Episode
10: Reigor and Marb at Tanagra
De
deur van de kloonmachine ging sissend open. Rook stroomde naar de grond. Marb
nummer zeven ging rechtop zitten, wreef eens door zijn ogen en rekte zich uit.
Hij zag Reigor achter het roer zitten van de shuttle. “Dat was klote! Zag je
dat? Er was net een kloon die niet iets niet kon en toen blies dat verdomde
klotewijf hem op!” zei Marb. “Ik weet het, ik weet het.” zei Reigor. “Ik heb de
beelden van de vernietiging van de U.S.S. Reed-X gezien. Die Ekeneim moet een
lesje geleerd worden. Ga je mee? We zullen vele gevaren moeten trotseren om
haar schip te bereiken.” “Dat ligt eraan,” zei Marb. “Wordt het een reis vol
spanning, hartstocht en avontuur?” “Ik denk het wel.” “Enne… wie is de held van
dit verhaal?” “Dit verhaal? Dit is het echte leven, weet je wel?” Hij was toch
wel nieuwsgierig. “Maareuh, de held? Hoezo?” “Omdat de held altijd alle vrouwen
krijgt.” “Dat slaat als een tang op worst. Als er iemand de held is van deze
sage dan is het wel Melliw en die krijgt dus echt niet alle vrouwen. Volgens
mij is Leor de enige die van bil is gegaan sinds we van aarde zijn weggegaan en
hij is dus echt niet de held van dit verhaal.” Hij dacht even na. “Niet dat dit
een verhaal is. Die redenatie van jou hangt van de gaten aan elkaar!” “Ja?
Nou…Die van jou… Nou die klopt dus ook niet! Ha! Steek die maar in je broekzak!
Zet nu maar een koers uit naar het schip van Bekerwijn.” “Bekerwijn? Ekeneim
bedoel je.” “Oh ja, Ekeneim. Je hebt gelijk Hijger.” “Reigor. Ik heet Reigor. Jij heet
Marb-zeven-kengeennamenonthouden.”
Ze
vlogen door de oneindigheid van de ruimte. “Als we Ekeneim willen verslaan,
moeten we wapens hebben.” Zei Reigor om de pijnlijke stilte te verbreken. “Kan
je niet gewoon een zwart gat toveren of zo?” “Dat is lastiger dan je denkt,
Marb. Conventionele wapens zijn beter denk ik. Volgens mij is er hier een
Martelwerktuigenwinkel in de buurt.” Ze stopten bij een winkelcentrum en liepen
‘World of Pain’ binnen. “Bonjour!”
zei de man achter de balie. “Qu’est-ce que vous voulez?” “Wat zegtie nou?” zei
Marb. “Volgens mij is het frans,” zei Reigor. “Oh, ken je hem? Dan krijgen we
vast wel korting op wapens. Ik zie alleen heel geen wapens. Alleen maar brood.”
“Qu’est-ce que vous voulez? Alors, disez-moi! J’ai du travaille à faire, hein!”
zei de man. “Hij praat tegen je, Hein. Vraag hem nou maar naar wapens.” “Ik
heet Reigor, geen Hein! En dit is geen wapenhandel, maar een bakker. Daar
hebben we niets aan.” Reigor zei de bakker gedag: “Eau reservoir” Ze liepen
naar buiten.
“Wacht
eens even,” zei Marb, weer terug in de shuttle. “Ik heb een idee hoe we
Stekelbrein kunnen vinden in haar schip.” “Je loopt een beetje op de feiten
vooruit, Marb. We zijn nog helemaal niet zover, we weten niet eens waar haar
schip is!” Maar Marb was niet van zijn stuk te brengen. “Als we iets lichts
laten vallen, dan zal dat door haar gravitatiekracht naar haar toegetrokken
worden. We hoeven dus alleen maar de kruimeltjes te volgen.” “Dat is zo onnozel
dat het best eens zou kunnen werken. Maar wat voor kruimeltjes moeten we
gebruiken?” Marb dacht even na. “Brood?” “Daar zit wat in. Zet koers naar
‘World of Pain’” “We zijn nog niet
eens van de parkeerplaats af.” “Mimimimimi
mimimimimimi.” “Oeh, snedig antwoord,
puntje voor jou!” “Mi mimimimi, mimimimi.” “Hihihi.” “MiMiMi.”
Ze stapten uit.
“Zut
alors! Encore les idiots! Balon vert. Nous allons au finale!” zei de bakker. “GOE-DE-MOR-GEN, BES-TE MAN!” zei Marb.
“WIJ” –hij wees naar zichzelf en Reigor- “WIL-LEN BROOD!” En hij wees naar de
broden achter de toonbank. “Omelette du fromage! Un miljoun des bombes et
granates. Pourquoi tout les idiots vient à moi? QU’EST-CE QUE VOUS VOU-LEZ?
J’AI DU PAIN, DU VIN ET DU BOURSIN.” “Wacht eens,” zei Reigor, “Het is
inderdaad frans. Gelukkig heb ik een toverspreuk om frans te spreken.” Hij
spreukte hem. “Goodmoaning. I have a massage: I would look some brid.” “SI JE
TE DONNE DU PAIN, VOUS CHOO-CHOO-EZ? OUI?” Reigor knikte maar.
Ze
stapten weer in de shuttle, beladen met brood. “Wat bedoelde hij nou met ‘I’ll
fait un-un dans la competition des balons rouges?” “Geen idee. Buitenaardsen
zijn echt vreemd.” “Dat is een beetje racistisch, Marb.” “Oh dan neem ik het
toch gewoon terug.” “Goed zo.” Reigor maakte een klikgeluidje met zijn
klikgeluidmaakapparaatje en gaf Marb een koekje. “Maar dan hebben ze nog altijd
een probleem: Waar bevindt het schip van Ekeneim zich?” “Ja dat is een goeie
vraag. We zouden een persoon moeten vinden die haar locatie wil verraden.”
“Maar waar kunnen we die vinden?” “We moeten een plaats hebben waar het schip
zeker gestopt is.” “Een plaats waar de bemanning onopgemerkt in en uit kon
lopen.” “Een plaats waar iedereen je naam kent.” Ze hieven tegelijk hun vinger
op: “Verzot op CamSdlanod!”
Retepslein
de Ziener legde angstig zijn CamNekcihc neer en stak zijn handen in de lucht:
“Sjaloom, vrede!” zei hij smekend. Marb stormde op zijn tafeltje af en veegde
het met een armbeweging schoon. Al het eten lag op de grond. Hij hield zijn
vuist dreigend voor het gezicht van Retpeslein. “Jij gaat ons vertellen waar
Wekesteim heen is gegaan, vader, en wel nu!” “Welnu wat? En wie is Wekesteim?”
Reigor trok Marb naar achteren. “Mijn beste Retepslein, mijn vriend hier
bedoelt Ekeneim.” Retepslein deinsde geschokt terug. “Ah, je kent haar dus.”
Retepslein haalde een vinger langs zijn boordje. “Hoe zou ik haar kunnen
vergeten? Ik had het geluk dat ik hier van boord kon gaan.” “Maar je weet vast
wel waar ze heen is gegaan, niet?” “Dat is te zeggen…” begon Retepslein, maar
Marb stond op uit zijn stoel en rende op hem af. Hij greep hem bij zijn kraag
en hield hem tegen de muur. “Jij gaat ons dus alles vertellen wat je weet. En.
Wel. Nu.” “Welnu wat? Wat is er met jou? Sla me niet alsjeblieft!” Reigor
maande Marb tot bedaren. “Het is misschien beter als je wat vaart maakt,
Retepslein. Marb hier kan wat… ongeduldig worden als mensen geen vaart maken.
‘Geen vaart’ is een anagram van ‘’n gevaarte’. En Marb is ‘n gevaarlijk
gevaarte, geloof me. Dus meneer de verrader, verraadt haar nu maar.” “Een
verrader? Ik? Hoe kom je erbij!” Hij veegde wat stof van zijn revers. “Ik heb
alleen ervoor gekozen om mijn boodschap op een andere plaats uit te dragen.”
“Ok, Reetsplein de deserteur dan als je dat liever hebt. Maar weet je dan wel
waar ze zich bevindt?” vroeg Marb en hij kraakte met zijn knokkels. Retepslein
schraapte zijn keel. “Ik lijd jammer genoeg aan geheugenverlies als gevolg van
te weinig geld. Misschien dat een paar goudstaven mij een visioen kunnen geven
over jullie aanstaande avonturen.” Reigor draaide met zijn ogen. “Oh je bent er
zo een. Het Retepslijm der aarde. Marb hier leidt aan agressie als gevolg van
te weinig vaart. Ik moet even van de faciliteiten gebruik maken, maar jullie
vermaken je wel met zijn tweeën, niet?” “Ekeneimbevindtzichergenshiervervandaan!”
flapte Retepslein eruit. “Waar paddestoelenhuisjes staan?” vroeg Reigor. “Nee,
dat niet.” Hij sloot zijn ogen en beroerde met zijn vingers zijn voorhoofd. “Ik
krijg een visioen: Jullie zullen vier gevaren moeten trotseren eerdat jullie
Ekeneim kunnen bereiken!” “Zie je wel, dat zei ik toch!” zei Reigor. “Mag ik
even?” zei Retepslein. “Nou vooruit dan.” “Ten eerste zullen jullie de cycl-”
Bloed gutste uit zijn mond. “Ik ga dood!” zei Retepslein. “Kijk nou, ik ga
dood! Is dit een dolk die ik voor me zie? Voor in mijn borst? Mijn god, ik ga
dood! Nu kan ik jullie niet vertellen wat jullie nog allemaal te wachten staat!
Als ik nog adem genoeg had om het jullie te vertellen zou ik het doen, maar
helaas. Ik voel dat ik nog maar heel kort te leven heb. Ik zie zelfs mijn leven
voor mijn ogen voorbij flitsen. Ik dacht dat dat maar een fabeltje was.
Agossie, wat had ik toch een tragische jeugd. Dat verklaart natuurlijk wel
waarom ik zo’n verrader geworden ben. Oeh! Ik ga nu echt dood. Ik… ga… dood.”
Hij viel op de vloer. “Waarom d-” “Nee, ik leef nog!” Retepslein sprong weer
op. “Maar niet lang meer. Au. Au. Au! Ik sterf! Nu zullen jullie nooit weten
hoe jullie het schip van Ekeneim kunnen vinden en binnendringen! En ik had het
jullie nog wel zo graag willen vertellen! En het eerste gevaar dat jullie te
wachten staat! Daar kan ik jullie ook niets over vertellen. Terwijl ik het zo
graag wil! Maar ik kan niet! Want ik ga dood!” En hij ging dood. “Waarom…”
Reigor trapte even tegen Reigor om te zien of hij nou echt dood was. En al
bleek hij niet dood te zijn, dan was het in ieder geval geen verspilde moeite.
Maar hij ging verder. “Waarom deed je dat nou weer?!” riep hij uit. “Ik weet
dat we ‘Good Cop Bad Cop’ speelden, maar daar kan je mee ophouden als de
verdachte begint te praten!!” “Good Cop Bad Cop? Waren we daar mee bezig? Nou
ja, hij ging de hele verhaallijn verklappen!” zei Marb, die zijn dolk afveegde
aan zijn sok. “Daar heb ik zo’n hekel aan hè! Hele verrassing is er af dan.”
Reigor ontstak in woede. “Wat?! Je had toch ook gewoon je vingers in je oren
kunnen steken en ‘Lalalalala’ kunnen roepen? Dan wisten we tenminste waar
Ekeneim zich bevond!” “Oh ja dat was misschien niet zo handig van me hè?” “Jij
bent een beetsje dom geweest.” Zei Reigor. Marb bonkte met zijn hoofd tegen de
muur. “Ik ben ook zo stom! Stom stom stom stom!” Hij sloeg met zijn vlakke hand
tegen zijn slaap. “Kom nou Marb, dat moet je niet doen. Als je het met je vuist
doet komt het veel harder aan. En die man praatte toch veel te veel. God wat
kon die man praten. Praten praten praten. En je kwam er ook met geen speld
tussen hè. Als hij nou gewoon niet de hele tijd over zijn naderende einde had
geluld maar verteld had waar Ekeneim was, dan waren we tenminste minder ver van
huis. Maar nee hoor. Kwek kwek kwek. Hij bleef maar lullen. He Marb, waar loop
je heen? Doe niet zo flauw. He, wacht op mij!” Marb schudde met zijn hoofd. “Ik
vond hem leuker toen hij nog het stille, zwijgzame type was.”
Ze
vlogen doelloos door de oneindigheid van de ruimte. “Zo moeilijk kan het toch
niet zijn om haar te vinden?” zei Marb. “Kun je niet gewoon wat toveren? Je
bent toch een tovenaar of niet Breier?” “Reigor. En toveren is echt niet zo
makkelijk als het lijkt hoor! Het is niet alsof ik maar met mijn vingers hoef
te knippen-” Hij knipte met zijn vingers. Ekeneim verscheen achter in het
schip. “- en dat ze dan voor onze neuzen verschijnt! Nee, er komt wel meer bij
kijken dan dat hoor. Vingerknippen, ha!” Hij knipte weer met zijn vingers.
Ekeneim verdween weer. “Sorry hoor, ik wist niet dat je kwaad werd.” “Niet
kwaad. Verdrietig. Maar ik zeg je dit: degene die Ekeneim het eerst ziet krijgt
van mij een gouden dubloen.” “Aye, matey. Arrrr. Shiver me timbers. Pieces of
eight! Pieces of eight!” “Wat?” zei Reigor. “Treasure Island, toch?” “Nee, Moby
Dick!” “Nou je hoeft niet meteen te gaan schelden.” Marb ging met zijn armen
over elkaar in een hoekje zitten mokken. Maar dat verveelde ook snel. “Zouden
we de goede kant op aan het vliegen zijn?” zei hij. “Zou best kunnen. Ik heb
honger.” “Ja ik ook. Zullen we op de volgende planeet landen om eten te
zoeken?” “Is prima.” “Ik heb meer honger dan Hongie de hongerige Hongaar die al
drie weken in hongerstaking is.” Zei Marb. “Ja dat wilde ik net zeggen. Kijk
daar is de volgende planeet al.” Ze landden.
Marb
wilde de deur opendoen maar Reigor hield hem tegen. “Doe nooit zomaar de deur open als je op een planeet landt. Nooit. Wie weet wat voor bloeddorstig
fruit daar rondloopt?” “Pfff. Bloeddorstig fruit Schmoeddorstig Schmuit.” Hij
opende de deur. Hij sloot de deur. “Bloeddorstig fruit?” vroeg Reigor. Marb
schudde angstig van nee. “Een enorme eenogige eenzame reus. Als ik nog
Marb-twee-kennietzien was, was dit mijn koning. Hij ligt te slapen en we zijn
op zijn buik geland. Be vewy vewy qwuiet.” “Zullen we maar ergens anders landen
dan?” “Lijkt me een strak plan.” Ze stegen op, heel heel zachtjes.
Ze
landden een stukje verderop en stapten uit. “Zou dit het eerste gevaar zijn
waar Retepslein het over had? Een cycloop?” vroeg Reigor. “En die moeten wij
verslaan? Ik dacht het niet dus hè.” Ze werden bijna van de sokken gereden door
een wielrenner. “Wat was dat?” Ze werden weer bijna van de sokken gereden door
een wielrenner. “Hetzelfde als dat denk ik.” Ze renden achter de fietsers aan.
“Welkom,
welkom, bij deze 65e Ronde van Endor. Traditioneel kunnen we pas
beginnen als er 54 deelnemers zijn. Jammer genoeg zijn er nog maar 53
deelnemers. We komen dus een deelnemer te kort.” Marb stootte Reigor aan. “Ik
heb een idee. Retegeil zei toch dat we vier gevaren moesten trotseren hè.” “Retepslein zei dat, ja.” “Deze
fietstocht lijkt me aardig gevaarlijk, vind je niet?” “Ik denk niet dat hij
bedoelde dat we zelf de gevaren mochten uitkiezen. Hij wilde duidelijk cycloop
zeggen.” “Hoe weet jij dat? Misschien bedoelde hij cyclist. Maar ik vind alles
prima hoor, zeg het maar. Wil je die éénogige reus in elkaar slaan of een
eindje fietsen? Zeg het maar! Wat is het ergste dat er kan gebeuren, dat we
allebei doodgaan? Dat die enorme cycloop onze armen en benen en hoofden en
andere uitstekende lichaamsdelen van ons lijf rukt? Maakt mij niet uit hoor, de
kloonmachine staat klaar.” Reigor stond zich al in te schrijven. “Ik heb geen
fiets, is dat erg?” vroeg hij de ceremoniemeester. De andere deelnemers begonnen
te gniffelen. “Dat is helemaal niet erg,” zei de man met een enorme glimlach.
“Speciaal voor dit geval hebben wij een reservefiets.” Hij liep met Reigor naar
een oud schuurtje. Binnen stond een roestige fiets. “De andere deelnemers
gebruiken een nieuwer model, waarmee ze boven de grond zweven. Ook hebben hun
rijtuigen een straalmotor. Maar we kunnen nu in ieder geval beginnen en meedoen
is belangrijker dan winnen, niet waar? Over een half uur is de aftrap.”
“Een half uur?” zei Marb. “Dan hebben we niet veel tijd om die bak wat op te knappen.” Hij draaide zich om. “This thing is systematic. Hyyyyydromatic… It must be Greased Lightning! Op rupsbanden.” “Ja ik heb hem maar even omgetoverd.” Zei Reigor. “Nondeju!” zei Marb. Hij draaide “En ik had me er net zo op verheugd, op al dat bandenplakken en roest wegpoetsen. Wat heb je ermee gedaaaan?” Hij moest toegeven, het was vakwerk. Het leek hem dat je op deze fiets sneller was dan in een Jaguar XJ110. Maar hij had zich verheugd op het opknappen van de fiets dus kon hij niet laten weten dat hij hem best mooi vond. “Ben je lui of zo? Een ligfiets, tsktsk. Nou ja zorg maar dat je wint, dan kunnen we het volgende minst gevaarlijke gevaar opzoeken.” “We beginnen pas over 28 minuten hoor.” “Oh.” Ze zwegen. “Heb jij nog euh… nog wat van Leor gehoord de laatste tijd?” vroeg Reigor. “Nee.” “Oh.” Ze zwegen weer. “Zullen we anders alvast naar de startlijn gaan?” “Ja goed idee!” Ze renden naar de startlijn.
Reigor
stond aan de startlijn. Om hem heen ronkten de motoren. Maar Reigor was er van
overtuigd dat hij zou winnen. Want hij kon heel goed fietsen. Hij kon nog beter
fietsen dan Fietsie de Fietsende Fietser die al drie weken in fietsstaking was.
Reigor was niet zo goed met vergelijkingen als Marb. Het startschot klonk.
Marb
zat op een terrasje met de cycloop toen Reigor eraankwam. “Hé die Beigod, heb
je gewonnen?” Reigor haalde een takje uit zijn haar. “Het is Reigor, en nee ik
heb niet gewonnen. Niemand had mij verteld dat je onderweg ook zoveel mogelijk
teddybeertjes moest afmaken. En al helemaal niemand had gezegd dat de
teddybeertjes ook terugvechtten. Weet je wat ze me geflikt hebben?” “Nee. Ik
heb hier wat zitten drinken met mijn goede vriend Ymer.” “Ymmas.” Zei de
cycloop. “Ymmas Sivad junior.” “Het blijkt helemaal niet zo’n kwaaie pier te
zijn. Hij kan heel goed tapdansen. Misschien had je toch beter met hem kunnen
vechten dan meedoen aan die race.” Hij lachtte vrolijk. Reigor hoestte nog een
paar blaadjes op. “Laten we maar teruggaan. Op naar het volgende gevaar.” Zo
gezegd zo gedaan.
Ze vlogen opnieuw door de oneindigheid van de ruimte. Marb leunde lui achterover. “Volgens mij gaan we de verkeerde kant op hoor.” “De kans dat we de verkeerde kant opgaan is oneindig veel groter dan die op de goede kant. Dus ik denk ook dat we de verkeerde kant opgaan. Volgens de kansberekening moeten we dus van koers wijzigen.” Zo gezegd zo gedaan. “Volgens mij gaan we nog steeds de verkeerde kant op.” Zei Marb. “Dat zit er dik in. Maar als jij onze informant niet had gedood dan wisten we tenminste welke kant we opmoesten.” Marb hoorde hem niet. Hij keek zorgelijk naar zijn schermpje. “Wat is dat?” “Wat?” “Dat!” hij wees naar de voorruit. Voor hen was een gigantische hand verschenen. “Het is een hand!” “Oh ja nu zie ik het ook. Maar de scanners zeggen dat het een energieveld is.” “Wie geloof je nou, die scanners of je eigen ogen?” De motoren vielen stil. De hand had het schip te pakken. Achter hen verscheen een man in een toga. Reigor draaide zich om. “Hallo! Ik ben Suloea, de God van de wind. Ik kom je helpen bij je zoektocht naar Ekeneim, Reigor. Ik geef je daarom deze zak met wind.” Marb draaide zijn stoel ook om. “Oh.” Zei Suloea en hij snoof eens diep. “Ik zie dat je er al een hebt. Dan heb je mijn hulp ook niet nodig. Houdoe!” En hij verdween. De motoren startten weer. “Irritanter en irritanter,” zei Reigor. “Wat bedoel je? Dat je door mijn schuld weer geen hulp hebt gekregen?” “Nee, ik doelde op het gebruik van het woord ‘houdoe’. Maar ik heb er wel een idee door gekregen. We gaan hulp zoeken in de onderwereld. Er zijn vast zat dode personen die nog een varkentje te wassen hebben met Ekeneim. Marb snapte niet helemaal wat dat met het woord houdoe te maken had, maar vond het toch een goed idee. “Ik vind het een goed idee,” zei hij dan ook. “Maar hoe komen we daar dan? En telt de poging om daar binnen te dringen als het tweede grote gevaar dat we moeten trotseren?” “Vast wel. Ik heb een toverboek dat ons in staat stelt om naar het rijk der doden te gaan.” “Daar hebben we geen toverspreuk voor nodig, het is de vorige klonen ook zonder gelukt.” Reigor negeerde hem. Dit was een gevaarlijke truc. Gelukkig had hij het toverboek, de Morturom Demonto, altijd bij zich. Het zou te gevaarlijk zijn als het in de verkeerde handen viel. Hij zette de landing in bij de volgende planeet. De planeet heette Tanagra.
Reigor baande zich met zijn hakmes een weg door de jungle van de planeet. “Niet veel mensen weten dat ik dit weet, maar op elke planeet in het universum bevindt zich ergens een ingang naar de onderwereld. Meestal is het een huisje midden in het bos. Het is een kwestie van die plaats te vinden en dan wijst de rest zich vanzelf.” Ze kwamen bij een open plek, met in het midden een vervallen huisje. Er hing een angstwekkende sfeer. “Hier moet het zijn,” zei Reigor. Hij deed de deur open. De muren van het huisje stortten in. “Tjakka, when the walls fell.” Zei Marb. “Dit is een normale reactie. De culte krachten in het universum doen er alles aan om de deuren naar de onderwereld gesloten te houden. We moeten de kelder in. Ik ga me voorbereiden op de toverspreuk, maak je de weg maar even vrij.” “Moet ik al die stenen in mijn eentje wegdragen? Die zijn hartstikke zwaar! Weet je wel wat die wegen?” Reigor was wel benieuwd hoeveel zo’n kreng woog dus haalde hij de weegschaal. En nu die weegschaal er toch stond konden ze gelijk zo’n steen wegen. “Zo nu weten we dat ze negentien kilo wegen. Begin maar.” Zei Reigor. Hij pakte het boek uit zijn zak. Gebonden in mensenhuid, geschreven met mensenbloed. Tenminste, dat zei die man met die kettingzaag als hand die het hem verkocht had. Hij bladerde wat tot hij de relevante passage gevonden had. Marb kwam naast hem zitten. “Ben je nu al klaar?” “Nee, even lunsen.” “Niets daarvan, aan het werk! Ik ga de ingrediëntjes zoeken die ik nodig heb voor de spreuk en als ik terugben verwacht ik dat je klaar bent.”
Ze
stonden in de kelder. Reigor had met een roze krijtje occulte tekens op de
grond getekend. Hij begon met zijn spreuk: "Cunda astratta montose
eargrets gutt nos veratoos canda amantos canda." De grond begon te
trillen. “Ok, we kunnen maar het beste een beetje afstand nemen voordat-” De
vloer spleet open. Ze keken recht in de gapende krochten van de hel. Het gat
werd groter. “En nu?!” schreeuwde Marb boven het lawaai uit. “Nu? Nu springen
we!” “Ik geloof dat dit toch niet zo’n heel goed idee was! Zullen we niet toch
maar gewoon naar huis gaan? Zo erg was het toch niet wat Ekeneim gedaan heeft?”
Maar Reigor had een vastberaden blik in zijn ogen. Ze sprongen.
Wordt
vervolgd.