Leor had het idee dat ze al maanden aan het lopen waren. In werkelijkheid waren ze pas een paar dagen onderweg. Toen ze in Ellepak aangekomen waren hadden ze geen spoor gevonden van Rehtse. Dus had Niwde besloten dat ze maar zuidwaarts moesten gaan. Nou ja, ze hadden gelukkig overnacht daar. Niwde kon wel een nacht op een normaal bed gebruiken, had hij gezegd. “We liggen toch flink voor op Melliw, we kunnen wel even rustig aan doen.” Maar dat was gisteren, vandaag moesten ze weer onder de blote hemel slapen en Leor sliep liever onder iets anders bloots. Hadden ze maar een auto tot hun beschikking! Maar die zouden ze van Niwde toch niet mogen gebruiken, dat viel niet onder handen en hersens: het enige dat ze mochten gebruiken volgens de regels. Het viel hem nog mee dat ze niet op hun handen hoefden te lopen. Oh, wat wilde hij graag een auto nu. De auto, het hemelse vervoermiddel. Koninklijk rijtuig, chariot of the gods. Het goot ook nog eens pijpenstelen. Leor dacht er eens over na. Sinds ze waren vertrokken uit Seog was het weer steeds slechter geworden. En het was niet nog niet eens herfst. Wat stond hem nog allemaal te wachten? Hadden ze maar een auto, daar konden ze dan in slapen en als het koud was zetten ze de verwarming aan en als het te warm was deed hij gewoon een raampje open. Wat een voordelen bood een auto toch boven de fiets of benenwagen, ja zelfs de trein! Het stalen ros had hetzelfde nadeel als lopen: je werd niet beschermd tegen de overvloed aan nadelige weersomstandigheden. En de trein barstte van de nadelen: geen zitplaatsen, altijd vertraging, depressieve conducteurs, flauwvallende mensen her en der, vervelende kerels die commentaar geven op wat je aan het doen bent... Nee, dan de automobiel! Hij kon geen enkel nadeel bedenken daaraan.
Ook Mot en Melliw liepen door de stromende regen. “Maar leg het me nou
eens uit: waarom hadden we die auto niet gewoon kunnen stelen?” vroeg Mot voor
de elftigste keer. “Ik zou het je graag vertellen maar ik heb geen rijbewijs
dus mag me helaas niet inlaten met uitspraken over dergelijke zaken.” Zei
Melliw. Ze hadden in Ellepak geen enkele aanwijzing gevonden over de
bevindplaats van Rehtse en besloten oostwaarts te gaan, richting Ekesrey. “Dus
houd nou maar op met zeuren over die auto, daar hebben we niets aan. Waardeloze
dingen.” “Ik zeur helemaal niet.” Zei Mot. “Wel.” “Niet.” “Wel.” “Niet!” “Wel!”
“Ik weet niet wat er met je gebeurd is, Melliw, maar je bent veranderd.” “Nee jij
bent veranderd.” “Niet.” “Wel.” “Niet!” “Wel!” “Nee, jij bent veranderd, jij
hebt een chip in je hoofd.” “Niet.” “Wel!” “Ja ok, wel. Maar dat wil niet
zeggen dat jij niet ook een chip in je hoofd kan hebben!” Daar viel weinig
tegenin te brengen. “Maar toch hadden we die auto makkelijk kunnen meenemen.
Het was een klassieker dus we hoefden niet eens wegenbelasting te betalen! We
hoefden alleen maar een raampje in te slaan en dan konden we hem zo meenemen.
Ja, op draadjes starten natuurlijk maar dat kan toch niet zo moeilijk zijn?”
“Pff!” zei Melliw schimpend. “Hoor hem. En jij durfde te beweren dat jij niet
veranderd bent? Zomaar auto’s
vandaliseren? Dat zou de oude Mot nooit doen. Nou ja boeit ook niet. Er zijn
belangrijker zaken nu. Hoe lang zou het nog duren voordat ik Rehtse weer zie?
Voordat ik mijn geliefde in mijn armen kan sluiten? Voordat ik eindelijk
gewonnen heb?!” Mot dacht even na. “Zeven maanden, schat ik. Maximaal. Maar ik
zou er geen geld op zetten.”
Leor merkte dat er duidelijk minder horizon was dan een paar uur
geleden. Ook dat nog, Dnaleez was een platte planeet. En dat betekende dat ze
er zometeen af zouden vallen en door de olifanten of de schildpad opgegeten
werden. Dat had hij weer. Nou ja, ever onwards. Als het zijn lot was om van de
wereld te vallen dan was daar niets aan te doen. Oh, dat viel al weer mee, ze
liepen slechts bergop. Ze keken uit over het water. “Zo. Daar zijn we dan. Bij
een rivier.” Zei Leor. Hij stak zijn handen in zijn zakken. Niwde keek
nadenkend naar het water. “Ja echt waar hoor. Een rivier. Die herken ik uit
duizenden. Geloof mij, dit is een rivier. Misschien is het een fjord. Dat kan
ook. Een soort van inham. Die herken ik ook uit duizenden.” Niwde zweeg nog
steeds. Hij tuitte zijn lippen en tikte ertegen met zijn wijsvinger. “Moet ik
zwijgen? Prima. Geen probleem hoor. Ik blijf wel lekker staan in de regen. Of
wacht, ik schuil wel even bij de brug.” Hij keek naar links. Hij keek naar
rechts. “Hé, waar is de brug?” Niwde draaide zich om. “We hebben hier geen
brug.” “Geen brug? Jullie gebruiken liever een veerpont? Als de pont zo lang
was als de breedte van de stroom, dan kon hij blijven liggen, zei Mot mij
laatst.” Niwde schudde zijn hoofd. “Nee, ook geen veerpont. Dat zou je toch
moeten weten, jij komt toch uit deze buurt?” Leor herinnerde zich zijn
dekmantel. “Oh, ja ik kom wel van deze planeet, maar ik kom uit Tnabarb he.”
Wouw, daar had hij zich mooi uit gered. “Ja, dat verklaart veel. Dat was mij
even ontschoten, Leor.” “Andere Leor.” Verbeterde Leor. “Wat?” “Euh,
laat maar.”
“Ik heb honger.” Zei Melliw. Geen reactie. Ze hadden hun kamp
opgeslagen in een klein bos, de bladeren hielden de regen grotendeels tegen. En
als het ging onweren dan konden ze snel genoeg de open vlakte inrennen. “Ik heb
honger!” riep Melliw. De verwachte reactie, dat Mot zou opspringen, kippen ging
vangen en plukken en roosteren, bleef uit. Maar er waren dan ook geen kippen.
“Ik heb ook honger!” zei Mot. “Maar mij hoor je toch ook niet klagen?” “Ja maar
bij mij is het erger. Ik had vroeger nooit eten nodig. Hoe houden jullie dat
uit?” “Oeh, arme Melliw. Ik ben Melliw, ik heb honger, ik was vroeger de
beste die er was en nu kan ik alleen nog maar zeuren.” Zei Mot op zangerige
toon. “Zo praat ik helemaal niet!” zei Melliw. “Ik heb me laten vertellen dat
ik een heel prettige stem heb hoor.” “Ja drie keer raden door wie.” Voor Melliw
kon riposteren was Mot al weggelopen. Hopelijk om eten te zoeken.
“Ok, maar hoe gaan we dan de rivier over?” vroeg Leor. Niwde keek hem
onderzoekend aan. “Ik heb een hekel aan stereotypen, maar mensen uit Tnabarb
zijn echt dom geloof ik he? Ik weet zeker dat jullie dezelfde manier
gebruiken als wij: het Computergestuurde Aquaportamare!” “Oh ja, nu weet ik het
weer. Waarom hebben we die ook weer aangelegd?” “We hebben die niet aangelegd,
de vrouwen hebben dat gedaan. Zodat de wilde mannen zich niet te veel
verspreiden. Zonder een beetje kennis van computers is het niet mogelijk om dit
apparaat te bedienen. En de beste beveiligingssystemen euhm, beveiligen het.
Nog nooit heeft iemand het kunnen kraken. Tot vandaag dan.” Hij liet zijn
knokkels kraken. “Tot vandaag.”
Mot kwam aangerend. “Melliw, Melliw, kom snel kijken!” riep hij buiten
adem. Melliw stond op. Hij hoopte maar dat Mot eten gevonden had. Mot stond
opgewonden te springen. “Komopkomopkomop!” Ze renden door het bos. Aan de rand
van het bos was een heuveltje. Mot rende omhoog, Melliw deed het wat rustiger
aan. Toen hij bovenkwam, stond Mot al met een enorme grijns te wijzen. “Kijk,
daar!” Melliw keek maar zag niets bijzonders. “Ik zie niets.” Zei hij. “Kijk
nou eens goed dan, daar!” Melliw keek nogmaals. “Ik zie alleen maar een grote
vlakte, zonder een teken van leven.” “Precies! Is het niet geweldig?” “Nou
reuze. Zeg ik dacht dat je eten ging zoeken?” Maar Mot hoorde hem niet. “Daar
zal ik een huis bouwen. Ver van alle buren, familie, mensen die me zouden
kunnen storen. Ik kan mijn muziek zo hard zetten als ik wil, al mijn auto’s
daar parkeren, doen wat ik wil. Daar zullen we gelukkig zijn, alleen ik en
Ecyoj.” “Ecyoj en ik.” Verbeterde Melliw. “Maar vind je dat wel een goed idee?”
“Ja natuurlijk vind ik dat een goed idee. Hoezo, jij niet dan? Wat is er mis
met mijn plan om samen te gaan wonen met Ecyoj? Heb je soms wat tegen haar?”
“Ik zou niet durven. Ik doel meer op je plan om hier te gaan wonen.
Staat er niet geschreven ‘The Mot is not of Dnaleez, he will not find rest
there?” “Volgens mij niet.” Melliw keek even onbegrijpend. “Weet je dat zeker?”
“Vrij zeker ja. Ik ben geen schriftgeleerde-” “Grootvakantieboekgeleerde”
verbeterde Melliw. “geen grootvakantieboekgeleerde, maar ik zou zoiets toch wel
onthouden hebben.” “Vreemd. Ik zou toch zweren dat ik dat een keer geschreven
heb. Ook niet in de Lebjijb?” “Volgens mij niet. Maar zullen we alvast beginnen
met bouwen? Ik kan haast niet wachten!” “Om tweeërlei redenen zullen we niet
alvast beginnen te bouwen. Ten eerste is onze queeste nog niet ten einde:
Rehtse behoort nog niet toe aan de eerlijke winnaar.” “Ach we hebben best even
tijd. Zoveel hoeft het niet te hebben: wat muren, een paar kamers die compleet
afgesloten zijn van de andere kamers. Oh ja, en een dak. Ik wil zeker een dak.
Questie van een paar dagen, dan moet dat wel af zijn. Desnoods maken we het van
stro of takken.” “Dat brengt me op punt twee, ” “Je bedoelt ‘punt B’” probeerde
Mot. “Ten tweede krijg je vast last van krakers als je hier een huis
lang laat leegstaan. Kom, we gaan verder. Ik heb honger, ik heb het koud en heb
geen vriendin.” “Story of my life.” Mompelde Mot.
“Je hebt nog 3 minuten.” Zei Leor. “Wat?” “Ik zie: je hebt nog drie
minuten.” Zei Leor. “Wat?” “Ik zei: je-” “Ja ik hoorde je wel, wat bedoel je in
hemelsnaam?” “Nog drie minuten voor het geen vandaag meer is. Nou ja, twee
minuten ondertussen. Ik dacht, zeg het maar even, want je zei ‘tot vandaag’. En
het is bijna niet meer vandaag. Over twee minuten niet meer om precies te
zijn.” Even later vroeg Leor zich af of Niwde niet meer op zou schieten met
zijn handen op het toetsenbord in plaats van rond zijn nek. Plotseling hoorden
ze voetstappen. Niwde sleurde hem naar beneden. “Hallo?” zei een vrouwenstem.
“Hallo!” riep Leor terug. “Ssssst!” siste Niwde. Leor knikte hem toe. Hij had
het begrepen. “Hallo!” fluisterde hij daarom terug. Er kwam een bewaakster de
hoek om. Ze had een zaklamp. En een uniform. Leor was al bijna niet te houden.
Misschien had ze ook nog handboeien..! Hij wilde opstaan maar Niwde hield hem
tegen. Toch stootte hij even met zijn hoofd tegen de lepels die daar hingen. De
bewaakster draaide haar hoofd direct in hun richting. Ze tikte op een tafelblad
met haar vinger en liep langzaam hun richting op. Leor verstijfde. Met zijn
hele lichaam dit keer. Niwde zag dat ze elk moment bij hun kon zijn. Hij rende
ongezien naar de andere kant van de tafel en begon lawaai te maken met een pollepel.
De bewaakster keek om en rende in volle vaart op hem af. Niwde klom snel in een
kastje en probeerde hem dicht te maken. Zonder veel resultaat, hij bevond zich
in een impasse in het inpasgebeuren. De bewaakster kwam nog dichterbij. Niwde
schreeuwde als een klein meisje. Ze klapte tegen de spiegel aan. Niwde kwam uit
het tegenovergelegen kastje en klapte in zijn handen. “Goed gedaan, Niwde. Dank
je Niwde. Het is te veel eer. Nee, je verdient het. Ach hou op.” “Zeg hou op!”
zei Niwde. “Kan jij eerste hulp bij ongelukken?” vroeg hij. “Ja.” “Mooi.” Leor
wreef in zijn handen. “En zeg me eens, Niwde, hoort daar ook
mond-op-mond-beademing bij?” “Ja.” Zei Niwde. Leor glimlachte en stak zijn
handen in zijn zakken. “Kan je me dat leren?” “Ja.” Zei Niwde. Leor begon weer
te wrijven. “Geweldig!” “Wat ben je toch aan het doen man?” “Euhm... ik zoek
mijn aansteker.” “Ja ja. Anyway, aan mond-op-mondbeademing is eigenlijk geen
kunst. Wacht, ik zal het voordoen bij deze bewusteloze dame hier. Het
belangrijkste is...” Maar waar de bewaakster een moment daarvoor gelegen had,
lag nu een grote hoop niets.
Mot en Melliw waren terechtgekomen in een dorpje, niet veel
verschillend van het dorpje waar Egres Melliw geholpen had. Ook hier werd de
kroeg geleid door de medicijnman, die in een hoekje een pijp aan het roken was.
Ze hadden eten besteld en tijdens het wachten speelden ze een potje pool. “Zeg,
eigenlijk hebben we hier geen tijd voor.” Zei Melliw. “En ook geen geld.
Eigenlijk.” Maar voor sommige dingen maakten ze graag tijd en geld. “Zeg, ik
moet even naar de wc.” Zei Mot. “En wat heb ik daar mee te maken? Je bent toch
oud genoeg om dat zelf te kunnen, dunkt me. Als je klaar bent roep je anders
maar, dan kom ik wel afvegen.” “Ja ja maar waar is dan de wc?” “Trap af naar benêe.
Dat kleintje is’t fonteintje en die grote is de plee. Weet ik het! Vraag het de
medicijnman maar. Die weet het vast, het is immers zijn kroeg.” Daar zat wat
in. Mot vroeg de medicijnman waar de toiletten waren. “Ah, beste man,” zei
deze, “je wilt weten waar de poepdoos is? De porceleinen troon? De crapper? Het
antwoordapparaat?” Die snapte Mot niet. “Omdat die grote en kleine boodschappen
aanneemt, denk ik.” Riep Melliw hem toe. “Ja, waar is die? Mijn nood wordt
groter en groter!” zei Mot. “Het is die emmer daar in de hoek. Maar ik moet je
waarschuwen: Trap niet tegen de emmer!” “Waarom dat dan niet?” “Waarom niet? De
vreemdeling wil weten waarom niet? Hij lachte smakelijk. “Ten eerste omdat de
inhoud van die emmer zich dan over de vloer van mijn etablissement verspreid.
Wie weet wat voor een monster er uit die resten kan opreizen! En punt B: om de
een of andere reden gaat mijn pijp dan altijd uit.” Terwijl Mot op de emmer
ging zitten nadenken verzamelde Melliw de knikkers op de pooltafel en legde ze
op een rijtje.
De bewaakster dook achter ze op. Ze had een pistool. Dat richtte ze ook
nog op hen. “Ok, geen beweging! Wat doen jullie hier?” “Wij willen graag naar
de overkant.” Zei Niwde. Leor sloeg zichzelf voor de kop. Hoe kon hij zomaar
beginnen de waarheid te vertellen tegen deze vrouw? Daar gingen zijn kansen op
succes. “Oh, nou veel succes ermee. Je zou echt een briljante
computerdeskundige met radicale ideeën en innovatieve plannen moeten zijn om
dat ding te kunnen bedienen. Ik snap er niets van in ieder geval.” Zei de
bewaakster. “Ah. En is er iemand hier die het wel kan bedienen? Liefst iemand
die makkelijk te overmeesteren is en die we eenvoudig kunnen dwingen om ons te
helpen.” “Ja, en ook nog eentje die makkelijk te versieren is.” Vulde Leor aan.
“Nee,” zei de vrouw. “Ik ben hier helemaal alleen en ik snap niets van
computers.” Ze zuchtte en ging zitten. “Hoe kom je hier dan?” vroeg Niwde.
“Bureaucratisch misverstandje. Ik had toen ik klaar was met school geen idee
wat ik wilde gaan doen. Iets met tekenen leek me wel wat, dus vroeg ik een
baantje in de kunst aan, maar kreeg er een aan de kust. En vandaar dat
ik hier zit. Gelukkig komt hier bijna nooit iemand die ik moet teleurstellen.
Of wacht, laatst nog wel, toen is er hier een vrouw overgestoken.” “Een vrouw?
Kan je... Heb je gezien hoe ze eruit zag?” vroeg Niwde. “Ja, zo’n beetje. Ik
was bezig met tekenen en zij kon het apparaat zelf wel bedienen, zei ze.” “Kan
je haar tekenen? Je zei immers dat de kunst je voorkeur had.” “Ik zal het
proberen, maar de laatste tijd gaat het tekenen me niet zo goed af. Het lukt me
niet meer.” “Je hebt dus een tekenblock?” vroeg Leor. “Ja, ik zal het even
pakken.” Zei ze. Ze liep weg. “Volgens mij snapte ze hem niet.” Zei Niwde. “En
dat terwijl het best een goede grap was.” “Welke grap?” vroeg Leor. Niwde
schudde zijn hoofd. De vrouw kwam terug. Ze bladerde een aantal pagina’s door
die vol stonden met de meest geweldige tekeningen van vogels die Leor ooit
gezien had. De tekeningen van handen en katten waren wat minder geslaagd. En
die draak ertussen viel al helemaal uit de toon. Wat een talent! Hij kreeg er
spontaan hartkloppingen van. Maar ja, het was dan ook al weer een half jaar
geleden dat hij de liefde had bedreven. En dat terwijl hij er zo bedreven in
was. Hij had er nog nooit klachten over gehad, maar misschien was dat omdat hij
altijd meteen in slaap viel als hij er mee klaar was. Al wist hij wel tien
dingen die lekkerder waren, toch voelde hij wel weer iets kriebelen. Op een
plaats waar kratsen niet hielp, wassen wel. Maar ja, het kon ook niet elke dag
feest zijn: hij moest niet altijd die lekkere dingen doen, af en toe moest je
een beetje matigen, iets soberder leven. Nee he, nu had hij ook nog eens
honger. De vrouw wilde net beginnen met tekenen toen ze zich bedacht. “Zeg, ik
kan nu wel gaan tekenen voor jullie maar voor niets gaat de zon op.” “Nou voor
niets zou ik niet zeggen, het verwarmt de planeet en zorgt ervoor dat planten
kunnen groeien en mensen en dieren kunnen leven.” Zei Leor. “Ik bedoel, voor
wat hoort wat.” “Wat hoort voor wat?” zei Leor. “De ene hand wast de ander? You
scratch my back, I’ll scratch yours?” “Kinky hoor.” Wanhopig keek ze Niwde aan.
“Let er maar niet op. Komt uit Tnabarb.” Dat verklaarde alles. “Ik beloof je
dat we zullen uitvinden hoe dit systeem werkt. In ruil daarvoor teken jij de
dame die hier onlangs langs is gekomen.” “Deal.” Ze schudden elkaar de hand.
Leor schudde iets anders.
Mot en Melliw gingen aan het poolen. “Ik moet nog zo’n stok hebben.”
Zei Mot. “Nou, keus genoeg!” zei Melliw. Hier moesten ze erg om lachen. Ze
begonne te spelen. “Ach, hij wil er niet in!” zei Mot. “Story of my life.” Zei
Melliw. Ze lachten hard en hartelijk. “Je moet niet zo hard doorstoten!” zei
Melliw. “Ecyoj klaagt anders nooit hoor.” Zei Mot. Ze lachten nogmaals hard en
hartelijk. “Er liggen wel veel ballen op tafel!” zei Mot. “Het lijkt wel
vrijdagavond in de Gaybar.” Zei Melliw. Wederom werd er daverend hard en
hartelijk gelachen. “Geef me dat krijtje even.” Zei Mot. Melliw gooide het naar
hem. “Dank je. Nu sta ik bij je in het krijt!” Weer veel gegier en gebrul.
“Melliw probeerde een ingewikkelde stoot, waar hij zijn keu recht verticaal
hield. “Pas op, als je het laken beschadigd is de medicijnman vast gepikeerd!”
zei Mot. Ze kwamen niet meer bij. Ze lagen onder de tafel van het lachen. Dat
kwam omdat ze allebei van de ander verloren hadden zonder een bal te potten.
Maar zo zijn de regels van het spel. “Playing pool is a lot like making love to
a beautiful women,” legde Melliw uit. “Eerst moest je kijken of je apparaat
goed recht was. Daarna controleer je of het nodig is om het topje even in te
wrijven. Vervolgens vul je zorgvuldig alle gaten met je ballen. En na afloop
veeg je het zeil even glad.” Mot wees hem er op dat je pool met z’n tweeën speelde.
Melliw glimlachte. “I believe it’s pronounced menage a trois?” En ze
moesten weer lachen. De lichte wrijving die tussen hen geweest was, verdween
als sneeuw voor de zon. Want ze waren de beste vrienden, door dik en dun voor
altijd en altijd en altijd en eeuwig. Maar dat kwam ook een beetje doordat
Melliw gewonnen had, want hij kon slecht tegen zijn verlies.
Niwde ging weer aan de slag met de apparatuur. Leor zag het geklungel
met lede ogen aan. De core distribution was helemaal uit alignatie! Kon die kerel
dan helemaal niet tactisch denken? Dat deed hij helemaal verkeerd! Maar hij kon
niet ingrijpen, dan zou zijn hele coverstory eraangaan. Want hoe kon iemand uit
Tnabarb zoveel van computers kunnen afweten? Nee, hij moest maar een beetje
blijven toekijken. Gelukkig was er genoeg om naar toe te kijken. En staren naar
vrouwen stond zeker in de top tien. Het meisje zag dat Leor naar haar aan het
staren was. Ze ging een beetje ongemakkelijk verzitten. Dat was het teken dat
ze hem wilde, in zijn ervaring. Tijd om een gesprek aan te gaan. “Ik zie dat je
je horloge om je rechterpols hebt. Dat moet betekenen dat je linkshandig bent.”
“Niet dus.” “Oh. Ben je dan misschien maagd?” “Wat?!” “Kreeft? Waterman?” Ze
bedaarde. “Ik ben Przewalskipaard, als je het dan echt wil weten.” “Oh.” De
conversatie bloedde snel dood. “Uhm, masturbeer je?” “WAT?!” “Ik vroeg, wat
studeer je?” “Oh. Ja iets van inleiding kunstopleiding of iets dergelijks.”
Zozo. “Wat denk je nou van de clitoris van de vrouwen?” “WAT?!?!” Ze stond verontwaardigd
op. “Ik zei, wat denk je, zouden ze die torens weer opbouwen?” “Oh, die torens.
Ja ik denk het wel.” Hij zag hoe ze naar Niwde keek. Waarom keek ze niet zo
naar hem? Misschien kon hij haar ook ergens mee helpen. “Kan ik je misschien
helpen met matrices?” vroeg hij. “What is the Matrix?” vroeg ze. Maar voor hij
kon antwoorden hoorden ze het geluid van een electrische schok, de lichten
dimden, gevolgd door de geur van verschroeid haar. “Niets aan de hand!” zei
Niwde. “Ik heb nog anderhalf jaar informatica gestudeerd. Maar daar bleek ik te
slim voor.” Het meisje keek bewonderend naar hem. “Dat is toch geweldig, dat
iemand zo binnen een minuut een heel systeem kan kraken!” zei ze met een zucht.
“Ja dat zou geweldig zijn. ALS HIJ HET KON! In werkelijkheid zou het nu uren
duren, dagen zelfs. En dan zou er een heel team Niwde’s aan moeten werken, dag
en nacht. Omringd door pizza’s, in een donker hol. Over donkere holen
gesproken...” Het meisje sprong op. “Dat is het, pizza’s!” Huh? Had ze zijn
gedachten soms gelezen? Dat was vreemd. Nou ja, Leor dacht er niet verder over
na. Dat was in zulke gevallen vaak beter. “Ik ga er snel wat bestellen. Ik hoop
wel dat ze nog kaas hebben, dat is erg populair namelijk.” Ze verliet de kamer.
Niwde veegde zijn voorhoofd af. “Ik ga even naar de wc. Ben zo terug.” Ook hij
verliet de kamer. Leor bekeek de computer, wat een primitief geval zeg! Dit was
hoofdstuk 1 in de geschiedenis van de informatica. Hij gaf wat commando’s in
zodat Niwde alleen nog maar op de any key hoefde te drukken en alles zou
werken. Hij ging weer zitten. Hij bedacht zich, stond weer op en typte nog wat.
Hij ging weer zitten met een slecht verhulde grijns op zijn gezicht.
Mot en Melliw liepen weer door het platteland. “Ik hoop dat we snel bij
een stad komen.” Zei Mot. “Ik heb nu al uren geen vrouw meer gezien.” “Ja, daar
zeg je zowat. Stom dat hier de vrouwen in de steden wonen en de mannen zich
verspreid hebben over de rest van de planeet, in het wild levend. Maar je hebt
gelijk, ook ik verlang naar de aanwezigheid van iemand van het vrouwelijk
geslacht. Maar hoe vind ik die in hemelsnaam? Misschien moet ik er maar wat
moeite voor doen.” “Ja, ja kan ook gewoon de eerste de beste meenemen.” Stelde
Mot voor. “Zo wanhopig ben ik nog niet, Mot.” Zei Melliw. Ze liepen zwijgend
verder. Aan de horizon zagen ze de skyline van een enorme stad. Een stad vol
mogelijkheden. Een stad vol vrouwen.
Niwde en de vrouw van wie ze de naam nog steeds niet wisten kwamen
tegelijkertijd weer binnen. “Begin maar direct weer met de computer!” zei Leor
snel. “Nee, laten we eerst pizza eten en harde metalmuziek luisteren.” Zei de
vrouw. Niwde nam de pizza Zwaardvis, Leor de pizza Pittig Gehackt en het meisje
de Geheimzinnige Gymschoenpizza. Na het eten trok de vrouw haar uniformjasje
uit, stroopte haar mouwen op en ruimde ze af. Niwde ging weer aan het werk. Hij
drukte op de any key en alle lichtjes begonnen te knipperen. “Het werkt! Je
bent geweldig Niwde, het werkt!” Ze vloog hem om de hals en zoende hem.
“Fluitje van een centimeter.” Zei hij. Plotseling klonk er een sirene. Leor
stak zijn paraplu op. De sprinklers gingen aan. “Snel, stap in de
Aquaportamare!” zei de vrouw. Ze stapten in de Aquaport en verschenen aan de
andere kant van de fjord. Aan de ene kant zagen ze het meisje doorweekt naar
buiten komen. “Ze heeft wel een erg nat T-shirt aan he?” zei Niwde. Maar Leor
zag het niet. Zijn brillenglazen waren beslagen.
Ze liepen verder zuidwaarts. “Zeg Leor, zeg eens eerlijk: jij was het
die de computer gekraakt had he?” Leor liet zijn hoofd hangen en knikte van ja.
“Dat dacht ik al. Ik heb je onderschat, kleine Tnabarber. Misschien zijn jullie
toch niet zo dom als we altijd dachten. Misschien is het onverstandig om iemand
te beoordelen op zijn etnische achtergrond. Als ik Rehtse gevonden heb en we
weer terug zijn in Seog, zal ik een wet uitvaardigen dat iedere burger gelijk
is. En wie het daar niet mee eens is, maken we gelijk.” Hij balde zijn vuist.
“Met de grond.” Hij klopte Leor op zijn schouders, Leor viel bijna omver.
“Sorry dat ik je als minderwaardig heb behandeld, mannetje.” “Ach, dat is toch
allemaal van een brug afwateren.” Zei Leor. “Trouwens, er valt me net iets op.”
“Wat dan, kleine vriend?” “Nou het was eigenlijk best vreemd, ze leek niet eens
verbaasd dat er twee mannen vrij rondliepen en konden praten” zei Leor. “Ha!”
zei Niwde. “Geen wonder, als je naar jouw haarlengte kijkt. Ga eens naar de
kapper man!”
Wordt vervolgd.