Een handjevol vrienden, gegroepeerd rond Han Dade, Carel Reeser en Floris Stempel richtten in 1883 een voetbalclubje op. Dade was de heuse eigenaar van een leren bal en Stempel werd de latere eerste voorziter bij de oprichting van Ajax in 1900. Ze noemden de club "Union", maar doopten het in 1894 om naar "Footh-Ball Club Ajax".

                                                                                                                   

Ajax speelde op een veld aan het eind van de Overtoom in de gemeente Nieuwer Amstel. Een gebied dat destijds nog buiten de stadsgrenzen van Amsterdam lag en in 1881 was aangewezen als verlengstuk van het Vondelpark.

Er is weinig bekend van de resultaten van deze sympathieke vriendenclub. De competitie bleef beperkt tot wedstrijden met stadsgenoten. Wel weten we dat de kleuren rood-wit al vroeg na de oprichting in het shirt werden gebruikt en "fair play" hoog in het vaandel stond geschreven. In een bewaard gebleven reglement uit april 1893 van "der Footh-Ball Club ,,Ajax" te Nieuwer Amstel" werd de spelers opgedragen "eene aangename en gezonde uitspanning te verschaffen".

Discipline op het voetbalveld was aan het eind van de vorige eeuw ver te zoeken. Om te zorgen dat het geen ongeorganiseerde bende werd, hanteerde de voorloper van het huidige Ajax een uitgebreid systeem van strafbepalingen. Voor "het wegblijven zonder kennis te geven aan den captain", het gebruik van "ongepaste woorden of handelingen" en "onattentie bij het spel" stonden geldboetes. Er moest binnen twee weken met harde stuivers en dubbeltjes worden afgerekend.

In 1896 zette Amsterdam haar plannen door. Het voetbalveld wordt binnen de gemeentegrenzen betrokken en het gebied wordt bebouwd. De spelers zochten elders hun heil en Ajax was op sterven na dood

Na een enthousiaste start speelde Ajax aan het eind van de vorige eeuw een vrij anonieme rol. In navolging van de vele kleine clubs die rond 1900 als paddestoelen uit de grond schoten, besloot het driemanschap van het eerste uur, Stempel, Dade en Reeser, een brief te laten rondgaan waarin zij geinteresseerden opriepen om na te denken over de oprichting van "een geheel nieuwe voetbal vereeniging". Hiermee wilden zij definitief afrekenen met het oude succesloze Ajax.

Tijdens de historische vergadering op 18 maart 1900 in Cafe Oost-Indie in de Kalverstraat 2 in Amsterdam werd een nieuwe voetbalclub opgericht met de nu goed gespelde naam "Football Club Ajax". De club sloot zich vervolgens aan bij de Amsterdamsche Voetbal Bond (AVB) en huurde voor de thuiswedstrijden een veldje in Amsterdam Noord.

De eerste jaren van officieel voetbal verliepen voor de kersverse club niet onaardig. Ajax bereikte tweemaal de tweede plaats van het kampioenschap van de A.V.B.. Het eerste prijsje voor de club bestond uit een medaille voor het beste doelgemiddelde in de competitie.

De goede resultaten werden beloond met het eerste reisje van de club. Op 8 april 1901 won Ajax in Haarlem een vriendschappelijke wedstrijd met 4-1 van Oranje.

In 1902 werd Ajax toegelaten tot de landelijke Nederlandse Voetbal Bond (NVB) en promoveerde direkt van de derde naar de tweede klasse.

Plannen voor woningbouw op het veldje in Noord dwong de club in de zomer van 1907 uit te kijken naar een nieuwe lokatie. Er werd ruimte gevonden aan de Middenweg in de Gemeente Watergraafsmeer. Er waren geen tribunes, geen kleedgelegenheid en geen waterleiding, maar er was een goede verbinding met de tram naar de stad en er was meer ruimte voor bijvelden. Als verkleedruimte werd het cafe aan de overkant van de weg gebruikt.

De nieuwe lokatie zette aan tot goede prestaties. In het seizoen 1907-1908 won Ajax het Gouden Kruis. Maar de ambities van de club lagen hoger dan het kampioenschap van de tweede klasse. Je kon toen echter niet promoveren zonder eerst deel te nemen aan promotie-degradatiewedstrijden. Deze regel trof ook Holland, een club uit de derde klasse die al drie jaar achtereen het kampioenschap in hun divisie had behaald, maar steeds niet tot de tweede klasse wist door te dringen.

In juli 1908 fuseerden Holland en Ajax. De naam bleef Ajax, tenue en terrein bleven onveranderd. Mede met de steun van de nieuwe spelers, zoals de gebroeders Pelser en Ton Kooy, werd de basis gelegd voor de promotie van Ajax naar het hoogste niveau

In 1910 besloot het bestuur dat er een sprong naar de eerste klasse moest worden gemaakt . Na een inzamelingsactie onder de leden werd er gezocht naar een Britse trainer om de gelederen te versterken. In Engeland werd tenslotte al sinds 1871 gevoetbald en het niveau lag er veel hoger. De eerste betaalde trainer in de geschiedenis van Ajax werd de Ier John Kirwan. De oud-international had een lange carriere bij Tottenham Hotspur achter de rug en bleek zeer geschikt als trainer. Ajax won het kampioenschap van de tweede divisie in 1911.

Eindelijk was daar de kans promotie-degradatiewedstrijden te spelen. In de beslissende en zenuwslopende wedstrijd tegen 't Zesde, een Infanterie regimentsclub uit Breda, bleek het 0-0 gelijkspel voldoende om door te dringen naar de hoogste klasse. Op 21 mei 1911 was de felbegeerde promotie naar de eerste klasse een feit.

De doorbraak naar de eerste divisie in 1911 bleek helaas niet van lange duur. In het seizoen 1913-1914 degradeerde de club naar de tweede divisie en enkele spelers stapten uit teleurstelling over naar andere clubs. Op de puinhopen bouwde de nieuwe trainer Jack Reynolds aan een nieuw elftal dat drie jaar achtereen afdelingskampioen werd.

Er werd onder Reynolds niet slecht gespeeld maar een terugkeer naar de hoogste klasse werd telkens niet gerealiseerd. De terugkeer naar de eerste divisie kwam min of meer als een verrassing. In 1917 werden door een besluit van de NVB acht tweedeklassers gepromoveerd naar de klasse B van de eerste divisie. Ajax mocht, als algeheel tweede-klasse kampioen, tot opluchting van velen, dit keer direct in de eerste divisie klasse A uitkomen.

De herkansing in de hoogste klasse verliep ijzersterk. Op 9 juni 1918 werd Ajax met sterren als Henk Hordijk, Jan van Dort, Theo Brokmann, Wim Guppfert en Jan de Natris landskampioen zonder maar een wedstrijd te verliezen. In de kampioenswedstrijd tegen Willem II ontbrak Jan De Natris, het "enfant terrible" van het Nederlands voetbal; hij was in de trein in slaap gevallen.

Het zou tot het seizoen 1995-1996 duren, het jaar waarin Ajax zowel het landskampioenschap, de Champions League en de Wereldbeker won, dat een Nederlandse ploeg geen enkele wedstrijd verloor

Ondanks de groei van de vereniging in de jaren twintig, speelden de prestaties van Ajax zich grotendeels in de middenmoot af. Sterspelers als De Natris en Guppfert vielen af door transfers en blessures en trainer Reynolds verhuisde in 1925 naar de toenmalige rivaal Blauw Wit.

Ajax deed in de jaren twintig niet alleen aan voetbal. Er werd ook meegedaan aan atletiek, er werd in 1922 een honkbalafdeling in het leven geroepen. Twee jaar later staat er een Ajax cricket-elftal op het veld en op 7 maart 1924 debuteerde er zelfs een Ajax Yazband (met de spelling namen ze het destijds nog niet zo nauw).

Een aantal keer werden de kansen op een landskampioenschap op het laatste moment verspeeld. Het decennium werd afgesloten in 1930 met een abslouut dieptepunt waarin Ajax verpletterd werd door Rapid Wien met 16-2! Wel kreeg Ajax een nieuw club-embleem en Reynolds kwam in 1928 terug als
trainer

Tot de glorierijke periode van begin jaren zeventig golden de jaren dertig als "de gouden eeuw" van de club. In tien jaar tijd werd Ajax zeven keer afdelingskampioen en vijf maal landskampioen.

Go Ahead en Feyenoord waren de sterke tegenstanders in de competitie in die tijd. In het kampioensjaar 1930-1931 won Ajax haar laatste wedstrijd met 5-2 van PSV. Feyenoord maakte met nog drie wedstrijden te gaan en vijf punten minder nog aanspraak op de titel. Gelukkig wist Go Ahead de Rotterdammers op 3-2 te houden en schonk Ajax sinds 1918-1919 weer een landskampioenschap.

                                                                                                               

Het "nieuwe" Ajax vierde de grootste overwinning van haar bestaan, 17-0 tegen het VUC op 11 januari 1931.

Wim Jonker, Henk Mulder, Jan Schubert en aanvoerder Wim Anderiesen eisten zo ook hun aandeel op in het afdwingen van deze "eerste" Gouden Eeuw. Zeker de inzet van Anderiesen, in het dagelijks leven politieagent, was ongebreideld. Hij is de enige Ajacied die met een straatnaam is geëerd. In 1955 is er een hofje in de nieuwbouwijk Geuzenveld naar hem genoemd.

Ondanks de heersende internationale economische crisis bekostigde de club het nieuwe stadion grotendeels uit eigen kas. Zelfs spelers betaalden eraan mee. In de openingswedstrijd op 9 december 1934 won Ajax met 5-1 van het (thans niet meer bestaande) Stade Francais uit Parijs

Het vijfde decennium van Ajax begon met een zeer trieste periode. Honger en onderdrukking domineerden het leven in bezet Europa. Er werd wel doorgevoetbald, maar sport was volkomen bijzaak. Het bezoeken van voetbalwedstrijden werd in de oorlogsjaren vooral ervaren als afleiding.

Ten gevolge van de mobilisatie, het onderduiken en de tewerkstelling van mannen in Duitsland kwam het regelmatig voor dat het elftal werd opgevuld met passanten.

Middenvelders Jaap Hordijk en Ger Stroker werd in 1942 tewerkgesteld in Duitsland. Dit overkwam ook trainer Jack Reynolds. Als staatsburger van een vijandelijk land, werd Reynolds op 24 juni 1940 geinterneerd in een krijgsgevangenkamp in Schoorl en later overgebracht naar een werkkamp in Gleiwitz, Duitsland, het tegenwoordige Gliwice in Polen. Tijdens zijn gevangenschap organiseerde hij "interlands" tussen Ierse, Schotse, Belgische en Franse gevangenen.

In 1941 verboden de Duitsers joden om lid te zijn van een gemengde sportvereniging. Dit goldt ook voor Ajax. Alhoewel de club al voor de oorlog de naam van een joodse club had, sloeg deze betiteling vooral op de bezoekers, die veelal afkomstig waren uit de (niet zelden joodse) middenstand in Amsterdam. Het aantal joodse spelers is in werkelijkheid nooit veel groter geweest dan bij andere Amsterdamse clubs. In vergelijkingen met de desastreuze uitwerkingen van de anti-joodse maatregelen van de Duitse bezetter in ons land is de schade voor de club relatief beperkt gebleven: er waren onder Ajax leden geen doden te betreuren waren.

Op een gegeven moment was het niet meer verantwoord door te spelen. In de hongerwinter van 1944 kwamen duizenden mensen om en werd het voetbal gestaakt

Drie weken na de bevrijding speelde Ajax voor het eerst weer wedstrijden. In het allerhaast georganiseerde Amsterdamse Kampioenschap na duels met DWS (6-4), Blauw Wit (5-4) en De Volewijkers (1-0) wint Ajax de cup. In oktober keerde trainer Jack Reynolds terug uit Duitse gevangenschap. Onder zijn leiding won Ajax in het seizoen 1945-1946 voor de achtste keer het afdelingskampioenschap. De landstitel was nog te hoog gegrepen.

In het Ajax-clublad beschreef men het speeltype dat Ajax heden ten dage nog karakteriseert: 'het kampioenschap is niet alleen een succes voor Ajax, maar tevens voor het type voetbal dat men wetenschappelijk" of "technisch" probeert te noemen'.

In deze jaren werden enkele gedenkwaardige wedstrijden gespeeld. In het Olympisch Stadion te Amsterdam vindt op 4 augustus 1948 het eerste voetbalcontact tussen Nederland en Suriname plaats, dat eindigde in 2-2 gelijkspel. In dezelfde maand was er ook een oefenwedstrijd met India. De Indiers spelen, op een uitzondering na, zonder schoenen. Dit zal waarschijnlijk wel de nederlaag van 5-1 verklaren: uit voorzichtigheid durfden de spelers niet op de tenen van de tegenstanders te trappen.

In 1950 werd uitbundig het gouden jubileum gevierd met vele festiviteiten. In het Amsterdams Historisch Museum wordt de tentoonstelling "De watergraafsmeer en 50 jaar Ajax" geopend en voeren spelers Rinus Michels, Cor van der Hart en Guus Drager een jubileumrevue op

Het voetbal in Nederland kreeg een geheel ander karakter door de invoering van het betaald voetbal in 1954. Tot die tijd hadden alle spelers een vaste baan. Doordat in het buitenland met voetballen veel geld viel te verdienen verdwenen veel topspelers uit ons land.

In snel tempo zakte het vaderlandse voetbal af naar een bedenkelijk laag peil en de roep om betaald voetbal groeide.Toch bleef de KNVB jarenlang op principiele gronden weigeren. Uiteindelijk werd er zelfs de onafhankelijke profbond NBVB opgericht met een eigen competitie. Deze schaduwcompetitie zaaide veel verwarring. Tenslotte gingen de KNVB en de NBVB overstag en besloten tot samenwerking.

Ajax hield in de nieuwe eredivisie goed stand en nieuwe mogelijkheden doemden op. Met de verovering van het negende landskampioenschap in 1957 verwierf Ajax het recht om in het Europa Cup I toernooi te spelen. Na het Oostduitse Wismut te hebben uitgeschakeld, bleek Vasas Budapest echter nog een maatje te groot voor de Amsterdammers. Maar de eerste voorzichtige stappen op het Europese podium waren gezet.

In deze periode vond het debuut plaats van twee belangrijke spelers in de Ajax-geschiedenis. Op 21 mei 1956 debuteerde de achttienjarige Sjaak Swart. Op 25 april 1957 trad een andere beroemde voetballer in dienst van Ajax. Op de ochtend van zijn tiende verjaardag ontving Johan Cruijff een brief: hij was aangenomen als lid. In zijn debuutwedstrijd op zeventienjarige leeftijd op 15 november 1964, scoorde hij het enige doelpunt voor Ajax tegen GVAV (3-1).

Het hoogtepunt van het seizoen 1958-1959, dat met een zesde plaats in de competitie verder op een teleurstelling uitliep, is de uitwedstrijd tegen Feyenoord op 5 april 1959. In de allereerste samenvatting op televisie van een voetbalwedstrijd in Nederland wint Ajax met 5-0 in Rotterdam met ondermeer drie treffers van Guus van Ham.

Het seizoen daarop werd er stuivertje gewisseld. Door nu van Feyenoord te winnen wordt Ajax ditmaal landskampioen en mogen de Amsterdammers voor het eerst sinds 1957 weer Europees voetbal spelen.

De eerste helft van de jaren zestig kun je voor Ajax omschrijven als 'een stilte voor de storm' voorafgaand aan de successen aan het eind van dat decennium. Onder leiding van de Engelsman Vic Buckingham speelde Ajax wel een aardige serie wedstrijden, maar werd er geen enkel landskampioenschap gewonnen.

In de Nederlandse competitie bleef Feyenoord een geducht tegenstander. In het seizoen 1960-1961 werd in het onderlinge duel met 9-5 verloren en moest Ajax genoegen nemen met een tweede plaats.

Op Europees niveau kon de club niet meekomen. De droom om in de Europa Cup I te spelen, na het behalen van het landskampioenschap in 1960, werd in de eerste ronde verstoord door de amateurs van het Noorse Fredrikstad (4-2, 0-0). Ook het meespelen in de Europa Cup II in 1961 liep uit op een teleurstelling. In de tweede ronde van het toernooi voor Europese bekerwinnaars werd Ajax door het Hongaarse Ujpesti Dosza uitgeschakeld (2-1, 3-1).

Het seizoen 1964-1965 is een absoluut dieptepunt in de na-oorlogse geschiedenis van Ajax. Op drie punten na degradeerde de club naar de tweede divisie. Dit ondanks de aanwezigheid van spelers als Swart, Cruijff, Piet Keizer en Wim Suurbier, die later furore in Europa maakten. Vic Buckingham trok zijn conclusies en vertrok. Het bestuur, met Jaap van Praag als kersverse voorzitter, stelde met onmiddellijke ingang Rinus Michels, oud-speler en trainer van Zandvoort-Meeuwen en AFC, aan als opvolger. Michels werd de eerste Nederlandse vaste trainer van Ajax en bracht de club definitief naar de Europese top

Met de komst van Rinus Michiels, bijgenaamd "de sfinx" omdat hij tijdens zijn werk zuinig was met woorden, werd ook het professionalisme in de club geintroduceerd. Michiels hanteerde een aanvallende speelstijl waar Ajax vandaag de dag nog bekend om staat. Verder haalde hij ervaren spelers als Henk Groot (Feyenoord), Co Prins (Kaiserslautern) terug naar Ajax en nam Gert Bals van PSV over.

Op internationaal niveau brak Ajax nu definitief door. Menigeen staan de beelden van de gedenkwaardige achtste finale van de Europa Cup I tussen Ajax en Liverpool nog in vers het geheugen gegrifd. In een zeer mistig Olympisch Stadion in Amsterdam zag scheidsrechter Sbardella nog net beide doelen en achtte het niet nodig de wedstrijd te staken. Ajax won met doelpunten Henk Groot en twee treffers van Cees de Wolf, die voor de geblesseerde Piet Keizer inviel. Tijdens de return op Anfield Road in Liverpool scoorde Cruijff twee keer (2-2) en was de voorsprong geen moment in gevaar. Uiteindelijk was de teleurstelling groot toen in de kwartfinale van Dukla Praag, na een 1-1 gelijkspel thuis, met 2-1 werd verloren.

In 1969 volgde een Europese herkansing. Ajax bereikte als eerste Nederlandse club de finale van het Europa Cup toernooi voor landskampioenen. In Madrid werd van AC Milan met 4-1 verloren. In ieder geval werd Ajax internationaal gezien een club om rekening mee te houden.

Met de successen op nationaal niveau onder trainer Rinus Michels werd aan het eind van de jaren zestig de basis gelegd voor de Europese hegemonie van Ajax in de jaren zeventig. In de gouden jaren 1971, 1972 en 1973 veroverde de club driemaal op rij de Europa Cup voor landskampioenen. Respectievelijk Panathinakos (2-0) ,Inter Milan (2-0) en Juventus (1-0) werden het slachtoffer van de Europese zegereeks van de Amsterdammers. In de strijd om de wereldcup in 1973 tussen de Europese en Zuid-Amerikaanse kampioen werd het Braziliaanse Independiente verslagen. Ajax bedankte voor het spelen van de officieuze Wereldcup in 1974 vanwege het slopende wedstrijdschema.

De Nederlandse competitie was in die jaren een formaliteit. Onder leiding van trainer Stefan Kovacs, de opvolger van Michels in 1972, brachten de Amsterdammers zowel in binnen- als buitenland de tegenstanders regelmatig tot wanhoop. In een spelstijl, die later als totaalvoetbal zou worden getypeerd, werd de bal snel rondgespeeld en verschenen zowel middenvelders als verdedigers met evenveel gemak voor het doel. De Amsterdamse defensie was ondoordringbaar. Doelman Heinz Stuy zette in 1971 een record neer door 1082 minuten onverslagen te blijven. In 1972 en 1973 won Ajax het landskampioenschap met doelgemiddelden van boven de 100.

Het gouden elftal geniet nog steeds een ongekende populariteit. Over de gehele wereld worden de namen van Arie Haan, Johan Neeskens, Piet Keizer, Wim Suurbier, Barry Hulshoff, Arnold en Gerrie Muhren, Johnny Rep, Ruud Krol, Johan Cruijff en Velibor Vasovic nog moeiteloos opgedreund.

Na de "tweede gouden eeuw" verloor Ajax niet alleen de koppositie in de nationale en Europese competities, maar ook enkele belangrijke spelers. Op 23 februari 1975 volgde de eerste nederlaag in Stadion De Meer sinds 1969, FC-Amsterdam won met 2-4. 'Mister Ajax' Sjaak Swart nam in 1973 afscheid na zeventien trouwe dienstjaren, 603 wedstrijden en 228 doelpunten voor Ajax op zijn naam te hebben gezet. Piet Keizer en Arie Haan verlaten het team na onenigheid met de nieuwe trainer Hans Kraay en Johan Neeskens volgde in 1974 Cruijff naar Barcelona. Van het ooit onverslaanbare team bleef alleen Ruud Krol over.

Met nieuwe spelers als Tscheu La Ling, Ruud Geels, Simon Tahamata, Soren Lerby en Frank Arnesen trad Ajax uit de schaduw van het succesteam van begin jaren zeventig. De Deense golf, later volgden ook Jan Molby, Henning Jensen en Jesper Olsen, bracht Ajax wederom successen. In 1976, 1979 en 1980 werd Ajax landskampioen en won in 1979 voor de tweede keer in haar geschiedenis de "dubbel"; de titel en de nationale beker. Op Europees Niveau bleef succes echter uit.

De jaren tachtig stonden bij Ajax vooral in het teken van de jeugd: telkens weer trok de club, zoals dat al snel heette, "een blik met talent open", afkomstig van het jeugdcomplex Voorland. Maar spelers die bij Ajax uitgroeiden tot internationale toppers, bleken voor de club moeilijk te behouden. Na de leegloop die volgde op de drie gewonnen Europa Cup I finales, werd Cruijff bij zijn terugkeer als speler in 1981, dan ook als een verloren zoon binnengehaald.

Op nationaal niveau werd in de periode 1981 tot en met 1987 drie maal het landskampioenschap en drie maal de KNVB-beker gewonnen. De schutters van Ajax waren de trefzekerste van Europa. In zes jaar werd er 628 keer gescoord.

Maar onder Cruijff als technisch directeur wordt Ajax geen landskampioen. Die eer was drie maal weggelegd voor PSV. In 1986 contracteerden de Eindhovenaren Gerald Vanenburg en Ronald Koeman en PSV werd dat jaar Europees kampioen. Cruijff haalde wel de Spartaan Danny Blind en de FC-Utrechter Jan Wouters naar Ajax, twee spelers die hun waarde voor de club waarmaakten.

Aan het eind van de jaren tachtig onderging Ajax de moeilijkste periode in haar geschiedenis. De eerste helft van het seizoen 1988-1989 verliep ronduit dramatisch. Onder leiding van trainer Kurt Linder, stond Ajax na de eerste zes weken op de onwaarschijnlijk lage klassering van veertiende in de eredivisie. Een onhoudbare situatie voor trainer en bestuur. Zij zwichtten onder de kritiek en stelden hun plaatsen ter beschikking.

Niet alleen op sportief gebied kreeg Ajax tegenslagen te verduren. De FIOD-affaire, het staafincident en de vliegtuigramp met de SLM vormen een zwarte bladzijde in de geschiedenis van Ajax.

Sportief gezien ging het beter na de aanstelling van interim-coach Spitz Kohn en Ajax-jeugdtrainer Louis Van Gaal die hem assisteerde. In de tweede helft van het seizoen1988-1989 werden achtereen dertien wedstrijden gewonnen, waaronder het onverslaanbaar geachte PSV met 1-4, om uiteindelijk nog op de tweede plaats in de competitie te eindigen. Vooral de nieuw aangetrokken spits Stefan Pettersson deed menig supportershart harder slaan.

Het nieuwe bestuur dat op 16 januari 1989 aantrad met als voorzitter Michael van Praag kreeg de taak om het vertrouwen van het publiek en de sponsors terug te winnen en Ajax op sportief niveau terug te brengen. Als eerste daad stelden zij een ervaren trainer aan in de persoon van Leo Beenhakker, afkomstig van Real Madrid.

Beenhakker behaalde met spelers als Dennis Bergkamp, de broertjes Rob en Richard Witschge, Bryan Roy, Aaron Winter en Ronald de Boer - door Beenhakker getypeerd als 'de patat-generatie- voor het eerst sinds 1985 weer een landskampioenschap (1989-1990). Door de UEFA straf van het 'staafincident' volgde hier geen Europees avontuur op. Het seizoen daarop behaalde Ajax met 'Don Leo', zoals hij door de supportersschare werd genoemd, een gedeelde eerste plek met PSV. Met hetzelfde aantal punten in de competitie (53) hadden de Eindhovenaren met twee doelpunten een beter doelsalso en Ajax werd tweede.

De tweede plaats gaf weliswaar recht op het meespelen in het UEFA Cup toernooi, maar Don Leo zou dit niet meer meemaken. Na afloop van Ajax-Fortuna Sittard (3-1) op 28 september 1991 meldde een geemotioneerde van Praag dat Beenhakker met onmiddelijke ingang Ajax verliet om naar Real Madrid terug te gaan. Zijn vertrek kwam als een complete verrassing. Vlak daarvoor had hij nog zijn contract met Ajax een jaar verlengd. Al het vertrouwen werd nu gesteld in de jonge assistent-trainer Louis Van Gaal. Dit bleek een zeer gelukkig keuze te zijn.

Louis Van Gaal is onomstreden de meest succesvolle coach in de geschiedenis van Ajax. In zes seizoenen sleepde hij met assistent-coaches Gerard van de Lem en Bobby Haarms en de vaste trainersstaf van Ajax de ene na de andere prijs binnen.

Van Gaal had als jeugd- en assistant-trainer zijn kwaliteiten voor de club al bewezen, maar pers en supporters moesten nog worden overtuigd. Dit deed hij ondermeer door dat seizoen met Ajax de UEFA Cup te veroveren met een overwinning in de finale op Torino (0-2, 0-0). Met deze overwinning evenaarde Ajax de successen van Europese topclubs als Juventus (en later ook Barcelona en Bayern Muchen) die ook alle Europa Cups wisten te winnen.

De successen van Ajax bleven ook in het buitenland niet onopgemerkt. Regelmatig werd de club geconfronteerd met het vertrek van spelers die voor hoge transfersommen werden weggekocht. Vooral (Zuid-) Europese topclubs gooiden regelmatig lijntjes uit in de Ajax-vijver. Dennis Bergkamp, Wim Jonk, (beiden Inter Milaan), Bryan Roy, (Foggia), Jan Wouters (Bayern Munchen), John van 't schip (AS Genua) , Michel Kreek (Padova) en Tarik Oulida (Sevilla), om maar enkele spelers te noemen, vertrokken op zoek naar avontuur en het grote geld.

Het vertrek van spelers maakte de weg vrij voor veel nieuwelingen. Als jeugdtrainer had Van Gaal de kwaliteiten van de spelers uit de opleiding leren kennen en liet veel spelers in het eerste elftal debuteren. Edgar Davids (8 september 1991), Clarence Seedorf (28 oktober 1992), hij was met zestien jaar de jongste debutant ooit in Ajax 1 !) en Patrick Kluivert (21 augustus 1993 - met een doelpunt in het gewonnen duel om de supercup met Feyenoord (3-0)) braken door op nationaal en internationaal niveau. Van Gaal haalde Ronald de Boer terug van FC Twente die samen met zijn tweelingbroer Frank uitgroeiden tot vaste waarden voor het elftal.

Als vervanger voor Bergkamp wordt de 22-jarige fin Jari Litmanen aangetrokken, die ooit stage had gelopen bij Leeds United, Barcelona en PSV, maar daar te licht werd bevonden. De spits scoorde in het seizoen 1993-1994 26 doelpunten in de eredivisie. Doelman Edwin Van Der Sar verkreeg zijn basisplaats nadat de ongelukkige Stanley Menzo zich verkeek in de verloren uitwedstrijd tegen Auxerre (4-2) op 3 maart 1993. Menzo tikte de bal in eigen doel. Uiteindelijk strandde Ajax in de kwartfinale van de Europese Bekerwedstrijd tegen Parma (2-0, 0-0).

De terugkeer van Frank Rijkaard in het seizoen 1993-1994 luidde de succesvolste periode in onder Van Gaal. De ervaren middenvelder kwam over van AC Milan, waar hij met oud-Ajacied Marco van Basten en Ruud Gullit ondermeer tweemaal de Europacup 1 won en tweemaal de wereldbeker veroverde, om zijn voetballoopbaan bij zijn oude club af sluiten. Met Rijkaard won Ajax op 24 mei 1995 voor de vierde keer in haar historie de Europa Cup 1. In het Ernst Happel stadion in Wenen scoorde invaller Kluivert op aangeven van Rijkaard het enige en winnende doelpunt tegen AC Milan.

Het hoogtepunt van het succesvolle seizoen 1994-1995 waarin Ajax -behalve de KNVB-Beker- alles won wat er te winnen viel was de strijd om de Wereldbeker in Tokio. Op 28 november 1995 trof Ajax het Braziliaanse Gremio, de latijns-Amerikaanse kampioen. Het was aanvoerder Danny Blind die na verlenging de beslissende strafschop verzilverde en voor de tweede keer in de geschiedenis de wereld toonde dat Ajax de sterkste was.

In het seizoen 1996-1997 stokte de successtrein onder Van Gaal. Het 'lucky' Ajax kreeg te maken met het wegvallen van enkele basiskrachten door transfers en blessures. In de competitie liet Ajax veel punten liggen en de achterstand op koplopers PSV, Feyenoord en 'verrassend' FC Twente kon niet worden goedgemaakt. Uiteindelijk wist het gehavende team nog de halve finale van de Champions League te bereiken. In de twee verloren wedstrijden tegen Juventus (1-2 en 4-1) werd duidelijk dat de successen van de afgelopen jaren hun tol hadden geeist.

                                                                                                           

De laatste twee seizoenen van Van Gaal stonden in het teken van het 'afscheid nemen'. De successen van Ajax noopten de club om de plannen voor de Arena door te zetten en afscheid te nemen van stadion 'de Meer'. Dit viel velen zwaar. Tenslotte waren hier de afgelopen 62 jaar vele successen behaald en was het stadion voor de supporters een tweede thuis geworden. Zelden was de Meer dan ook zo uitverkocht als op de laatste wedstrijd in de wedstrijd Ajax-Willem II (5-1) op 28 april 1996 toen het derde landskampioenschap op rij werd binnengehaald.

Enkele belangrijke spelers speelden die dag voor eigen publiek hun laatste wedstrijd. Sonny Silooy (Arminia Bielefeld), Edgar Davids (AC Milan), Michael Reiziger (AC Milan), maar ook - zou later blijken - de Nigerianen Nwanko Kanu (Inter Milan) en Finidi George (Betis Sevilla) gaan Ajax verlaten. Het seizoen daarop kondigden Patrick Kluivert en Winston Bogarde aan dat zij zouden vertrekken (AC Milan) en het vertrek van Van Gaal haalde CNN.

                                                                   

                                       Go Back home

Hosted by www.Geocities.ws

1