Hij voelde zich niet bepaald beter na het bezoek aan zijn psychiater. Sterker nog, keer op keer voelde hij zich meer en meer een personage uit een van zijn romans. Helaas, en dat was toch wel het ergste, had hij er geen enkel idee van welk personage hij dan wel was. Eigenlijk wilde hij dat ook niet; Stel dat hij een personage was waar hij een hekel aan had, je zou voor minder een zwartgallige schrijver worden. Het viel niet te ontkennen: het ging werkelijk niet goed met de schrijver. De zwaarmoedigheid die toch altijd zijn werk sierde, was nu in hemzelf binnengedrongen. De schrijver was terchtgekomen in de schamel verlichte ondergrondse kamers van de depressiviteit.
De schrijver kon zich orienteren op een banketbakkerij links van hem, een kiosk rechts van hem en een Wandelstraat (een naam die de lading dekte) achter hem.
Waar was hij?
Wie was hij?
Welke dag was het?
Vladimir Nabokov (geboren in 1899 te St.-Petersburg) liet zich in een roman genaamd 'De Tovenaar' overweldigen door zijn hobby: kleine optische, auditieve of spraakfoutjes in zijn boeken schrijven. Met een neologisme kan je die foutjes 'nabokoviaanse toestanden' noemen.
De stad leek schoon, de mensen leken vrolijk, de zon scheen, de schaduwen tekenden een nauwkeurig beeld van het plein af, de etalages waren rijkelijk gevuld. De schrijver zag dat echter niet. Hij zag de rommel in donkere hoekjes, hij zag de humeurige mensen achter de ramen van hun bureau, hij keek naar de krotten boven de etalages. Hij zag zijn weerspiegeling in elke etalage. De vrolijke muziek van They Might Be Giants bereikte zijn trommelvlies niet, hij hoorde de Dodenmars.
Nog steeds ratelden door zijn hoofd de volgende vragen:
Welk personage ben ik?
Waar ben ik?
Welke dag is het vandaag?
Hij deed de deur van een cafe open en liet (erg galant) zichzelf binnen. Een snelle blik naar een krant op een tafel vertelde hem dat het die dag vierendertig mei was. Hij ging op een kruk zitten en bestelde een koffie. Pas na de eerste slok realiseerde hij zich dat hem net iets nabokoviaans overkomen was. Hadden nu zijn ogen of die krant hem bedrogen? Hij wist wel dat het het eerste was en dronk zijn koffie op.
De enige manier om thuis te raken, dat wist hij, was de automatische piloot in te schakelen. Hij moest zich laten leiden door zijn voeten, die zouden hem de weg naar huis wel wijzen.
Dacht hij werkelijk nergens meer aan? Hoe moest hij zich hieruit redden, ezel die hij was? Schrijver, hoe onbekend en onbemind ook, of niet, iedereen moest betalen voor een kopje koffie.
Sinds enkele eeuwen al betaalt men met geld, en wie dat niet bij zich heeft, is de sigaar. Die heeft het aan zijn broek ('het' kan hier vervangen worden door een schort om af te wassen). Wie niet graag afwast, moet geld op zak hebben of een goede list vinden.
De ontsnapping langs het toiletraampje was zijn eerste idee. Maar blijkbaar was het niet alleen zijn idee. Anders gekleurde bakstenen vertelden hem dat het raampje was vernieuwd vanwege al te veel gelukte ontsnappingspogingen? Graffiti op de muur vertelden hen overigens nog meer. Wist u dat C. van D. hield en dat 'Kilroi' het toilet al had bezocht?
Teleurgesteld ging hij terug naar zijn kruk. Het leek hem wel een dilemma: of afwassen, of een beroep doen op zijn schrijverstalent. Hij had al twee jaar geen roman meer geschreven en zijn vorig boek was door de meeste critici afgekraakt. Voorlopig was hij ook nog niet van plan zijn volgend literair aftreksel op de markt te gooien. Wie zou wel zijn ... ooie dag vandaag?
Blijkbaar had de 'patron' hem iets gevraagd? 'Inderdaad', antwoordde de schrijver zonder de vraag gehoord te hebben. Hij vermoedde dat de man hem gevraagd had of het volgens hem een mooie dag was.
Er kwam een krantenverkopertje langs. Toen had hij het gevonden! Onder het voorwendsel nog een koffie te willen drinken en even snel een krant te kopen, glipte hij naar buiten. Al lopend vond hij het slim van zichzelf om op zo'n manier te kunnen vluchten en voelde hij zich tegelijk rot omdat hij gevlucht was. Hij zou thuis wel wat geld nemen en die twee kopjes betalen. Pas toen hij de hoek was omgegaan (allen strikt letterlijk bedoeld!!), vertraagde hij.
Hij liep nog een kwartier verder en ging toen een huis binnen. Zijn sleutel paste in het slot. Hij was niet in een huis, hij was thuis. Hij was een personage uit een roman, hij was zichzelf.