“We naderen een belangrijke plaats,” zei Niwde. “Namelijk?” vroeg Leor. “Tsluh. De stad waar een radicale groepering, de dolle Anim’s, in het geheim het instituut opgericht hebben waar de meest intelligente mannen getraind worden in de vrouwelijke manier van denken. Een volledig gemengde opleiding, op gymnastiek en ruimtelijke wiskunde na dan. Maar dat wist je natuurlijk al, jij bent daar toch ook getraind? Al heb ik je daar nooit gezien eerlijk gezegd.” Leor aarzelde. “Euhm, nee, ik ben in Tnabarb opgeleid. Daar hadden ze ook zoiets voor kansarme jongeren. Nerds en dweebs dus.” Niwde negeerde zijn uitspraken zoals altijd. Dat scheelde tijd. “Iets zegt me dat de kans groot is dat we Rehtse hier vinden. Dit is immers de laatste plaats waar we haar verwachten: de beste schuilplaats.” Leor dacht dat een plaats waar niemand je zou vinden toch een betere schuilplaats was. Of onder het bed, dat was ook wel een goede schuilplaats. In de verte zagen ze een grote toren opdoemen. “Daar is het centrum van de campus. Het staat al vijf jaar leeg en er is sprake van dat ze het afbreken maar er is ook sprake van dat ze het gaan ombouwen. Niemand weet het zeker. Maar hoe dan ook, het is het stralende middelpunt van de Ex-men Transgenderale Trainings Universiteit! Ah, nu heb je de kans om te zien hoe het op een respectabele school er aan toegaat. Laten wij ons in het bruisende studentenleven storten!”
De poorten van de stad waren gesloten. Hermetisch zelfs. Het motto van de studentenstad stond met grote letters boven de deuren: “Vinus, Femina et Cantus.” Niwde legde uit dat die drie woorden alles zeiden over de ideale educatiemanier. “Het betekent: ‘Ik kan jou laten dansen en heel veel liefde geven. Ik kan de volgende morgen door jou hoofd zweven! Ik geef liefde en plezier. Aangenaam, ik ben bier.’” Het was oud-Dnaleezs, een vrij compacte taal. Niwde klopte op de deur. “Wat is het wachtwoord?” vroeg de portier. Niwde hoopte maar dat het oude wachtwoord nog gebruikt werd: “Nek Sent me.” De deur ging open.
Nadat Niwde de schoolleiding vriendelijk doch een beetje kortaf gegroet had, liep hij met Leor naar de slaapzaal. “Het is eigenlijk al te laat om al te beginnen met zoeken. Het lijkt me beter dat we onze spullen even weg- en het vanavond eens flink op een zuipen zetten. Want zoals je weet moet iedere man op de ET TU elke avond geheel lamgezopen zijn.” Al wist Leor het niet, toch knikte hij om niet door de mand te vallen. Al zou dat snel genoeg gebeuren, Leor kon namelijk helemaal niet tegen drank. Hij moest maar snel iets verzinnen waardoor hij niet mee hoefde. Maar wat? Op zijn schouder verscheen een doorzichtige verschijning. “Niwla de Niwla de Niwla!” zei Niwla [de doorzichtige verschijning heette Niwla.] “Volgens mij kan iemand hier wel mijn hulp gebruiken!”
Leor keek verbaasd naar zijn schouder. Hij keek naar zijn andere schouder. Die was leeg. “Zeg, zijn jullie niet met z’n tweeën normaal gesproken? Duiveltje en engeltje, bedoel ik?” “Oh nee, daar doen we niet meer aan. Sinds men er in de hiernamaalsen is achtergekomen dat je als geest gewoon ongezien de damesdouches kan binnendringen hebben we een chronisch tekort aan mankrachten. In overleg met de hel is besloten om nog maar één persoon te sturen, als geweten. En de wachtlijsten voor de damesdouches stonden helemaal vol dus daarom ben ik hier nu. Zie me als je raadmeester, je goeroe, je mentor, je Ynimmij Tekcirc, je Adoy. Advies aan jou geef ik, mmm?”
Ter voorbereiding van het uitgaan nam Niwde een pilletje. “Dat is een vitaminepilletje hoor!” zei Niwde. Niets chemisch of illegaals aan. Het helpt je meer te genieten van al dat leuks dat zich bevindt in de uitgaanswereld. Plus dat ik een beetje ziek ben geloof ik, heb last van het Niwla-virus.” Leor keek hem een beetje afkeurend aan. “Je hoeft niet zo te kijken hoor!” zei Niwde. “Het heeft slechts een energiegevende werking. En aangezien ik maar een geest ben, kan ik alle extra energie wel gebruiken. Want energie verbruiken, dat gaan we!” Hij draaide een keer in het rond en stampte met z’n voeten. “Even checken of het al werkt.” Hij gooide zijn armen in een gebaar van wanhoop in de lucht en ging zitten. Hij zuchtte. “Potverdorie, heb ik me weer laten oplichten hè. Ik zou onderhand al lang als een gans moeten rondstappen. Niwla de Niwla de Niwla!” Hij keek Leor eens aan. “Nou ja, niets aan te doen. Voor we lekker gezellig uitgaan moet er nog heel wat gebeuren, zie ik. Kom op Retseopessa, we moeten je klaar maken voor het bal!” “Aha, en hoe dacht je dat gedaan gekregen te krijgen?” “Op de campus is een kapper. Dit knippen haren en dat kan je wel gebruiken zie ik.” Hij wees de weg naar de kapper. Toen ze de prijzen zagen en eens in hun broekzakken voelden [de een wat langer dan de ander] vond Niwla dat het misschien toch een beter idee was om gewoon een pot gel te kopen. Want met gel kon hij wonderen verrichten.
Met de nieuw verworven pot gel kwamen ze weer terug in de slaapzaal. “Waar kom jij vandaan?” vroeg Niwde, die op bed lag en zich voorbereidde op een lange nacht. “Ontken alles!” siste Niwla in zijn oor. “Ik heb een pot gel gekocht!” zei Leor in paniek. “Een pot gel? Ga je me nu vertellen dat je echt lijm in je haar gaat smeren? Nou, jij liever dan ik.” Hij draaide zich weer om. Leor haalde zijn schouders op. “Zeg, wil je dat niet meer zonder waarschuwing doen!” zei Niwla toen hij weer teruggeklommen was. “Dat ik geen tastbaar lichaam heb wil nog niet zeggen dat het niet verrekte pijn doet als ik zo’n end val!” “Gebruik dan toch ook je vleugels!” zei Leor. “Vleugels? Ik heb toch heel geen vleugels man!” zei Niwla. “Oh ik dacht van wel. Dat je die met Kerstmis gekregen had.” “Ja dat dacht ik ook maar we hadden het allebei mis blijkbaar.” Zei Niwla. Toen hij zijn kleren rechtgestreken had trok hij ze uit en dook in de pot met gel. Geheel besmeurd met het goedje streek hij al zijn lichaamshaar in model. “Nou, doe jij even hetzelfde.” Zei hij tegen Leor. Het beetje gel dat nog in het potje zat smeerde Leor in zijn schamele bosje borsthaar, zodat het flink naar buiten stak. “Eugh, verschrikkelijk.” Zei Niwla. “Maar het moet maar kunnen. Let’s go!” schreeuwde hij. “Ok... maar het is pas acht uur.” “Oh. Let’s wait!”
Na een toepasselijke wachtperiode gingen Niwde en Leor uit. “Even de regels van de voren.” Zei Niwde. “Niet met me praten. Niet laten merken dat je me kent. Niet zeggen dat ik te weinig rondjes geef. Mocht je sjans hebben, vraag dan of ze een knappe zus voor mij heeft.” Hij schoot in de lach. “Maar daar is niet veel kans op denk ik.” Niwla moest ook lachen. “Nee inderdaad. Die kans is wel heel erg klein! En ik kan het weten want ik ben een kabouter. En dus ook klein. Haha.” Zelfs Leor moest er om lachen. Alsof hij sjans zou krijgen met een meisje en dan een zus voor Niwde zou regelen! Dat zat er niet echt in hè. Dat het andersom zou gebeuren was al onwaarschijnlijk, maar dit was nog onwaarschijnlijker. De bel ging en even later stroomden de studievrienden van Niwde binnen. “Ha die Regni, Drahcir, Repsaj, Elocin!” zei hij. Vroeger kwamen de vrienden ook altijd bij Niwde binnenvallen op de vreemdste uren. Ze liepen de deur plat. En er was niets veranderd. Nadat ze de bier- en chipsvoorraad geplunderd hadden gingen ze dan eindelijk echt uit. Op naar de grootste bar in Tsluh: de Samoht.
Het was niet erg druk in de Samoht. “Nog niet.” Zei Niwla. “Dat komt nog wel.” “Oh, ben je hier al vaker geweest dan?” vroeg Leor. “Wat? Oh, nee hoor. Maar ik voel het aan mijn water. Binnen een uur stroomt het hier vol met knappe beschikbare vrouwen.” Meestal nam Leor al genoegen met één van die bijvoegelijke naamwoorden, het zou wel eens leuk zijn om iemand te vinden die beide eigenschappen bezat. “Maar tot die tijd zit er weinig anders op dan ons te bezatten. Dat zal je nodig hebben om op meisjes af te stappen.” Leor had daar helemaal geen zin in. Hij besloot Niwla af te leiden. “Zeg, er is eigenlijk nog wel een probleempje waar je me mee mag helpen.” Zei Leor. “Wat dan? Watdanwatdanwatdan?” vroeg Niwla. “Volgens mij begint Niwde me door te krijgen.” Zei Leor. “Mijn cover is toch niet zo goed als ik dacht. Hij wordt argwanend.” “Ah en ik mag een manier verzinnen om zijn arg wat te tanen?” Leor had geen idee wat dat betekende maar knikte. Misschien dat Niwla dan zijn mond zou houden. “Heb je de gepatenteerde Niwla-methode van probleemoplossing al geprobeerd?” vroeg Niwla. “De Niwla-methode van probleemoplossing?” vroeg Leor. “Gepatenteerde Niwla-methode van probleemoplossing.” Zei Niwla. “Het gaat in drie stappen. Stap 1: Negeren. Al er zich een probleem voordoet kan je dat het beste negeren. Dan gaat het meestal vanzelf weg. Mocht dit niet werken, dan merk je dat vanzelf, je komt namelijk bij stap 2: Irritatie. Als het begint te irriteren is negeren geen optie meer. Je gaat naar stap 3: Wegstouwen. Dit is een iets ingewikkeldere vorm van negeren, maar wel effectiever. Het komt er op neer dat je al je gevoelens rondom een bepaald onderwerp verdrukt. Als het je niets meer kan schelen, is het ook geen probleem meer. Helaas is het niet altijd mogelijk om alles te verdringen, dat vergt nogal veel van je namelijk. Dat brengt me op stap 4: Liegen. Liegen is altijd goed. Lost problemen op, creeërt weer nieuwe... de circle of life. Mocht dat zelfs niet werken dan is er altijd nog stap 5: Afreageren. Oftewel slaan. Ik heb nog geen ezelsbruggetje kunnen bedenken ervoor, maar dit is in een notedop de gepatenteerde Niwla-methode van probleemoplossing. Met deze 5 stappen zal je een lang en gelukkig leven leiden, zoals velen voor jou!” “Je bedoelt net als jij? Jij, de dode kabouter met een lang en gelukkig leven?” zei Leor. “Ja precies, jij snapt het!” zei Niwla. “Als ik je nog ergens mee kan helpen zeg je het maar hoor.” Hij begon met zijn tanden te knarsen. “Ik geloof dat het pilletje eindelijk begint te werken!” zei hij opgewekt.
Niwla had gelijk gekregen: de Samoht was volgestroomd met vrouwen. Niwla keek zijn ogen uit. “Niet te geloven!” zei hij. “En ik maar denken dat ik nooit iemand zou vinden die kleiner was dan ik!” Leor vroeg zich af wat Niwla eigenlijk precies geslikt had. De vrouwen waren dan in het algemeen behoorlijk klein, maar zo klein als Niwla was er niet een. Nou ja misschien wel maar die had hij nog niet gezien dan. Omdat ze zo klein was natuurlijk. Dus het was toch wel waarschijnlijk dat er eentje was. En Niwla zag haar natuurlijk wel. Maar ja, Niwla zei net nog dat hij roze olifanten zag. Hij voelde hoe Niwla van zijn schouder sprong. Waar was hij nu weer heen? Hopelijk ging hij niet weer vechten met iemand die groter was dan hij. Hij had hem al een keer moeten redden. Hoe kon hij eigenlijk vechten, hij was toch een geest? Maar waarom voelde hij hem dan op zijn schouder zitten als hij op zijn schouder zat? En hij was enige die hem kon zien toch? Hij keek op zijn horloge. Normaal droeg Leor nooit een horloge maar hij vond zijn personage, ‘andere Leor’, wel iemand om een horloge te dragen. Hij was alweer een uur alleen! Zo lang had Leor nog nooit achter elkaar gedacht. Maar ja, wat moest hij anders? Met zo’n harde muziek kon hij toch met niemand praten, tenzij ze op je schouder zaten. Een beetje rondkijken en wat denken was alles wat er op zat. Niwla klom weer op zijn schouder. “Waar was je?” vroeg Leor. “Ik was gevallen. En toen ik weer bijgekomen was ben ik even onder alle rokjes doorgelopen. En toen liep ik tegen de muur op want ik keek niet echt uit waar ik liep, als je begrijpt wat ik bedoel!” zei Niwla. Hij porde Leor met zijn elleboog. “Ik heb even gekeken welke vrouwen geschikt voor je zijn.” Ging hij verder. “En ze hebben allemaal onderbroeken aan dus je hebt weinig kans denk ik eerlijk gezegd.” Hij ging zitten en keek dromerig voor zich uit. “Sommigen hadden tanga’s aan. En zwarte slipjes heb ik ook gezien. Er was er ook een bij met een enorme bobbel onder haar rokje. Misschien is zij wel wat voor je, die is vast heel onzeker dus heb je nog wel wat kans. Het is die vrouw met die grote madasappel daar.” Wees Niwla.
Het was ondertussen nog wat later. “Nu nadert de tijd om toe te slaan.” Zei Niwla. “De meeste vrouwen zijn ondertussen zo surazal dat ze met elke loser die ze een drankje aanbiedt mee naar huis zouden gaan. Dus bestel wat te drinken, ik geef je toch zeker 15 % kans op slagen.” Leor bestelde nog een glaasje ranja. “Voor je ze aanspreekt moet je jezelf tactisch opstellen. De beste plaats is midden in de zaal op een plek waar iedereen langs je moet. Wanneer ze je passeren kan je dan namelijk even flink tegen ze aan schurken. Met een beetje mazzel heb je dan namelijk niemand meer nodig om mee naar huis te nemen.” Hij stond op en keek de zaal rond. “Adem eens in m’n gezicht.” Zei hij. Leor deed het. “Ok, twee dingen: je hebt nog niet genoeg gedronken om een meisje aan te spreken, en hier is een pepermuntje.” Leor at het pepermuntje. “Nou ja de zaak gaat zo sluiten dus dan maar zonder drank. Eens even zien wie je aan moet spreken...” Maar Leor hoorde hem niet meer. Een wonderschone vrouw beklom het podium aan de noordzijde van de zaal. Hij wist dat het de noordzijde was omdat zijn ogen als een magneet die richting opgetrokken werden. Daar stond ze dan: in een maagdelijk witte jurk bewoog ze haar welgevormde contouren op de maat van de muziek. Nou ja muziek, met een beetje moeite kon Leor wel tien componisten noemen die betere stukken schreven. Maar dat deed niet ter zake, het ging erom dat ze de mooiste vrouw was die hij ooit gezien had, en dat hij een oogje op haar had. Met een beetje mazzel voor het eind van de avond ook nog wat andere lichaamsdelen of organen. Niwla trok hem aan zijn oor. “Zeg, luister je? Ik heb iemand voor je uitgezocht. Het is dat meisje daar, een van de vrienden van Niwde.” “Die chagrijnige?” vroeg Leor. “Ja die.” “Nee doe me dan liever die andere, die is wel lachen.” “Nee, je wordt verliefd op die chagrijnige. Die depressieve.” “Maar dat wil ik niet!” zei Leor. “Life does not award us the luxury to choose who we fall in love with.” Zei Niwla wijs. “Whom we fall in love with.” Zei Leor. “Dat bedoel ik. Nou vooruit, ga er op af! Ik weet nog wel een paar goeie pick-up lines. Wat zeg ik, ik zou er een boek over kunnen schrijven! Of beter nog, een film van maken.” Terwijl Niwla bedacht hoe makkelijk hij daar rijk mee zou worden stapte Leor op het podium af. Eindelijk een actieondernemenswaardige vrouw!
Hij hield zijn armen strak langs zijn lichaam en stak zijn vingers naar buiten zodat zijn polsen een hoek van negentig graden maakten met zijn lijf. Dat was de pose voor zijn speciale erotische dansje. Geen vrouw kon weerstand bieden tegen de sensuele bewegingen van zijn s.e.d. Dat was tenminste nog nooit gebeurd en dat was vast niet omdat dit de eerste keer was dat hij het probeerde. Hij zag dat ze naar hem lachte. “Ik heb oogcontact, wat moet ik doen?” vroeg Leor in paniek aan Niwla. “Euhm, euhm, euhm, ik weet het niet! Zover ben ik nog nooit gekomen. Drankje aanbieden heb je al gedaan?” “Nee nog niet.” Hij gooide het glaasje ranja naar het podium. Ze zag het te laat aankomen en kon niet meer wegduiken. De rode vlek verspreidde zich over haar jurk. “Goed plan!” zei Niwla. “Nu moet ze het wel uittrekken! Briljant plan.” De vrouw keek hem met een mengeling van verbazing en irritatie aan. Leor hielp haar van het podium af en leidde haar naar een rustiger plekje. “Ok, wat je ook doet, onthoud goed: wees niet jezelf!” zei Niwla. “Ga niet naar een rustiger plekje, je hebt voordeel van de harde muziek. Ze kan je dan namelijk alleen verstaan met jou mond bij haar oor en dan ziet ze je gezicht tenminste niet. Niwla de niwla de niwla.”
Leor negeerde het goedbedoelde advies van Niwla en ging met haar naar buiten. Leor staarde wat naar de stoeptegels. “Uhm. Sorry van je jurk. Het was niet mijn bedoeling om vlekken in je jurk te maken. Want het is wel een hele mooie jurk. Uhm. Al ligt dat natuurlijk ook aan de persoon die er in zit. Uhm, niet dat je zonder die jurk niet mooi zou zijn. Integendeel. Uhm, niet dat ik je uit je jurk probeer te praten.” “Jawel, jawel!” zei Niwla in zijn oor. “Hoe heet je?” vroeg ze. “Niwla, Niwla, hoe heet ik ook weer?” siste Leor zachtjes naar Niwla. “Uhm, uhm, uhm... even denken... ‘ha die... M..’ nee dat was het niet. ‘Ha die... ha die... ha die...’” “Leor!” riep Leor. “Ja Leor heet ik.” “Leor?” zei ze. “Nee, andere Leor. Maar je mag wel Leor zeggen hoor.” “Leor dus. En wat zou Leor er van zeggen als ik hem mijn telefoonnummer gaf?” zei ze. “Wat zou Leor zeggen dan?” vroeg Leor Niwla. “Hij zou zeggen: ‘muhmuhbuhduh...?’” Leor zei bedankt en nam het telefoonnummer aan. “Nogmaals, het spijt me van je jurk. Ik wilde je jurk, avond of je hele leven niet verpesten hoor. Maar dat gaat bij mij altijd vanzelf.” “When you’re in love with someone you’re allowed to screw up their life. That’s what love is!” zei Niwla wijs. Asile draaide zich om. “Ze loopt weg, ze loopt weg!” zei Leor in paniek. “Ben je gek, ze laat je even haar derrière bewonderen juist.” Ze staarden naar haar derrière. “Gooi eens wat op de grond!” zei Niwla. Leor voelde in zijn zakken en greep het eerste het beste wat hij in zijn handen kreeg.” “Sorry, je hebt wat laten vallen!” riep hij haar toe. “Wat dan?” vroeg ze. Leor keek naar de grond. “Uhm... een salami met een condoom erom.” “Ik kan me niet herinneren dat ik die bij me had eerlijk gezegd.” Maar ze boog toch voorover en raapte het op. Niwla en Leor bewonderden het uitzicht. “Wil jij hem hebben?” vroeg ze. “Nee, hou jij hem maar. Elke keer dat je naar die enorme worst kijkt, zul je aan mij denken.” Zei Leor. “Jij bent een van de vreemdste personen die ik ooit ontmoet heb.” Zei ze. “Ik kom uit Tnabarb.” Zei Leor. “Ah, vandaar. Maar een beetje vreemdheid op zijn tijd kan zeker geen kwaad...” Ze keek zoekend om zich heen. “Hoe heet je eigenlijk?” vroeg Leor. “Asile.” Zei ze. Plotsklaps zag ze waar ze naar aan het zoeken geweest was. “Ah, daar is mijn zusje. Haras. Die komt me ophalen.” Uit de verstikkende zwartheid van de nacht doemde nog zo’n hemelse verschijning in het wit op. De nieuw verschenen schoonheid keek Leor aan. “Is dat je nieuwe vriend?” vroeg ze aan Asile. Deze lachte alleen even. “En heeft hij misschien nog een leuke vriend bij zich voor mij?” Beiden lachten nu. “Kom, we moeten gaan.” Zei Asile. Ze liep op Leor af en kuste hem hartstochtelijk. “Bel je me nog een keertje?” vroeg ze. Leor keek met grote ogen naar Niwla. Die knikte hard met even grote ogen. Leor keek weer terug en knikte hard. “Mooi zo.” Ze wuifde hem gedag. Haras blies hem een kushandje toe. Ze werden opgenomen in de duistere nacht.
Niwla en Leor schudden de verbazing van zich af. “Dat heb ik nou nog nooit meegemaakt.” Zei Leor. “Nee? Ik wel. Zo vaak. Niwla de niwla de niwla.” Leor keek naar het briefje met het telefoonnummer. Zuchtend begon hij het te verscheuren. De stukjes verwaaiden in de wind. “Wat doe je nou?! Watdoejenouwatdoejenouwatdoejenou?!?!” zei Niwla. Hij sprong op en probeerde de fragmentjes uit de lucht te grijpen. Hij viel van de schouder. Leor raapte hem op en zette hem terug. “Dacht je dat ik ging bellen? Dan moet ik de stomerijkosten betalen! Nee, dank je de koekoek!” Niwla schudde zijn hoofd. “Koekoek, inderdaad.” In de verte kwam de zon weer op. “Nou ja, mijn werk hier zit er op. Of erop. Leor, ik zeg je adieu en misschien tot ziens.” “De volgende keer dat ik uitmoet?” “Over drie weken of zo?” “Deal.” Niwla verdween in een rookwolkje. Leor slenterde terug naar de campus.