dan minder erger aan jullie tweeën.”
De eerste reactie van Melliw was natuurlijk precies het tegenovergestelde te
doen van wat hem gezegd werd, maar Rehtse vond het wel een goed plan want die
ergerde zich ook steeds aan Mot en Ecyoj. Dus werd er een compromis gesloten:
ze deden wat de vrouwen wilden.
Mot
de bedelaar liep vloekend het bospaadje af naar het paleis. Hij ging zijn beste
vriend Retuow opzoeken. Mot en Retuow waren echt de beste vrienden die er
waren. Ze hielden echt heeeeel erg veel van elkaar, maar niet op een
homo-erotische manier. Je zou kunnen proberen om in alle universa betere
vrienden te zoeken, maar je zou niet slagen, want zij waren de beste vrienden
die er waren. Dus zoek maar niet want dat is zinloos. Mot ging eens kijken of
er nog wat te bietsen viel bij Retuow. Retuow had al vaker allerlei baantjes
voor hem geregeld, maar Mot was keer op keer ontslagen. Zo lui was hij nou
eenmaal. Hij zag in de verte het rode haar van Ecyoj staan met Ecyoj eronder.
Dat was vreemd, hij had haar net nog achtergelaten in hun hutje in het midden
van het bos. Op de een of andere manier was ze sneller bij het paleis gekomen.
En ze was aan het zoenen! Met een man! Wat een sekreet. Hij zou ze op heterdaad
betrappen en dan konden ze eindelijk scheiden. Hij deed een dansje van plezier.
Want hij had echt een hekel aan zijn vrouw. Een enorme hekel zelfs. De
platonische liefde die hij voelde voor Retuow was precies het tegenovergestelde
van de haat die hij jegens Ecyoj koesterde. Hij sloop dichterbij. Hij vond wel
dat ze een knappe vent aan de haak geslagen had. Hij vroeg zich af hoe ze dat
toch steeds flikte, er was hem al vaker ter ore gekomen dat hij eigenlijk te
goed voor haar was. Dat vond hij zelf natuurlijk ook, maar het was leuk te
horen dat meer mensen dat vonden. Maar dat… maar dat was hijzelf! Hij keek eens
naar zijn handen en lijf. Nee, hij zat toch echt hier. Maar wie was dan die
knappe vent daar met Ecyoj?
Mot
en Ecyoj verbraken hun innige omhelzing. “Zo, dat had ik even nodig.” Zei Mot.
“Ik houd ook zoveel van je.” “En ik van jou. Maar goed, laten we maar op zoek
gaan naar batterijen. Het was een goed idee van mij om Melliw en Ecyoj binnen
te laten zoeken, zodat de schok voor de Mot van deze wereld niet te groot zou
zijn als hij jou zag. Want ongetwijfeld is Mot ook hier de prins,
spiegeluniversum of niet.” Mot wees er maar even niet op dat het idee van
Rehtse gekomen was. Hij vertrouwde Rehtse nog steeds niet echt, ze probeerde
zich steeds af te zonderen met Melliw. Ze had een slechte invloed op hem, dat
zag hij zo. Maar goed, hij had er niets aan om Ecyoj ook ongerust te maken. Hij
slikte zijn gevoelens wel weer in, zoals het een man betaamt. “Laten we maar
eens kijken waar we ergens batterijen vandaan kunnen halen.” “Misschien dat ik
jullie wel kan helpen…” zei Mot de bedelaar, die uit de struiken tevoorschijn
kwam. “Ik hoorde toevallig wat jullie zeiden, ik kon het niet helpen want ik
was mee aan het luisteren want ik ben nieuwsgierig. Ik kan jullie wel helpen,
maar dat zei ik al, want ik kan altijd wat regelen voor een vriend. En
aangezien jij zo te zien mij bent, dan ben je ook mijn vriend, want ik ben de
enige vriend die ik heb, op Retuow na dan vanwege dat hij mijn beste vriend is
die er is.” Hij duwde Ecyoj weg en sloeg zijn arm rond de schouders van Mot.
“Laat me je om te beginnen een gratis advies geven: dump die griet, voordat ze
de kans ziet om je te strikken en met je te trouwen. Geloof mij: Het huwelijk is als een snoepketting: in het begin lekker, maar als de
zoetigheid op is blijft er alleen een verstikkend touw om je nek over.”
Melliw de Duivel sloop door de gangen. Hij
zocht de kamer van Rehtse, maar met weinig succes. Plotseling hoorde hij haar
stem. Hij verschool zich in de schaduw. Wacht even, hij was de duivel. Hij kon
zich gewoon onzichtbaar maken. Hoe vulgairder zijn machtsvertoon, hoe beter.
Hij maakte zich onzichtbaar en stapte uit de schaduw. “Zullen we eerst een
rustig plaatsje opzoeken, voor we verdergaan met zoeken?” vroeg ze. “Mmmm… jij
weet wel waar ik van houd.” Antwoordde een stem die Melliw de Duivel bekend
voorkwam. Het klonk verdacht veel als zijn eigen stem namelijk. Hij liep op het
geluid af, volgde hen een kamer in en maakte zich weer zichtbaar. “Sorry dat ik
stoor,” loog hij. “Maar kan ik jullie misschien helpen?” “Je kan ons helpen
door je uit de voeten te maken!” zei Rehtse. Melliw de Duivel, aan wie
omgekeerde psychologie niet besteed was, draaide zich direct om. “Wacht!” zei
God Melliw. “Je kan ons wel helpen denk ik.” “Wou je hem erbij betrekken? Sex
met jezelf, kinky fantasietje hoor.” Zei Rehtse. “Gatver. Twee Melliws die
ertegenaan gaan? Ik denk niet dat iemand daar behoefte aan heeft. Twee Rehtses
daarentegen…” zei God Melliw. “Ja, dat zou cool zijn!” Zei Melliw de Duivel.
“Maar ik geef je weinig kans bij onze Rehtse. Die is namelijk Godin van alles
wat goed en kuis is ofzoiets. Maar ik kon je ergens mee helpen? Dat doe ik
graag hoor.” Loog hij. “Ja, als ik misschien een geestversmelting met je kan
aangaan, dan kom ik misschien meer te weten over mijn ware aard. En het scheelt
wat in uitleg, want je vraagt je vast af wie wij zijn en waarom ik zo op jou
lijk.” “Niet echt,” loog Melliw de Duivel. “Maar ga je gang.” Hij begon zijn
broek uit te doen. “Wat doe je nou?” vroeg God Melliw. “Ik maak me klaar voor
de geestversmelting. Mijn geest zit in mijn reet, bij jullie niet dan?” “Nee,
aan de andere kant bij ons.” Zei Rehtse. Melliw de Duivel keek verbaasd naar
beneden en weer omhoog. “Daarin?” vroeg hij ongelovig. “Nee, in ons hoofd.
Laten we maar beginnen.” Zei God Melliw en hij draaide zijn hoofd weg, legde
zijn hand op de ontblote kont van Melliw de Duivel. Hij begon de
geestversmelting.
Melliw
verbrak de versmelting. “Oke, dat was…leerzaam. Jij bent dus mijn tegenpool?”
“Dat lijkt er wel op ja. Ik voelde nog iemand daarbinnen, een andere Melliw. Ga
je een versmelting aan met alle Melliws die je tegenkomt?” “Ja, ik maak er een
spelletje van: Gotta catch them all. Maar leid me niet af! Jij, mijn tegenpool,
bent de Duivel! De personificatie van alles wat slecht is! Dan zou ik dus alles
wat goed is moeten zijn.” “Ja dat lijkt me logisch dan.” Zei Melliw de Duivel.
God Melliw keek naar Rehtse. “Maar jij hebt me opgevoed om slecht te zijn. Dat
zou eigenlijk nooit gelukt moeten zijn, omdat het tegen mijn natuur zou moeten
indruisen.” “Dat hoeft toch niet? Jij had een natuurlijke aanleg voor
wreedheid. Ik heb het alleen een beetje aangewakkerd.” Zei Rehtse. Melliw
bevond zich in een existentiële crisis. Nooit leuk. “Oke, ik heb een besluit
genomen. We gaan zo snel mogelijk terug naar onze wereld en daar ga ik Elleinad
vinden en die geeft mij mijn geheugen terug.” “Waarom is dat nodig?” vroeg
Rehtse. “Houd je van me?” “Natuurlijk houd ik van je. Stomme vraag.” Antwoordde
Melliw. “Waarom zou je dan riskeren dat we dit verliezen? Stel je voor dat je ‘oude
ik’ niet van me houd… Wat wij hebben is iets speciaals, iets moois. We
begrijpen elkaar, voelen elkaar aan, vullen elkaar aan.” Ze drukte zich tegen
hem aan. “Ik moet weten wie ik ben.” Zei Melliw. “Anders blijft het altijd aan
me knagen. Maar mijn gevoelens voor jou zullen niet veranderen. Dat kan ik me
niet voorstellen.” Rehtse toverde een glimlachje tevoorschijn, maar het was
maar een façade. Ze zag het al voor zich: ze zouden terugkeren, Melliw kreeg
zijn geheugen terug en werd weer de goede oude God. En dan zou hij haar willen
veranderen. Hij zou nooit zijn plaats aan haar zijde innemen als Evil Emperor
of the Galaxy, daar was hij te eerzaam, te ‘goed’ voor. Dat moest ze hoe dan
ook voorkomen. Elleinad moest zo snel mogelijk na hun terugkeer geëlimineerd
worden. Of beter nog, ze zou ervoor zorgen dat ze nooit terug konden keren. “Laten
we zo snel mogelijk gaan zoeken naar die batterijen.” Zei ze. “We hebben nog
zat tijd om te flikflooien daarna. Die batterijen kunnen niet wachten!” Dit had
het gewenste effect: hij deed het tegenovergestelde. God Melliw gooide Melliw
de Duivel de deur uit en wierp zich op haar. “Ik denk dat ik eerst nog wel een
gaatje kan vrijmaken.” Zei hij. “Jij ook?”
Mot
de bedelaar had Mot de prins en Ecyoj mee naar zijn huis genomen. “Waarom zeg
je me nooit wanneer je bezoek meeneemt!” krijste Ecyoj de bedelares en gooide
een vaas naar hem. “Nu heb ik niets in huis voor ze.” Ze realiseerde zich de de
bezoekers wel heel erg op haar man en haarzelf leken en viel flauw. “Zo, even
rust.” Zei Mot de bedelaar. “Het huwelijk is als een achtbaan: het begint reuze
spannend maar al snel lig je misselijk op de grond.” Hij opende wat kastjes.
“Een echtgenote is als een zandgroeve: de mooie oppervlakte is na een paar jaar
werk verdwenen en dan komt de ware aard naar boven. Ik zou toch zweren dat ik
hier batterijen had… Ik weet het al, ze liggen in mijn garage. Bij mijn grote
hobby: auto’s” “Auto’s? Garage? Die wil ik wel eens zien!” zei Mot. “Let jij
even op haar?” vroeg hij Ecyoj. Dat vond ze best. Mot en Mot stormden huppelend
de kamer uit.
Rehtse
en Melliw huppelden door de gangen van het kasteel. “Zullen we anders gewoon
hier blijven?” vroeg Rehtse. Dat vond Melliw geen goed idee, hij wilde immers
zijn ware identiteit terugvinden. Ze openden nog maar eens een deur. Een
oogverblindend licht verblindde hun ogen. “Wie is daar?” hoorden ze een stem
zeggen. De stem van Rehtse, Godin van alles wat goed is en zo. Rehtse trok
Melliw naar binnen en schermde haar ogen af met haar hand. “Mag dat licht even
uit?” Rehtse de Godin klapte in haar handen. De lichten dimden. Voor hen lag
een naakte Rehtse in een schelp. Melliw keek zijn ogen uit. Rehtse stootte hem
aan. “Zij heeft niets wat ik niet heb.” “Dat weet ik, maar ik krijg opeens een
ideetje. Double the pleasure, double the fun, nietwaar? Misschien kunnen we
hier toch nog wel eventjes blijven. Er gaat een nieuwe wereld voor me open.” Rehtse
keek hem aan om te zien of hij het meende of een geintje maakte. Maar zoals
altijd viel er niets af te lezen aan zijn gelaat. Ze deed een stap naar voren: “Hoi,
ik ben Rehtse uit een parallel universum. Wij zoeken batterijen om hier weer
weg te komen. Maar we hebben net besloten om hier te blijven geloof ik.” Ze
keek nogmaals naar Melliw, die haar toeknikte. “Dus laat maar zitten eigenlijk.”
Rehtse de Godin keek eens naar Melliw. “Is dit een truc, Melliw de Duivel?
Dacht je dat ik je niet zou herkennen als je je baardje afschoor? Verdwijn,
veile snoodaard!” “Nee, je begrijpt het verkeerd. Ik ben God Melliw, uit een
parallel universum, hetzelfde parallelle universum waar Rehtse vandaan komt.
Die Rehtse dan hè, niet jijzelf.” “Dat zou best eens waar kunnen zijn. Ik moet
eerst weten of het waar is voordat ik kan beslissen of jullie mogen blijven. Ik
heb een makkelijke manier om achter de waarheid te komen.” Zei Rehtse de Godin.
“Toch niet weer een geestversmelting hè?” zei Rehtse, Evil Emperess of the
Galaxy. “Nee, gewoon even met hem praten. Ik heb grote mensenkennis en weet
direct wanneer iemand liegt. Dus als jij even de kamer verlaat, Rehtse, dan
kunnen wij elkaar een beetje beter leren kennen. Intiemer.” Rehtse de Godin
keek wellustig naar Melliw. Nog nooit had iemand haar met zoveel wellust
gevuld. Rehtse, Evil Emperess of the Galaxy, fronste.
Ecyoj
en Mot kwam uitgeput aan bij de ingang van het paleis. Melliw werd net aan zijn
oor naar buiten gesleurd door Rehtse. “Ik heb de batterijen!” zei Mot. “Ik
dacht er eigenlijk over om hier te blijven, toen ik hoorde dat deze Mot van
auto’s hield. Hij bleek echter alleen van auto’s te houden om ze te slopen! Met
een hamer! The horror! The horror!” Tranen stonden in zijn ogen. “Dus zullen we
maar snel weggaan hier?” “Dat is ook vreemd, Rehtse wilde eerst hier blijven,
en ik niet, totdat we de Rehtse van hier tegenkwamen. Die liet me zien dat ik
hier ook veel goeds was om te doen, dus toen wilde ik best even blijven, maar
toen wilde Rehtse weer niet blijven, dus hebben we een compromis gesloten: we
doen wat zij wil.” “Geef mij de ABCD nou maar dan doe ik de batterijen er wel
in.” Zei Ecyoj. Ze deed ze er in en wilde net op het knopje drukken toen er
opeens een heks verscheen. “Ik ben Reigor de toverkol! Ik kom hier alles
vernietigen en de macht overnemen van Retuow, want ik wil wraak op hem nemen.”
“Wraak nemen? Wat heeft hij gedaan dan?” vroeg Melliw. “Gedaan? Hoezo gedaan?
Ik wil gewoon wraak nemen, daar heb ik toch geen reden voor nodig of wel dan?”
Ze hief een vuurbol boven haar hoofd en keek ze dreigend aan. Opeens vonden ze allemaal
dat je inderdaad geen reden nodig had om wraak te nemen, waarom zou je
eigenlijk? “Goed, ik ga dus alles vernietigen en ik begin met jullie.” Zei ze.
“Druk snel op dat knopje, doos!” zei Rehtse tegen Ecyoj. “Doos? Ik een doos?
Weet je wie er hier een doos is? Jij!” Ze begonnen aan elkaars haren te trekken
en te krabben en zo. “Zullen we ze uit elkaar halen, voordat ze elkaar pijn
doen?” vroeg Mot. “Elkaar pijn doen? Mijn Rehtse kan die Ecyoj van jou echt wel
aan dus hè.” “Wedje maken?” “Zeg, ik ga jullie vernietigen, letten jullie even
op?” zei Reigor de toverkol. Plots klonk er heroïsche muziek. Er kwam een
superheld aanvliegen. “Niet zo snel, Reigor de toverkol. Hier ben ik,
Onsterfelijkheidman! Met mijn wortels en mijn selderij. Ik ga je gemene plannetjes
stoppen!” “Niet waar! Ik maak je gewoon hartstikke dood!” zei Reigor. “Dat kan
niet. Ik ben Onsterfelijkheidman. Mijn superkracht is dat ik onsterfelijk ben.
En ik kan ook nog vliegen. Goed hè?” “Verdorie,” zei Reigor de toverkol. “Dan
heeft het ook geen zin om het te proberen om je dood te maken. Nou ja, dan ga
ik maar terug naar huis. Ik heb een enorme grote kamer, die moet ik nog
behangen.” “Zal ik je helpen?” vroeg Onsterfelijkheidman. Ze liepen arm in arm
weg.
“Was
dat Marb?” zei Rehtse. “Nee, hij leek niet eens op Marb. Marb heeft niet zo’n
raar maskertje op. Was dat Marb….tsjj.” zei Mot. Ecyoj drukte eindelijk op het
knopje. Ze verdwenen.
“Dat
was…raar.” Zei Retep. “Een beetje een vreemd spiegeluniversum.” “Ik snap niet
dat Reigor daar wel een vrouw was en de rest gewoon hetzelfde geslacht had. Dat
klopt toch niet helemaal vind ik, dat is niet logisch.” Zei Marb. “Ja maar de
logicaregels werken ook anders in het spiegeluniversum.” Zei Sacul. “Dus druk
nou maar weer op dat knopje, dan kunnen we zien waar ze nu weer beland zijn.”
Retep drukte op het knopje. “Dat is… dat is onmogelijk!” Ze staarden naar het
scherm.