![]() |
![]() |
![]() |
| 'Ik wil hier niet meer wonen,' zei de egel... 'Ik wil hier niet meer wonen,' zie de egel op een ochtend tegen de eekhoorn. Ze stonden voor de deur van de egel. 'Waar wil je dan wonen?' vroeg de eekhoorn. 'Daar,' zei de egel en wees omhoog. 'Waar?' vroeg de eekhoorn verbaasd. 'Daar, op het puntje van die tak.' 'Daar??' zei de eekhoorn. 'Daar kan je helemaal niet wonen, egel. Als het koud is, is het daar heel koud. Je kan daar ook niets neerzetten of bewaren.' 'En toch wil ik daar wonen,' zei de egel. 'Het is daar heel wankel,' zei de eekhoorn. 'Ik wil ook eens wankel wonen,' zei de egel, 'en gevaar lopen. Ik loop nooit gevaar, eekhoorn, nooit.' |
| De eekhoorn zweeg. 'Wil je mij helpen verhuizen?' vroeg de egel. Even later klom hij op de rug van eekhoorn. Zijn meubels had hij verspreid over zijn lijf aan zijn stekels geprikt. De eekhoorn droeg hem naar het puntje van de grote tak van de beuk en liet hem daar achter. |
| Het was een donkere dag in het midden van de herfst. De eekhoorn ging onder de beuk op de grond zitten. Als hij valt vang ik hem op, dacht hij. Maar toen bedacht hij dat hij de egel nog nooit had opgevangen en dat dat misschien niet zou meevallen. De tak zwiepte heen en weer in de wind. 'Zit je goed?' riep de eekhoorn. 'Ja,' riep de egel terug. 'Maar lui zitten gaat niet. En achteroverleunen ook niet.' 'Waarom wil je daar ook wonen?' vroeg de eekhoorn. 'Zal ik het je eerlijk zeggen?' vroeg de egel. 'Ja.' 'Het was een opwelling.' De eekhoorn zuchtte en dacht na over opwellingen. De mier had vaak opwellingen, hij zelf nooit. Hij keek naar de grond en vroeg zich af hoe hij aan opwellingen zou kunen komen. Maar hij wist van de mier dat je ze nooit vindt als je ze zoekt. |
| Het ging harder waaien en de wind floot door de takken van de beuk. Vervaarlijk zwiepend vloog de egel van de ene kant naar de andere kant. 'Hola,' riep hij af en toe zachtjes. |
| 'Ben je niet bang?' vroeg de eekhoorn. 'Nee,' zei de egel. 'Of een beetje.' Onweerswolken verschenen aan de horizon an vroeg in de middag riep de egel: 'Nu heb ik hier genoeg gewoond.' De eekhoorn zei niets, klom naar boven en hielp de egel van de tak af naar de grond. Even later waren zij in het oude huis van de egel in de struik onder de beuk. De egel haalde zijn meubels van zijn stekels en zette alles weer op zijn plaats. Het werd zo donker dat zij elkaar alleen nog tijdens een bliksemschicht konden zien. Op de tast haalde de egel twee suikerkoeken uit de kelder onder zijn huis. Die aten zij op. 'Ik heb wel gevaar gelopen, eekhoorn, vind je niet?' vroeg de egel. 'Ja,' zei de eekhoorn. 'Groot gevaar?' 'Tamelijk groot gevaar.' 'Ik heb dus tamelijk groot gevaar gelopen...' mompelde de egel, 'zo, zo...' en tevreden krabde hij zich tussen twee stekels achter zijn oor. |
| dit verhaal is geschreven door Toon Tellegen. |