Reigor was uitzonderlijk vrolijk vandaag. Hij voelde zich eindelijk
weer een beetje zichzelf. Toen Ymer op Dnaleez aangekomen was, had hij op
ingenieuze wijze het DNA van Ekeneim en van hemzelf gesplitst, waardoor er weer
gewoon een Reigor en een Ekeneim bestond in plaats van een Ekegor. Hij was blij
van haar af te zijn, al had hij nu wel een beetje kunnen ervaren hoe het was om
vrouw te zijn. Dat was dan ook een van de redenen waarom hij zo uitzonderlijk
vrolijk was vandaag. Maar zijn goede humeur was niet alleen daar aan te wijten,
oh nee! Hoe had Ymer het ook weer gezegd? “Ik kan jullie splitsen, maar je moet
weten dat dit een zeer delicate procedure is. Grebnesieh zegt namelijk dat
volgens het onzekerheidsprincipe je nooit én kan weten welke richting een
deeltje opgaat, én waar dat deeltje terechtkomt als je een DNA-splitsing
uitvoert.” Maar als Reigor moest kiezen tussen nog langer een lichaam delen met
Ekeneim of op een willekeurige plaats in het universum terechtkomen, dan was de
keus snel gemaakt. En dat verklaarde waarom hij opeens weer thuis was, op zijn
eigen oude planeet. Wel toevallig eigenlijk. Als je naging hoeveel
verschillende plaatsen er waren in het heelal, dan was de kans dat hij hier
terecht kwam eigenlijk gewoon nul procent. Maar dat gold ook voor alle andere
plaatsen. Dus als je dat allemaal optelde was de kans dat hij ergens
terechtkwam nul procent. Maar hij was hier wel nu, dus dat klopte niet.
Waarschijnlijk waren er gewoon minder plaatsen waar hij terecht kon komen, en
dus was het universum niet zo groot als algemeen aangenomen werd. QED. Zo, dat
was mooi wetenschappelijk verantwoord. Maar ja, hij zat nu wel vast in het
continent Amerika. En Piet de draak kon hem niet komen ophalen. Want Piet de
draak was lag ergens diep in het water tussen het continent Amerika en het
sprookjesbos. Arme Piet de draak toch. Nou ja, hij is gegaan zoals hij wilde:
met een vrouw op zich. Op deze trieste gedachte na, was Reigor toch vrolijk.
Hij had de verhalen van Leor en van Mot gehoord over Amerika maar hij was
vastbesloten om zich wel te vermaken hier. Want wat is er leuker dan
iemand’s ongelijk aantonen? Hij zou misschien wel een hele rondrit maken door
het land. Dat hij in elke staat iets spannends beleefde. Dat zou echt cool
zijn. Wel vermoeiend. Misschien kon hij beter eerst gewoon wat hier blijven.
Hier was vast ook wat te beleven. Ongetwijfeld. Maar eerst moest hij maar een
slaapplaats vinden. Je kon pas echt goed avonturen beleven als je wist waar je
die nacht kon slapen. Al die spanning en avontuur en zo was prima, maar vóór
hartstocht ging er toch niets boven een lekker bed.
Moedeloos en radeloos struinde hij over de brede straten van Amerika.
Normaal gesproken liep Reigor altijd precies over het midden van de straat
alsof hij een koning was. Hij knikte dan iedereen vriendelijk toe, of, als hij
in een slechte bui was, keek hij afkeurend naar het gedrag van de mensen. Maar
hij zou bekaf zijn als hij het midden bereikte, zo breed waren de straten. En
daarom liep hij gewoon maar wat op de stoep. Wel op het midden van de stoep,
maar het was toch anders. En hij had ook nog steeds geen slaapplaats gevonden.
Hij wist ook niet waar hij moest beginnen met zoeken. Dat was niet mooi. Hij
werd er behoorlijk hopeloos van. Hij moest iets doen, hij kon toch niet
werkeloos toekijken? Maar waar moest hij dan toch beginnen? Moeilijk moeilijk
moeilijk. Nog nooit was hij lozer geweest dan op dit moment. Hij ging even
zitten om uit te rusten. De stoeps waren hier ook zó lang en groot. Veel groter
dan thuis in ieder geval. Omdat hij toch niets beters te doen had ging hij de
mensen maar observeren. Hij zag hoe iedereen er enorm trots op was uit Amerika
te komen. En terecht. Dit was immers het land van de vrijen en het huis van de
dapperen. Hij vond dat Melliw dit land maar eens gauw moest zegenen. Met een
bezoekje wellicht. Al zou hij Melliw wel aanraden om dan eerst een slaapplaats
te regelen. Want als dit zo doorging moet Reigor dadelijk buiten slapen. En dat
leek hem maar niks. Hij stond maar weer op en liep verder. Waar moest hij toch
beginnen?!
Plotseling liep hij twee oude mensen omver. Dat was nog moeilijker dan
hij gedacht had, maar het had het gewenste effect. De bejaarden konden niet
meer opstaan. “Oh, ik ben zo sorry!” loog Reigor. “Laat me u helpen om op te
staan.” Hij hielp ze met opstaan en
klopte het stof van hun kleren. “Staat u mijzelf toe mijzelf voor te stellen.”
Zei Reigor. Ze stonden het hem toe. “Ik ben Reigor en ik ben bezoekend uw leuke
land.” De bejaardjes waren direct verkocht, maar dat had Reigor wel verwacht.
Hij had ze namelijk betoverd bij het helpen opstaan. Ze konden hem nu niets
meer weigeren. Wat een geweldig plan! “En je praat Amerikaans zo goed!” zei de
oude vrouw. “Mijn naam is Eigram en dit is Hplar.” Ging ze verder. “Prettig u
te ontmoeten, Hplar en Eigram. Hoe doet u het?” Zei Reigor. “Niet zo wel, we
zijn net gevallen. Ik heb misschien wel een heup gebroken.” Zei Hplar. “Staat u
me toe om u naar huis te escorteren.” Zei Reigor. “Misschien ik kan het zo
goedmaken dat ik u omvergelopen heb per ongeluk.” Ze stonden het hem toe.
Onderweg in hun miniatuurautootje stelde Reigor de ouwetjes voor dat
het misschien wel een goed idee was dat hij bij hen kwam wonen. Want dan konden
zij boodschappen voor hem doen en zo. Dat vonden ze wel een goed idee. En
Reigor vond het ook een goed idee. Ze deden op de weg naar huis ook nog wat
boodschappen en Reigor bood aan dat zij de papieren en plastic zakken konden
dragen zodat hij zijn handen vrij had voor het geval ze nog eens vielen of dat
hij ze moest verdedigen of dat hij met z’n knokkels wilde kraken. Want ze
moesten die gigantische parkeerplaats oversteken om bij hun auto te geraken en
dat was nogal een end. Die parkeerplaatsen waren ook zo groot hier, veel groter
dan thuis.
Eenmaal bij het huis gekomen vroeg Hplar hem of hij de groceriën even
in de kelder wilde zetten. Na wat gemor stemde Reigor in. Toen hij de eerste
trede betreden had duwde Hplar hem echter van de trap af en gooide hij de deur
dicht! “Ha! We hebben er weer een Eigram!” zei hij schaterlachend. “Nog zo’n
toeristje dat ons dacht uit te buiten! Hij probeerde ons zelfs te betoveren,
merkte je het?” Eigram lachte ook. “Dat ze er na 25 jaar nog steeds intrappen
zeg!” Ongezien voor Reigor maar duidelijk hoorbaar deden ze een dansje van
plezier, gevolgd door een wellustig orgie van gerimpeld droog vlees tegen droog
gerimpeld vlees. Om de kreuntjes van genot en pijn buiten te sluiten deed
Reigor zijn vingers in zijn oren en zijn ogen dicht. Ja ik weet ook niet waarom
hij zijn ogen dichtdeed, het was al donker genoeg eigenlijk. maar hij deed het
nu eenmaal, voor de volledigheid zet ik het er dus maar bij.
Reigor voelde dat hij gepord werd. Dat beviel hem niets. Hij deed een
oog open om te kijken wie hem porde en hoopte maar dat hij niet in zijn pas
geopende oog gepord zou worden. Hij schrok van de verschijning die voor hem
stond. “Wie ben jij?” vroeg hij. “Wie ik ben? Hij vraagt wie ik ben, m’n
liefje. Nröjb, Nröjb, m’n liefje. Hij komt voor mijn verjaarscadeau, komt hij,
Nröjb.” Dat had hij weer he. Waarom trok hij toch altijd van die rare types
aan? De figuur die hij maar even Nröjb noemde, naar het geluid dat hij steeds
in zijn keel maakte, reed rondjes op zijn fiets in de kelder. Toen zijn ogen
aan het donker gewend waren, zag Reigor dat hij niets kon zien. Maar ja, het
was dan ook donker. Fortuinlijk genoeg produceerde de fiets van Nröjb nog wel
wat licht. Nou ja, gelukkig, hij zag in alle hoeken van de kelder skeletten in
verregaande staat van ontbinding liggen. Dat beloofde weinig goeds. Gelukkig
herinnerde Reigor zich dat hij kon toveren. Hij toverde het licht aan. Ja, er
lagen inderdaad overal lijken. Nröjb sloeg zijn armen voor zijn ogen en
schreeuwde het uit: “Lichtssss! ’t Maakt lichtssss! Het wil mijn verjaarscadeau
stelen, m’n liefje. Nröjb, Nröjb.” Tjonge jonge wat een aansteller zeg.
De deur van de kelder ging open. “Zeg is het nou verdorie afgelopen!”
zei Hplar. “Maak me niet naar beneden komen!” En hij gooide de deur weer dicht.
Het werkte wel, Nröjb was stil. Hij was naar het enige nog donkere hoekje in de
kelder gefietst en zat daar nu panisch te mompelen. “Nröjb, Nröjb! M’n liefje,
m’n verjaarscadeau! Nröjb, Nröjb.” Zei hij steeds maar. Omdat er verder niets
te doen was, op een anatomielesje na dan, probeerde Reigor een praatje te maken
met Nröjb. Er was echter geen touw aan zijn geraaskal vast te knopen, laat
staan een gesprek. Na een uurtje viel Nröjb in slaap. Reigor knipte met zijn
vingers en boven het hoofd van Nröjb verscheen een beeldscherm met daarop zijn
droom. Reigor keek. Hij zag...
Hoe Nröjb als klein jongetje een fiets kreeg voor zijn verjaardag. En
hoe blij hij met die fiets was. Het was de mooiste fiets die hij ooit gezien
had. Het had een mandje op het stuur en op de spaken zatten klikdingetjes die
klikten als je fietste. Aan de handvaten zaten gekleurde sliertjes die
wapperden in de wind als hij heel snel fietste. Maar het mooiste vond Nröjb
toch wel de bel. Tring tring! Tring-tring-tring! Hij belde de hele dag door en
iedereen sprong aan de kant als ze hem hoorde aankomen. Kleine Nröjb nam de
fiets overal mee naar toe. Hij ging dan ook overal met de fiets naar toe. En
toen kwam de dag dat de zijwieltjes van zijn fiets afmochten. Wat was Nröjb
trots! Hij fietste door de straat: Mama, kijk! Ik ben een grote knul. Hij
fietste verder, verder dan hij ooit geweest was. En hij belde, belde belde,
want hij fietste op de stoep. Hij mocht van zijn moeder immers niet op straat
komen, dat was veel te gevaarlijk. En Nröjb was een braaf jongetje.
Tring-tring! Tring-tring! Hij schaterde van plezier. Tot er twee mensen niet
aan de kant sprongen. In volle vaart reed kleine Nröjb tegen ze aan. De mensen
waren al oud, daarom konden ze niet meer zo goed springen. Toen hij ze geholpen
had met opstaan zag hij dat hij eigenlijk niet meer wist waar hij was. De oude
mensen waren vriendelijk tegen hem en zeiden dat ze hem wel naar huis zouden
brengen.
Nröjb schrok wakker. De droom vervaagde. “M’n liefje,
m’n liefje!” riep hij. Hij keek schichtig om zich heen tot zijn oog op de fiets
in zijn armen viel. Opgelucht ademde hij uit. “Nröjb, Nröjb, m’n liefje.” Zei
hij. Reigor kreeg een inval. Hij ging de fiets betoveren, zodat ze hem konden
gebruiken om hier te ontsnappen. Hij had een klein raampje gezien, vlak blij
het plafond, dat openstond. Als ze daar doorheen konden vliegen dan waren ze
vrij. Jammer dat hij niet gewoon zelf kon vliegen, maar ja zo werkte de spreuk
niet. Hij moest een voorwerp betoveren dat met een B begon, een bezem, een bed
of een bus, of, in het ergste geval, een bicyclette dus. Rare toverspreuk
eigenlijk maar ja hij had het ook niet bedacht. Hij spreukte de spreuk en de
fiets begon te gloeien. Nröjb begon te schreeuwen: “M’n liefje, m’n
verjaarscadeau!” Reigor hoorde van boven dat Eigram en Hplar op het geluid
afkwamen. Hij kwakte Nröjb in het mandje, voor op de fiets, en vloog richting
raampje. De deur ging open. “Hey, wat zijn jullie doend?!” zei Hplar. Reigor
trapte als een bezetene. Verdorie, ze zouden nooit door het raampje kunnen! Het
was te laag! Gelukkig kreeg hij een ingeving, het was gevaarlijk in de lucht
maar hij had geen keus. Hij veranderde de fiets in een ligfiets. Die was veel
lager en ze konden makkelijk door het raampje nu. Eigram rende naar buiten en
zwaaide met haar vuist naar ze. “Verrotte kinderen! Ik krijg je nog wel! En je
hondje ook!” Het laatste wat ze van hen zag was hoe de twee voor de maan
langsvlogen, hun silhouet scherp afgetekend tegen het licht van de natuurlijke
satelliet.
Reigor zag sterretjes. En strepen ook. Overal hingen vlaggen op
namelijk. “Hmm, er zullen wel kortingsdagen zijn of zoiets.” Dacht hij. Ze
hadden nu al zo lang gefietst dat ze ongetwijfeld veilig waren. Maar Reigor
fietste door. Want Reigor hield van fietsen. Niet in de bijbelse betekenis
hoor. Hij vond het toch wel heel speciaal dat men hier zo pattriottisttisch
was. Misschien dat ze in het sprookjesbos ook maar wat meer van hun land
moesten gaan houden. Als iedereen wat meer van zijn eigen land hield dan was er
vast nooit meer oorlog. Of honger. Of werkloosheid. Want er kwam een grote
vraag naar vlaggenmakers dan. In gedachten verzonken vloog hij tegen een villa
aan. Of eigenlijk niet helemaal ertegen aan, eigenlijk meer erdoor. Door het
raam van een villa. De man die in de villa woonde sprong op en begon tegen hen
te schreeuwen. In het Hcejsts. Reigor sprak geen woord Hcejsts. Hij kon het
woord Hcejsts al nauwelijks uit zijn strottehoofd krijgen. Hij maakte Nröjb
wakker. De buitenlucht leek hem goed te hebben gedaan, hij praatte al wat
normaler. “Nröjb. Wat is gaat erop?” “Er wordt tegen ons geschreeuwd.” Legde
Reigor uit. “Door wie?” vroeg Nröjb. “Door wieM” verbeterde Reigor hem,
talenwonder dat hij was. “En door die man daar dus.” Hij wees naar en op de
roepende Hcejst. Nröjb begon terug te schreeuwen in wartaal. De Hcejst zweeg.
“Ik heb hem uitgelegd dat we hier komen wonen.” Zei Nröjb. “En hij vindt het
niet erg geloof ik.” “Gôh, dat je Hcejsts spreekt zeg, heb je dat in die kelder
geleerd?” “Ik spreek geen Hcejsts. Nröjb. Ik heb hem gewoon uitgelegd dat we
hier komen wonen. En hij vindt het niet erg geloof ik. Waarschijnlijk omdat hij
me niet verstond. Maar in mijn ervaring tolereren mensen alles als ze denken
dat je niet helemaal goed bent.” Reigor vroeg zich af waar Nröjb die ervaring
dan opgedaan had. Maar hij tolereerde de opmerking, dat was makkelijker. “Ik
had hem ook kunnen doen zwijgen hoor.” Zei hij tegen Nröjb. “Ik ben namelijk
een tovenaar. Een hele goede tovenaar zelfs. Ik kan toveren namelijk.” “Mja, ik
vind toveren eigenlijk een beetje valsspelen. Nröjb, Nröjb.” Reigor lachte het
van zich af en vergat deze opmerking meteen. Hij had wel wat anders aan zijn
hoofd: hij vertrouwde die Hcejst toch niet helemaal eigenlijk. Voor hetzelfde
geld draaide hij hen de das om in hun slaap. Nröjb verzekerde hem dat hij
altijd met een oog open sliep. “Dat moest wel toen ik in die kelder woonde. Die
lijken fluisterden altijd dat ze me gingen vermoorden namelijk. Maak je maar
geen zorgen over die Hcejst. Vertrouw op mij. M’n liefje.”
Om de gedachten aan die enge kerel uit zijn hoofd te zetten besloot
Reigor naar een honkbalwedstrijd te gaan. Jammer genoeg ging de enge kerel ook
mee. “Nröjb, Nröjb, neem me uit naar het balspel.” Zei hij. “Neem me uit naar het
veld.” Ze kochten kaartjes voor de goedkoopste plaatsen die er waren en slopen
naar voren, naar betere vrije plaatsen. Zo, nu konden ze tenminste zien wie er
aan slag was. De stoelen waren zo groot dat Reigor er wel anderhalf keer in
paste. Dat is toch behoorlijk groot he. Toch zat hij niet echt lekker, er zat
een enorme hobbel precies in het midden van de zetel. Gelukkig stond iedereen
om de haverklap op om het volkslied te zingen. Reigor deed zijn best om zo vals
mogelijk te zingen, dat deden de andere mensen namelijk ook. Net toen hij de
tekst kende, na 5 keer ongeveer, was
het afgelopen. Reigor bleef lekker staan en zong nog een keer of iemand bij het
vroege ochtendgloren hoe trots hij... hij ging toch maar zitten. Elke keer dat
Ykcir Nosredneh moest slaan stond iedereen weer op en zongen ze nogmaals het
volkslied. Reigor kreeg er dorst van en dronk zijn fles water die hij
meegenomen had leeg. Hij wierp de lege fles op het veld, daar kon hij toch
niets meer mee. “AU!” riep Ykcir Nosredneh. Ykcir Nosredneh was namelijk
geraakt door de fles van Reigor. Het zou verboden moeten worden, zulke grote
flessen in zo’n stadion. Stel dat iemand een oog verloren had of iets
dergelijks, dat zou toch verschrikkelijk zijn? Maar goed, de sterspeler van het
team kon niet meer spelen. En dat terwijl de honken volstonden, op elk honk
stond wel een man of drie. De coach liep in tranen het veld op. “Oh nee, mijn
sterspeler! Wat ben ik nu gaande te doen? Wie can hem herplaatsen?” Hij hief
zijn handen op en smeekte het publiek om hulp: “Wie oh wie kan mij helpen? Is
daar iemand wie weet hoe een thuisren te slaan?” Alle Amerikanen stonden op en
begonnen met hun knuppels te zwaaien. Reigor rende echter snel naar voren. “Het
is mijn schuld dat Ykcir niet kan spelen. Ik zal het ook moeten oplossen. Hand
mij een keu!” De coach gaf hem een honkbalkeu. “Doe jij weten hoe te gebruiken
zo een ding?” vroeg de coach. “Och, hoe hard kan het zijn? Gewoon een
toepassing van de eerste drie wetten van Notwen, in combinatie met de
luchtweerstand, windsterkte, windrichting, de vlindervleugelslagen in Oikot en
aerodynamica.” “Ik heb geen idee wat je net zei maar het heeft zo zeker als
hellenvuur niets met honkbal te maken. Luister, die man daar gooit een bal naar
je, dan sla jij ertegen met dit stuk hout-” ter illustratie sloeg hij met het
stuk hout tegen het voorhoofd van Reigor “-en dan ren je langs die kussens die
op het zand liggen. Zo snel mogelijk. Capiche?” “Gezondheid.” Zei Reigor. Hij
liep naar de thuisplaat. “Wacht, zo kan je niet spelen!” zei de coach. “Zet die
puntmuts af! We spelen altijd blootshoofds!” Reigor schudde angstig van nee.
Zonder zijn tovenaarshoed zou hij niet meer kunnen toveren. Zijn toverkunsten
zouden pet zijn dan. En zonder toverkunsten kon hij nooit een thuisren slaan.
“Uhm... nee, die muts blijft op. Die brengt geluk.” “Brrr!” zei de coach. “Dit
druist tegen alle tradities in!” “Tijd voor een nieuwe traditie.” Zei Reigor en
hij liep het veld op. “Dames en heren, invaller voor Ykcir Nosredneh,
Rrrrrrrrrrrrrrrreigoooooooorrrrrr Keorbnelle!” Iedereen stond op. Zo, een
staande ovatie, dat is niet mis, dacht Reigor. Ze zongen het volkslied nog een
keer en gooiden daarna met hun pizzastukken, hotdogs met mosterd en hamburgers
naar hem. Powerfood. De zon scheen in zijn ogen, het was dan ook maar liefst 75
graden op de Diehnerhafschaal. Reigor zette de randen van zijn tovenaarshoed
opzij. Zo scheen de zon tenminste niet in zijn ogen.
De werper wreef de bal tegen de binnenkant van zijn been. Hij kneep met
zijn ogen.
Reigor legde de knuppel op zijn schouder en liet hem daar even rusten.
De vanger maakte rare gezichten achter de rug van Reigor.
De werper gooide de bal.
Het publiek hield zijn collectieve adem in. In een cirkel rondom het
stadion stierven kleine plantjes als gevolg van de daling van het
koolstofdioxideniveau in de atmosfeer. Dit was het moment, waarop beslist werd
of hij een held van de dag werd, het snoepje van de week of de vergissing van
de eeuw.
Hij hoorde de stem van Nröjb: “Mja, ik vind toveren eigenlijk een
beetje valsspelen. Nröjb, Nröjb” Reigor haalde uit.
“Slag!” riep de scheidrechter. Reigor barstte in huilen uit. Waarom,
Melliw, Waarom?! Wat had hij toch misdaan? Waaraan verdiende hij dit? Hij bleef
liggen tot alle mensen weg waren.
De coach porde hem met zijn voet. “Zeg, sta eens op! Zet die muts af
man, dat is niet gezond. Je hebt nog twee kansen!” Reigor stond op. “Ja, ik
wist dat. Dat was een traditioneel gebad uit het sprookjesbos, waar ik vandaan
kom.” Hij veegde het stof van zijn kleren en nam weer plaats. Herhaling van
zetten.
Het was alsof iemand het voorafgaande gecopiëerd en geplakt had. Hij
hoorde de stem van Nröjb weer. “Aan de andere kant is toveren toch niet zo
erg valsspelen... m’n liefje.”
Als één man, verenigd door een gemeenschappelijke verwondering, ademde
het publiek uit. Nog nooit had er iemand zo een thuisslag geslagen. De bal
verdween zelfs uit het stadion. Het was muisstil. Reigor rende de honken langs.
Alle andere spelers keken met open mond de bal na, tot ze hem niet meer zagen.
Uitgeput kwam Reigor weer bij de thuisplaat. “Was... dat... wat... je... in...
gedachten... had... coach?” vroeg hij. Hij kon het antwoord niet horen door het
oorverdovende gejuich dat opsteeg uit het publiek. Na een paar minuten nam het
volume wat af. De coach stond tegen hem te schreeuwen. “Wat heb je nu gedaan?!
Dat was onze enige bal!” Maar voor hij kon antwoorden werd hij op handen naar
buiten gedragen.
Op het feestje na afloop tekende hij allerlei contracten over de
patentrechten van de honkbalmuts. Men was er van overtuigd dat Reigor hierdoor
zijn spectaculaire sportieve prestatie had kunnen leveren. Hij zocht snel Nröjb
op. “Snel, zeg alsjeblieft dat toveren aan de andere kant toch niet zo erg
valsspelen is!” zei hij. Nröjb herhaalde het en voegde er onbewust een ‘m’n
liefje’ aan toe. “Waar was dat voor nodig? Nröjb, Nröjb?” “Als je het niet
gezegd had kreeg ik dadelijk een gigantische koppijn. Heeft met premonitie te
maken.” Hij werd belaagd door gretige fans die zijn handtekening wilden. Reigor
kon moelijk nee zeggen en gaf ze allemaal graag wat ze wilden.
Hij keek niet eens meer naar ze. Hij zag alleen nog maar de papiertjes
voor zijn ogen verschijnen en de pen. Daar was er weer eentje. “Kan je mijn
naam er bij zetten?” vroeg het meisje dat het hem had voorgelegd. “Tuurlijk,
Hoe heet je?” Zei Reigor en hij keek op in de opmerkelijkste ogen die hij ooit
gezien had. “Nerak.” Zei Nerak [het meisje met de opmerkelijkste ogen die
Reigor ooit gezien had heette Nerak.] Reigor glimlachte zijn meest begeerlijke
glimlach. “Uhm, dit doe ik anders nooit hoor, maar heb je een vriend?” vroeg
hij. “Ik moet nu boodschappen doen.” Zei Nerak en ze liep weg. Reigor gooide de
tafel waar hij achter zat omver en liep achter haar aan. Ze was al naar buiten
gelopen. Hij volgde haar. Maar ze was
nergens te zien, er stonden allemaal bergen in de weg. Gelukkig had hij zijn
toverfiets, hij hoefde niet als een mafkees te klimmen. Hij sprong op de fiets
en wilde wegvliegen, maar het ding weigerde op te stijgen zonder Nröjb. Reigor
rende naar binnen, tilde Nröjb op, zette hem in het mandje en steeg op. Hij
berekende hoe hard hij moest trappen om genoeg energie te produceren voor een
zoeklicht en trapte precies zo hard. Ze zochten en zochten en toen ze Nerak
niet vonden zochten ze nog meer. Nröjb was al aardig moe onderhand en stelde
voor naar huis te gaan. “Nee, dat kan niet. We moeten haar vinden. Er hangt een
heel belangrijke weddenschap van af namelijk.” Dus zochten ze verder. En bij
zonsopgang zag Reigor haar zitten in de schaduw van een Auhsojboom. Hij landde
vlakbij en liep op haar af. “Nerak?” zei hij. “Ja?” zei Nerak. “Je hebt mijn
vraag niet beantwoordt.” Zei Reigor. “Dat klopt.” Zei Nerak. “Enne?” zei
Reigor. “Ook enne!” zei Nerak. “Ik bedoel meer, enne wat is het antwoord.” Zei
Reigor. “Oh, dat snapte ik niet helemaal.” Zei Nerak. “Dus?” “Dus wat?” “Dus
wat is het antwoord op mijn vraag?” “Welke vraag?” “De vraag of je een vriend
hebt.” “Oh die vraag. Denk je nou echt dat je daar deze week nog een antwoord
op krijgt?” zei Nerak. “Ja.” Zei Reigor.
Reigor had het mis.
Wordt vervolgd.