Ellëinad Stims, burgemeester van Ekesrey, was in vergadering. “Ik heb jou gekozen voor deze opdracht omdat al mijn wethoudsters zich geen raad weten met dit probleem.” Zei ze tegen de enige andere persoon in haar kantoor. “U had geluk dat ik toevallig hier op vakantie was,” zei Aleay [de enige andere persoon in het kantoor heette Aleay]. “Inderdaad, een gelukkig toeval.” “Ik ben ten slotte de beste in mijn vakgebied.” “Ja, welk vakgebied was dat precies eigenlijk?” “Dat zeg ik liever niet, als u het niet erg vind.” Ellëinad vond het niet erg, alleen een tikje vreemd. Ze besloot het te negeren en ging verder. “Ik kan u niet veel tijd geven, aangezien de ernst van de situatie nu pas tot me doorgedrongen is. Ach, die bureaucratie ook altijd! Mijn wethoudsters waren te bang voor ontslag om me eerder te melden dat er iets aan de hand was. U krijgt een week om de situatie te onderzoeken. Ik zou het op prijs stellen als u zo snel mogelijk hierna een oplossing kan aandragen.” Aleay schraapte haar keel. “Ik heb geen week nodig. Vlak na mijn aankomst zag ik al dat er hier iets vreselijk, vreselijk mis is. De spanning is overal te snijden. En al kwam ik hier om me te ontspannen, ik was toch benieuwd wat er gaande was. Vandaar dat ik al een onafhankelijk vooronderzoek uitgevoerd heb.” Burgemeester Stims was onder de indruk. “En wat zijn je conlusies?” Aleay liep heen en weer voor het bureau. “Burgemeester, u heeft een probleem.” Zei ze. “Dat wist ik al. Maar wat is dat probleem?” “Het probleem is, dat u een tweetal problemen heeft. Ten eerste wordt uw stad voornamelijk bewoond door meisjes van veertien. Dit heeft te maken met het tweede probleem: U heeft al een paar weken geen mannen aangeleverd gekregen vanuit Seog.” “Mijn hemel! En niemand vertelde me dat natuurlijk omdat mijn staf ook uit meisjes van veertien bestaat. En die zijn nu eenmaal ergens anders met hun gedachten.” “Ok, dit lijkt me makkelijk op te lossen,” zei Alaey. “Stuur een bericht naar Seog waarin u vraagt om meer mannen. Easy peasy.” “Dat is inderdaad de juiste gang van zaken bij een dergelijk probleem, maar er is al enige tijd geen contact meer mogelijk tussen de planetelijke regering in Seog en hier. Ik probeer al een tijdje onze hoofdstad te bereiken om te weten te komen of de geruchten dat Rehtse terug is gekeerd, waar zijn. Tot nu toe is er nog geen enkele boodschapster teruggekeerd.” “Maar dat is verschrikkelijk!” zei Aleay. “Er moet snel iets gebeuren, als er geen mannen komen barst binnen drie dagen de bom, schat ik. Want een stad vol meisjes, volop in de puberteit, zonder mogelijkheid om zich uit te leven... de chaostheorie voorspelt dat de gevolgen verschrikkelijk zouden zijn.” “We moeten snel iets doen.” zei Ellëinad Stims resoluut. “Maar wat?”
Terwijl langzaam maar zeker het onvermijdelijke einde van de zomer
naderde en ze zich eigenlijk moeten voorbereiden op de komende herfst
probeerden ze een manier te vinden om de kilte van het
nieuwe seizoen te verdrijven. Wellicht dat een goed plan om Ekesrey
binnen te dringen hun hoop weer wat kon doen opleven. Al was de zomer er nog
slechts een in naam: Ze konden zichzelf toch niet aan de indruk ontrekken dat
het jaargetijde genaamd de herfst niet naderde, maar ongeacht wat de kalender
ervan zei zich zelfs niet reeds voor de deur bevind maar de drempel al
overschreden had en als ongewilde gast zich het laatste biertje uit de koelkast
had toegeëigend. “We kunnen niet zomaar de stad inlopen en overal binnenvallen
om te zoeken naar Rehtse. Nee, we moeten iets anders bedenken.” “Kunnen we niet
gewoon hetzelfde plan gebruiken als in Ellepak?” Melliw schudde zijn hoofd.
“Nee, jammer genoeg niet. Het was een briljant plan, dat wel, maar helaas zal
het niet nog eens kunnen werken.” Dat was jammer, vond Mot. Want het was echt
een geweldig plan geweest, meesterlijk in zijn oorsprong en uitvoering.
Ongelooflijk tactisch bedacht. Maar goed, ze konden vast wel iets anders
bedenken. Als het maar tactisch was. Ze zochten een beschut plekje om hun kamp
op te slaan. Na een paar uur slaap waren ze vast beter in staat tot het
bedenken van een goed plan. Ze zochten wat lekkere insecten bij elkaar voor een
heerlijke voedzame vegetarische barbeque zonder welke eetbare delen van het
karkas dan ook. Dus bijv. Geen spiervlees, organen, vet (noemen we spek) of
zwoerd.
De volgende ochtend werden ze al vroeg wakker. Om geen tijd te
verliezen waren ze binnen zeven minuten klaar om verder te gaan. Bij gebrek aan
een beter plan zouden ze gewoon maar naar binnen lopen door de stadspoorten en
wel zien wat er gebeurde. Bij aankomst bij de poorten bleken de poorten
eigenlijk gesloten. “Oh M.” Zei Mot. “Zullen we dan maar naar de volgende stad
gaan?” Melliw dacht even na. “We kunnen ook kloppen.” “Oh ja. Dat klopt.”
Melliw klopte op de deur. “Ja?” zei een stem door de intercom. “Wij willen
graag naar binnen.” Zei Melliw. “Aha.” Zei de stem.
...
..
.
..
...
Melliw klopte nogmaals. “Ja?” zei dezelfde stem als even daarvoor. “Wij
willen graag naar binnen, we komen iets heel belangrijks doen hier.” “Ah. Heeft
u een afspraak?” “Hebben we een afspraak?” vroeg Melliw aan Mot. “Volgens mij
niet. En je mag niet liegen over gemaakte afspraken hoor, afspraken zijn
heilig. Als je iets afgesproken hebt moet je het nakomen en als je iets niet
afgesproken hebt mag je niet zeggen dat je iets wel afgesproken hebt. Ja sorry
hoor maar zo ben ik nu eenmaal opgevoed.” Melliw draaide met zijn ogen. “Ja ja
maar dat kan me niet schelen. Er mogen wel meer dingen niet. Ja, we hebben een
afspraak.” Zei Melliw tegen de intercom. Er was wat geroezemoes aan de andere
kant van de lijn. “Er is ons maar één afspraak bekend, dat is een zeer
belangrijke levering. Dat zijn jullie?” Melliw keek vragend naar Mot. Wat zou
hij doen? Mot haalde zijn schouders op. “Euhm, jaaaah, dat zijn wij.” Er klonk
gejuich aan de andere kant van de muur. De deuren gingen langzaam open. Vele
gretige handen grepen Mot en Melliw op allerhande plaatsen en ze werden naar
binnen gesleurd. De deuren sloten zich weer.
Burgemeester Ellëinad Stims legde de telefoon neer. Curiouser and
curiouser. Ze piepte Aleay op, al had ze haar voor haar gevoel pas een pagina
geleden weggestuurd. Na een paar minuten werd er op de deur geklopt. Het was
Aleay. “Ah, Aleay, kom binnen.” Zei ze. Aleay voldeed aan het verzoek. “Er
hebben zich een aantal interessante ontwikkelingen voorgedaan.” Zei Ellëinad.
“Ah, hoeveel dan?” “Ok, eerlijk gezegd maar één. Maar dat is ook een aantal!”
Dat klopte. “U doelt op de onaangekondigde verschijning van een tweetal
mannen?” Ellëinad was even met stomheid geslagen. Ze knipperde met haar ogen en
schudde even met haar hoofd. “Hoe weet je dat in hemelsnaam? Dat is net een
alinea geleden gebeurd?!” “In mijn vakgebied is het van belang om altijd te
weten wat er gebeurt.” “ja, over dat vakgebied, welk gebied is dat precies?
Eigenlijk?” “Daar heb ik het liever niet over.” “Ok. Prima.” “Ik heb ze slechts
even kunnen observeren, maar het is duidelijk dat deze mannen niet door Seog
gestuurd zijn. Ten eerste waren er namelijk geen bewakers of postbodes bij. En
verder hebben ze een redelijk intelligente blik in hun ogen. Niet allemaal even
intelligent, maar sommigen wel. En ik speel al een tijdje met een idee in mijn
hoofd waarvoor we slechts één man nodig zouden hebben. Maar dat zou wel een
speciaal soort man moeten zijn.” “Aha. Ok, dan moeten we zien uit te vinden of
een van deze twee door God gezonden mannen voldoen aan je eisen. Ik zal ze
persoonlijk aan een grondig onderzoek onderwerpen. We beginnen direct.”
De giechelende meisjes stonden met open mond naar Melliw en Mot te
staren. De meerderheid van hen had nog nooit een man van dichtbij gezien, laat
staan zulke exemplaren. “Waarschijnlijk heb ik een groot deel van hen alleen al
door mijn aanwezigheid hier voor hun leven verpest voor andere mannen.” Dacht
Melliw met een zucht. “Het zou de eerste keer niet zijn. En zeker niet de
laatste keer. De zee van veertienjarigen scheidde zich. In de schaduw ging een
deur open. Er kwamen twee vrouwen binnen. Melliw zag direct dat het vrouwen
waren aangezien ze waarschijnlijk 20 en 23 jaar waren. Hun gezichten bleven
verborgen. Op hun bevel werden Mot en Melliw rondgedraaid. De vrouwen bekeken
hen van alle kanten. Alles werd gecontroleerd: tanden, nagels, houding,
kontjes. Ze overlegden even en lieten Melliw wegvoeren. Mot bleef achter in de
kamer vol veertienjarigen. Duidelijk teleurgestelde veertienjarigen
welteverstaan.
Meliw werd een helderwitte kamer ingeduwd. “Gaat u zitten.” Zei de
vrouw in de schaduw, waarschijnlijk een van de twee van een moment daarvoor.
Hij ging zitten. Er scheen een aantal felle lampen in zijn gezicht. Toen zijn
ogen hieraan gewend waren kon hij de omgeving wat beter bekijken. Aan de muur
hing een spiegel. Hij haalde even een hand door zijn haar. Dat was beter, al
zat het sinds die chip in zijn hoofd gezet was nooit echt geweldig meer. De
vrouw nam tegenover hem plaats. Met enige moeite kon hij de contouren van haar
gezicht ontwaren, de inhoud bleef echter in het duister. “We gaan even gezellig
praten.” Zei de vrouw. “Oh. Leuk.” Het silhouet van de vrouw glimlachte. “Oh,
dat valt alweer mee. Ik verwachtte allerlei vragen. Waarom gaan we praten?
En waarover? En wat heb je aan?” “Ach, waarom zou ik mijn tijd verspillen
met zinloze vragen? Wat maakt het mij uit waarom een mooie vrouw met me praat,
of wat ze draagt? Ik moet elke minuut koesteren.” De glimlach werd breder. Ze
schudde met haar hoofd. “U blijft me verbazen.” “Melliw.” “Wat?” “Melliw. Ik
heet Melliw. Dat maakt het wat persoonlijker. En je mag wel jij zeggen hoor. De
enigen die ‘u’ hoeven te zeggen zijn winkelbediendes.” De vrouw keek hem
indringend aan. “Euhm. Dit is het moment waarop jij vertelt hoe jij heet.” Zei
Melliw met een flauwe glimlach. “Aleay.” Zei Aleay. Ze draaide haar hoofd weg
en vloekte binnensmonds. “Is er iets mis?” vroeg Melliw. “Nee, niets. In mijn
vakgebied is het normaal gesproken beter om wat afstand te bewaren.” Zei Aleay.
“Oh? En welk vakgebied is dat dan wel?” “Dat zeg ik liever niet.” Zei Aleay.
“Ok, dat kan ik me voorstellen. Ik ben immers maar een vreemde, wie weet wat ik
voor een weirdo ben.” “In ieder geval een charmante.” “Dank je.” Zei Melliw.
“Maar daar deed ik het niet voor. Ik was slechts geïnteresseerd in jouw
leefwereld. Wat je zoal bezighoudt.” “Mm-mm.” Zei Aleay. “Maar het gaat mij
meer om jou, eigenlijk.” Zei ze. “Om mij? Over mij valt niet zo veel te
vertellen. Nou ja, een pagina of 150 misschien, als het echt moet. Maar ik ben
bereid om je mijn hele levensverhaal te vertellen, als jij hetzelfde voor mij
doet. Quid pro quo. Ik bedoel, ik praat graag, maar luister nog liever.” Ze
knikte. “Ik moet het even overleggen. Euhm, even over denken bedoel ik.” Ze
stond op en liep naar de deur. “I’ll be back.” Zei ze. Melliw dacht dat hij
haar even zag knipogen, maar in de duisternis was het moeilijk om daar zeker
van te zijn. “Ik tel de uren tot je terugkomt!” riep hij haar nog na. Hij
leunde achterover.
Aleay sloot de deur achter zich en leunde ertegen. Toen ze haar adem
weer enigszins terughad veegde ze haar voorhoofd af. Ze liep naar de kamer
ernaast en ging naar binnen. “En?” vroeg Ellëinad. “Dit heb ik nog nooit
meegemaakt.” Zei Aleay. “In al de jaren dat ik dit vak beoefen niet.” “En welk
vak...” “Ach hou op.” Zei ze. “Ik denk dat het tijd wordt om een proefpersoon
naar binnen te sturen.” Vulde ze aan. “Al zou ik graag nog even wat
experimenteren, het belang van de stad gaat voor. Ik denk dat als door een
wonder de redding in onze schoot is gevallen.” “Oh, we gaan zeker een
proefpersoon sturen. Maar nu nog even niet.” Zei Ellëinad. “Ik wil hem eerst
zelf even spreken.”
Mot vermaakte zich ondertussen met de groep veertienjarigen. Toen
Melliw er nog bij was, was alles nog goed gegaan. Op de een of andere reden had
Melliw een natuurlijk overwicht gehad. Vlak na hij weggehaald was, was het
giechelen begonnen. Ze stonden in een groepje, koppen bij elkaar. Af en toe
keken ze allemaal tegelijk in zijn richting en dan... dan barstte het gegiechel
weer los. Gelukkig stond er een pooltafel in de kamer. Misschien dat dat zijn
gedachten wat kon afleiden, hij kon de oefening sowieso wel gebruiken. De
laatste tijd had hij meer succes tussen de lakens dan op het laken. Een van de
meisjes kwam op hem af toen hij een tijdje bezig was. “Wat doe jij?” “Ik ben
aan het poolen.” Gegiechel. “Poolen? Mag ik ook eens?” vroeg het meisje.
De deur ging open. De deur ging dicht. Melliw glimlachte. Ze was
sneller terug dan verwacht. Maar om te voorkomen dat ze weer zo snel wegliep
moest hij misschien een andere tactiek aanmeten. Een wat kleffere. “Ah, ik wist
wel dat je me niet lang kon missen.” Zei hij. “Ik ben niet wie je denkt dat ik
ben, geloof ik.” Zei Ellëinad. “Ik denk het wel. Jij bent degene die mijn hart
vervult met vreugde. Op mijn sterfbed zal ik dank uitspreken over het feit dat
ik je even heb mogen spreken. Elke minuut zonder jou is verspild geweest en
niets is pijnlijker dan van jou gescheiden zijn.” Ellëinad ging zitten. “Meen
je dat echt?” “Zou ik tegen jou liegen?” zei Melliw. Hij besloot er nog een
schepje bovenop te doen. Hij wist niet wat ze van hem verwachten maar kon er
net zo goed een beetje lol mee hebben. “Ik moet je iets opbiechten.” Zei hij.
“En wat dan wel?” Zei zij. “Er zijn een paar regels waar je van af moet weten
rond mijn persoon.” Zei hij. “Vertel.” Zei zij. “Regel één is: Melliw heeft
altijd gelijk.” Ellëinad glimlachte. “Genoteerd.” Zei zij. “Ja ik denk, zeg het
maar direct, dan weet je het alvast.” Zei hij. “En wat is regel twee?” Zei zij.
“Het is nooit Melliw’s schuld.” Zei Melliw. “Interessant.” Zei Ellëinad. “Maar
daar is nog een addendum bij.” Zei zij. “En die is?” Zei hij. “Regel 2a. Het is
nooit Ellëinad’s schuld.” Zei zij. Melliw was flabberghasted. Dit was wel erg
toevallig, hij had Elleinad al zo lang niet meer gezien en opeens liep hij haar
hier tegen het lijf. In metaforische zin dan. Maar wat een metafoor had ze! “En
hoe weet jij dat het nooit Elleinad’s schuld is?” zei hij. “Dat is gewoon zo.
Zou ik tegen jou liegen?” Zei Ellëinad. Melliw’s beurt om te glimlachen. Hij
vroeg zich af hoe ze hier van Elleinad’s bestaan afwisten. Of wacht, dat was
het natuurlijk! “Elleinad, zei je?” “Ellëinad.” Zei ze. Ah, gelukkig, geen
mistaken identity. Dat had op zich wel hilarische gevolgen kunnen hebben maar
was waarschijnlijk te onduidelijk geweest. Dit was gewoon iemand anders met
ongeveer dezelfde naam. “Ik voel nu al dat er hier grootse dingen staan te
gebeuren tussen ons.” Zei hij. “Met zo’n naam.... het is voorbestemd. En ik kan
het weten.” Hij nam haar handen in de zijne. “Vertel me eens wat over jezelf.”
Zei hij. “Hoe zie je eruit bijvoorbeeld?” “Blond haar, groene ogen. Krutse
afkomst.” Flapte ze er ongewild uit. Waarom zat ze hier nog, eigenlijk? Ze
moest hier weg, haar stad had haar nodig. Maar nog even met hem babbelen kon
geen kwaad. Melliw besloot het nog wat op te kleffen. “Er komt een regeltje
bij, geloof ik.” Zei hij. “Regel negen: Ellëinad en Melliw zijn samen de
bestere.” “En de tussenliggende regels dan?” “Die vullen we later nog wel in.
Als we hand in hand deze bedompte kamer verlaten en met elkander de wijde
wereld ingaan. Met niemand anders zou ik dat willen, want jij bent de
allerliefste. Je bent een schatje!” zei hij. “Ik de allerliefste?” Zei zij.
“Dat kan ik me niet voorstellen. Want jij bent duidelijk een van de liefste
personen die ik ooit tegen ben gekomen.” “Ah, een van de liefste, ok, maar niet
de allerliefste. Want die eer behoort aan jou. Er is niemand liever dan
Ellëinad, en op Ellëinad na is er niemand liever dan Melliw. Jij bent een
schatje, ik ben slechts een schatteboutje.” Zei hij. Ellëinad bloosde.
Aleay keek door de two-way mirror. Ze zag hoe Melliw de handen van
Ellëinad in de zijne nam. Dat had hij bij haar niet gedaan! Ze moest maar snel
tussenbeiden komen. Voor Ellëinad’s bestwil natuurlijk. En voor de bestwil van
de stad. Ze moest ingrijpen. En snel.
Er werd geklopt. Aleay kwam binnen. “Mag ik even storen?” zei ze.
“Nee.” Zei Ellëinad. “Jij altijd.” Zei Melliw. Aleay loosde Ellëinad naar
buiten. “Ik tel de uren tot je terug komt!” riep hij ze nog na. Hij leunde weer
achterover. Het genoot er meer van dan hij dacht. Hij was op deze queeste
gegaan om het hart van de schone Rehtse te veroveren, maar hij had haar nu al
zo lang niet gezien. En hoe graag hij het ook wilde ontkennen, uit het oog leek
steeds meer uit het hart. Nou ja, hij kon ergere dingen bedenken dan tot het
einde der tijden gedwongen worden tot het aanstrijken van gesprekken met
onbekende dames. Het was anoniem dus stelde niet zo heel erg veel voor, naar
zijn mening. En hij zag niet eens hoe ze eruit zagen dus kon het zo mooi maken
als hij wilde.
“We kunnen niet langer wachten,” zei Aleay. “Misschien dat we de
testpersoon zelfs maar moesten overslaan. Als ik gewoon nog even met hem mag
praten, dan is dat ook wel genoeg zekerheid.” Ging ze verder. “Dat dacht ik dus
niet he!” zei Ellëinad. “Als ik niet meer met hem mag praten, dan jij ook niet.
Ik kreeg net het idee dat ik door zijn pantser heenbrak!” Aleay wist zeker dat
zij met een goed gesprek meer kon bereiken dan met wat lieve woordjes heen en
weer, maar het belang van de stad was belangrijker dan het winnen van een
discussietje. Al was het niet eens haar stad dus, ze was slechts op vakantie,
maar in haar vakgebied kon je het niet permiteren om een opdracht te
verknallen. Toch maar een proefpersoon dan. Kies er een uit en blinddoek haar.
Het is van groot belang voor het project dat ze hem niet kan zien. Als ze goed
reageert op een gesprek met hem, zullen we hem opensnijden en zijn hersenen
gaan ontleden.” Beide vrouwen kruisten achter hun rug hun vingers en hoopten
dat de test zou falen.
De deur ging weer open. Een meisje van waarschijnlijk ongeveer veertien
jaar werd de kamer ingeleid. Ze werd op de stoel tegenover hem gezet. Melliw
ontwaarde dat ze geblinddoekt was. “Hoi.” Zei hij. Wat verwachtten ze nu weer
van hem? Als ze dachten dat hij dit meisje, een kind nog, op dezelfde manier
zou toespreken als de rijpe vrouwen van net hadden ze het mis. Hij zou haar
behandelen als een zusje. Hij had altijd al een leuk klein zusje willen hebben.
“Hoe heet je?” “Atinnaj” zei ze.
Achter de spiegel keken Ellëinad en Aleay gespannen toe. Ze zagen hoe
de hartslag van het meisje al na luttele minuten steeg. Maar naarmate het
gesprek vordere, stabiliseerde het zich weer. Ze volgden het gesprek, over
aarbeienyohgurt, de lengte van vrouwenbenen, gezichtsmaskers en koeien. Toen
het meisje weer naar buiten kwam had ze een zweem van rust over zich, haar
gezichtsuitdrukking was sereen. Ellëinad slikte. “Test geslaagd?” vroeg ze, het
verwachte antwoord vrezend. “Test geslaagd.” Zei Aleay met een brok in haar
keel. Melliw stond op en klopte op de spiegel. “Zeg, ik weet niet waar jullie
eigenlijk mee bezig zijn daarbinnen, maar misschien kan ik helpen.” Ze keken
elkaar aan. Als hij dan toch zo’n zwaar lot moest ondergaan was het wel zo
eerlijk om hem alles te vertellen. Ze liepen naar de onderzoekskamer.
De felle lamp in zijn gezicht was gedimd, de kamer was uniform verlicht nu. Hij had er zo lang in gekeken dat hij niet meer wist of er vier of vijf lichtjes geweest waren. Door de vlekken in zijn ogen kon hij ze nog steeds niet goed zien. Ze legden hun probleem uit. “Dus jullie moeten voor al de meisjes in deze stad een virtuele man creëren?” vatte hij samen nadat ze hun . “We noemen het liever een virtueel huisdier.” Zei Aleay. “Jaja, ik snap het. Jullie willen ze allemaal iets geven dat zoveel aandacht nodig heeft dat ze niet meer afgeleid kunnen worden door opspelende hormonen. En met mijn hersenpatroon ben je er zeker van dat die spelcomputers of hoe je het ook wilt noemen, al hun vrije tijd en aandacht opeist.” “Precies.” Zei Aleay. “Bijkomend effect is dat ze een beter zelfbeeld krijgen en zichzelf speciaal vinden. En terecht.” “Ok, ik vind het prima.” Zei Melliw. “Maar dat betekent dat we je moeten opensnijden!” zei Ellëinad. “Ben je daartoe bereid? Sterker nog, zijn wij daartoe bereid?” “Oh nee, dat maakt niet uit hoor.” Zei Melliw. Hij streek zijn haren wat opzij. Ledjes knipperden hen toe. “Ik heb een chip in mijn hoofd namelijk. Je kan mijn persoonlijkheid gewoon downloaden, als je tenminste genoeg schijfruimte en een netwerkkabeltje hebt. Kost ongeveer een gulden per meter, tenzij je afgezet wil worden.” Toen Ellëinad en Aleay dit hoorden, sprongen ze een gat in de lucht. Melliw werd snel aangesloten en de dataoverdracht begon. Direct daarna begon de productie van de Game-lliw. Een uiterst modern ontwerp gecombineerd met verslavende software zou het 17 centimeter grote apparaatje op elk nachtkastje in de stad doen belanden. Toen ze naar behoren bleken te werken en het gevaar voor Ekesrey geweken was, zei Melliw dat hij toch echt verder moest nu. Ellëinad noch Aleay wilde hem laten gaan, maar hij moest. “Misschien dat ik ooit nog terugkom, mocht ik deze wedstrijd verliezen. Maar ik wil eerst proberen te winnen. De inzet is te hoog om het niet te doen.” Met pijn in hun hart en een Game-lliw in hun hand namen ze afscheid. Mot stond hem op te wachten bij de stadspoort. Hij vertelde honderduit over zijn poolavonturen met de veertienjarigen. “Nou, die konden dus echt niets ervan he!” zei Mot. “Echt, ze konden alleen ballen die recht lagen raken, en dan ook nog bijna nooit, en als ik ze uitlegde dat je niet altijd recht op de bal hoefden te schieten dan deden ze dit:” -Hij maakte een paar ingewikkelde armbewegingen- “En ze vonden dat de keu zo stonk maar ik zei dat dat wel wende.” Hij merkte dat Melliw niet echt luisterde, of in ieder geval niet oplette. “He, wat is er? Parting is such sweet sorrow?” “Wat? Oh, nee, dat maakte me niet zoveel uit. Begrijp me goed, ik zou ze best nog wel eens willen spreken, maar niet dringend hoor. Nee ik was aan het tellen. 1848.” “1848? Slag bij Troopwuein?” “Nee, uren. 1848 sinds ik Rehtse voor het laatst zag.” Mot rekende het even na. Dat kon niet kloppen, zo lang waren ze nog niet onderweg. Maar het voelde vast als 1848 uur voor Melliw. Hij hielde wijselijk zijn mond. Ze liepen verder. Het begon weer te regenen.
Wordt vervolgd.