Sprookje – Deep Tragic Nine

 

 

Episode 27: Torn Between 5 Lovers, Acting Like a Fool

 

 

“Is het nog ver grote Melliw?” vroeg Mot af en toe. “Ja nog heel ver!” snauwde Melliw hem af en toe. Mot had het hem nu al 32 keer gevraagd en het was echt niet grappig meer. Wist hij veel hoe ver het nog was naar Ellepak? Nee natuurlijk niet. Hij wist niets af van de aardrijkskunde van het sprookjesbos, laat staan van die van een andere planeet. En ze liepen midden door de woestijn, dorheid alom met her en der een rotsformatie of twee, dus er was ook niet echt iets om je op te oriënteren. Ja, de zon maar misschien lagen oost en west en noord en zuid hier wel heel ergens anders. Melliw was geheel in het zwart gekleed, dat was gunstig in de warmte, had iets met zwarte stralers te maken. Mot was in het wit, lekker fris maar je weet hoe dat gaat met witte kleren hè: je ziet alle vlekken erop. Nou ja, witte vlekken niet. Maar daar was hier niet veel kans op. Gelukkig had Melliw iets meegenomen waardoor hij vast makkelijk de positie van Rehtse kon bepalen. Hij pakte een tricorder uit zijn gitaarkoffer en zette hem aan. Mot had hem al eerder gevraagd waarom hij een gitaarkoffer had meegenomen in plaats van een gewone koffer. Het logische antwoord was dat er in een gitaarkoffer meer paste. Hoezo meer? Vroeg Mot toen. Nou, een gitaar bijvoorbeeld. Maar dit terzijde. Allerlei groene puntjes verschenen op het beeldscherm van de tricorder en het ding begon te piepen. “He, wat is dat?” vroeg Mot. “Dit? Dit is een uiterst high-tech apparaatje. Als het nog high-techer was dan zou het zelfs high-tek zijn. Het tuurt de omgeving af naar levenstekenen, kan ziektes diagnosiseren en nog veel meer, mocht dat nodig zijn.” “Oh je bedoelt een tricorder, zoals in Star Trek.” “Ja ik bedoel een tricorder zoals in Star Trek.” “Zeg dat dan. Maar valt dat ook onder handen en hersens? Want Niwde zei immers dat we alleen onze handen en hersens mochten gebruiken. Staat in de regels.” “Regels schmegels. Je mag je hersens van hem gebruiken, doe dat dan ook! Ik gebruik toch mijn handen om de tricorder te bedienen? Al is de reikwijdte niet zo heel erg groot. En trouwens, Niwde gebruikt ongetwijfeld ook apparaatjes en zo, dat moet wel want hij is de slechterik van dit stuk.” “Welk stuk?” “Welk stuk? Rehtse natuurlijk.”

 

Niwde was een vuurtje aan het maken. Hij wreef twee stokjes tegen elkaar, als anorexiapatienten die de liefde bedreven. De vonk sloeg net over toen Leor met zijn grote voeten er op ging staan. “Wat doe je nou man?” vroeg Niwde. “Nu moet ik weer helemaal op- en overnieuw beginnen!” Hij zocht naarstig naar nieuwe stokjes. Dat was nog een kunst op zich, je moet niet te lange stokjes hebben want die zijn te lang, maar te kort is ook niet goed want die zijn te kort. En ze moeten goed recht zijn maar ook weer niet te droog. “Ach, bespaar je die moeite toch!” zei Leor. “Ik weet een makkelijkere oplossing.” Hij maakte zijn knapzak open. “Wat is dat?” vroeg Niwde. “Dit? Dit is een uiterst high-tek apparaatje.” Hij las de folder die erbij zat voor: “Congratulations with the purchase of this, your new High-Tek apparatus! Standard phase disruptor fitted with attachable shoulder stack. Rifle components include extended-charge capacitance cell, high-energy augmented accelerator and requisite induction coil. Has a 4.7 megajoule power capacity, 3 millisecond recharge and two beam settings. Guaranteed to cut through reactive armor up to 15 centimeters and shields up to 4.6 gigajoules. Quick recharge. Expensive, but well worth it. Equipped with fully autonomous recharge, multiple target acquisition, and gyrostabilization. Such equipment has been developed by many races.” “Oh, je bedoelt een phaser, zoals in Star Trek.” Zei Niwde. “Ja ik bedoel een phaser zoals in Star Trek. Ik dacht dat we dat vast wel een keer konden gebruiken.” Leor had eigenlijk de bedoeling om Niwde’s vooruitgang zoveel mogelijk te verstoren en hoopte hem een keer neer te kunnen schieten met de phaser, maar hij had nu honger en het koud dus was de keuze snel gemaakt. “Geef maar hier.” Zei Niwde. Leor gaf het hem en verheugde zich al op een knetterend vuurtje en een verrukkelijke maaltijd. Niwde sloeg de phaser stuk tegen een boom. “De regels zijn: gebruik alleen je handen en hersenen. Dus geen apparaatjes.” Hij pakte twee stokjes en begon weer aan het vuur. Leor had nog steeds honger. Hij snoof eens diep. “Spring is in the air.” Zei hij, meer om het gesprek gaande te houden dan uit interesse voor de klimatologische en meteorologische gesteldheid op Dnaleez. “Doe het zelf.” Zei Niwde.

 

Midden in de nacht begon de tricorder te piepen. Normaal gesproken zou Melliw er zeer zeker wakker van geworden zijn, hij sliep erg licht. Maar vannacht kon niets hem wekken. Hij was uitgeput na een lange dag rondtrekken door Dnaleez en droomde nu van de hereniging met Rehtse. Zelfs toen hij over een schorpioen rolde werd hij niet wakker. Dat zou zeker een vlek achterlaten. Ook Mot sliep rustig verder, in zijn slaap spelend met de ring die hij van Ecyoj gekregen had. Zelfs wanneer hij niet bij bewustzijn was miste hij haar. Maar als iemand wakker geworden zou zijn en de moeite had genomen om de tricorder te bekijken, dan zou diegene gezien hebben dat ze gevolgd werden. Op de grens van het scanbereik van de tricorder verschenen vier groene stipjes. En die stipjes kwamen dichterbij.

 

De volgende ochtend waren Mot en Melliw al vroeg op. Ze hadden dan ook nog een hele planeet af te zoeken naar Rehtse. “Zeg Melliw, was het niet handiger geweest om eerst in het paleis te zoeken naar Rehtse? Daar zitten vast geheime deuren en vallen in. En dwalende monsters misschien ook wel.” “Ik neem aan de Niwde het hele kasteel grondig doorzocht heeft voordat we weggingen.” Zei Melliw, terwijl hij zijn haren in een staart deed. Hij had zo lang geen tijd gehad om naar de kapper te gaan dat zijn ravenzwarte lokken alleen nog met elastiek uit zijn ogen te houden waren. “Hij zou wel gek zijn als hij het niet gedaan had. Maar goed, waar was ik? Oh ja.” Hij liep falderie-end en faldera-end als een mariachi door. Mot frutselde afwezig aan zijn ring. Waarom was het zo stil hier? Hij hoorde nergens vogeltjes fluiten of andere fauna het bijbehorende geluid maken. En dat was vast niet omdat Melliw zo vals zong want die zong zo zuiver als de pest. Zuiverder nog zelfs. Al miste sinds die chip in zijn hoofd geplant was zijn gemusiceer toch een zekere hemelse kwaliteit. Hij zette de overpeinzingen van zich af en volgde Melliw. Althans, dat was de bedoeling. Opeens werd alles donker voor zijn ogen.

 

“Allemaal!” riep Melliw en zong verder. “Falderieieieieie! Falderaaaaaa! Falde-” Hij keek om zich heen. Pas toen de vogeltjes weer langzamerhand weer begonnen te zingen viel het hem op dat ze vlak daarvoor zo stil geweest waren. En dat terwijl ze normaal gesproken elke keer als hij zijn zoetgevooisde stem liet horen van alle kanten aan kwamen vliegen. “Zeg Mot, hoorde je dat?” Mot hoorde het niet. Want hij was in geen velden of wegen te bekennen. Melliw keek nog eens. Nee, echt in geen velden of wegen te bekennen. En er was ook geen bus voorbijgereden of zo. Fortuinlijk genoeg stond er een paar meter verder een aspergesteker asperges te steken. “He gringo, heb jij soms gezien waar mijn vriend heen is?” Maar de aspergesteker hoorde hem niet. Gelukkig had Melliw wel wat om de aandacht mee te trekken. Hij pakte zijn tricorder en bekeek de omgeving ermee. Ah, dat was wat hij zocht. Hij nam een asperge uit de mand en stak het op de bestemde plek in de grond. Direct sproten de aspergeloten uit de grond. De man stond op en met open mond toe te kijken. Hij stiet een paar oerkreten uit en Melliw zette zijn universele vertaler aan. De mannen van Dnaleez waren weinig meer dan wilden, onderontwikkeld en dom. Dat was Melliw dus wel gewend. De man stond nog te stamelen. “Muh- muh- muh- maar dat heb ik nog nooit gezien! Huh- huh- huh- hoe kan dat nou? Wuh- wuh- wuh- wacht, ik weet al, u bent God! Mannen van Dnaleez hebben nu ook God! Nu zullen mannen opreizen tegen vrouw-wezens en winnen en heersen over hele planeet!” Melliw sloeg zich voor de kop. Dat was niet zo handig. Nu zou de stam van deze man hem vast gaan vereren. Dat kostte veels te veel tijd, hij moest Mot en Rehtse nog vinden, niet per se in die volgorde trouwens. Waar zou die Mot toch uithangen?

 

Mot bevond zich in een grot. Hij hing boven een vuurtje met zijn hoofd naar beneden. Niet de meest comfortabele positie. Zijn bloed en andere lichaamssappen stroomden naar zijn hoofd. “Wat gaan we met hem doen?” vroeg een stem uit de duisternis die hem ergens bekend van voorkwam. “Maakt me niet uit wat jullie willen doen, als ik maar eerst mag.” Zei een andere stem die hem ook ergens bekend van voorkwam al was het dan wel ergens anders van. Weer een andere stem, die hem nog weer ergens anders van voorkwam zei: “Ech nie! Ik heb al zo lang moeten wachten, ik mag me eerst op hem uitleven.” “Laat ‘em irst nok maar evuhn ‘anguhn,” zei weer een andere stem, waarschijnlijk de leider van het stel. “Ve kuhnuhn altijd nog beslissuhn vie ‘em ‘et irst onduhr ‘anden neemt. Ve ‘ebben immeurs allemal onafge’andelduh zakuhn.” Mot slikte. Zijn spuug liet een wrange nasmaak achter en een nog wrangere weersmaak toen het terug langs zijn slokdarm naar beneden zijn mond in droop. Die stem herkende hij uit duizenden. En hij wist nu ook wie de anderen waren. Dit beloofde niet veel goeds.

 

Melliw werd meegesleurd door de man, die zichzelf Erges noemde, naar zijn bescheiden huisje. Nu moet je weten dat er op heel Dnaleez slechts vier steden waren. Maar Erges woonde in geen van die vier steden. Integendeel! Die wildemannen lieten vallen waar ze mee bezig waren als Melliw langskwam en gingen op hun knieën uit eerbied voor deze gedenkwaardige persoonlijkheid. “Ik heb het nog steeds,” dacht Melliw een tikkeltje te zelfvoldaan. Hij werd naar de praktijk van de medicijnman geleid. Ook wel bekend als de kroeg.

 

Ondertussen was Niwde druk bezig met het opzetten van een tent voor de nacht, maar nog drukker met het proberen te verbeteren van de grammatica en spelling van Leor. Met tot nu toe weinig succes. “Hoe kom je erbij dat jij beter als mij* zou praten?” vroeg Leor. “Dan ik. En dat is al een goed voorbeeld. Bij een overtreffende trap wordt niet ‘als’ maar ‘dan’ als voegwoord gebruikt.” “Dus je bedoelt ‘dat jij beter dan als mij zou praten’?” “Nee dat bedoel ik niet. Vervang als door dan als je een overtreffende trap utiliseert, dan kom je niet meer in grammaticale problemen. Geloof me, ooit zul je me ‘danbaar’ zijn voor deze wijze les.” “Ja ja ik snap het,” loog Leor. “Zeg eens, verbeter je me uit superioriteit, automatisme of een andere reden?” “Ik doe het omdat ik onze schone taal niet graag verkracht zie worden door plebiair gebruik. En onze taal is natuurlijk op het mooist als iemand een heel gewoon iets zo supermooi weet te zeggen als dat sommige dichters dat kunnen, daar kan ik echt rillingen van krijgen.” Om een beetje vertrouwen terug te winnen besloot Leor een gedicht te citeren. Hij nam de voordrachtspose aan en begon: “De deur gaat open. De deur gaat dicht.” Dit viel niet in goede aarde bij Niwde. “Waarom citeer je de woorden van Melliw?” vroeg hij met vuur in zijn ogen. Het verbaasde Leor een beetje dat Niwde zo op de hoogte was van alles wat Melliw ooit gedaan had maar aan de andere kant had hij vast wat vooronderzoek gedaan voor hij de chip had kunnen ontwerpen waar hij de Godenkrachten van Melliw mee had kunnen suspenderen. “Wat die charlatan produceert is een abominabele behandeling van de poëzie. Zijn vaste rijmschema’s ontnemen de vrijheid die nodig is om je gevoelens de vrije loop te laten gaan en de lichte spot die uit zijn werk klinkt, denigreert alle gedichten. Geef me sinterklaasgedichten, kinderrijmpjes of zelfs rappers en mc’s, maar kom niet aan met het gepruts van Melliw!” “Zak.” Fluisterde Leor, die jaren terug door het infame en aptly named gedicht ‘gedicht’ een vernieuwde interesse in de literatuur had verkregen. “Wat zei je daar?” zei Niwde dreigend. “Zak.” Herhaalde Leor. “Zak! Zak! Zak zak zak. Zak maar lekker door, door door.” Ging hij stamelend verder. “Een citaat van een van de grote rappers uit het sprookjesbos. Niwde besloot het door de vingers te zien. “Hang niet langer de idioot uit en ga werken, ezel.” Zei hij. Maar bij de eerstvolgende gelegenheid nam hij zich voor om zich te ontdoen van deze malloot.

 

De leidster van de vier vrouwen die Mot gevangen hadden kwam naar voren. Ja, het was haar echt. Het flikkerende licht van het vuur belichtte haar haast kinderlijke gelaat. Het was Elicec. Er ging een rilling door zijn lichaam. “Iek zie dat tu nok steeds... comment s’appelle...kiepenvel van moi krijkt.” Zei ze. Mot kreeg tranen in zijn ogen van de rook die van het vuurtje opsteeg. “Ah, tu cris. Tu huilt nogue steeds omdat tu niet bij moi bent. Tu kan niet kelukkiek zijn zonduhr moi.” “Als je eens wist wat we allemaal voor je in petto hadden...” zei Aramat. Ze likte langs haar lippen. “Mijn god,” dacht Mot terwijl de ernst van de situatie langzaam tot hem doordrong, “Ze gaan me opeten!” Zijn vermoeden werd bevestigd toen Aknarf begon te schudden met een bus slagroom. Hij werd witheet van woede, wat een onrecht! Nou ja hij werd ook een beetje witheet vanwege dat vuur waar hij bovenhing. Maar tevens van woede hoor!

 

Jaren later kon je de oudste man nog wel een verleiden om het verhaal te vertellen in het dorp van Egres. En men hoorde het graag. Als je die knar een lauw biertje gaf –in het schoonste glas dat ze hadden- kwam hij al snel op dreef. “Ik zat in een kroeg, net zo een als deze. Ze schonken bier, iets minder lekker dan deze, maar bijna. En daar heb ik iets gezien wat je niet zou geloven. Ik zat daar, zie je, alleen aan een klein tafeltje en die bar zat vol miskleunen. Niet zoals deze hier dus, nee, ik bedoel slechterikken. Alsof ze iets in hun schulp voerden, als je begrijpt wat ik bedoel. Maar goed, ik zat daar dus helemaal alleen, zoals ik het graag heb, en intussen gebeurt er vanalles. Onder de tafels. Niet te opvallend, maar ook niet te geheimzinnig. Goed, ik zit daar dus, komt opeens de grootste man binnen die ik ooit heb gezien. Enorm groot. Hij heeft een air van ‘ik ben de baas’. Niemand weet wat hij er mee aan moet. Daar was hij, en hij kwam binnenlopen. Donker, ook dat nog. Niet van huidskleur, dit was anders. Alsof hij steeds in een schaduw liep. Ik bedoel, bij elke stap die hij naar het licht deed, net als je dacht dat zijn gezicht onthuld zou worden, gebeurde dat niet. Het was alsof het licht speciaal voor hem gedimd werd.” Rond deze tijd zou een van de bargasten die al meer op had dan goed voor hem was, altijd wel een schimpende opmerking maken. Maar het was een goed verhaal, wist de oude man, en hij ging altijd verder. “Nou, die man neemt plaats aan de bar en bestelt een limonade, leunt achterover en zegt niets, nou ja, behalve dan dat hij thuis geen prik meer drinkt. Waarom limonade? Dat interesseerde me toen niet. Nee, ik was meer geïnteresseerd in het ding dat hij bij zich had toen hij binnenkwam. Een soort koffer, nogal zwaar. Hij zette het naast zich neer alsof het zijn meid was. En opeens pakte die bastaard de medicijn/barman vast en begon met hem te smoezen. En het was iets belangrijks, zijn ogen vielen bijna uit zijn kassen. Het was duidelijk dat dit over zaken ging, en dan niet over het lauwe bier dat hij schonk. Godsdienstzaken. Nou wat hij ook zei, de medicijn/barman werd er nogal pissig van. En die ongure types waar ik het over had –niet die geweldige kerels zoals hier, echt tuig – werden ook pissig. Ze stonden op en trokken hun messen, wapens noem maar op. En die vreemdeling sprong op, pakte de koffer, maakte het open en pakt daar het grootste wapen dat ik ooit gezien heb. De bliksemschichten vlogen in het rond, links en rechts raakte hij de mannen. En dat was pas het begin. Ik zat daar maar, terwijl dat allemaal rond me gebeurde. Ik zocht geen dekking of deed mee. Ik was aan de grond genageld. Ik kon alleen maar kijken hoe dat beest de tent verbouwde. Het tuig kwam uit alle hoeken en stierf een welverdiende dood. Het waren geen nette heren, zoals deze klanten. Bij lange na niet. Dit waren drollen van wereldklasse en het was hun verdiende loon. De avond des oordeels was op ons neergedaald. Hij greep een van die kerels, de enige die nog ademde. Hij begon hem te ondervragen en ik zag gewoon, aan al dat gefluister, dat hij hem alles vertelde wat hij wist, zijn hart compleet uitstortte. Hij vertelde die vreemdeling alles. Maar goed, zonder enige waarschuwing, zonder enig voorteken draait de vreemdeling zich om en kijkt me aan. Zijn gezicht heb ik niet gezien. Zijn ogen wel. Ze staarden diep in mijn ziel. Hij liep langzaam op me af. Maar hij werd afgeleid door een ander. De vreemdeling schoot hem neer, betaalde de barman en vertrok.” Dit was de cue voor de barman, die dan altijd trouw zei: “Dus de barman overleefde het?” “Nee, ging de man verder. “Maar... toen de vreemdeling naar de deur liep... laat ik het zo zeggen: hij bestelde een holy bartender. De barman kwam er slechter vanaf dan de rest. En alsof dat nog niet bewijs genoeg was voor zijn goddelijkheid, piste hij van drie meter afstand in een bierglas. Zonder een druppel te morsen. Toen verliet hij de kroeg. Ik ben de enige levende persoon die Melliw heeft mogen aanschouwen.” De meeste klanten geloofden er weinig van, maar het was een goed verhaal. En ze vereerden Melliw nog steeds in het dorp. Je kon nooit weten... misschien zou hij ooit terugkomen.

 

In werkelijkheid ging het ietsje anders. De medicijnman ontving Melliw en Egres met een toepasselijke mate skeptisime. Egres vertelde dat Melliw een plant vanuit het niets had laten groeien. Een wonder! Hij moest wel een god zijn. De medicijnman was wereld- en gewoon wijs en bekeek de apparaten van Melliw. “Ha!” zei hij. “Grote man is niet god, hij gebruikt gewoon techniek! Hij zoekt met apparaat de plaats met water in grond en gunstige aardstralen. Dit geen wonder, dit techniek! Iemand wel heel dom zijn als hij persoon verafgood alleen omdat technisch verder is dan wij!” Hij wilde Melliw wegsturen, maar die stapte op hem af. “Grote medicijnman, u bent wijs. Inderdaad, ik gebruikte techniek. Maar evengoed ben ik een God.” Daar moest de medicijnman smakelijk om lachen. “Als man denkt dat ik geloof dat, man denkt dat ik nog goedgeloviger ben dan hij eerst dacht dat ik was.” “Nee, het is echt zo. Ik wil het wel bewijzen, maar ik heb een chip in mijn hoofd waardoor ik mijn krachten niet kan gebruiken.” De medicijnman lachte nog harder dan eerst. “Chip in hoofd, ho ho ho! Paprika of mexicano? Ho ho ho. Deze man grappig. Dat moet beloont worden. Vandaag is hij de baas van het dorp. Doe alles wat hij zegt. Chip in hoofd, dat kan toch niet!”

 

De dames keken verlekkerd naar Mot. “Zullen we z’n kleren niet alvast uittrekken?” vroeg Aramat. “Dan hoeven we dat dadelijk niet te doen.” “Non.” Zei Elicec. “Nok niet. Maar iek denk dat ‘et tijd vordt om ‘et vuur te doven. ‘ij is nu vel kenoek opkevarmd.” “Oh neen!” dacht Mot, “ze gaan me levend opeten! Wee mij! Wee mij! En door die rookwalmen zijn mijn witte kleren helemaal beroet! Wee mij en mijn witte kledij!” Door de angstige realisatie wat zijn lot was, ontspanden al zijn spieren zich en het vuurtje onder hem doofde.  “Zeg Elicec,” zei Aknarf pesterig, “waarom praat jij eigenlijk zo raar?” “Dat kommt omdat errr iets in de atmosfeer van deze planeet ziet, vaardoor iek bepaalde klankuhn niet kan uitsprekuhn.” Mot zag zijn kans. Als hij een beetje onrust in de gelederen kon creeëren, zouden ze vast ruzie krijgen en dan kon hij wellicht ontsnappen. Hij moest een van hen aan zijn kant krijgen. Even zien, bij wie had hij de meeste kans... Hij keek ze een voor een aan. Hij realiseerde zich dat hij het levende bewijs was dat mensen wel degelijk op verschillende types konden vallen. Hij maakte zijn keuze. Hij moest wel, want ze kwamen met messen in de hand op hem af. “Ik houd van je,...”

Maar op dat moment kwam de cavalerie er aan, geleid door Melliw zelf. Met Egres en de medicijnman aan zijn zijde brak hij door de voorste gelederen [Aramat] en ze bereikten Mot. De twee wildemannen hielden Elicec, Aknarf en Egni op afstand terwijl Melliw de touwen doorsneed en Mot over zijn schouder wierp. Hij raapte hem weer op en stormde de grot uit. De andere wildemannen waren al begonnen de ingang dicht te metselen. Gelukkig konden ze dat heel snel. Toen de medicijnman en Egres naar buiten kwamen metselden ze snel de ingang verder dicht. Zo zouden Aknarf, Elicec, Egni en Aramat vastzitten tot in het einde der tijden. Hun ogen staken nog net boven het muurtje uit. Ze staken hun handen naar buiten in een wanhopige poging Mot naar binnen te trekken. “Kom terug!” riepen ze. Nou ja, niet allemaal: Elicec riep “Komme teruk!” “We wilden je wildste dromen laten uitkomen!” zei Aknarf. “We zouden al je wensen vervullen!” zei Egni. “Je kon ons allemaal hebben, één voor één of meerderen tegelijk!” zei Aramat. Mot knipperde met zijn ogen. “Jullie wilden me toch opeten? Daarom hadden jullie me boven het vuur gehangen, en die messen ter hand genomen. Om nog maar te zwijgen van die slagroom.” “Die messen waren om het touw door te snijden.” Zei Aknarf. “En dat vuur om je heet te maken voor ons.” Zei Egni. “En die slagroom... nou ja kom maar hier dan laat ik het je zien...” zei Aramat. “Bedoel je... dat jullie me terug wilden? Dat jullie geen wraak wilden nemen omdat ik jullie zo wreed gedumpt heb?” De dames begonnen te lachen. “Vreed gedump?” zei Elicec. “Iek denk dat tu een beetje amnésie ‘ebt. ‘et was iemmers nous die tu gedump ‘adden!” “Jij ons gedumpt? Ech nie!” zei Egni. “Maar nu hebben we spijt, grote spijt.” Zei Aramat. “Ja, we hadden je nooit moeten laten gaan.” Zei Aknarf. Mot zwelde op van trots. “Ja, dat zeg ik al tijden. Het is dat ik nu wat met Ecyoj heb, anders zou ik me graag laten inmetselen met jullie.” Hij dacht even na. “Al is Ecyoj wel ver weg nu he... ze zou er toch niet achterkomen, of wel? Je kan toch gewoon zeggen dat ik dood ben tegen haar, of niet Melliw?” Melliw keek dit eens even aan. Dit was niet de Mot die hij kende. Wat kon hem zo veranderd hebben? Ach, hij zag het al. Het aloude liedje. “Wie hem draagt, wordt gecorrumpeerd.” Zei hij. “Mot, ik laat je hier achter. Maar laat me eerst je voor een laatste maal de hand schudden.” Mot schudde hem de hand en in een vloeiende beweging schoof Melliw de ring die Mot van Ecyoj gekregen had van Mot’s hand. Hij las de inscriptie: Eén om allen te regeren. De drager van deze ring was onweerstaanbaar voor al zijn ex-en. En onuitstaanbaar voor de rest van de wereldbevolking. “Zeg, die ring is van mij!” zei Mot. “Ach laat ook maar, die heb ik toch niet meer nodig. Heren, breek de muur maar af. Ik ga het paradijs betreden!” Hij stapte op de muur af om hem eigenhandig te slopen toen de mannen niet reageerden op zijn bevelen. De dames binnen deden een stap naar achter toen hij in hun buurt kwam. “Pah! Vat doe tu hier, Mot? En vat doe iek hier?” “Ja, waarom heb je ons hier opgesloten?” vroeg Aknarf. “We hebben je toch gezegd dat het uit was? Of dacht je dat je ons van mening kon doen veranderen door ons op te sluiten?” zei Aramat. “Ech nie!” zei Egni. Mot snapte het niet. “Nee, jullie willen mij terug. Allemaal.” Toen de dames weer van het lachen bijgekomen waren legde Melliw hem uit dat de krachten van de ring alleen werkten als je hem om had. “Vrouwen willen altijd hebben wat ze niet kunnen krijgen. De ring was een teken dat je bezet was. De grootste aantrekkingskracht die een man op een vrouw kan uitoefenen doet zich voor wanneer zij weet dat een andere vrouw hem wil en heeft. Nu je de ring niet meer om hebt, willen ze je niet meer.” “Oh. Mag ik nu de ring terug dan?” vroeg Mot. “Nee. Misschien als je weer bekomen bent van de benevelende effecten van de krachten van de ring.” “Laat nous errr tenmienste uitte!” zei Elicec. “Nou laten we dat maar niet doen.” Besloot Melliw. “Voor de zekerheid.” Hij bevool de wildemannen om verder te gaan met metselen. Vrolijk fluitend liepen Melliw en Mot de zonsondergang tegemoet. Een welbestede dag. Melliw stopte de ring in zijn zak. Je wist immers maar nooit wanneer die nog van pas zou komen.

 

Wordt vervolgd.

Hosted by www.Geocities.ws

1