De moeilijkste baan
Ik zeg wel eens tegen vrienden en familie: �De baan van een ontwikkelingswerker is een van de moeilijkste banen die er is. Je probeert als wildvreemde in een land met een totaal andere cultuur iets op gang te krijgen, terwijl de mensen daar niet eens begrijpen wat je bedoelt, of het gewoon simpelweg niet willen. Het is soms alsof er een Aboriginal naar Nederland komt om elke Nederlander dinsdagochtend een kip te laten slachten en om twee uur lang een vooroudervereringdans te laten uitvoeren.�

Het blijft iets vreemds om vanuit je aardappelveldje in Tholen naar Afrika te vertrekken om iets voor de arme mensen te gaan doen. Ik ben natuurlijk niet onvoorbereid op pad gegaan. Gedurende 7 jaar studie heb ik vanuit verschillende wetenschappelijke perspectieven de lessen en gedachten van 50 jaar ontwikkelingshulp mogen bestuderen. Daarnaast werk ik voor een organisatie die al enkele decennia ervaring heeft op dit gebied. Toch heb ik elke week wel momenten dat ik verbaasd ben, tegen de lamp loop, op onbegrip stuit, of gewoonweg twijfel of ik al die Nederlandse belastingcenten wel waard ben. Eerlijk is eerlijk, ik heb een geweldige baan en een heerlijk leven. Maar probeer maar eens iets constructiefs op te zetten in een land waar liegen, jaloezie en corruptie dagelijkse kost is of  waar slechts een enkeling enig lange termijn of zelfs middellange termijn inzicht heeft. Probeer maar eens resultaten te boeken in een land waar zich 250 verschillende talen en culturen bevinden, waar het algemeen welzijn het bijna altijd verliest van het persoonlijk gewin of waar de ontwikkelingssector vooral bekend staat als een van de weinige sectoren waarin men een betaalde baan kan krijgen.

Gelukkig zijn er in Kameroen heel wat mensen die dezelfde scholen als ik hebben afgelopen zodat we elkaar in ieder geval kunnen begrijpen en het vaak met elkaar eens zijn. Gelukkig zijn er ook lokale helden die werkelijk het goede met hun omgeving ophebben en niet alleen op persoonlijk gewin uitzijn. Gelukkig werk ik met vooral Kameroenese collega�s die me veel kunnen uitleggen en waarschuwen voor een groene mamba onder het gras. Gelukkig voeren we geen projecten uit die in Tholen bedacht zijn, maar luisteren we eerst naar de lokale vraag voordat we in actie komen. Er is gelukkig nog wel iets gedaan met de lessen van 50 jaar ontwikkelingswerk.

Maar nog niet voldoende en zeker niet door iedereen. Er blijven enkele hardnekkige gewoontes aanwezig. Ten eerste bijvoorbeeld het idee van de maakbaarheid van een samenleving. Vooral economen en ingenieurs hebben hier een handje van. Een voorbeeld is de ingenieursgedachte van �als we maar een irrigatiesysteem opzetten dan gaan de mensen vanzelf meer voedsel verbouwen.� Deze opvatting is inmiddels vanuit alle hoeken verguisd, met als resultaat dat de ingenieurs tegenwoordig niet meer alleen het veld in worden gestuurd. De verleidelijkheid van dergelijke simpele oplossingen voor, in het eerste opzicht, simpele problemen bestaat echter nog steeds in veel projecten en programma�s. Ook bijvoorbeeld in het tegenwoordige modebeeld van de ontwikkelingssamenwerking: microkrediet. Sommige programma�s die hier in Kameroen het afgelopen jaar ge�ntroduceerd zijn, gaan er vanuit dat wanneer de armste mensen toegang tot krediet krijgen, ze een winstgevende activiteit kunnen beginnen waardoor ze aan het einde van het jaar meer overhouden. Dit klinkt aannemelijk, maar hier in Kameroen is de realiteit vaak dat het geleende geld op gaat aan consumptieve doeleinden als begrafenissen, ziekenhuiskosten, het opvullen van voedseltekorten of het wordt gedeeld met de familie. Het gevolg is dat aan het eind van het jaar men hun geit of koe moet verkopen om hun leningen terug te betalen men dus eigenlijk armer is geworden.

Een andere hardnekkige gewoonte is het gebrek aan het stimuleren van �ownership� �oftewel verantwoordelijkheid/eigendom - bij de doelgroep zelf. Nog steeds worden er door buitenstaanders schitterende projecten opgezet, die, wanneer deze buitenstaanders zich terugtrekken, volledig instorten. De realiteit toont echter aan dat projecten, niet opgezet of gedragen door de lokale bevolking, op lange termijn gedoemd zijn te mislukken. Vooral goedbedoelde vrijwilligersprojecten hebben hier een handje van. Van een waterputtenproject hier uit de omgeving waren na vijf jaar alleen de putten waar de lokale bevolking zelf aan meebetaald hadden nog werkzaam. Van de putten die volledig waren geschonken functioneerde er niet een meer.

Wat ik tegenwoordig ook begin te vermoeden is dat ontwikkelingssamenwerking last heeft van bepaalde culturele stereotypen. Zo zijn er hier in Kameroen veel projecten en programma�s die zich richten op de gemeenschap of de groep. Voorbeelden van dergelijke projecten zijn het opzetten van dorpsbossen of dorpsvelden. Het lijkt alsof ze er vanuit gaan dat het land bestaat uit solidaire groepen, waarin wijze oude mannen onder een boom besluiten over het wel en wee van de gemeenschap. Echter, zoals gezegd zijn er 250 etniciteiten in Kameroen en net zoveel verschillen. Sommige ethniciteiten kenmerken zich door een sterk individualisme en intolerantie. Je moet dan ook niet gek opkijken dat een door een Europese ontwikkelingsorganisatie opgezet project in Noord Kameroen, waar verschillende ethniciteiten uit ��n dorp samen op een dorpsveld worden gezet, uitloopt op een groot conflict. En zo is het resultaat van door internationale donors opgezette dorpsbossen in Zuid Kameroen vooral dat rivaliserende families uit ��n dorp elkaar bestrijden om de opbrengsten van het bos.

Vijftig jaar ontwikkelingssamenwerking heeft laten zien dat de hardnekkige gewoontes van het idee van de maakbaarheid van de samenleving, gebrek aan het stimuleren ownership bij de doelgroep en het bestaan van culturele stereotypen gedeeltelijk kunnen worden voorkomen door vraaggestuurd te werken. Dit �demand driven� werken betekent dat je de samenwerking laat afhangen van de vraag vanuit de lokale bevolking. Het blijkt echter in de praktijk niet mee te vallen om de werkelijke vraag te doorgronden of de haalbaarheid ervan te bepalen. Ik verbaas me dan ook over hoe weinig onderzoek er wordt gedaan naar de haalbaarheid van een project. En wanneer er wel eens een vooronderzoek wordt gedaan is dit over het algemeen van lage kwaliteit. Vooral multilaterale donoren (waar minister Van Ardenne zo trots haar geld aan schenkt) hebben nog steeds de neiging om het ene programma klakkeloos te kopi�ren in andere gebieden. Ook ontwikkelingsorganisaties zijn soms erg makkelijk in het toekennen van subsidies voor projecten die op dat moment in de mode zijn of goed in hun thema�s passen. Wanneer in het dorpsveld in Noord Kameroen een gedegen haalbaarheidsstudie was uitgevoerd, was men nooit aan gemeenschappelijke velden begonnen, want de bevolking is er helemaal niet gewend om er samen te werken en heeft daar ook geen interesse in. En wanneer er in het kader van de dorpsbossen in Zuid Kameroen een goed vooronderzoek was gedaan, had men waarschijnlijk een realistischere planning kunnen maken, met meer aandacht aan conflictbeheersing.
Naar mijn mening kunnen veel van de tegenvallende resultaten van ontwikkelingsprojecten voorkomen worden door een gedegen voorbereiding. Dat dit niet gebeurd is spijtig. In dit opzicht valt er nog veel van het bedrijfsleven te leren, want het is zeldzaam dat een gerenommeerd bedrijf zonder gedegen marktonderzoek een nieuw product op de markt brengt. Maar binnen de ontwikkelingssector mist men blijkbaar de middelen, capaciteit of de wil voor een gedegen vooronderzoek voor nieuwe initiatieven.
Hosted by www.Geocities.ws

1