Rehtse werd wakker en wist niet meteen waar ze was. Ze schrok er van en ging rechtop zitten. Haar wonderschone ogen schoten heen en weer: waar was ze? Toen ze aan het donker gewend was, zag ze het en kwam ze enigzins tot rust: ze bevond zich in haar slaapkamer in het huis van haar moeder. Het laatste wat ze zich kon herinneren was dat Nehalennia vroeg of iemand bezwaar maakte tegen het huwelijk tussen haar en Melliw. Daarna was het feest natuurlijk losgebarsten. Ze had zich waarschijnlijk een beetje laten gaan en teveel gedronken, daarom kon ze zich niets meer herinneren. Vreemd, ze had er geen hoofdpijn van en was niet misselijk. Ze greep naast zich, voelde naar Melliw. Maar hij lag niet naast haar. Dat verwonderde haar, hij zou haar nooit zomaar achterlaten en zeker niet op hun 1-daagse huwelijksjubileum. Gelukkig wist ze een onfeilbare manier om hem te bereiken: bidden. Ze vouwde haar handen en sloot haar ogen. “Tot wie bid je?” vroeg een stem. “Tot God natuurlijk, wie anders?” zei Rehtse. Niets zo storend als wanneer je gebed verstoord wordt. Het was vast een kamerbediende of zo. “Ja, dat spreekt voor zich, maar welke God? Ik heb me laten vertellen dat er meer dan één bestaat.” “Ik bid tot de enige echte. Eigen.” Ze hoopte dat deze lopmperik snel weg zou gaan. Wat een onbeschofte man. Ze zou eens een hartig woordje met haar moeder spreken en er voor zorgen dat hij ontslagen werd. Hij? Sinds wanneer had haar moeder mannelijke bediendes? En een man die kon praten nog wel! Haar ogen sprongen wijd open en ze greep naar haar mes. “Nee, dat risico kon ik niet lopen. Al je wapens heb ik persoonlijk verwijderd,” zei de man achter haar. Ze zweeg. “Ik weet precies wat je denkt nu: Wie is deze man? Wat doet hij in mijn kamer? Wat doe ik in mijn kamer? Waar is Melliw? Die laatste vraag is het makkelijkst te beantwoorden. Melliw is dood. Ik heb met mijn blote handen zijn keel dichtgeknepen tot het laatste drupje leven uit hem verdwenen was.” Rehtse was verbijsterd, en niet alleen door de ontdekking dat iemand zó van het geluid van zijn eigen stem kon houden. “Geloof je me niet? Probeer hem nog maar eens te bereiken met en gebed, dan zie je het vanzelf.” Rehtse probeerde het. Nogmaals. Tevergeefs. “Ik zie dat je geschokt bent. Dat je me haat, omdat ik je geliefde Melliw vermoord heb. Maar je kent nog niet het hele verhaal: ik deed het om een goede reden. Maar dat vertel ik je nog wel een andere keer, er zijn nu belangrijkere dingen. Het gaat er om dat Melliw dood is. Wat mijzelf betreft: rumours of my death have been greatly exaggerated.” Niwde deed het licht aan. “We zijn eindelijk weer samen.”
Ondertussen was Melliw in de kerker het levende bewijs dat hij niet dood was.
Om de tijd wat de doden verzon hij een gedicht over zijn favoriete onderwerp. Hij was nog niet verder dan ‘Melliw en Rehtse / het is altijd pret met ze’ en daar was hij ook nog niet echt tevreden over. Hij kreeg weer een inval: “Wat dacht je hiervan: Rehtse, je bent de betse.” Vroeg hij Elleinad. Die zat een beetje sikkeneurig te kijken. “Ik weet nog dat je gedichtjes voor mij schreef, vroeger.” “Vroeger is vroeger, en nu is nu.” Zei Melliw. “Ja en op een onbewoond eiland zijn alle dagen vrij.” Zo, die zat. Melliw snapte haar ook wel, zij was een tijd ‘the object of his affection’ geweest en nu leek het alsof hij alleen nog maar aan Rehtse dacht. Om haar gedachten hier van af te leiden stelde hij een spelletje voor. Maar Elleinad wilde niet spelen. En hij had nog wel zo’n leuk spelletje bedacht, waar je de aantrekkelijkste vrouw moest bepalen van televisieseries en films en zo. Maar daar kon hij zich toch niet op concentreren, niemand kon tippen aan zijn Rehtse. Elleinad zag dat zijn ogen weer een beetje glazig werden, een teken dat hij aan Rehtse dacht. “Wat is er eigenlijk zo bijzonder aan haar?” vroeg ze met een meer geïrriteerde toon in haar stem dan ze wilde. “Ha,” zei Melliw snerend,
“Omschrijf eens zoiets magisch, vraagt ze mij!
Een blik van haar maakt me ontzettend blij,
En voert mij weg naar vergelegen oorden
Nooit zag ik iets schoners, iemand mooier
Iemand met grotere aantrekkingskracht
Of ik leef als god, of als een schooier
Maakt mij niet uit, als zij maar naar me lacht
Maar dat is nog niet alles, zeker niet!
Er mist iets in mij, als ze er niet is.
Een hartverscheurend, vreselijk verdriet
Heerst dan: Er is iets vrees’lijk, vreeslijk mis.
En om die redenen, ’t is maar dat je ‘t weet
Houd ik van haar, want zij maakt mij compleet.” Elleinad draaide haar ogen weg. Melliw zuchtte. “Ik dacht al dat je het niet zou begrijpen. Maar wees nu even stil, want ik was bezig om een gedicht over haar te bedenken. Dus niet storen!”
“Mijn God!” stamelde Rehtse. “Beter nog.” zei Niwde. “Je oude geliefde. Ik dacht dat je nooit wakker zou worden. Het was helaas nodig om je te verdoven, maar ik ben blij dat je weer bij bewustzijn bent. Ik heb vernomen dat jou altijd verteld is dat ik ongeschikt bevonden was voor voortplantingsdoeleinden en dat ik daarom doodgemaakt was. Niets is echter minder waar. Ik bleek een hogere intelligentie te hebben dan de meeste mannen, daarom werd ik naar een speciaal trainingsfaciliteit vervoerd. Maar laat ik bij het begin beginnen. Er bestaat een meningsverschil tussen de gedragswetenschapsters of mannen ooit dezelfde intelligentie bereiken kunnen als vrouwen. Een radicale groepering, de dolle Anim’s, richtten in het geheim een instituut op waar de meest intelligente mannen getraind werden in de vrouwelijke manier van denken. Alle recruten daar beschikten over fenomenale mentale krachten. Ze noemden ons: the Ex-men.” Hij ijsbeerde heen en weer. “Het waren zware tijden. Hoe meer ik leerde, hoe moeilijker het werd. Al onze gedragspersonen werden veranderd, slechte gewoontes afgeleerd. Electroschokken als we de bril omlaag lieten. Weinigen hielden het vol, de meesten verloren hun grip op de werkelijkheid. Maar er was één gedachte, die mij op de been hield. En dat was de gedachte aan jou. Ik zwoer dat ik vol zou houden en zou terugkeren om je de mijne te maken. En nu, na zeven jaar, ben ik dan eindelijk hier. Het lot is ons gunstig gestemd.” Rehtse was nog steeds niet helemaal van de schok bekomen. Was hij het echt? Door hem was ze Evil Emperess of the Galaxy geworden, omdat ze niet meer wilde leven op een planeet zonder hem. Hij kon niet eens praten toen. Maar zijn dierlijke magnetisme, wat haar zo aantrokken had, had hij nog steeds. “Je zal waarschijnlijk even tijd nodig hebben om dit te verwerken. Ik zie je vanmiddag wel bij de brunch.” Hij liep naar de deur. “Wacht! Vertel me... waarom heb je Melliw vermoord?”
Leor was op zijn hoede. Toen de groep mannen de huwelijksdienst zo ruw verstoorden en Melliw en Rehtse met hun energiewapens verdoofden handelde hij op instinct. Hij rende op de bank af waar de mannen zaten en dook naar hun zak met uitrusting. Hij haalde er een geweer uit en trok razendsnel het bijpassende kleed aan. In niets was hij te onderscheiden van de wildemannen die als gnoes om zich heen schoten. Zijn eerste impuls was om bij de eerste de beste gelegenheid de leider van dit zooitje ongeregeld te doden. Wat zou Melliw trots op hem zijn dan! Maar hij moest eigenlijk eerst meer te weten komen over de motivatie van Niwde, het kon best zijn dat hij een heel goede reden had voor dit gedrag. Misschien had hij een slechte jeugd gehad, of slecht geslapen. Om hier achter te komen infiltreerde hij de groep. Dat was nu een week geleden. Hij was nog niet ontmaskerd.
Rehtse geloofde er geen snars van. Niwde had haar verteld dat Melliw haar voorgelogen en gebruikt had. Dat hij haar betoverd had met zijn Godenkrachten om haar verliefd te laten worden op hem. En ze wist zeker dat Niwde Melliw niet vermoord had. Als dat wel gebeurd was, zouden de krachten van Melliw vrijgekomen zijn en geabsorbeerd worden door de dichtstbijzijnde persoon, i.e. Niwde zelf. En als Niwde nu Godenkrachten had, dan hoefde hij haar niet woordelijk te overtuigen maar kon hij het haar gewoon laten zien. Nee, hier zat een luchtje aan. En dan niet de zilte zeelucht die ze zo gemist had. Ze besloot er op uit te gaan om Melliw te zoeken.
Ze liep door de kerkergangen. Gelukkig had ze haar moeder overgehaald om kerkers in haar huis te nemen. Ja, dat kwam wel even mooi uit. Bij elke deur opende ze het luikje even om te zien of Melliw er in zat, maar met weinig hoop. Ongetwijfeld werd hij goed bewaakt, maar je weet maar nooit. Hij kon gewoon niet dood zijn. Dat accepteerde ze niet. No way. “Ontkenning, de eerste fase van een rouwproces,” fluisterde een stemmetje in haar hoofd. Daar werd ze behoorlijk pissig over. “Fase twee: woede,” lachte het stemmetje. “Weet je wat,” zei Rehtse tegen het stemmetje, “als jij je mond houdt, dan krijg je van mij een placemat met de kaart van Dnaleez erop.” Het stemmetje dacht even na. “En hoe krijg ik die dan ongekreukt thuis?” “Daar vinden we wel wat op.” “Hé,” zei het stemmetje, “moet je niet eens naar de volgende fase?” “Welke is dat dan?” “Uhm... Disney-liedjes zingen.” Zei het stemmetje resoluut. “Ja, Disney. Definetely.” Om er van af te zijn zong Rehtse een duetje ‘I won’t say I’m in love’ met het stemmetje. De laatste fase zou aanvaarding zijn, maar dat zou ze pas doen als ze Melliw’s dode lichaam gezien had en even in het zachte plekje op zijn voet, vlak bij zijn enkel, getikt had. Ze keek door het volgende luikje. Daar lag Mot te slapen. Ook verdoofd door Niwde zeker. Ze bedacht dat deze hele situatie eigenlijk de schuld was van Mot. Als hij haar niet gedwongen had om zijn vriendin te ontvoeren, was hij haar nooit gaan achtervolgen samen met Melliw. En dan had ze hem –Melliw- nooit ontmoet en was ze waarschijnlijk op een gegeven moment gewoon teruggekeerd naar Dnaleez en dan was Niwde weer verschenen net als nu en dan had ze tot in het einde der tijden met hem samengeleefd, zonder te weten dat het ook anders kon zijn. Ze zou niet weten wat ze miste, maar gelukkig zou ze niet weten wat ze miste. Allemaal Mot’s schuld. Haar een beetje opzadelen met al die emotionele ballast. “Psst!” klonk het vanuit een donker hoekje.
“Psst!” siste Leor. Hij was door de kerkergangen aan het dwalen op zoek naar Melliw’s kerker, toen hij voetstappen hoorde. Maar toen hij zag dat het Rehtse was kwam hij te voorschijn en hoopte hij dat hij snel schone droge kleren aan kon trekken. Zij draaide zich om en schrok van zijn entourage: hij had immers dezelfde kleren aan als de handlangers van Niwde. Maar ze herkende hem uiteindelijk toch, al had ze hem maar eventjes gezien bij haar terugkeer op Dnaleez. Hij zag er nogal exponerend en exposant uit en ze foeterde hem uit dat hij haar zo had laten schrikken: “Wat doe je nou, stomme Leor?! Stond je te dromen of zo?!” Met een “Stt!!” maande Leor haar tot stilte. “Ik ben undercover, dus noem me geen Leor! Ik heb een codenaam aangemeten. Ik wilde eerst Rich Handsome kiezen, maar dat zou niemand geloven dus ik heet nu...Leor.” “Leor? Dat is je codenaam? Zo heette je toch al?” “Ja maar nu ben ik een andere Leor. Ik vond deze kleren en drong door in de clan van Niwde. Weet je, infiltreren is net als sex: je moet de juiste uitrusting hebben en dan diep penetreren in het binnenste van je tegenstander. Dan zo snel mogelijk doen waarvoor je gekomen bent en dan maken dat je wegkomt.” Rehtse vond dat Leor er rare ideëen op nahield. “Maar hoe kan het dat ze geloven dat je uit Dnaleez komt? Zeg eens: ‘een gekje op een hekje’” “Nee, ik heb ze vertelde dat ik uit Tnabarb kom.” Tnabarb was het andere continent op de planeet. Er werd altijd een beetje neergekeken op Tnabarbers. “Wow.” Zei Rehtse. “Maar ik was op zoek naar Melliw, ik heb namelijk een sluw plan.” Ging Leor verder. “Ik verstop hem in een leeg wijnvat, want die worden de rivier ingegooid en drijven af naar het dorp, waar hij vast gered wordt. Slim hè?” “Op het feit na dat de lege vaten in de vuilverbrandingsoven gegooid worden is het briljant.” “Ah, ja dat wist ik niet. Verder wel een goed plan toch. Leuk huis heeft je moeder trouwens. Vuilverbrandingsovens, kerkers, niet echt traditioneel, beetje art deco. Zelf ingericht?” “Ja, cadeautje voor haar toen ik Evil Emperess werd. Maar goed, ik zoek Melliw ook. Niwde zei dat hij hem gedood heeft, maar dat geloof ik niet.” “Fase 1?” “Je kan een fase 1 op je ogen krijgen!”
De enige deur die bewaakt werd, werd enkel bewaakt door een enkele bewaker. Leor liep op hem af. “Ik kom je afrossen!” zei Leor tegen de enorme kerel. “Wat?” lachte de man een tikje ongelovig. “Aflossen bedoel ik. Ja sorry, ik kom uit Tnabarb.” “Ah, dat verklaart veel. Nou succes mannetje, al zal je niet veel nodig hebben. Ze hebben de twee gevangenen hier beiden een chip in het hoofd gezet.” “Paprika of Mexicano?” De man negeerde hem. En terecht. “waardoor ze hun krachten niet kunnen gebruiken. Ze zijn net zo menselijk als jij en ik. Als wij mensen waren, maar we zijn Dnalezers, dus beter dan mensen. Zeker beter dan Tnabarbers, wat jij?” Hij sloeg Leor op zijn schouders en liep hard weg [Hij lachte hard, liep niet zo heel hard. [maar hij stampte wel een beetje.]]. Rehtse kwam tevoorschijn. “Ik heb er een hekel aan als mensen geen respect hebben voor anderen.” Zei ze hoofdschuddend. Om haar wat te troosten gaf Leor haar een klap op haar kont.
Rehtse stapte over Leor heen en opende de deur. “Ah, the food arrives, I think. I didn’t realise it was Tuesday already.” Zei Melliw. “Het is nu geen tijd voor grapjes.” “Het is altijd tijd voor grapjes.” Zei Melliw. “Worden jullie hier nooit moe van?” vroeg Rehtse aan Elleinad en de net bijgekomen Rehtse. “Ja!” zeiden ze in koor. Lang geleden, dat ze het eens waren geweest. “Kom je ons redden?” vroeg Elleinad. “Uhm... ‘ons’ niet echt. ‘Jullie’ ook niet. Maar 50% is toch niet slecht?” zei Rehtse. “Oh, ik snap het al.” Zei Elleinad. “Nou, ik wilde toch al niet door Leor gered worden.” “Dan heb je geluk.” Zei hij. Ze maakten Melliw los en liepen richting deur. “Hé, zullen ze niet zien dat Melliw’s plaats leeg is?” vroeg Elleinad. Daar hadden ze nog niet aan gedacht. “Nou Leor, dan moeten we jou maar daar ophangen. Als ze je vinden zeg je gewon dat ik je overmeesterd heb.” “Noem me geen Leor!” siste Leor. “Mijn codenaam is nu Leor.” Melliw keek Rehtse vragend aan. “Een andere Leor, blijkbaar.” Zei ze. Ze klonken Leor vast aan de muur. Elleinad realiseerde zich dat ze nu met hem opgescheept zat. “Hij kan toch ook gewoon buiten op wacht staan?” zei ze. Daar hadden ze nog niet aan gedacht. Ze maakten hem weer los en liepen naar buiten, terwijl Leor iets mompelde over het feit dat hij bijna een van zijn fantasietjes beleefd had met handboeien en Elleinad. “Zeg, waarom maken jullie mij niet ook even los eigenlijk? Hallo? Hallo?” riep ze nog. Hij gooide de deur dicht.
Melliw en Rehtse waren naar buiten geslopen. “Nu kunnen we samen ontsnappen!” zei ze. “Mijn oude schip staat er nog, daarmee stijgen we op en dan transporteren we je vrienden aan boord en nog wat bemanningsleden die me trouw zijn en dan leven we nog lang en gelukkig. En dat wordt wel eens tijd na 22 delen, vind je niet?” Ze stak haar sigaret aan. “Ho ho, niet zo snel, wat is er nu helemaal gebeurd allemaal? Ik weet alleen dat de bruiloft ruw verstoord werd, maar niet eens door wie!” ze liepen over de Boulevard. Niet die van St. Germain. Rehtse stak haar sigaret aan en deed de gebeurtenissen uit de doeken. “Niwde? Is Niwde terug?” Melliw schrok ervan. Dat kwam slecht uit, net nu hij zijn krachten kwijt was. “Dus laten we maken dat we wegkomen zodat we een manier kunnen vinden om die chip uit je hoofd te halen!” zei Rehtse. Maar eerst gingen ze een hapje eten. Melliw had al zo lang op water en brood geleefd dat zijn sokken doorweekt waren en zijn schoenen vol kruimels zaten. Ze besloten naar de Artillerie te gaan, want daar gebeurde het allemaal. ‘De Artillerie, wat gebeurd er nie’ was dat ook hun motto. Onderweg groeten ze zoveel mogelijk bejaarden. Melliw had wel zin in vis. Hij had slechte dingen gehoord over de haaienvinnensoep dus viel de keus op de scholfilet, om het maar eens plat te zeggen. Met een glaasje piraña met een rietje. Rehtse koos een koe uit, doodde haar en at de hamburger. Uit de uier trok ze nog snel een glas melk voor het koud werd. Ze namen tijdens het eten nog snel even het plan door. “Maar hoe voorkomen we dat Niwde’s macht verder uitbreidt en hij achter ons aankomt?” vroeg Melliw. “Mmm... dat zou best wel eens kunnen...” zei Rehtse. Ze stak haar sigaret aan. “Niwde’s macht groeit ongelooflijk snel. Leor...” “Andere Leor.” “Andere Leor, zei dat hij het hele paleis al in zijn macht heeft. Hij belooft ze gouden bergen als ze hem volgen. Ja hij kan erg overtuigend zijn. Knap eigenlijk, als je ziet wat voor macht hij verkregen heeft in zo’n korte tijd... opwindend zelfs...” Melliw hoorde aan de toon in haar stem dat er iets aan de hand was. Hij schoof zijn stoel aan, leunde naar voren en zei: “Rehtse, zeg eens eerlijk... heb je nog romantische gevoelens voor hem?” Hij wachtte het antwoord niet eens af. “Want als dat zo is, dan moet je eerst eens goed nadenken wat je wilt. Wie je wilt. Voor hetzelfde geld is die chip onverwijderbaar en blijf ik slechts menselijk.” “Ook als mens ben je speciaal.” Hij glimlachte. “Een wijs iemand heeft me ooit geleerd dat als iedereen aan zichzelf zou denken, er tenminste aan iedereen gedacht werd. Het is tijd om aan jezelf te denken. Niet wat ik wil, of wat hij wil, is belangrijk. Wat...wil...Rehtse?” “Rehtse wil er even over nadenken.” “Dat lijkt me een goed idee.” “Maar we hebben geen tijd! Ze kunnen elk moment erachter komen dat je weg bent!” “Dan ga ik terug. Sluit me weer op en kom me het maar zeggen wanneer je je keuze gemaakt hebt.” Dat vond Rehtse maar niets, maar Melliw was niet te vermurwen. Ze groetten wat bejaarden en liepen terug.
Ze liepen langs het strand, door de branding. “Ik kom altijd tot rust van de zee.” Zei Melliw. “Zullen we even blijven zitten hier?” Dat was goed. De zon ging net onder. “Volgens mij is die de eerste zonsondergang die we echt samen aanschouwen.” Zei Rehtse. “En er was er nooit een mooier.” Zei Melliw. “Maar er zal er nooit een kunnen tippen aan jouw schoonheid, schoonheid.” En omdat het wel eens de laatste keer kon zijn, kustte hij haar. Haar telefoon ging. Ze wilde opnemen, maar bedacht zich. Sommige dingen waren belangrijker. Ze keken uit over zee. “Waar je wanneer het hier mooi is?” vroeg Rehtse. “Als het stormt, en er is springtij. De golven die op de klippen slaan, de wind die je bijna omverblaast, schepen die zo dichtbij komen dat je ze bijna kan aanraken... prachtig. Het lijkt wel muziek!” Instinctief probeerde Melliw een storm te veroorzaken, even vergeten dat hij geen godenkrachten meer had. Gelukkig was hij een tijdje tovenaarsleerling geweest, voor het geval een dergelijk geval zich voordeed. Hij zag het meer als goochelarij eigenlijk, leuk op feestjes en partijen. Hij was er na een les mee opgehouden maar die kwam nu goed van pas. Hij nam Rehtse bij de hand en beklom de hoogste dijk. Daar liet hij de sterren twinkelen en de golven tot zich komen. Het was inderdaad net muziek. Jammer voor die mensen die zandsculpturen aan het maken waren. Nou ja, dat ze eens echt werk gingen zoeken. Hippies.
Nadat Leor Melliw weer had opgesloten, liep Rehtse weer terug naar haar kamer. Waarom moest ze eigenlijk nadenken? Het was toch duidelijk wat beter voor haar was? Aan de andere kant... ze schrok er zelf van. Twijfelde ze nu aan haar liefde voor Melliw? Toegegeven, ze was ooit hals over kop voor Niwde gevallen, maar aan de andere kant was dat wel zeven jaar geleden. En dingen kunnen veranderen in zeven jaar tijd. Moest ze de band die ze met Melliw had opgebouwd opgegeven voor een avontuurtje met Niwde dat misschien op niets uitliep? Aan de andere kant zou de sleur vast binnenkort in hun relatie sluipen. Maar het beeld van een viriele jonge Niwde stond nog op haar netvlies gebrand. En uit wat hij haar verteld had maakte ze op dat hij ook een ideaalbeeld van haar had, wat misschien niet helemaal realistisch was. Dat zou wel eens op een teleurstelling kunnen uitlopen. Aan de andere kant, we zitten ondertussen op een tetraeder geloof ik, zou het ook het mooiste kunnen worden wat er is. Tijd voor een beslissing. Onder het motto eerst doen, dan denken, liep ze de kamer uit. Links was de weg naar Melliw. Rechts naar Niwde. Ze sloeg af.