Sprookje – Deep Tragic Nine

 

 

Episode 11: Marb Attacks!

 

Ze vielen de onderwereld in. Ze vielen nog wat. Marb had zich altijd al afgevraagd of je op een gegeven moment niet meer harder kon vallen. Hij merkte nu echter dat ze steeds langzamer vielen. “Ik denk dat het komt door de warme lucht!” riep Reigor, aan wie het fenomeen ook niet onopgemerkt voorbij was gegaan. “Dat remt ons af!” “Het is toch raar gelopen hè,” zei Marb. “We besloten wraak te nemen op Ekeneim en dat heeft ons naar Retepslein geleid, die ons vertelde dat we vier gevaren moesten trotseren voordat we haar konden bereiken, waarvan de ronde van Endor de eerste was en dit uitstapje naar de hel de tweede!” “Je hebt onze avonturen tot nu toe mooi samengevat, Marb!” zei Reigor en hij gooide Marb een koekje toe. Klik-klik. Ze zweefden steeds langzamer naar beneden.

Ze verscholen zich achter een krater voor de gedrochtelijke monsters die hier rondliepen. “Ik vond Mellow eigenlijk niet het type dat er een hel op nahield,” zei Marb. “En dan zeker niet zo’n Danté-esque." “Hij heet Melliw.” Zei Reigor. “En ik denk dat ik wel weet hoe dat zit. Hij heeft alleen maar een hemel geschapen. Maar sommige mensen kunnen dit niet accepteren, zij weten dat wat ze in hun leven gedaan hebben verkeerd was en vinden, bewust of onbewust, dat ze gestraft moeten worden. Die personen komen hier terecht.” “Sommige mensen zijn echt eieren zeg.” “Ja inderdaad. Eens kijken welk ei ons kan helpen met info over Ekeneim.” “Weet je trouwens wat ik zou doen als ik dood was?” vroeg Marb. “Ik durf het bijna niet te vragen.” “Ik zou in de damesdouches gaan wonen.” Reigor realiseerde zich iets. “Euh, Marb, je bent al zes keer doodgegaan. Het zal wel dringen zijn ondertussen bij de damesdouches. Maar genoeg scherts. We hebben een afspraak met het lot, en we kunnen slechts hopen dat het een one-night stand wordt.”

Njimelliw zat op haar troon in de hel. Ze had het meteen gevoeld: er waren levende wezens op haar grondgebied. Dit was ontoelaatbaar. Ze stuurde Surebrec op hen af. Dat zou ze leren.

 

“We moeten ons haasten,” zei Reigor. “Die monsters hier zijn echt het afschuwelijkste wat er is.” “Dan heb je Speekseleim nog niet gezien.” Zei Marb. “Ekeneim. En inderdaad, dat heb ik niet.” “Stil eens?” Marb keek angstig om zich heen. “Na 6 levens voel ik onderhand aan wanneer er iets vreselijk vreselijk mis kan gaan. En dit is zo’n moment.” De grond trilde, alsof er een enorm wezen aankwam. “Oh bugger.” Zei Marb. Vanachter een rotsblok verscheen een enorme hondenkop. En nog een. En nog een. Marb slikte. “Is dat… is dat wat ik denk dat het is?” Reigor trok Marb de schaduw in. “Inderdaad, ik heb een tekening van hem in mijn toverboek. Het is Surebrec.” “De driekoppige hellehond?” “Hellenhond. Nieuwe spelling. En het is nog erger dan de legendes ons vertellen: Hij heeft inderdaad drie koppen. Maar ook drie staarten. En twaalf poten. En drie lijven zelfs!” “Je bedoelt dat het drie honden zijn?” “Ja. Eng hè?” Surebrec ging elk een andere kant op. Een van hem naderde de rots waarachter ze verscholen zaten. Hij begon te grommen. De andere twee staken hun hoofden omhoog en trokken in een cirkelbeweging om de rots om. Ze waren omsingeld. “Kun je niet… kun je ze niet doodtoveren?” vroeg Marb. “Ik zou wel willen, maar ze zijn al dood! We zijn in de hel!” “Ik offer me wel op.” Zei Marb. “En als ze zich tegoed doen aan mijn lichaam, mijn nog kloppende hart uit mijn ribbenkast scheuren en zich tegoed doen aan mijn ingewanden, dan kan jij…” Hij ging van zijn stokje. Reigor ving hem voor hij de grond raakte. Surebrec stond alledrie in aanvalshouding. Reigor ademde diep in. Hij sprong tevoorschijn.

“ZIT!” riep hij.

Voordat Surebrec het realiseerde gehoorzaamde hij. Klik-klik. Dit gaf Reigor de paar seconden die hij nodig had om zich uit te voeten te maken. Maar waarheen? Hij moest ze uitschakelen. En hij moest Marb blijven dragen. Hij keek niet goed uit waar hij liep en struikelde. Marb viel uit zijn handen in het water. “Zeg!” zei de man die in de plas stond. “Dat moet ik dus wel opdrinken, ja? Wat een kwelling.” Marb sprong op, gewekt door het koude water. “Ik ben helemaal nat! Sulatnat zelfs! Ben ik dood? Ben ik in de hel?” “Dat klopt, Dat is geen woord, Nee en Ja. Schiet op!” spoorde Reigor aan. De woedende honden kwamen de hoek om. Marb rende naar links, Reigor naar rechts. Beiden werden ze gevolgd door een hond. De derde kon niet kiezen en rende in volle vaart tegen de rotswand aan. One down, two to go.

Reigor rende bergop. Hij was een ervaren bergbeklimmer, maar die waren meestal wat steiler en hij ging nu langzamer dan verwacht. Gelukkig kon de gigantische hond achter hem maar moeilijk manoeuvreren over de relatief smalle paadjes. Reigor naderde de top. Hij bedacht zich dat hij dadelijk in de val zou zitten: wat als er geen paadje naar beneden liep? Hij liep bijna een oude man omver. De oude man duwde een ronde steen omhoog.

Marb zigzagde tussen die verdomde zieltjes door. De hond achter hem stampte gewoon over ze heen. Bijna viel hij in een gapende krater. Hij rechtte zich. Een stroom lava spoot eruit omhoog. Dit was het! Maar hoe kreeg hij dat klotebeest hierin? Hij keek om zich heen, zoekend naar lokaas. Daar! Een man lag vastgebonden op een rots. Gieren pikten aan zijn ingewanden. Hij joeg de beesten weg, verexcuseerde zich tegenover de man en gaf een ruk aan zijn dunne darm. Hij kwam los. De hond snuffelde rond, op zoek naar het spoor van Marb. Deze blies op zijn vingers. De hond keek op. “He, hond. Wil je een worstje?” Hij wapperde met de darmen.

Reigor duwde de man opzij. “Het spijt me, oude man. Ik heb je steen even nodig. Het lot van de wereld hangt ervan af. Nou ja, de wraak op Ekeneim hangt ervan af.” Hij duwde de steen bergafwaarts. “Zeg! Dat is dus wel mijn steen hè! En ik dacht net dat ik hem deze keer boven zou krijgen! En ik ben trouwens pas 35!” De steen begon te rollen. Toen de hond hem aan zag komen, probeerde hij zich nog om te draaien. Tevergeefs. Hij werd meegesleurd. Ze vlogen van de bergwand af.

Marb liep rond de krater. De hond vertrouwde hem niet! Argwanend kwam hij langzaam dichterbij. Maar hij liep rond de krater. Hij moest snel zijn. “Kijk eens? Kijk eens!” Snel haalde hij de darmen heen en weer. De hond volgde het met zijn ogen. Marb gooide de ingewanden de krater in. De hond sprong erachteraan. Althans, dat was de bedoeling. Het andere uiteinde zat nog steeds vast in de kermende man. Met een doffe plof viel het op de grond. De hond naderde likkebaardend. Marb sloot zijn ogen. “When you walk. Through a storm. Hold your head up high.” Hij stak zijn kin in de lucht. De hond opende zijn muil. Hij voelde de warme adem op zijn gezicht. Gevolgd door een windvlaag. Hij opende een oog, gevolgd door het andere. Tussen de brokstukken van een rotsblok lag bewusteloos twee derde van Surebrec. Reigor kwam aangerend. “Steeeee-rike! Dat noem ik nog eens K-Nine pin bowling! Whooh!” “Laten we snel iemand zoeken die weet waar Ekeneim is, en dan weg uit dit Godverlaten oord.” Zei Marb. Reigor merkte niet eens dat hij deze keer de naam onthouden had.

“Ze hebben WAT?” Njimelliw sprong van haar troon. “Mijn arme lieve hondjes! Spoedberaad! Roep alle manschappen bijeen!”

“Misschien weet hij daar wel,” Reigor wees naar een gigantische demoon, “waar Retepslein is. Die zit hier vast en zeker weet hij waar Ekeneim is. Dus sla dat monster in elkaar en probeer uit te vinden wat hij weet.” “Uhm… volgens mij lijkt die kleine daar veel slimmer. Die weet vast meer dan die grote.” Het alarm ging. Alle demonen en andere monsters renden dezelfde richting op. Reigor toverde een vermomming voor hen allebei en ze liepen achter de meute aan. Ze zagen er nu nog afzichtelijker uit. Njimelliw stond op haar balkon een toespraak te houden: “Er zijn indringers hier. Deze plaats is bezoedeld door levende voeten. Dit kunnen, mogen we niet toelaten. Dus gaat voort! Gaat voort en breng mij het hoofd van Marb en Reigor!” “Ik dacht dat de ziel van Njimelliw in een parallel universum gestrand was, door Elleinad…” zei Reigor. “Nou ja, we hadden kunnen verwachten dat ze een uitweg vond.” De menigte verspreidde zich. Marb schraapte zijn keel. “Laaggeachte meesteres, als ik een voorstel mag doen?” Njimelliw keek neer op hem. “Wat is het, uitzonderlijk lelijke demoon?” “Als we het nou eens aan Ketelfein vroegen? Die is ziener, die kan ze vast wel vinden.” Njimelliw keek in haar grote boek. “Wat doe je nou?” siste Reigor. “Ik weet wat ik doe. Nu komen we toch te weten waar hij is?” “Ketelfein zei je? Die is hier niet.” “Hij bedoelt Retepslein,” riep Reigor. “Njimelliw keek nogmaals. “Die is hier ook niet. Nog meer suggesties? I.P. Freely? Seymour Butts? Zeg het maar hoor. Nee? Nu dan, niemand zal rusten voordat ik hun hoofden in mijn handen heb.” Marb en Reigor slikten. Ze liepen mee met de andere demonen. “Wie moeten we het nu vragen? En hoe komen we hier weg? Wee ons! Wee ons!” zei Marb. “Laten we eerst maar eens een kopje koffie halen. Daar is een standje.” “Is dat… is dat wie ik denk dat het is?” De vrouw bij het standje was niemand anders dan Ardnas de zeemeermin.

Ze stond koffie uit te delen en te praten met Naaitsirhc Snomis en Kire Namlohcs. L’enfer, c’est l’autre. Reigor en Marb liepen op ze af. “Marb, zorg even voor de heren als je wil.” Marb sloeg Kire en Naaitsirhc naar een andere plaats in het hiernamaals. “Wat doe jij in de hel?” vroeg Reigor. “Sla me niet, enge demoon!” Ze hadden nog steeds hun vermomming aan. “Het is wij, Reigor en Marb. Wat doe jij hier?” “Ik moet toch boete doen voor het feit dat ik Mot verraden heb!” “Oh ja, daar zit wat in. Maar toch verdien je het niet echt vind ik hoor.” “Maar wat doen jullie dan hier? Jullie zien er nog aardig levend uit.” “We moeten info hebben over Pappenheim.” “Ekeneim. Info over Ekeneim.” Verbeterde Reigor. “We hoopten die hier te kunnen vinden.” Ardnas wenkte met haar vinger dat ze dichterbij moesten komen. Ze keek schichtig om zich heen. “Ik mag het eigenlijk niet zeggen, maar ik heb jullie altijd wel een beetje gemogen. Ik weet waar ze is. Toen ik koffie moest uitdelen in het hoofdkantoor zag ik haar in Njimelliw’s glazen bol. Ik zal een kaartje voor jullie maken.” Ze begon te tekenen. “Tussen twee haakjes, hoe zijn jullie hier eigenlijk terechtgekomen? Geitje geofferd? Een van de zeven hoofdzonden begaan?” vroeg ze. “Zeven hoofdzonden? Welke dan?” vroeg Marb. “Je weet wel, Domheid, Onredelijkheid, Promiscuïteit, Verraad, Ongeloofwaardig Liegen, Geen Kritiek Geven en Het Stelen van Andermans Vriendin.” “Geen van dat allen,” zei Reigor. “We hebben getoverd.” “Getoverd? Dat deed je anders nooit, Reigor!” “Jaja, teken dat kaartje nou maar. We hebben nog meer te doen.” Hij keek vluchtig om zich heen. Ze waren nog steeds omgeven door demonen, en deze fraternisatie met de gedetineerden zou vast en zeker opvallen. Ze was klaar. “Dank je, Ardnas. Dat heb je goed gedaad.” “Goede daad?” zei Ardnas. “Goede daad? Dat betekent… dat ik opgenomen wordt in de hemel! Goodbye, geween! Goodbye, tandengeknars! Start spreading the news, I’m leaving today!” En ze steeg op met engelenmuziek op de achtergrond. Marb en Reigor pakten allebei een been vast. Dit was hun kans op ontsnapping. “Jullie zijn te zwaar!” zei Ardnas en ze probeerde ze los te schoppen. Dit lawaai trok de aandacht van de monsters in de buurt. Reigor toverde de vermommingen weg. Dat scheelde al wat in gewicht. Langzaam maar zeker stegen ze op. Toen de demonen hun plaats bereikte, waren ze net te hoog om door ze gegrepen te worden. Daarom beklommen ze elkaar. “Must go faster. Must go faster.” Zei Reigor. Hij voelde de nagels van een demoon op zijn been. In een reflex schoot hij een vuurbal op hem af. Dat had het gewenste effect. Met een ijselijke kreet viel hij neer, de toren van monsters stortte in. “Hell hath no fury like a demon scorched.” Glimlachte hij. Ardnas zweefde door een opening in het plafond. Ze zagen zonlicht. Het tweede gevaar was getrotseerd.

Marb en Reigor vlogen nogmaals door de oneindigheid van de ruimte. “Zo,” zei Marb, “dat was het tweede gevaar. Nog maar twee te gaan en dan kunnen we Ekeneim verslaan. Of wacht, dat is vast ook heel gevaarlijk. Dus eigenlijk hoeven we nog maar één gevaar. En we volgen nu een kaartje dat door een vrouw gemaakt is, dus eigenlijk zijn we al klaar. Hoera!” “Ja, vast. Maar het is nog wel een end vliegen tot we bij Ekeneim zijn. Als we ondertussen nou eens een manier kunnen bedenken hoe we haar schip kunnen binnendringen?” Dat vond Marb ook wel een goed plan. Ze zetten de automatische pillot aan. Na tien minuten overleg met Marb besloot Reigor dat Marb misschien beter het schip kon besturen, dan zouden Reigor en de automatische piloot wel een plan bedenken.

“Zeg, word eens wakker Zijgoor. Word eens wakker!” Marb schudde Reigor eens flink door elkaar. “Wat? Ik sliep niet. Ikeuh… ik dacht na.” “Wat kwijl jij veel als je nadenkt zeg. Heb je al een plan gedacht?” “Nee, nog niet. Ik had me toch een rare droom net tijdens het nadenken! We vlogen niet in een shuttle door deze oneindigheid van de ruimte, maar in een houten… in een houten… ik ben het kwijt.” “Ja dat is allemaal goed en wel, maar hoe gaan we nu dat schip binnendringen?” “Wacht eens even,” zei Reigor, “Als jij hier bent, en ik ben hier, en de automatische piloot is hier, wie bestuurt dan het schip?” “Vrees niet, Vliegor.” “Reigor.” “Whatever. Het automatische broodrooster zit aan het roer.” Het schip onderging een flinke schok en begon te trillen. “Dat voelde precies alsof we de atmosfeer van een planeet binnen zijn gegaan, en alsof we nu met een ongekende snelheid op de oppervlakte afsjeezen!” “Dat had ik zelf niet mooier kunnen zeggen,” zei Marb. “Zullen we nu maar wat gillen dan?” Zo gezegd, zo gedaan.

Reigor deed zijn ogen open. Hij lag in een hemelbed maar kon zich niet herinneren hoe hij daar terechtgekomen was. Hij probeerde overeind te komen. Een stekende pijn in zijn zij hield hem tegen. “Welkom, reiziger.” Zei een vrouwenstem. “Welkom op de planeet van Ospilac. Rust hier.” Hetzelfde deed zich voor in de kamer van Marb.

Ospilac struinde door het gebouw. Haar onderdanen hadden haar verteld dat er twee mannen op haar planeet gestrand waren. Het was alleen nog niet duidelijk wie de held was. En dat was wel belangrijk: zij zou de held tot echtgenoot nemen en de ander zou… verdwijnen. Tijd voor een diepgravend onderzoek. Ze bekeek de eerste door het spiegelglas. Niet echt haar type, hopelijk was de ander beter. Mmm, dat was ook niet veel soeps. “Was er echt niet een held bij hen? Een lange, zwartharige man misschien?” vroeg ze haar bediende. “Nee, mevrouw. Dit waren de enigen.” Nou ja, het moest maar. Deze zouden het vast niet lang uithouden hier. Ze besloot eens met ze te praten.

“Één van jullie zal mijn echtgenoot worden.” Zei Ospilac. “Op mijn planeet zijn louter vrouwen en we hebben een man nodig. Een man met uithoudingsvermogen, als je begrijpt wat ik bedoel. Elke vent die tot nu toe hier terecht gekomen is, is binnen drie jaar bezweken. Jullie mogen uitmaken wie de held is van dit verhaal. Dat zal mijn echtgenoot worden. Je hebt vijf minuten.” “Dat is niet nodig.” Zei Reigor. “De held van dit verhaal is…” Marb kruiste zijn vingers en beet op zijn onderlip. “Ik ik ik ik ik ik ik ik” fluisterde hij hoopvol. “…de automatische piloot.” “Uitstekend. Hij leek me inderdaad het meest mans van jullie drieën. Mijn bediende zal jullie uitgeleide doen.”

“Uw schip is verruïneerd in de crash, maar we hebben al uw bezittingen in een van onze eigen schepen geladen.” Zei de bediende. “Als u mij wilt volgen?” Ze liepen achter haar aan. In een hangar stond hun nieuwe schip. Marb liep er eens omheen, hij klopte op het materiaal. “Is dat euh… is hout wel bestemd tegen de grote krachten die optreden bij het reizen door de ruimte?” “Er is nog nooit iemand teruggekeerd om te klagen.” Zei de bediende. Reigor keek het eens aan. Het was een rechthoekig gevaarte, met een deur zo groot als het schip zelf aan de voorkant. Het deed hem ergens aan denken. “Laat me raden,” zei hij. “Als ik de deur opendoe, gaat dan het licht aan?” De bediende knikte. Het was een houten koelkast. Maar goed, een gegeven paard mag je niet in de bek kijken, ook als hij van hout is. Ze stegen op, de oneindigheid van de ruimte in.

Neitsirhc, de first officer van Ekeneim, frutselde aan haar oorbel. Ze riep haar kapitein op. “Ik heb iets op de scanner opgepikt, kapitein.” “Is het Melliw?” “Nee. Dit vindt u misschien nog interessanter. Er drijft een enorme koelkast door de ruimte.” “BINNENHALEN!”

 

“WAAROM? WAAROM MOCHT IK DAAR NIET BLIJVEN?” “Omdat dat het derde gevaar was!” zei Reigor. “GEVAAR? EEN DRIEJARIG ORGIE! HAD ME TOCH DAAR GELATEN!” “Eeuwigdurend klusjes doen bedoel je. Gras maaien, vuilnis buitenzetten… brrrrrr.” Zo had Marb het nog niet bekeken. Er ging een schok door het schip. “Wat was dat?” vroeg Marb. “Het voelde alsof Ekeneim ons met haar trekstraal binnenhaalt. De confrontatie nadert. Hou je hoofd koel en laat je niet op de kast jagen.”

 

Neitsirhc opende voorzichtig de deur van de koelkast. “Er zit niets in, kapitein. Niets te eten dan, alleen wat electrische spullen en een lading oud brood.” “Dat valt tegen. Ik heb honger. Stuur een van mijn sujetten naar mijn kamer.” Neitsirhc wees er een aan. Het aantal bemanningsleden slonk snel. Dit in tegenstelling tot Ekeneim. Ze liep hoofdschuddend de vrachtruimte uit.

Marb en Reigor kwamen uit de kast. “Gelukkig keken ze niet in het vriesvak. Tijd om je plan in werking te zetten. Begin met verkruimelen. Dat is broodnodig.”

 

Marb gooide een handvol kruimels de lucht in. Ze vielen recht naar beneden. Dit was niet de goede kant. hij strooide nogmaals een handje vol kruimels op de grond. Met een sterkere afwijking vielen ze op de grond. “De gravitatiekracht is hier groter,” zei Marb. “Hekelwijf moet deze kant op zijn.” Reigor wilde reageren maar een oorverdovend lawaai verhinderde het. Hij viel met zijn handen op zijn oren ter aarde. Hij kon zijn handen niet gebruiken voor een toverspreuk om het geluid te stoppen. Gelukkig stopte het vanzelf. Twee sujetten stapten naar voren uit de schaduw. “Wel, wel, wel. Wat hebben we hier, Ecila?” zei de een. “Reigor en Marb, hè? Ooh, ik ben echt bang. Dus dit zijn degenen waarover iedereen praat, Eksnir.” “Je maakt een geintje. Je maakt een geintje! Ik kan mijn oren niet geloven!” Marb was hersteld van de auditieve klap. Hij stond op en veegde het stof van zijn kleren. “Sille en Ekster was het?” “Seila en Eksnir, eigenlijk.” Zei Ecila, dreigend zwaaiend met haar gitaar. “Oh, dat onthoud ik nooit.” Zei Marb. “Weet je wat, ik noem jullie allebei wel Sam. Maar wat waren jullie eigenlijk aan het doen, dat jullie zo'n herrie maakten?” Het verbaasde Reigor hoe Marb af en toe met vrouwen kon omgaan. Zelfs met deze. “Herrie? Wij waren aan het zingen! Vond je het niet mooi?” “Ja.” Zei Reigor. “Ja je vond het niet mooi of ja je vond het mooi?” vroeg Eksnir. “Inderdaad.” Zei Reigor. “Ik vond jullie gezang zelfs zo interessant dat ik jullie op wil nemen.” ‘In een gesticht’ voegde hij er in gedachten aan toe. “Nu heb ik toevallig een apparaatje ontwikkeld,” hij maakte een ingewikkeld gebaar en toverde een cassetterecorder tevoorschijn, “En als jullie nu even een stukje zingen, dan kunnen jullie zelf horen hoe goe… wat de kwaliteit van jullie zangkunsten is.” Dat leek ze wel wat. Reigor toverde een geluiddichte opnameruimte ‘opdat hun stemmen niet door achtergrondgeluiden verstoord zouden worden’. “Zullen we er nu maar snel vandoor gaan?” vroeg Marb. “Dat was toch je plan neem ik aan, Vrijboer?” “Reigor. Nee, ik wil hun gezichten wel eens zien als ze horen hoe slecht ze eigenlijk zijn.” Ze waren klaar met opnemen. “Mogen we het horen? Mogen we het horen?” vroegen Ecila en Eksnir. “Dat mogen jullie.” Reigor toverde een walkman vanuit het niets te voorschijn. Hij stopte het bandje erin en hield zijn hand vast voor zijn mond. “Mijn god.” Zei Ecila. “Mijn god!” zei Eksnir. “We zijn geweldig! Ik stuur het bandje op naar ‘3 Guys Who’ll Publish Anything, 222 Skyscraper Way.’ Dan worden we vast beroemd!” Ze huppelden weg. “Nou dat viel een beetje tegen.” Zei Marb. “Het belangrijkste is in ieder geval dat ze weg zijn. Dat was vast het vierde gevaar!” “Een twee drie vier, hoed je Ekeneim, wij zijn hier” zei Reigor. Hij liet wat kruimels vallen. Ze volgden het brood.

 

De kruimeltjes suisden door de gangen. Ze waren echt heel dichtbij nu. Ze openden de deur van wat ongetwijfeld de suite was van Ekeneim. “Waar is ze nou? Misschien zit ze achter die maan verstopt.” Zei Reigor. “That’s not a moon… That’s a Spacestation!” “Ekeneim,” verbeterde Reigor. “Niet Spacestation. Die verbasteringen worden wel steeds vergezochter hè?” “HoHoHo.” Zei een lage stem. “Mikaja muti, Solo?” Ekeneim draaide zich langzaam om. Echt heel langzaam. Na een half uurtje stelde Reigor voor dat zij wel even om haar heen zouden lopen, dat ging vast sneller. Niet veel sneller, maar sneller niettemin.

Ze stonden uitgeput oog in oog met Ekeneim. Het gevecht was nog niet eens begonnen. “Ho.Ho.Ho. Stuurt Melliw deze onderkruipsels om me tegen te houden? Ik kan jullie vermorzelen als mieren!” “Jij kan een mammoet nog vermorzelen als een mier.” Zei Marb. “Maar wij hebben een geheim wapen!” “En wat mag dat dan wel wezen?” vroeg Ekeneim. “Ah-ah-ah. Als ik dat zou zeggen zou het geen geheim meer zijn he.” Ekeneim drukte op de alarmknop. “Alle hens naar mijn kamer. Indringers!” Binnen luttele seconden stormden Ocaj en Neitsirhc de deur door. “Wat? Is dat alles? Waar is de rest van mijn bemanning?” riep Ekeneim. “Volgens mij zit er nog een stukje tussen je tanden.” Giechelde Ocaj. “Val aan!” beval Ekeneim. Reigor en Marb namen de gevechtshouding aan. Rug tegen rug. Ocaj trok zijn kromzwaard. Neitsirhc woog een dolk in haar hand. “Uhm… Reigor? Waarom hebben wij geen wapens?” “Het enige wapen dat we nodig hebben zijn ons superieuze intellecten.” “Superieure.” “Dat zegde ik toch?” “Dat zei je. Concentreer je!” Ekeneim lachte. “Je vriend is onder de invloed van mijn Hersenscrambler. Dat zorgt ervoor dat niemand hier kan toveren.” Ocaj haalde uit. Marb deed een sprongetje opzij en Reigor trapte hem met een roundhouse-kick in zijn gezicht. “Ho ho!” zei Neitsirhc, “Niet in het gezicht hè. Daar moet ik van leven.” Ze gooide haar dolk. Recht in Reigors dij. Hij schreeuwde het uit en trok het eruit. In een vloeiende beweging wierp hij de dolk richting Ekeneim. Deze werd door een vetrol opgenomen. Zij vertrok geen spier. “Dat lijkt er meer op. Mano a mano.” Zei Reigor. “Mano? Ik ben een vrouwo hoor!” Reigor knipperde met zijn ogen. Op die kans had ze gewacht. Ze krabde hem in zijn gezicht en trok aan zijn haar. Hij viel op de grond.

Ocaj gooide alles wat hij had naar Marb om hem tegen te houden. Vuilnisvaten, vuilniszakken, vuilnisbakken en vuilnis. Maar hij was niet te stoppen. Hij greep hem bij zijn kraag en tilde hem van de grond. “Dood me niet!” smeekte Ocaj. “Ik kan vanalles voor je regelen! Ik weet nog wel iemand van wie je goedkoop video’s kan huren.” Marb balde zijn vuist. “Of beter nog! Ik heb nog wel een leuke zus voor je!” “Praat die net zoveel als jij?” vroeg Marb. “Meer nog! Ze is echt wat voor jou.” Marb liet hem langzaam zakken.

Neitsirhc trapte tegen Reigor’s hoofd. “Hij lijkt uitgeschakeld.” Zei ze tegen Ekeneim. Die kwam met een verbazende snelheid op hem afgerend en- Neitsirhc wendde haar hoofd af. Ze hoorde de smakkende geluiden waarmee Ekeneim Reigor opslobberde. Er ging een koude rilling door haar ruggegraat. Om haar gedachten te verzetten ging ze Ocaj helpen in de strijd tegen Marb. Ze trok een dolk uit haar schoen en wierp het naar hem.

Ocaj’s ogen werden groter toen hij zag hoe Ekeneim Reigor met huid en haar opvrat. Marb, alert op gevaar, sprong in de lucht en draaide om zijn as. Ocaj ving de voor Marb bedoelde dolk op in zijn rug. Toen Marb zag wat Ekeneim met zijn vriend aan het doen was, was hij niet meer te houden. Hij wierp het levenloze lichaam van Ocaj terzijde en stormde op Neitsirhc af. Hij had nooit geleerd dat hij meisjes niet mocht slaan en deed dit dan ook. Haar nek brak. Hij hief zijn vinger voor de neus van Ekeneim. “Als er hier in dit verhaal iemand doodgaat, ja, dan ben ik dat! Of jij eventueel dus. En nu zeker jij! Een beetje mijn vriend opeten!” Ekeneim beet naar zijn vinger. Hij trok hem haastig terug. “Realiseer je je dan nog niet dat ik gewonnen heb?” Ze knipte met haar vingers. Het lichaam van Neitsirhc steeg op en zweefde naar haar. “Als ik die twee op heb, ben jij aan de beurt.” “Wacht eens even,” zei Marb, “Hoe kan het dat jij wel kan toveren? Ik dacht dat je die Hersenscrambler had aangezet, waardoor niemand kan toveren in deze ruimte. Dat zei je zelf!” “Dat klopt. Gelukkig draag ik altijd een Hersenscramblerblocker bij me. Het omgeeft mij met een krachtveld, waardoor ik beschermd ben. Alles binnen dat krachtveld kan wel toveren.” Haar maag begon te borrelen. “Wil je misschien een After Eight?” vroeg Marb. Ekeneim begon nog verder uit te dijen. Marb besloot dat het tijd werd om zich uit de voeten te maken. Hij nam een aanloop en sprong achter een bank, ter bescherming. Achter hem ontplofte Ekeneim. De hele kamer was behangen met de ingewanden en andere inhoud van Ekeneim. Marb stak zijn hoofd boven de bank uit. In het midden van de kamer zat Reigor. Marb rende op hem af. “Gaat het een beetje?” vroeg hij hem. Zijn huid was ernstig aangetast door het maagzuur van Ekeneim. “Help me… help me omhoog.” Fluisterde Reigor. Marb hielp hem. Ze zochten naar het hoofd van Ekeneim. “Ja dacht toch niet dat ik zo makkelijk te verslaan was, hè?” zei het hoofd. Reigor vormde een vuurbal. “Hartelijk sterfdag,” zei hij en schoot hem op haar af. Ekeneim was niet meer. Reigor verloor bijna het bewustzijn. “Marb, ik haal het niet. Ik ben stervende. De vuurbal waarmee ik Ekeneim van binnenuit liet ontploffen, heeft mij ook ernstig verwond. Ik zal mijn laatste adem niet verspillen aan meer woorden over wat ik allemaal niet meer kan zeggen, zoals Retepslein dat deed. Ik zeg je vaarwel.” “Nee!” Zei Marb. “Dit kan niet! Er moet toch iets zijn wat ik kan doen?” “Er is iets,” zei Reigor, “wat je kan doen. Maar dat kan ik niet van je vragen. Als je mijn DNA in de kloonmachine plaatst, word ik gekloond. Maar weet wel dat jij daarna nooit meer gekloond kan worden. De machine is daar niet op gebouwd, het is niet eens zeker of hij mij wel kan klonen.” Zijn ogen werden glazig. “Is het vuurwerk niet prachtig, vader? Zo mooi is het nog nooit geweest…” sprak hij met een glimlach. Marb nam een besluit. Hij trok een haar uit Reigor’s hoofd. “Au!” zei hij. “Je mag wel even wachten tot ik dood ben met het nemen van een DNA-monster!” Plotseling werden zijn ogen weer helder. Helderder dan ooit. “Ik snap het allemaal nu! Sokath, his eyes uncovered! Ik zie het allemaal!” En hij stierf. Marb maakte een luciferdoosje leeg en legde de haar erin. Hij liep naar de deur en stak een lucifer aan. Hij wierp hem naar binnen en sloot de deuren.

Op naar de kloonmachine.

Hosted by www.Geocities.ws

1