Natuurlijk zei niemand wat toen Nehalennia vroeg of er iemand bezwaar
maakte tegen het huwelijk tussen Rehtse en hemzelf. Want was er ooit een paar
dat beter bij zichzelf paste? Goed, er waren er in de geschiedenis van de
wereld een paar geweest die in de buurt kwamen: Oemer en Ailuj, Yrneh IIIV en
zijn zes vrouwen, Mot en Ecyoj misschien. Maar geen van hen deelde zo een pure
liefde als die liefde die er bestond tussen Melliw en Rehtse. En zo zou het
altijd blijven. Er zouden zich evenveel problemen voordoen op hun pad als er
manen zijn rond Mercurius. Hun morgens zouden tot in den eeuwigheid en verder
overgoten worden met zonnestralen, gelijk men een dame blanche overgiet met
chocoladesaus. Want het moge ondertussen duidelijk zijn: ze hielden van elkaar.
Wanneer ze van elkaar gescheiden waren, keken ze uit naar het moment dat ze
elkaar weer mochten zien, spreken en daadwerkelijk weer voor elkaar kwamen te
staan. Ze richtten zich dan nog maar op één ding: dat ultieme, sublieme moment
waarop ze weer éen van lichaam en geest werden. De bloedcellen in hun aderen
gieren met lichtsnelheid door hun lichamen door de niet te dragen spanning, de
hoopvolle verwachting, de iet wat zorgelijke maar ook verwachtingsvolle
gedachten.
Na de inzegening volgde de ultieme bezegeling van hun eeuwige band: de
kus. Daarna zouden ze gekroond worden. De voorpret die ze reeds aan het
huwelijk beleefd hadden, viel in het niets bij de enormiteit van de emoties die
hen nu overdonderden. De spuugruil leek een eeuwigheid door te gaan. Melliw
opende een oog om even te kijken hoe laat het was. Hij zag de uitdrukking van
extase op het gezicht van zijn bruid Elleinad en sloot zijn oog weer. Bijna
beet hij een tong af. Elleinad? Hij trouwde toch met Rehtse? “Wat doe je nou
man?” zei Rehtse. Ja, het was toch Rehtse. Hij voelde haar adem en zag haar
gezicht. Het was echt Rehtse die naast hem lag. Gelukkig, toch? Ja gelukkig
want hij hield van Rehtse. Niet dat hij niet van Elleinad hield maar dat was
zuiver platonisch. Nou ja, misschien een vleugje riconisch. Hij zag de
wa-wa-wa-waanzinnige stapel huwelijksgeschenken. Ze waren met ka-ka-ka-kado’s
overstroomt. Hij moest altijd een beetje stotteren als hij emotioneel werd. Hij
stapte uit het Queen-size hemelbed en pakte de krant. Zijn oog viel direct op
de volgende kop: ‘Punniker Slaat Weer Toe!’ Wie was nou weer de
Punniker? Wat was punniken eigenlijk? “Kom je weer in bed?” vroeg zijn verse
echtgenote verleidelijk. Ze keek hem aan en rekte zich uit. “Tuurlijk lieverd.
Jou kan ik toch niets weigeren?” Hij keek haar met een mengelmoes van
verrukking en verbazing aan. Waar had hij haar aan verdiend? Elleinad kon toch
wel wat beters krijgen. “Ik weet niet waar ik jou aan verdiend heb, Schmoopie,
maar ik klaag niet.” Zei hij. “Come in, and know me better
man!” zei
Elleinad.
Na wat uren vol passie leek knaagde er toch wat aan Melliw. Er klopte
iets niet. Met wie was hij nou getrouwd? Hij kon het zich niet meer precies
herinneren. Hij opende zijn ogen en merkte dat er inderdaad iets aan hem
knaagde. Het was een enorme tijger die op hem lag en aan zijn weke deel
knabbelde [zijn oor]. Hij schreeuwde het uit en werd wakker. Ah, het was maar
een droom geweest. “Wat is er?” vroeg Njimelliw naast hem. “Niets, een vreemde
droom. Ga maar weer slapen, het is 4:00.” Hij keek nogmaals op de klok. “Oh
nee, 6:00.” Hij viel weer in slaap. De volgende ochtend stapte hij uit het
Queen-size hemelbed en pakte hij de krant. ‘Punniker Slaat Weer Toe!’ schreeuwde de krant
hem toe. “Hé wat vreemd, een pratende krant.” Zei Melliw. “De krant sprak niet,
dat was ik, of liever gezegd mijn buik. Ik ben een volleerd buikspreker, in te
huren voor al uw feesten en partijen.” Zei een stem. “Hé die Niwla.” Zei
Melliw. “Wat doe jij nou weer hier? Ik dacht dat je… dat je ergens anders was.
Ergens ver weg.” Om de een of andere reden kon hij zich niet herinneren waar
Niwla dan wel zijn moest. Hij was nog niet helemaal wakker waarschijnlijk. “Kom
je doen?” vroeg hij de kabouter. “Niwla de Niwla de
Niwla, Melliw! Ik kom je waarschuwen. Er is namelijk iets vreemds aan de hand. De
Punniker-” “Melliw, met wie ben je aan het praten? Is er iets?” vroeg Rehtse
vanuit de slaapkamer. “Oh maak je maar geen zorgen hoor, het is maar een kleinigheidje.”
Riep hij haar toe. Hij keek terug omlaag of Niwla om deze onzin kon lachen.
Maar Niwla stond er niet meer. Vreemd. Hij keek naar de krant op de grond. Een
kleine schaduw bewoog heen en weer, heen en weer. Waar kwam die nu weer
vandaan? Hij keek rond. Daar hing Niwla, opgehangen aan een punnikdraad. Met in
zijn handen een briefje: ‘Don’t mess with the Punniker!’
Hij liep de bibliotheek binnen, de krant en het briefje in zijn hand.
“Weet jij iets over die Punniker?” Vroeg hij de liefde van zijn leven.
“Punniker? Waar heb je het over?” vroeg ze. “Dit.” Zei Melliw en hij wees naar
de krant. “Schijnaardbeving wekt onrust,” Las ze voor. “Wat
heeft dat met handwerken te maken?” Melliw bladerde de krant door. Hij zou toch
zweren dat hij het gelezen had hier ergens… Wacht, het briefje. “En dit dan?”
Hij gaf Rehtse het briefje. Ze fronste. “Dit is ernstig. Zeer ernstig.” Melliw
knikte. Hij wist wel dat hij gelijk had. “Ja, dit is verschrikkelijk. Je bent
vergeten om maandverband op het boodschappenlijstje te zetten!” zei Rehtse. Ze
pakte een pen en pende een pak instructies neer. “Ga nu maar naar de winkel. En
als je snel weer thuis komt, kom je thuis weer snel, als je begrijpt wat ik
bedoel.” Elleinad bewoog haar wenkbrauwen snel omhoog en omlaag. Verleidelijk.
Melliw liep snel de kamer uit, de supermarkt in. Plotseling drong het tot hem
door: de onzekerheid met wie hij getrouwd was, de wazigheid in zijn hoofd, het
feit dat hij maandverband moest kopen: Hij werd heen en weer geslingerd in de
tijd! Dat was de enige logische verklaring. Hij was dus ‘nu’ met Rehtse
getrouwd maar zou dus in de toekomst ook nog eens trouwen met Elleinad. En die
Punniker bestond alleen in het heden of in de toekomst, dat moest hij nog even
uitzoeken. Waarom moest zijn leven toch altijd zo ingewikkeld zijn zeg? Hij
liep de kerk uit en vloog naar huis. Hij realiseerde zich opeens dat hij dat
anders nooit deed. En dat hij geen godenkrachten gebruikte maar een of ander
mechanisch apparaat. Hij zat in een Mercedes en hij was een stuk bruiner. Een
heel stuk bruiner zelfs. Melliw vond nog steeds dat een gebronsde huid je in de
arbeidersklasse plaatste, daarom viel het hem meteen op. “Waar denk je aan?”
vroeg Rehtse.
“Wat?” zei Melliw. “Ik vroeg waar je aan dacht.” Zei Elleinad nogmaals en
ze streelde met haar nagel over zijn borst. “Ik dacht aan de Punniker.” “De…
Punniker? Is dat je nieuwe koosnaampje vooreuh…?” Ze wees onder de lakens. “Oh,
ik geloof dat er iemand gehoord heeft dat hij geroepen werd!” kirde ze en ging undercover. Melliw ontspande. Dat gedoe
met de Punniker was blijkbaar een derde tijdsperiode. Dat was ook een
klassiekere klassieker. Waarschijnlijk was het zijn missie om in elk van de
periodes aanwijzingen te vinden over de identiteit van die Punniker. Een
kwestie van goed je ogen openhouden. Behalve als hij moest niezen natuurlijk,
want dan zouden ze uit zijn kassen springen en daar had niemand wat aan. Oooh!
Er waren nog andere dingen waarbij het niet zo makkelijk was om je ogen open te
houden. “Ik had nooit gedacht dat ik het ooit zou zeggen, maar genoeg gewipt! Come on get involved, there’s a mystery to be solved! Waar is de
televisie?” Als hij de tv aan zou zetten zou er ongetwijfeld een belangrijke
aanwijzing verscholen zitten in het programma. “MmmMmmMmmMmm?” zei Rehtse. “Niet met volle mond praten schat.” Zei
Melliw. “Televisie? We hebben geen televisies in Dnaleez. Op verbod van
Nehallenia.” Zei Rehtse. “Ik dacht dat jij omnipotent was!” “Ja maar zoals ik
al zei, genoeg gewipt.” Rehtse veranderde in een tijger, wellicht dezelfde als
voorheen op hem gelegen had. Hij schrok zich een hoedje, en een sjaaltje erbij
in dezelfde kleur.
“Genoeg gewipt?” vroeg Oelc. Waar was hij nu weer? Alles leek groter.
Alles behalve Oelc, die leek kleiner. Hij was op de kleuterschool, in de
speeltuin. Vier tijdsperiodes? Curioser and curioser. Wat zou hij hier nou weer
kunnen uitvinden… Was een van zijn speelkameraadjes soms de schuldige? Had hij
iets gedaan waardoor hij de jeugd verpest had van een onschuldige kleuter? Nou
ja, onschuldig, de meeste kleuters zijn behoorlijk schuldig hoor. Ze kunnen het
alleen aardig goed verhullen. Oelc stapte van de wip, waardoor Melliw een
hardere landing dan gewenst maakte. Het levende bewijs dat kleuters eigenlijk
verderfelijke wezentjes waren. Maar daarom hield hij ook van ze. Plotseling
zaten ze in de klas. Handwerkles. “Vandaag gaan we leren punniken,” zei de
juffrouw. Melliw’s hart sprong op. “Hoera!”
“Hoera? Ik wist niet dat je van sport hield.” Zei Elleinad met de
afstandsbediening in haar hand. Het intromuziekje van Studio Sport dat
ondertussen zo vaak herschreven was dat ze weer bij het oorspronkelijke deuntje
terechtgekomen waren vulde de kamer. Hoewel het tegen alles waar hij voor stond
indruiste, bleef hij even kijken in de hoop van aanwijzingen. Hmm,
telekinetisch voetbal begon. Gepresenteerd door de mummie van Snah Jiaark. Dit
was dus inderdaad de toekomst. Hij kon het niet helemaal volgen maar zag wel
dat het afbraak-telekinetisch voetbal was. Het werd gevolgd door telepathisch
schaken en het Nederlands kampioenschap softbal voor scholen. Allemaal
behoorlijk slaapverwekkend en onbeduidend in ieder geval. Vlak voor hij in
slaap viel vroeg hij zich nog af hoe het kwam dat hij en Rehtse in het ‘heden’
uit elkaar gingen.
“Zeg Rehtse, waarom zijn er op Dnaleez geen televisies?” vroeg hij haar
en nam een hap beschuit. “Waarom niet? Dat lijkt me duidelijk.” “Ah. Fijn dat
het jou duidelijk is, maak het mij dan even hetzelfde als het jou hetzelfde is.
Dan ben je me wel verplicht, through sickness and in
health and all that.” “Dat heeft te maken met de striktheid van Nehalennia, onze godin. Zij
verbiedt het ons.” “Ja, daar wilde ik het ook nog even over hebben. Ik
respecteer je geloof en zo natuurlijk wel, maar het staat een beetje stom
tegenover de andere goden dat mijn echtgenote in een andere godheid naast mij
gelooft. Ik bedoel, als ik monogaam kan zijn, dan kan jij toch wel monotheïst
worden?” “Wil je zeggen dat ik moet veranderen omwille van jou?” “Kijk, het
maakt mij in principe niet uit waarin je gelooft maar het staat zo lullig
tegenover mijn collegae weet je. Eigenlijk zou het het beste zijn als de
officiële godsdienst van Dnaleez veranderd werd. Dat jullie maatschappij
hervormd werd. Gereformeerd, als het ware.” Terwijl deze woorden zijn mond
verlieten wist hij dat dit waarschijnlijk was waarom ze hem verlaten zou. Zij
stond in de hoek. Zij stond in de spot-light. Waarom zei hij in hemelsnaam van
die stomme dingen? Voor haar zou hij zelfs afstand van al zijn krachten doen.
Wat bezielde hem? “Sorry, dat neem ik terug.” Zei hij hoofdschuddend.
“Terugnemen? Dieper, dieper juist!” schreeuwde ze uit. Ze lagen weer in
bed, hij en Rehtse. Was dit voor- of nadat hij die domme dingen gezegd had? Was
dit make-up-sex of gewoon wittebrood-met-boter-geilheid? Belangrijker nog,
maakte dat wat uit?
Het was het romantischte plaatsje ooit. Boven op een heuvel, met een
magnifiek pittoresk uitzicht over de glooiingen van het landschap. Maar geen
van die glooiingen haalde het bij de natuurlijke gewelfdheid van haar. Ze lagen
op een deken, het was nacht. De maan was op haar volst en hing laag boven hun
hoofden. Ze zagen het niet, hadden alleen oog voor elkaar. En terecht. Sterren
schenen fel boven hen. De nachtbries scheen te fluisteren: I love you. Vogels
zongen in de Sicamore-bomen, wat dat ook mochten zijn. Melliw dacht nog even
dat de meeste vogels toch ’s nachts sliepen. Nou ja het waren vast nachtegalen
of avondlijsters of maankanaries of zo. En er verschenen altijd vogeltjes als
Rehtse in de buurt was. Net als hij wilden ze dicht in haar buurt zijn. Want op
de dag dat zij geboren werd kwamen de engelen samen, en besloten ze een droom
werkelijkheid te maken.
“Zeg Melliw, ik denk erover om een neuscorrectie te willen.” Zei
Elleinad terwijl ze heur haar borstelde. “Waarom in hemelsnaam? Je bent toch
volmaakt zoals je bent!” zei Melliw. “Jaja, dat weten we nu wel. Ik bedoel,
thanks god dat je me gemaakt heb, maar dat heb je niet zo heel goed gedaan dus
zal ik het zelf wel ff vervolmaken.” Wat een ondankbare Elleinad, dacht Melliw
en dan was hij niet de enige. Hij vroeg zich af waarom hij al zo lang niets van
de Punniker gehoord had. Dat was toch de reden dat hij door de tijd reisde? Hij
pakte een krant die daar toevallig lag, al zou hij zweren dat die krant er een moment
daarvoor niet lag. Hij bladerde hem door. Vreemd genoeg kon hij de artikelen
niet lezen, hij zag alleen een plaatje van diezelfde tijger weer. Hij kon
helemaal niets meer lezen. Hij moest snel te weten zien te komen wie de
Punniker was, voor hij al zijn krachten kwijt was. Ha, ironisch hoor, net
realiseerde hij zich nog dat hij zijn krachten op zou geven voor Rehtse en nu
verloor hij ze! Hij ging na wat hij allemaal niet meer kon. Hij kon zijn benen
niet meer in zijn nek leggen. De beschrijving van al de mensen die hij kende
was ook al niet bereikbaar. Het zweet brak hem uit. Hij pakte de krant om zich
koelte toe te wuiven. Hij merkte dat hij de koppen opeens wel weer kon lezen.
Was hij weer teruggegaan in de tijd? Nee, Elleinad zat nog altijd heur haar te
borstelen, al at ze er een stukje vis bij. Wacht, dat klopte niet. Vis op
vrijdag? Dat mocht toch niet? Maar waarom dan ook weer? Plotseling drong het
tot hem door, waarom had hij het niet eerder gezien? Het was zo duidelijk als
de neus op haar gezicht: hij reisde helemaal niet door de tijd! Alle punten
wezen erop: de onlogica, de rare verplaatsingen door de tijd, de terugkerende
tijger… hij zat vast in een simulatie, erop gericht om vitale informatie uit
zijn brein te halen! Ja, dat moest het wel zijn. Iemand wilde weten wat hij
allemaal wist, om dit tegen hem te kunnen gebruiken. Iemand was in aan het
breken in zijn geest. Maar zijn sterke wil zorgde ervoor dat al zijn gedachten
gecodeerd werden in belevenissen, herinneringen, hallucinaties. De indringer
werd natuurlijk gesymboliseerd door de Punniker. De tijger verscheen
waarschijnlijk op momenten dat zijn verdediging wat afzwakte. En de Punniker
had Niwla en een aantal anderen gedood, dat betekende vast dat hij al wat
geheugenselementen te pakken had. Daarom kon hij zich niet alles even goed
herinneren natuurlijk! Hij begon er lol in te krijgen. Nou ja, zijn missie was
niet echt veranderd, hij moest nog steeds die Punniker zien te stoppen voordat
hij het belangrijkste in zijn leven te pakken kreeg. Dat vereiste echter wat
introspectie: was dat Rehtse of Elleinad? Of was het iemand anders, Mot
misschien? Die had hij nog niet gezien, misschien was hij een van de eerste
slachtoffers van de Punniker geweest.
Hij liep samen met de Doctor de kopiëerzaak binnen. De man achter de
balie begroette hen familiair, hartelijk zelfs. De Doctor ging aan het werk en
Melliw bleef bij de balie staan. Het viel hem op dat de man achter de balie erg
op de Doctor leek, alleen wat ouder. Hij keek heen en weer naar ze. “Zijn
jullie… zijn jullie familie?” vroeg hij tenslotte. “Zeer opmerkzaam,” zei de
man achter de balie. “De meeste mensen zien dat niet.” “Broers?” vroeg Melliw,
die zich erover verbaasde dat de meeste mensen dat niet zagen, ze leken steeds
meer op elkaar. “Nee.” Het zullen wel neven zijn, dacht Melliw. Waar was de
Doctor nou eigenlijk mee bezig? Hij keek op zijn digitale polshorloge. Hé, dat
droeg hij anders nooit. Nou ja, hij kon de getallen op de display toch niet
lezen. Er kwamen vier kleine blonde meisjes aan, waarmee hij aan de praat
raakte. Hij herkende ze vaag ergens van maar kon ze niet helemaal thuisbrengen.
Ze leken op Yffub.
Plotseling klonk het signaal dat het schip ging vertrekken. Alle dieren
waren ingeladen, ze konden gaan. De mensen aan de kade die toch nog meewilden
werden weggestuurd. Zo vaarden ze de haven uit. Opeens zag Melliw dat er in de
verte een paar mensen in het water rondspartelden. Ze stonden in het water en
in de blubber, in een rokje, in april! Hij moest ze redden, hij kon toch geen
onschuldige personen laten verdrinken? Hij zocht een bootje, zwemplank, wat dan
ook als het hem maar kon assisteren in zijn reddingspoging. Ten einde raad
sprong hij in het water en zwom naar ze toe. Achter hem hoorde hij een plons,
iemand anders had blijkbaar hetzelfde gedaan. Tijdens het zwemmen bedacht hij
dat de personen in het water waarschijnlijk Rehtse en Elleinad waren. De
Punniker had weer toegeslagen. Hij bereikte ze en hield hun hoofden boven
water. Ze waren gered. Hij had de Punniker verslagen!
Hij opende zijn ogen, het felle licht deed hem ze weer sluiten. Pas
toen hij beter gewend was aan het licht dat door zijn oogleden scheen deed hij
ze weer een stukje open. Hij bevond zich in een laboratorium. Mannen in witte
jassen, maar ook een paar vrouwen in witte jassen, liepen druk heen en weer.
Melliw probeerde zich los te rukken maar zat stevig vastgebonden aan het
tafelblad dat negentig graden gedraaid was, waardoor hij rechtop leek te staan.
“Wie heeft hier de leiding?” riep hij. De wetenschappers in de witte jassen
gingen onverstoord verder. De vrouwen in de witte jassen ook trouwens. Melliw
merkte dat er verbindingen liepen van zijn hoofd naar een computer. “Vertel
eens, gebruikt U een polymeer-basale neurale verbinding om de organische
zenuwimpulsen te versturen naar het centrale processor van het positronische
net? Als dat het geval is, hoe lost u dan het probleem op van oplopende
signaalverlies dat inherent is aan organo-synthetische transmissie?” vroeg
Melliw, die wel benieuwd was naar de werking van zo’n vooruitstrevend apparaat.
“Praat je altijd zoveel?” vroeg een vrouwenstem uit de duisternis. “Niet
altijd. Maar wel vaak.” Antwoordde Melliw.
“Waarom sta je erop deze primitieve taal te gebruiken? Je godenbrein is
tot zoveel meer in staat.” “Ja daar zeg je zowat. Ik denk omdat ik nog niemand
gevonden heb die net zo perfect is als ik, die mij direct begrijpt,” loog
Melliw. “Believing oneself to be perfect is often the
sign of a delusional mind” zei de stem. “Ahh, maar zoals het spreekwoord zegt:
I know you are but what am I?” “Dat is geen spreekwoord.” Zei de stem. “Nou ja een
gezegde dan.” “Wat is het verschil tussen een spreekwoord en een gezegde?” “Nou
daar is eigenlijk geen verschil tussen. Het is net zoiets als flora en fauna,
dat komt ook op hetzelfde neer. Maar we kunnen dit bekgevecht niet eeuwig
voortzetten, al is het mijn favoriete bezigheid. Vertel me eens, wie ben jij en
waarom ben je mijn nieuwe aartsvijand?” “Bedoel je dat je dat nu nog niet weet?
Je reputatie op perceptief gebied blijkt onterecht…” “Alleen omdat jij met deze
machine langzaam mijn hersenen leegpompt!” zei Melliw verontwaardigd. “Maar ik
geef je groot gelijk hoor, je zou alleen een hersenloze mij kunnen verslaan.”
“Kleine woorden. Van een klein wezen dat aanvalt wat hij niet begrijpt.” Ze
stapte naar voren uit de schaduw. Het was Ardnas. “Maar… maar jij bent Ardnas!”
“Zeer opmerkzaam.” “Ik dacht dat je… dat je ergens anders was. Ergens ver weg.”
Om de een of andere reden kon hij zich niet herinneren waar Niwla dan wel zijn
moest. Hij was nog niet helemaal bekomen van de effecten van de machine
waarschijnlijk. Ze zag er anders uit dan hij zich herinnerde. Ze liep
verleidelijk op hem af. “Ben je bekend met fysieke vormen van plezier?” vroeg
ze. “Als je verwijst naar seksualiteit…” hij slikte, “Ik ben volledig
functioneel, op de hoogte van… meerdere technieken.” Ze stond recht voor hem,
hij kon haar feromonen ruiken. “Hoe lang is het geleden dat je ze gebruikt
hebt?” “8 jaar. 7 maanden, 16 dagen, 4 minuten, 22…” “Veel te lang,” zei ze en
ze kuste hem. Dit klopte niet, dacht Melliw. Waarom zou Ardnas hem zo willen
mis- en gebruiken? Dit was niet logisch. En het was zeker geen 8 jaar geleden
geweest toch? Hij hield zijn ogen dicht en deed een stap naar voren. Hij bleek
niet langer vastgebonden, noch stond Ardnas nog voor hem. De roerende spier in
zijn mond was verdwenen, hij proefde nu een muffige, zompige lucht. Een vreemd
gevoel maakte zich van hem meester. Hij leek zich te verplaatsen naar weer een
andere tijd, een andere plaats. Ze had natuurlijk de machine weer aangezet!
Instinctief draaide hij snel rondjes om zijn as, nog altijd zijn ogen
dichthoudend. Het vreemde gevoel nam af. Hij opende zijn ogen weer. Hij lag in
bed. Op hem lag weer die tijger. Hij sloot zijn ogen en schreeuwde, dat had al
eerder gewerkt. Hij opende zijn ogen weer en lag in het water, bijna bij de
twee drenkelingen. Hij keek uit het raam van het schip, de maan was erg helder
vannacht. Hij sloot zijn ogen weer. “Ik weet niet wie me nou zo enorm aan het fucken
is, maar ik ben het zat. Als ik mijn ogen weer open doe, dan ben ik weer in de
echte wereld, met al mijn krachten onder mijn controle. Geen rare
verspringingen door de tijd of door de ruimte meer. Screw
you guys, I’m going home!”
Hij hing aan de muur in een kerker. Overal spinnenwebben. Geween en
tandengeknars klonk uit naburige cellen. “Mijverdomme, wat heb ik nou gezegd!
Niet meer van die ongeloofwaardige taferelen!” Hij deed zijn ogen weer dicht.
Elleinad werd wakker, stond op uit haar hoekje in de cel en liep op hem af.
“Hèhè, je bent eindelijk wakker.” “Ga weg, als ik mijn ogen opendoe ben je vast
weer een tijger of zo.” zei hij. Hij loerde met een oog om zich heen. “Ok, dat
valt alweer mee. Ben je echt Elleinad?” “The
one and only.” “Bewijs het maar.” “En hoe had je dat gedacht?” “Euhm… de vorige keren
veranderde je elke keer in iemand anders als we… onze functionaliteit en
compatibiliteit testten. Als we een interface aangingen. Als ik de auto in de
garage zette. Als ik je inwendige vuurtje bluste. Als de stier gemolken werd.
Als…” “Ja ik snap je en je kan het vergeten! Ik houd van Retuow, dat weet je.”
Dat was bewijs genoeg, voor nu. Het was de enige echte Elleinad. “Maar wat doen
we hier eigenlijk? Het laatste wat ik me herinner is dat Nehalennia het
huwelijk inzegende en ik met Rehtse de transactie bezegelde. Daarna was ze
plotseling in jou veranderd en dat was nog maar het begin van de vreemditeit.”
“Ik zal je vertellen wat er gebeurd is. Die Godin, Ainnelahen of hoe ze ook mag
heten, vroeg of er iemand bezwaar maakte tegen jullie huwelijk. Ik beet op mijn
lip zodat ik niet per ongeluk wat zou zeggen, je weet dat ik je ondanks alles
graag mag en dat als Retuow er niet was…” Melliw had uiteindelijk toch de enige
juiste beslissing genomen toen hij zijn geheugen terugkreeg van Elleinad en
alle liefdesgevoelens die ze voor hem had, weggehaald. Nou ja, bijna alle.
“Maar dat doet niet ter zake, toen ze dat dus vroeg stond er een man op,
achterin de zaal, die zei: “Ik maak bezwaar tegen dit huwelijk!” Iedereen keek
naar hem, sommigen leken hem te herkennen. Van Rehtse weet ik zeker dat ze hem
herkende, ze wreef letterlijk haar ogen uit. Dat had ik nog nooit iemand zien
doen, daarom heb ik het onthouden. Alle anderen die in de rij met die man zaten
stonden ook op, het bleken allemaal mannen terwijl die, zoals je weet, helemaal
niet beschaafd zijn op Dnaleez. Deze mannen leken echter wat minder wild, ze
werkten goed samen, gecoördineerd. Jij probeerde ze natuurlijk te kalmeren
voordat je jou Godenkrachten hoefde te gebruiken, maar de leider schoot je
neer. Je viel in een diepe slaap waaruit je pas net wakker werd.” “Hoe lang heb
ik geslapen?” “Vijf dagen en zeven nachten.” “Zo, dat is aardig lang. Iedere
vrouw die ik tegenkwam wilde met me naar bed, vandaar dat ik niet doorhad dat
het maar een droom was. Wie weet wat deze man in die tijd met Rehtse gedaan
heeft… Als het maar goed met haar gaat…”
Wordt vervolgd…