Ok, dit is het vreemdste wat ik ooit heb meegemaakt. Niet dat dat nou zoveel zegt, ik maak niet zoveel mee, maar toch was het aardig vreemd. Behoorlijk vreemd. Maar wacht, ik zal mezelf even voorstellen, anders kunnen jullie het niet meer volgen denk ik. Jullie verwachten een sprookje maar worden geconfronteerd met de harde waarheid. Ik, Willem N. Verhoef, ben deze week niet toegekomen aan het schrijven van een verhaal. Het enige creatieve dat deze week aan mij ontvloeide was een gedichtje waar ik jullie verder niet mee zal lastigvallen.
Het begon allemaal op zondag twintig mei om 23:15. Ik wilde net beginnen te schrijven aan deel 17, maar had nog niet zoveel inspiratie dus zat ik me maar even te ergeren aan het feit dat die vervelende negen op mijn toetsenbord het niet deed. Even snel een potje Freecell ertussendoor dan maar, was mijn bedoeling, maar zover ben ik niet meer gekomen. De kamer werd gevuld met een oogverblindend licht. Tot mijn grote verbazing en ontsteltenis stonden er op het moment dat ik weer kon zien vier personen naast mijn bed. Dat was me nog nooit gebeurd. Dit was toch aardig vreemd, nietwaar? Daarom zei ik ook dat het het vreemdste was wat ik ooit had meegemaakt. Omdat ik het wel een mooi effect vond, wreef ik mijn ogen uit. Drie van hen herkende ik onmiddellijk. Het waren Tom, Joyce en ikzelf. De vierde was wat minder herkenbaar. Haar resolutie leek wat lager. Razendsnel trok ik mijn conclusie: dit waren Mot, Ecyoj, Melliw en Rehtse. Dat was natuurlijk de reden dat de persoon die Rehtse moest zijn niet helemaal scherp was, ik had Esther nog nooit gezien en wist dus niet precies hoe Rehtse eruit zag. Ze had in ieder geval de jurk aan die ik in mijn hoofd had. Nu ik vastgesteld had wie dit wel moesten zijn, sprak ik ze direct zo nonchalant mogelijk aan. Nooit laten weten dat je onder de indruk bent. Stiff upper lip.
“Hai. Komen jullie doen?” vroeg ik. Melliw keek verwonderd rond, op
precies de goede manier. Wat een overacting, briljant. “Er is hier iets vreemds
aan de hand,” zei hij. “Bedoel je niet: er is iets vreselijk, vreselijk mis?”
zei ik met een licht spottende glimlach. “Ik zou toch zweren dat ik mijn
Godenkrachten onder controle had, en dat we in ons oorspronkelijke universum
terecht zouden komen,” ging hij verder. “Ah, je bedoelt die truc die je deed
nadat je al die mensen had vermoord, enkel en alleen omdat ze je zoon hadden
laten verdwijnen?” zei ik. Rehtse keek me doordringend aan. “Hoe weet jij dat?”
Nu zou ik normaal gesproken geen staarwedstrijd uit de weg gaan, maar dit was
toch min of meer een vreemde voor me dus verbrak ik snel het oogcontact en
negeerde de vraag. “Dat was inderdaad jou bedoeling. Maar het leek mij leuker
om, voordat jullie weer terugkwamen, eerst nog een ander verhaal in te plannen.
Eentje waarin jullie terechtkomen in de ‘echte’ wereld en waar er een
diepgravend gesprek met mij, jullie bedenker, volgde. Een gesprek dat een paar
dingen zou kunnen ophelderen. Willen jullie trouwens een fondantcakeje?” Ik
bood hen een fondantcakeje aan. “Ik heb er nog maar vier, dus als jullie er
allemaal een willen dan heb ik er zelf geen. Niet dat dat een probleem is, ik
offer me wel weer op hoor.” Zoals ik verwachtte weigerde Melliw deze lekkernij.
Ik wist dat hij het wel zou aannemen als ik even aandrong, maar dan had ik er
zelf geen meer dus deed ik het niet. “Wat bedoel je, de echte wereld?” zei
Rehtse. “Wat bedoel je, jullie bedenker?” zei Melliw. “Wat bedoel je, een
verhaal?” zei Mot. “Wat bedoel je, zit er vlees in die fondantcakejes?” zei
Ecyoj. “Precies zoals ik het zeg, een verhaal.” Zei ik. “Misschien kunnen
jullie beter even gaan zitten.” Mot bood Ecyoj de enige stoel aan, ging zelf op
het bed van Bram zitten. Ik maakte plaats op mijn bed voor Rehtse. Die zou niet
uit zichzelf naast Mot gaan zitten, wist ik. Melliw bleef zoals verwacht staan.
“Ik weet dat dit moeilijk te geloven is, maar ik heb jullie bedacht.” Zei ik.
“Met een beetje hulp van wat mensen die ik ken,” voegde ik er met wat ik altijd
mijn halve glimlach noem aan toe. Die glimlach die ik gebruik als ik iets
grappigs zeg waarvan ik denk dat de meeste aanwezigen het niet snappen, ik weet
wel welke ik bedoel. Ze keken me ongelovig aan. Het waren echt allemaal
geweldige over-actors, mijn glimlach verbreedde. Dit werd verkeerd opgevat door
het gezelschap. “Hij is gek!” zei Ecyoj. Ik vond al dat ze vrij lang niets
gezegd had. “Nee, serieus.” Zei ik met mijn oprechtste gezicht. “En ik kan het
bewijzen. Ik weet alles van jullie avonturen af. Ik heb ze bedacht namelijk.”
“Ja ja.” Zei Mot. “En dat moeten wij geloven?” “Je moet niks.” Zei ik
schouderophalend. “Maar het verklaart wel veel hoor. Wacht, ik heb een beter
idee: als Melliw met mij een geestversmelting aangaat, dan weet hij dat ik de
waarheid spreek. Dus ga je gang.” Melliw wist dat het weinig kwaad kon en las
mijn gedachten.
Die nacht kon ik de slaap maar lastig vatten. Het feit dat mijn kamer
vol lag met vier vreemden was niet de hoofdreden daarvan, ik lag ergens anders
over te piekeren. De geestversmelting was anders gegaan dan ik dacht. Ik was er
van uit gegaan dat we elkaars gedachten te zien zouden krijgen, maar hoewel
Melliw alles van mij gezien had, had ik niets van hem gezien. That…was
illogical, captain. Er was iets niet precies gegaan zoals ik had verwacht. Dat
kon maar één ding betekenen en dat was niet dat er iets vreselijk, vreselijk
mis was. Ik bevond me in een verhaal, maar niet een verhaal dat ik zelf aan het
schrijven was. Er was ergens een andere Willem die er voor gezorgd had dat de
hele club bij mij terecht gekomen was. En die Willem had daar vast maar één
doel mee: mij een waardevolle les leren. Dat ging dus mooi niet door. Ik zou er
wel voor zorgen dat dat niet doorging. Ik had al veel eerder kunnen weten dat er
iets vreemds aan de hand was, deze Melliw, Rehtse, Mot en Ecyoj deden dingen en
zeiden dingen en lieten dingen zonder dat ik het typte. Iemand anders was dus
aan het typen. Nou ja, het was voorlopig even afwachten wat hij voor me in
petto had. Rehtse lag naast me in mijn bed.
Zo aardig was die andere Willem dan toch nog wel geweest, om haar naast
mij te leggen. Ze werd half wakker en sloeg haar armen om mij heen. Ze dacht
natuurlijk dat ik Melliw was, we leken inderdaad wel wat op elkaar. Ik streelde
afwezig heur haar. Ze werd hartstochtelijker. Ach, die Willem was zo slecht nog
niet, bedacht ik me. Ik wilde haar kussen net beantwoorden toen ik me iets
realiseerde: als de Willem die dit schreef een beetje op mij leek, dan was dit
een test! Om te kijken of ik me wel aan mijn eigen regels hield. God, waarom
zeg ik dan ook van die stomme dingen? Nou ja, Rehtse was natuurlijk maar een
verzonnen figuur en Melliw ook. Van verzonnen personen kun je geen vriendin
stelen. Eigenlijk. Ik zuchtte en stond op, maakte Melliw wakker. “Ga jij maar
in mijn bed slapen. Ik ga wel in de keuken slapen.” Wat een lulhannes was die
Willem zeg. Mij een kans geven waarvan hij wist dat ik hem niet zou grijpen.
De volgende dag kwam ik erachter dat ik de enige was die ze kon zien.
Ik vroeg me al af wat er zou gebeuren als Bram zag dat het wat drukker dan
normaal was op onze kamer, maar voor zover ik het kon zien zag niemand ze,
behalve ik. Weer zo’n kutstreek, als ik met ze aan het praten was en er kwam
iemand binnen dan dacht diegene natuurlijk dat ik gek was. En ik heb er een
hekel aan als mensen denken dat ik gek ben als dat niet mijn bedoeling was. Ik
besloot dat ze het beste zolang op mijn kamer konden blijven, daar had ik
tenminste wat privacy bij het douchen en dergelijke. “Helaas kunnen jullie deze
kamer niet verlaten, hierbuiten is de spatial duodynetic vertion stream niet
sterk genoeg.” Al die Star Trek was toch nog ergens goed voor. “Oftewel: als
jullie naar buiten gaan sterven jullie een vreselijke dood met veel geschreeuw
en geween en tandengeknars en zo.” Terwijl ik brood stond te beleggen bereidde
ik me voor op de les die Willem voor mij in petto had. Het meest voorspelbaar
was natuurlijk gewoon: ‘Wees toch niet zo lui altijd.’ Of specifieker ‘wees
toch niet zo verlegen altijd’ zijn. Of ‘zoek toch eens niet geen vriendin
altijd’. Of ‘zoek toch eens niet geen fatsoenlijk baantje altijd’. En al zijn
dat allemaal zaken die ik best zou willen, als
ik die dingen zou doen, dan deed ik dat omdat ik dat wil, niet omdat Willem dat
wilde. Als je begrijpt wat ik bedoel. Ik besloot om zo coöperatief mogelijk
tegen te werken. Ik nam het ontbijt mee naar boven.
“Ik heb maar twee croissantjes, die moeten jullie met z’n vieren delen
vrees ik. Maar misschien dat ik er nog een naar boven kan smokkelen, dan zeg ik
later wel dat Bram ze allemaal opgegeten heeft. Ze begonnen te eten. Ik bekeek
ze allemaal eens goed. “Verbazingwekkend hoeveel jullie op ze lijken zeg. En
dat terwijl jullie niet eens gebaseerd zijn op Tom en Joyce.” “Wie zijn Tom en
Joyce?” vroeg Ecyoj. “Tom is een vriend van me. En Joyce is zijn vriendin.”
Melliw onderbrak me. “Hoe bedoel je, ‘en dat terwijl jullie niet eens op ze
gebaseerd zijn’? Ik heb je gedachten gelezen en al waren ze wat tegenstrijdig
af en toe, er kwam toch wel naar voren dat sommige personages op jouw vrienden
gebaseerd waren.” “Echt waar?” zei ik. “Goh, wat vreemd zeg. Dat is er dan
onbewust ingeslopen denk ik. Ik wilde gewoon een paar leuke verhaaltjes
schrijven. En dat personages dan bepaalde karaktereigenschappen overnemen van
mensen die ik ken, tja dat valt te verwachten. Ik hoef toch niet alles zelf te
bedenken of wel soms? Of wel soms? Ik ben veel te lui om zelf alles te
bedenken. Daarom zijn jullie namen ook achterstevoren de namen van mijn
vrienden en kennissen en familieleden en vijanden. Gewoon luiheid, waarom zelf
namen verzinnen?” Ze leken het te geloven, of in ieder geval niet meer
geïnteresseerd te zijn in het onderwerp. “Goed, ik ben bereid te geloven dat
jij ons bedacht hebt en al ons doen en laten bepaalt.” Zei Mot. “Melliw gelooft
het en dat vind ik bewijs genoeg. Dan blijft de vraag nog: waarom heb je ons
hierheen gehaald?” “Ja,” zei Rehtse, “wat doen we hier eigenlijk? Ik wil naar
huis, om weer als Evil Emperess of the Galaxy te kunnen regeren.” Mijn lopende
theorie over waarom ze bij mij terecht waren gekomen was zoals altijd gebaseerd
op mijn gelimiteerde kennis van de quantummechanica. Ik had besloten om een
verhaal te schrijven waarin Mot en de rest mij zouden ontmoeten. Op het moment
dat ik wilde gaan schrijven splitste de wereld zich op: in de ene begon ik te
schrijven, in de andere verschenen ze voor me voordat ik kon beginnen. Maar al
had ik bedacht dat ze mij zouden
ontmoeten, ik was nog niet tot het waarom
gekomen. Ik wilde gewoon beginnen en zou wel zien waar het heen ging. Maar
goed, zij hier dachten dat ik dit allemaal zo geregeld had en ik kon ze
moeilijk teleurstellen. “Ik wilde jullie allemaal even spreken, evalueren hoe
jullie over jezelf en elkaar denken.” Improviseerde ik. Zo kreeg ik tenminste
nog wat feedback over mijn verhaaltjes en dan ook nog een insider’s view. “Dat
is niet waar.” Zei Melliw. “Je wist nog helemaal niet wat er ging gebeuren. Ik
las het zelf in je gedachten.” “Dat is wel waar.” Zei ik. Glashard ontkennen wil
nog wel eens werken. “De reden dat jij het niet in mijn gedachten gelezen hebt,
is dat ik dat zo wilde. Ik heb ervoor gezorgd dat jij geen toegang had tot al
mijn gedachten, want dan had ons vraaggesprekje geen zin meer, niet waar? Maar
ik moet nu naar Eindhoven toe, dus ik zie jullie vanmiddag wel weer. Ik maak
onderweg wel een vragenlijstje. Jullie vermaken je wel hier hè? Ik heb normaal
gesproken liever dat men met zijn fikken van mijn spullen afblijft, maar jullie
mogen wel een video’tje of DVD’tje kijken als je wilt. En onthoud goed: niet de
kamer uitgaan, want hierbuiten is de ambiant anaphasic confinement beam niet
sterk genoeg. Oftewel: als jullie naar buiten gaan dan wacht je een
verschrikkelijk einde met veel gebijt en gekrab en gebloed en zo.” Ze knikten.
“Ik raad vooral Edward Scissorhands van harte aan. Er liggen hier nog wel
ergens zakdoekjes.”
Op het station zocht ik snel de Nederlandse 2e wagon op. Ik
vertik het om in die Belgische coupés te gaan zitten namelijk. En terecht. Ok,
wat moest er in die vragenlijstjes komen te staan… eens even denken. Nou ja,
dat kon later ook nog wel, ik had nog een paar nieuwe Frasierscripts, die zou
ik eerst wel even lezen. Ik zette een muziekje op, de Tourist van St. Germain.
Voor ik er erg in had was ik in Eindhoven. Ik had wat tijd over voor het
college begon dus ik ging even bij Alwin langs, checkte mijn mail, ging wat
sites langs, downloadde een paar afleveringen van That’s My Bush en ging naar
het college. Toen dit afgelopen was ging ik weer naar huis. Onderweg bekeek ik
de eerder gedownloade afleveringen en vergat spontaan de vragenlijst. Hier werd
ik thuis op gewezen. “Ben je klaar met de vragenlijst?” vroeg Ecyoj toen ik
mijn kamer opkwam. “Euh, ja bijna. De definitieve versie is bijna klaar.”
“Mogen wij hem alvast zien?” vroeg Mot. “Wat? Euh, nee, want dan kunnen jullie
overleggen over wat jullie gaan antwoorden.” Ik begon een beetje te zweten. “En
het moet wel spontaan blijven hè:” Ik trok een korte broek aan. “Ik kan jullie
toch vandaag niet interviewen want ik moet bridgen vanavond. En ik moet nu even
aan het werk, ik moet nog een stukje over DVB-RCT in elkaar flansen voor
morgen. Dus als jullie je even rustig willen houden, dan kan ik beginnen.” Ze
dachten nog steeds dat ze de kamer niet konden verlaten en dat wilde ik wel zo
houden. Gaan jullie maar op Bram zijn bed zitten. Maar wel stil zijn hè! Weet
je wat, doe je ogen maar dicht en steek je vingers in je oren.” Ze
gehoorzaamden ook nog, tot mijn verbazing. Ik testte ze door naast ze te gaan
staan zingen. Geen reactie. Ik zette de tv aan. Dat stukje kon ik morgen in de
trein ook wel schrijven. Ondertussen bedacht ik toch maar vast wat vragen. Wat vind je van de groei die jij als mens
hebt doorgemaakt? Ben je blij met wie je bent? Stomme vragen, ik weet het,
maar het was tenminste wat. Ik besloot per persoon wat intiemere vragen te
stellen. Melliw, hoe zit het nou
eigenlijk precies tussen jou en Elleinad? Rehtse, wat voor gevoelens heb je nu
eigenlijk voor Melliw? Mot, wie is het minst geliefde bemanningslid aan boord
van je schip en waarom? Ecyoj, wat is je lievelingskleur? Ik vroeg me af
waarom ik Ecyoj zo weinig als personage gebruikte. Waarschijnlijk omdat Joyce
de verhalen toch niet las. Newsradio begon. Toen we gingen eten kwamen Rehtse
en de hele meute weer naar mijn kamer. Na het eten gingen we bridgen. 48 nogwat
%, ik won de gulden. Toen ik terugkwam zaten ze nog steeds met hun vingers in
hun oren. Nou ja dat kon vast geen kwaad.
De volgende ochtend moest ik vroeg op, 6:40. Ik liet ze slapen. Ik kreeg ze ook niet wakker met hun vingers in hun oren. Op de heenweg in de trein typte ik even snel wat over DVB-RCT. Het kon er mee door. De vergadering was redelijk productief. Na afloop ging ik wat eten met een van de groepsleden. ’s Middags nog college. Moe maar voldaan kwam ik weer thuis. “Ik moet vanavond weer bridgen, dus kan ik weer geen interviewtjes afnemen. Maar morgen neem ik vrij, dan kunnen we er eens voor gaan zitten. Al moet ik wel eerst naar de kapper. Maar ik moet nu gaan eten dus kan ik niet met jullie praten. En je weet het: niet de kamer uit want de transnueucleonic flux converter begeeft het dan. En dan sterven jullie een afgrijselijke dood met veel gevloek en gebraak en gezang en zo.” Ik deed snel de deur dicht, voordat Melliw me kon tegenhouden. Hij had me vast door. Hij doorzag me volkomen waarschijnlijk. Ik hoopte maar dat dit een 12-puntig verhaal was, veel langer zou ik het niet uithouden met ze.
Toen ik terugkwam van het bridgen [viertallen, 25-2 en 20-10 gewonnen] waren ze nog wakker. We waren dan ook redelijk vroeg klaar. “We wilden graag met je praten.” Zei Rehtse. “Jij hebt ons gemaakt tot wat we zijn, we zouden graag wat antwoorden hebben.” “Kan dat even wachten? Ik moet zometeen Frasier opnemen en Virtuosity is dadelijk op tv en die wilde ik ook graag zien.” “Dit lijkt me wel even belangrijker dan een serie of een film.” Zei Ecyoj. “Dacht je? Frasier is een van de beste series op televisie, mijn hele liefdesleven is gebaseerd op de relatie tussen Niles en Daphne!” zei ik met de halve glimlach. “En Virtuosity was als ik me niet vergis de favoriete film van Esther, dus die wil ik graag zien. En waarschijnlijk gebruik ik nog wel dingen uit die film in een toekomstig verhaal, dus als jullie opletten kunnen jullie nog wat leren.” Ze stemden in. Virtuosity was trouwens wél een leuke film.
De volgende ochtend werd ik weer veel te vroeg wakker. Ik hoopte lekker te kunnen uitslapen want ik had de hele week niet echt lekker geslapen. “Mogen we dan nu eindelijk praten met je? We hebben zoveel te vragen!” “Nee, ik ga eerst even naar de kapper.” Zei ik. “Maar daarna gaan we echt praten. Ik heb de vragenlijstjes vrijwel af zelfs.” Ze vonden het goed. Bij de kapper aangekomen liet ik het zo kort mogelijk knippen, dan duurde het langer. Daarna nog even wat rondgekeken in de stad. De nieuwe Buffybox was uit. Eerst maar eens afwachten wat hij bij de Makro kost. Nou ja genoeg gelanterfant [nooit genoeg gelanterfant!]. Op naar huis. Het moest er dan maar van komen.
Eenmaal thuisgekomen vroeg mijn moeder of ik even meeging een matras ophalen. Dat wilde ik natuurlijk graag, het zou het gesprek uitstellen. En van uitstel komt afstel, hoopte ik maar. Die Willem zou mij niet gaan confronteren met mijn tekortkomingen door een gesprek met verschillende aspecten van mijn persoonlijkheid, oh nee! Ik ging het ze snel even zeggen. “Sorry, maar ik moet mijn moeder even helpen. Dus vanavond, ok?” “Het lijkt erop dat je ons ontwijkt.” Zei Melliw. “Ja, dat lijkt er inderdaad op. Weet je wat de bloem is die het lekkerste ruikt?” Ze wisten het niet. “Nee? De Nazalea.” In de verwarring die hierop volgde maakte ik me uit de voeten. Na het ophalen van de matras bleef ik maar een tijdje beneden. Ik verveelde me echt de pleuris. En niet de goede verveling, de vermakelijke verveling, nee echt heel vervelende verveling. Maar ik verdomde het om naar boven te gaan. Ik liet me door niemand een lesje leren en zeker niet door mezelf. Kom nou. Ik wist precies hoe het zou gaan. Ze hadden ondertussen allevier de verhalen gelezen zoals ik ze geschreven had, vanuit een ander standpunt dan hun eigen beschreven. ‘Waarom heb ik zo’n vreemde gevoelens over Elleinad?’ zou Melliw vragen. En dan moest ik hem het hele verhaal uitleggen over Daniëlle en mij. En dat was nog maar het begin van de vragen. Ik wist zelf niet eens zeker hoe het allemaal zat bij een aantal dingen die ik schreef. Nou flikte hij het me nog hè! Dwong hij me nog om over mezelf na te denken. Wat een manipulerende klootzak was het toch zeg. Ik ging gewoon aan iets anders denken. Een grijs papiertje. Gewoon een grijs papiertje. Ik dacht aan een grijs papiertje. Hé, er stond iets geschreven op het grijze papiertje. D-A-N-I- Het was een leeg, grijs papiertje. Er stond geen naam op of zo. Waarom zou ik nog niets gehoord hebben van Wouter en Daniëlle over het kaartje dat ik ze gestuurd had? Had ik soms het verkeerde adres? EEN GRIJS PAPIERTJE.
De volgende dag: donderdag. Hemelvaartsdag. Ik stond laat op, had lekker geslapen op mijn nieuwe matras. Hij was 10 centimeter breder dan mijn vorige matras, dus er was best plaats voor iemand naast me. Ooit. Misschien. Pfff, dit is deprimerend. Christien belde Mieneke of ze mee naar Maastricht wilde. Dat wilde ze wel. Ik mocht ook mee. Whoopdiedoo. Maar goed, het was weer een excuus. “Sorry, ik ga vandaag naar Maastricht.” Teleurgesteld kreunden ze. “Maar-” begon Mot. “Hé, kijk daar eens!” zei ik en ik wees achter ze. Ze keken om. Ik verdween. Ze wisten vast wel dat ze de kamer niet mochten verlaten omdat de annular isomiatic impulse bubble het niet zou houden dan en dat ze dan een gruwelijke dood zouden schrijven vol gezeur en gefrunnik en ge-‘daar word je ook niet goed van’.
Die middag in Maastricht was het vrij warm. Ik zag de eerste korte rokjes van het jaar. Al die gelukkige stelletjes in de stad, dat leek me ook wel wat eigenlijk. Maar dan moest ik toch eens wat ondernemen eigenlijk. Ik wist echter ook dat dat niet zomaar zonder slag of stoot gebeuren zou. Misschien moest ik toch maar gewoon de confrontatie aangaan met mijn scheppingen. Zij zouden me vast een nieuwe kijk op het leven geven. En Willem had alleen het beste met me voor, dat was zeker. Ik moest ze snel spreken, voordat ik me bedacht. Niet denken, doen! Mieneke en Christien moesten eerst nog bakken vol geld uitgeven. En de KFC was ook al dicht. Thuis racete ik als een bezetene de trap op. Ik kon niet wachten om mezelf te confronteren met de harde waarheid en zo. Maar ze waren weg. Zomaar, zonder reden. Er lag niet eens een briefje of zo. Waarschijnlijk had Willem zijn vijf pagina’s vol. Ik vond het maar een slecht verhaal van die Willem eigenlijk. Wat had hij nou helemaal bereikt ermee? Ja, hij had mij een beetje pissig gemaakt. Dat was eigenlijk wel genoeg ook, bedacht ik me. Weer eens iemand anders hè. Aan de andere kant… als hij even gewacht had met ze weg te halen, dan had mijn leven ongetwijfeld een andere wending genomen. Ik zou gelukkig geworden zijn. Maar zoals een wijs man zei: geluk is als diarree: het glijdt zo door je vingers. Ik schoot in de lach. Wat een onzin. Alsof ik zou veranderen door een gesprekje. Dat was vast de les die hij me voorschotelde. Ik moest accepteren hoe ik was, of zelf veranderen. De enige die je leven bepaalt, ben je zelf. And all that crap. En ik was toch best gelukkig eigenlijk. Zolang je niet weet wat je mist, mis je niets. Maar ja, het was onderhand wel donderdag en door al dat gedoe had ik deze week geen tijd om een verhaal te schrijven. Waarvoor mijn excuses. Niet mijn schuld. Willem’s schuld. Als je begrijpt wat ik bedoel.