Geen Sprookje – Niet Deep Tragic Nine

 

Episode 17: Sorry, geen verhaal deze week

Ok, dit is het vreemdste wat ik ooit heb meegemaakt. Niet dat dat nou zoveel zegt, ik maak niet zoveel mee, maar toch was het aardig vreemd. Behoorlijk vreemd. Maar wacht, ik zal mezelf even voorstellen, anders kunnen jullie het niet meer volgen denk ik. Jullie verwachten een sprookje maar worden geconfronteerd met de harde waarheid. Ik, Willem N. Verhoef, ben deze week niet toegekomen aan het schrijven van een verhaal. Het enige creatieve dat deze week aan mij ontvloeide was een gedichtje waar ik jullie verder niet mee zal lastigvallen.

Het begon allemaal op zondag twintig mei om 23:15. Ik wilde net beginnen te schrijven aan deel 17, maar had nog niet zoveel inspiratie dus zat ik me maar even te ergeren aan het feit dat die vervelende negen op mijn toetsenbord het niet deed. Even snel een potje Freecell ertussendoor dan maar, was mijn bedoeling, maar zover ben ik niet meer gekomen. De kamer werd gevuld met een oogverblindend licht. Tot mijn grote verbazing en ontsteltenis stonden er op het moment dat ik weer kon zien vier personen naast mijn bed. Dat was me nog nooit gebeurd. Dit was toch aardig vreemd, nietwaar? Daarom zei ik ook dat het het vreemdste was wat ik ooit had meegemaakt. Omdat ik het wel een mooi effect vond, wreef ik mijn ogen uit. Drie van hen herkende ik onmiddellijk. Het waren Tom, Joyce en ikzelf. De vierde was wat minder herkenbaar. Haar resolutie leek wat lager. Razendsnel trok ik mijn conclusie: dit waren Mot, Ecyoj, Melliw en Rehtse. Dat was natuurlijk de reden dat de persoon die Rehtse moest zijn niet helemaal scherp was, ik had Esther nog nooit gezien en wist dus niet precies hoe Rehtse eruit zag. Ze had in ieder geval de jurk aan die ik in mijn hoofd had. Nu ik vastgesteld had wie dit wel moesten zijn, sprak ik ze direct zo nonchalant mogelijk aan. Nooit laten weten dat je onder de indruk bent. Stiff upper lip.

“Hai. Komen jullie doen?” vroeg ik. Melliw keek verwonderd rond, op precies de goede manier. Wat een overacting, briljant. “Er is hier iets vreemds aan de hand,” zei hij. “Bedoel je niet: er is iets vreselijk, vreselijk mis?” zei ik met een licht spottende glimlach. “Ik zou toch zweren dat ik mijn Godenkrachten onder controle had, en dat we in ons oorspronkelijke universum terecht zouden komen,” ging hij verder. “Ah, je bedoelt die truc die je deed nadat je al die mensen had vermoord, enkel en alleen omdat ze je zoon hadden laten verdwijnen?” zei ik. Rehtse keek me doordringend aan. “Hoe weet jij dat?” Nu zou ik normaal gesproken geen staarwedstrijd uit de weg gaan, maar dit was toch min of meer een vreemde voor me dus verbrak ik snel het oogcontact en negeerde de vraag. “Dat was inderdaad jou bedoeling. Maar het leek mij leuker om, voordat jullie weer terugkwamen, eerst nog een ander verhaal in te plannen. Eentje waarin jullie terechtkomen in de ‘echte’ wereld en waar er een diepgravend gesprek met mij, jullie bedenker, volgde. Een gesprek dat een paar dingen zou kunnen ophelderen. Willen jullie trouwens een fondantcakeje?” Ik bood hen een fondantcakeje aan. “Ik heb er nog maar vier, dus als jullie er allemaal een willen dan heb ik er zelf geen. Niet dat dat een probleem is, ik offer me wel weer op hoor.” Zoals ik verwachtte weigerde Melliw deze lekkernij. Ik wist dat hij het wel zou aannemen als ik even aandrong, maar dan had ik er zelf geen meer dus deed ik het niet. “Wat bedoel je, de echte wereld?” zei Rehtse. “Wat bedoel je, jullie bedenker?” zei Melliw. “Wat bedoel je, een verhaal?” zei Mot. “Wat bedoel je, zit er vlees in die fondantcakejes?” zei Ecyoj. “Precies zoals ik het zeg, een verhaal.” Zei ik. “Misschien kunnen jullie beter even gaan zitten.” Mot bood Ecyoj de enige stoel aan, ging zelf op het bed van Bram zitten. Ik maakte plaats op mijn bed voor Rehtse. Die zou niet uit zichzelf naast Mot gaan zitten, wist ik. Melliw bleef zoals verwacht staan. “Ik weet dat dit moeilijk te geloven is, maar ik heb jullie bedacht.” Zei ik. “Met een beetje hulp van wat mensen die ik ken,” voegde ik er met wat ik altijd mijn halve glimlach noem aan toe. Die glimlach die ik gebruik als ik iets grappigs zeg waarvan ik denk dat de meeste aanwezigen het niet snappen, ik weet wel welke ik bedoel. Ze keken me ongelovig aan. Het waren echt allemaal geweldige over-actors, mijn glimlach verbreedde. Dit werd verkeerd opgevat door het gezelschap. “Hij is gek!” zei Ecyoj. Ik vond al dat ze vrij lang niets gezegd had. “Nee, serieus.” Zei ik met mijn oprechtste gezicht. “En ik kan het bewijzen. Ik weet alles van jullie avonturen af. Ik heb ze bedacht namelijk.” “Ja ja.” Zei Mot. “En dat moeten wij geloven?” “Je moet niks.” Zei ik schouderophalend. “Maar het verklaart wel veel hoor. Wacht, ik heb een beter idee: als Melliw met mij een geestversmelting aangaat, dan weet hij dat ik de waarheid spreek. Dus ga je gang.” Melliw wist dat het weinig kwaad kon en las mijn gedachten.

Die nacht kon ik de slaap maar lastig vatten. Het feit dat mijn kamer vol lag met vier vreemden was niet de hoofdreden daarvan, ik lag ergens anders over te piekeren. De geestversmelting was anders gegaan dan ik dacht. Ik was er van uit gegaan dat we elkaars gedachten te zien zouden krijgen, maar hoewel Melliw alles van mij gezien had, had ik niets van hem gezien. That…was illogical, captain. Er was iets niet precies gegaan zoals ik had verwacht. Dat kon maar één ding betekenen en dat was niet dat er iets vreselijk, vreselijk mis was. Ik bevond me in een verhaal, maar niet een verhaal dat ik zelf aan het schrijven was. Er was ergens een andere Willem die er voor gezorgd had dat de hele club bij mij terecht gekomen was. En die Willem had daar vast maar één doel mee: mij een waardevolle les leren. Dat ging dus mooi niet door. Ik zou er wel voor zorgen dat dat niet doorging. Ik had al veel eerder kunnen weten dat er iets vreemds aan de hand was, deze Melliw, Rehtse, Mot en Ecyoj deden dingen en zeiden dingen en lieten dingen zonder dat ik het typte. Iemand anders was dus aan het typen. Nou ja, het was voorlopig even afwachten wat hij voor me in petto had. Rehtse lag naast me in mijn bed.  Zo aardig was die andere Willem dan toch nog wel geweest, om haar naast mij te leggen. Ze werd half wakker en sloeg haar armen om mij heen. Ze dacht natuurlijk dat ik Melliw was, we leken inderdaad wel wat op elkaar. Ik streelde afwezig heur haar. Ze werd hartstochtelijker. Ach, die Willem was zo slecht nog niet, bedacht ik me. Ik wilde haar kussen net beantwoorden toen ik me iets realiseerde: als de Willem die dit schreef een beetje op mij leek, dan was dit een test! Om te kijken of ik me wel aan mijn eigen regels hield. God, waarom zeg ik dan ook van die stomme dingen? Nou ja, Rehtse was natuurlijk maar een verzonnen figuur en Melliw ook. Van verzonnen personen kun je geen vriendin stelen. Eigenlijk. Ik zuchtte en stond op, maakte Melliw wakker. “Ga jij maar in mijn bed slapen. Ik ga wel in de keuken slapen.” Wat een lulhannes was die Willem zeg. Mij een kans geven waarvan hij wist dat ik hem niet zou grijpen.

De volgende dag kwam ik erachter dat ik de enige was die ze kon zien. Ik vroeg me al af wat er zou gebeuren als Bram zag dat het wat drukker dan normaal was op onze kamer, maar voor zover ik het kon zien zag niemand ze, behalve ik. Weer zo’n kutstreek, als ik met ze aan het praten was en er kwam iemand binnen dan dacht diegene natuurlijk dat ik gek was. En ik heb er een hekel aan als mensen denken dat ik gek ben als dat niet mijn bedoeling was. Ik besloot dat ze het beste zolang op mijn kamer konden blijven, daar had ik tenminste wat privacy bij het douchen en dergelijke. “Helaas kunnen jullie deze kamer niet verlaten, hierbuiten is de spatial duodynetic vertion stream niet sterk genoeg.” Al die Star Trek was toch nog ergens goed voor. “Oftewel: als jullie naar buiten gaan sterven jullie een vreselijke dood met veel geschreeuw en geween en tandengeknars en zo.” Terwijl ik brood stond te beleggen bereidde ik me voor op de les die Willem voor mij in petto had. Het meest voorspelbaar was natuurlijk gewoon: ‘Wees toch niet zo lui altijd.’ Of specifieker ‘wees toch niet zo verlegen altijd’ zijn. Of ‘zoek toch eens niet geen vriendin altijd’. Of ‘zoek toch eens niet geen fatsoenlijk baantje altijd’. En al zijn dat allemaal zaken die ik best zou willen, als ik die dingen zou doen, dan deed ik dat omdat ik dat wil, niet omdat Willem dat wilde. Als je begrijpt wat ik bedoel. Ik besloot om zo coöperatief mogelijk tegen te werken. Ik nam het ontbijt mee naar boven.

“Ik heb maar twee croissantjes, die moeten jullie met z’n vieren delen vrees ik. Maar misschien dat ik er nog een naar boven kan smokkelen, dan zeg ik later wel dat Bram ze allemaal opgegeten heeft. Ze begonnen te eten. Ik bekeek ze allemaal eens goed. “Verbazingwekkend hoeveel jullie op ze lijken zeg. En dat terwijl jullie niet eens gebaseerd zijn op Tom en Joyce.” “Wie zijn Tom en Joyce?” vroeg Ecyoj. “Tom is een vriend van me. En Joyce is zijn vriendin.” Melliw onderbrak me. “Hoe bedoel je, ‘en dat terwijl jullie niet eens op ze gebaseerd zijn’? Ik heb je gedachten gelezen en al waren ze wat tegenstrijdig af en toe, er kwam toch wel naar voren dat sommige personages op jouw vrienden gebaseerd waren.” “Echt waar?” zei ik. “Goh, wat vreemd zeg. Dat is er dan onbewust ingeslopen denk ik. Ik wilde gewoon een paar leuke verhaaltjes schrijven. En dat personages dan bepaalde karaktereigenschappen overnemen van mensen die ik ken, tja dat valt te verwachten. Ik hoef toch niet alles zelf te bedenken of wel soms? Of wel soms? Ik ben veel te lui om zelf alles te bedenken. Daarom zijn jullie namen ook achterstevoren de namen van mijn vrienden en kennissen en familieleden en vijanden. Gewoon luiheid, waarom zelf namen verzinnen?” Ze leken het te geloven, of in ieder geval niet meer geïnteresseerd te zijn in het onderwerp. “Goed, ik ben bereid te geloven dat jij ons bedacht hebt en al ons doen en laten bepaalt.” Zei Mot. “Melliw gelooft het en dat vind ik bewijs genoeg. Dan blijft de vraag nog: waarom heb je ons hierheen gehaald?” “Ja,” zei Rehtse, “wat doen we hier eigenlijk? Ik wil naar huis, om weer als Evil Emperess of the Galaxy te kunnen regeren.” Mijn lopende theorie over waarom ze bij mij terecht waren gekomen was zoals altijd gebaseerd op mijn gelimiteerde kennis van de quantummechanica. Ik had besloten om een verhaal te schrijven waarin Mot en de rest mij zouden ontmoeten. Op het moment dat ik wilde gaan schrijven splitste de wereld zich op: in de ene begon ik te schrijven, in de andere verschenen ze voor me voordat ik kon beginnen. Maar al had ik bedacht dat ze mij zouden ontmoeten, ik was nog niet tot het waarom gekomen. Ik wilde gewoon beginnen en zou wel zien waar het heen ging. Maar goed, zij hier dachten dat ik dit allemaal zo geregeld had en ik kon ze moeilijk teleurstellen. “Ik wilde jullie allemaal even spreken, evalueren hoe jullie over jezelf en elkaar denken.” Improviseerde ik. Zo kreeg ik tenminste nog wat feedback over mijn verhaaltjes en dan ook nog een insider’s view. “Dat is niet waar.” Zei Melliw. “Je wist nog helemaal niet wat er ging gebeuren. Ik las het zelf in je gedachten.” “Dat is wel waar.” Zei ik. Glashard ontkennen wil nog wel eens werken. “De reden dat jij het niet in mijn gedachten gelezen hebt, is dat ik dat zo wilde. Ik heb ervoor gezorgd dat jij geen toegang had tot al mijn gedachten, want dan had ons vraaggesprekje geen zin meer, niet waar? Maar ik moet nu naar Eindhoven toe, dus ik zie jullie vanmiddag wel weer. Ik maak onderweg wel een vragenlijstje. Jullie vermaken je wel hier hè? Ik heb normaal gesproken liever dat men met zijn fikken van mijn spullen afblijft, maar jullie mogen wel een video’tje of DVD’tje kijken als je wilt. En onthoud goed: niet de kamer uitgaan, want hierbuiten is de ambiant anaphasic confinement beam niet sterk genoeg. Oftewel: als jullie naar buiten gaan dan wacht je een verschrikkelijk einde met veel gebijt en gekrab en gebloed en zo.” Ze knikten. “Ik raad vooral Edward Scissorhands van harte aan. Er liggen hier nog wel ergens zakdoekjes.”

Op het station zocht ik snel de Nederlandse 2e wagon op. Ik vertik het om in die Belgische coupés te gaan zitten namelijk. En terecht. Ok, wat moest er in die vragenlijstjes komen te staan… eens even denken. Nou ja, dat kon later ook nog wel, ik had nog een paar nieuwe Frasierscripts, die zou ik eerst wel even lezen. Ik zette een muziekje op, de Tourist van St. Germain. Voor ik er erg in had was ik in Eindhoven. Ik had wat tijd over voor het college begon dus ik ging even bij Alwin langs, checkte mijn mail, ging wat sites langs, downloadde een paar afleveringen van That’s My Bush en ging naar het college. Toen dit afgelopen was ging ik weer naar huis. Onderweg bekeek ik de eerder gedownloade afleveringen en vergat spontaan de vragenlijst. Hier werd ik thuis op gewezen. “Ben je klaar met de vragenlijst?” vroeg Ecyoj toen ik mijn kamer opkwam. “Euh, ja bijna. De definitieve versie is bijna klaar.” “Mogen wij hem alvast zien?” vroeg Mot. “Wat? Euh, nee, want dan kunnen jullie overleggen over wat jullie gaan antwoorden.” Ik begon een beetje te zweten. “En het moet wel spontaan blijven hè:” Ik trok een korte broek aan. “Ik kan jullie toch vandaag niet interviewen want ik moet bridgen vanavond. En ik moet nu even aan het werk, ik moet nog een stukje over DVB-RCT in elkaar flansen voor morgen. Dus als jullie je even rustig willen houden, dan kan ik beginnen.” Ze dachten nog steeds dat ze de kamer niet konden verlaten en dat wilde ik wel zo houden. Gaan jullie maar op Bram zijn bed zitten. Maar wel stil zijn hè! Weet je wat, doe je ogen maar dicht en steek je vingers in je oren.” Ze gehoorzaamden ook nog, tot mijn verbazing. Ik testte ze door naast ze te gaan staan zingen. Geen reactie. Ik zette de tv aan. Dat stukje kon ik morgen in de trein ook wel schrijven. Ondertussen bedacht ik toch maar vast wat vragen. Wat vind je van de groei die jij als mens hebt doorgemaakt? Ben je blij met wie je bent? Stomme vragen, ik weet het, maar het was tenminste wat. Ik besloot per persoon wat intiemere vragen te stellen. Melliw, hoe zit het nou eigenlijk precies tussen jou en Elleinad? Rehtse, wat voor gevoelens heb je nu eigenlijk voor Melliw? Mot, wie is het minst geliefde bemanningslid aan boord van je schip en waarom? Ecyoj, wat is je lievelingskleur? Ik vroeg me af waarom ik Ecyoj zo weinig als personage gebruikte. Waarschijnlijk omdat Joyce de verhalen toch niet las. Newsradio begon. Toen we gingen eten kwamen Rehtse en de hele meute weer naar mijn kamer. Na het eten gingen we bridgen. 48 nogwat %, ik won de gulden. Toen ik terugkwam zaten ze nog steeds met hun vingers in hun oren. Nou ja dat kon vast geen kwaad.

De volgende ochtend moest ik vroeg op, 6:40. Ik liet ze slapen. Ik kreeg ze ook niet wakker met hun vingers in hun oren. Op de heenweg in de trein typte ik even snel wat over DVB-RCT. Het kon er mee door. De vergadering was redelijk productief. Na afloop ging ik wat eten met een van de groepsleden. ’s Middags nog college. Moe maar voldaan kwam ik weer thuis. “Ik moet vanavond weer bridgen, dus kan ik weer geen interviewtjes afnemen. Maar morgen neem ik vrij, dan kunnen we er eens voor gaan zitten. Al moet ik wel eerst naar de kapper. Maar ik moet nu gaan eten dus kan ik niet met jullie praten. En je weet het: niet de kamer uit want de transnueucleonic flux converter begeeft het dan. En dan sterven jullie een afgrijselijke dood met veel gevloek en gebraak en gezang en zo.” Ik deed snel de deur dicht, voordat Melliw me kon tegenhouden. Hij had me vast door. Hij doorzag me volkomen waarschijnlijk. Ik hoopte maar dat dit een 12-puntig verhaal was, veel langer zou ik het niet uithouden met ze.

Toen ik terugkwam van het bridgen [viertallen, 25-2 en 20-10 gewonnen] waren ze nog wakker. We waren dan ook redelijk vroeg klaar. “We wilden graag met je praten.” Zei Rehtse. “Jij hebt ons gemaakt tot wat we zijn, we zouden graag wat antwoorden hebben.” “Kan dat even wachten? Ik moet zometeen Frasier opnemen en Virtuosity is dadelijk op tv en die wilde ik ook graag zien.” “Dit lijkt me wel even belangrijker dan een serie of een film.” Zei Ecyoj. “Dacht je? Frasier is een van de beste series op televisie, mijn hele liefdesleven is gebaseerd op de relatie tussen Niles en Daphne!” zei ik met de halve glimlach. “En Virtuosity was als ik me niet vergis de favoriete film van Esther, dus die wil ik graag zien. En waarschijnlijk gebruik ik nog wel dingen uit die film in een toekomstig verhaal, dus als jullie opletten kunnen jullie nog wat leren.” Ze stemden in. Virtuosity was trouwens wél een leuke film.

De volgende ochtend werd ik weer veel te vroeg wakker. Ik hoopte lekker te kunnen uitslapen want ik had de hele week niet echt lekker geslapen. “Mogen we dan nu eindelijk praten met je? We hebben zoveel te vragen!” “Nee, ik ga eerst even naar de kapper.” Zei ik. “Maar daarna gaan we echt praten. Ik heb de vragenlijstjes vrijwel af zelfs.” Ze vonden het goed. Bij de kapper aangekomen liet ik het zo kort mogelijk knippen, dan duurde het langer. Daarna nog even wat rondgekeken in de stad. De nieuwe Buffybox was uit. Eerst maar eens afwachten wat hij bij de Makro kost. Nou ja genoeg gelanterfant [nooit genoeg gelanterfant!]. Op naar huis. Het moest er dan maar van komen.

Eenmaal thuisgekomen vroeg mijn moeder of ik even meeging een matras ophalen. Dat wilde ik natuurlijk graag, het zou het gesprek uitstellen. En van uitstel komt afstel, hoopte ik maar. Die Willem zou mij niet gaan confronteren met mijn tekortkomingen door een gesprek met verschillende aspecten van mijn persoonlijkheid, oh nee! Ik ging het ze snel even zeggen. “Sorry, maar ik moet mijn moeder even helpen. Dus vanavond, ok?” “Het lijkt erop dat je ons ontwijkt.” Zei Melliw. “Ja, dat lijkt er inderdaad op. Weet je wat de bloem is die het lekkerste ruikt?” Ze wisten het niet. “Nee? De Nazalea.” In de verwarring die hierop volgde maakte ik me uit de voeten. Na het ophalen van de matras bleef ik maar een tijdje beneden. Ik verveelde me echt de pleuris. En niet de goede verveling, de vermakelijke verveling, nee echt heel vervelende verveling. Maar ik verdomde het om naar boven te gaan. Ik liet me door niemand een lesje leren en zeker niet door mezelf. Kom nou. Ik wist precies hoe het zou gaan. Ze hadden ondertussen allevier de verhalen gelezen zoals ik ze geschreven had, vanuit een ander standpunt dan hun eigen beschreven. ‘Waarom heb ik zo’n vreemde gevoelens over Elleinad?’ zou Melliw vragen. En dan moest ik hem het hele verhaal uitleggen over Daniëlle en mij. En dat was nog maar het begin van de vragen. Ik wist zelf niet eens zeker hoe het allemaal zat bij een aantal dingen die ik schreef. Nou flikte hij het me nog hè! Dwong hij me nog om over mezelf na te denken. Wat een manipulerende klootzak was het toch zeg. Ik ging gewoon aan iets anders denken. Een grijs papiertje. Gewoon een grijs papiertje. Ik dacht aan een grijs papiertje. Hé, er stond iets geschreven op het grijze papiertje. D-A-N-I- Het was een leeg, grijs papiertje. Er stond geen naam op of zo. Waarom zou ik nog niets gehoord hebben van Wouter en Daniëlle over het kaartje dat ik ze gestuurd had? Had ik soms het verkeerde adres? EEN GRIJS PAPIERTJE.

De volgende dag: donderdag. Hemelvaartsdag. Ik stond laat op, had lekker geslapen op mijn nieuwe matras. Hij was 10 centimeter breder dan mijn vorige matras, dus er was best plaats voor iemand naast me. Ooit. Misschien. Pfff, dit is deprimerend. Christien belde Mieneke of ze mee naar Maastricht wilde. Dat wilde ze wel. Ik mocht ook mee. Whoopdiedoo. Maar goed, het was weer een excuus. “Sorry, ik ga vandaag naar Maastricht.” Teleurgesteld kreunden ze. “Maar-” begon Mot. “Hé, kijk daar eens!” zei ik en ik wees achter ze. Ze keken om. Ik verdween. Ze wisten vast wel dat ze de kamer niet mochten verlaten omdat de annular isomiatic impulse bubble het niet zou houden dan en dat ze dan een gruwelijke dood zouden schrijven vol gezeur en gefrunnik en ge-‘daar word je ook niet goed van’.

Die middag in Maastricht was het vrij warm. Ik zag de eerste korte rokjes van het jaar. Al die gelukkige stelletjes in de stad, dat leek me ook wel wat eigenlijk. Maar dan moest ik toch eens wat ondernemen eigenlijk. Ik wist echter ook dat dat niet zomaar zonder slag of stoot gebeuren zou. Misschien moest ik toch maar gewoon de confrontatie aangaan met mijn scheppingen. Zij zouden me vast een nieuwe kijk op het leven geven. En Willem had alleen het beste met me voor, dat was zeker. Ik moest ze snel spreken, voordat ik me bedacht. Niet denken, doen! Mieneke en Christien moesten eerst nog bakken vol geld uitgeven. En de KFC was ook al dicht. Thuis racete ik als een bezetene de trap op. Ik kon niet wachten om mezelf te confronteren met de harde waarheid en zo. Maar ze waren weg. Zomaar, zonder reden. Er lag niet eens een briefje of zo. Waarschijnlijk had Willem zijn vijf pagina’s vol. Ik vond het maar een slecht verhaal van die Willem eigenlijk. Wat had hij nou helemaal bereikt ermee? Ja, hij had mij een beetje pissig gemaakt. Dat was eigenlijk wel genoeg ook, bedacht ik me. Weer eens iemand anders hè. Aan de andere kant… als hij even gewacht had met ze weg te halen, dan had mijn leven ongetwijfeld een andere wending genomen. Ik zou gelukkig geworden zijn. Maar zoals een wijs man zei: geluk is als diarree: het glijdt zo door je vingers. Ik schoot in de lach. Wat een onzin. Alsof ik zou veranderen door een gesprekje. Dat was vast de les die hij me voorschotelde. Ik moest accepteren hoe ik was, of zelf veranderen. De enige die je leven bepaalt, ben je zelf. And all that crap. En ik was toch best gelukkig eigenlijk. Zolang je niet weet wat je mist, mis je niets. Maar ja, het was onderhand wel donderdag en door al dat gedoe had ik deze week geen tijd om een verhaal te schrijven. Waarvoor mijn excuses. Niet mijn schuld. Willem’s schuld. Als je begrijpt wat ik bedoel.

Hosted by www.Geocities.ws

1