Voorwoord en inleiding �Kernpunten van het sociale vraagstuk�
Door Rudolf Steiner geschreven voorwoord bij de tweede druk van geschrift �De kernpunten van het sociale vraagstuk� (1919)

De opgaven die het sociale leven van de tegenwoordige tijd stelt, moeten wel miskend worden door degene die ze tegemoet treedt met een of andere utopie in gedachten. Men kan op grond van bepaalde zienswijzen en gevoelens geloven dat deze of gene inrichtingen, die men in zijn gedachten pasklaar heeft gemaakt, de mensen gelukkig zouden moeten maken; dit geloof kan overweldigende overtuigingskracht krijgen, en toch kan men volledig voorbijgaan aan de tegenwoordige betekenis van het sociale vraagstuk, wanneer men een dergelijk geloof tot gelding wil brengen.

Men kan vandaag de dag deze bewering als volgt zover op de spits drijven dat hij schijnbaar onzinnig wordt, en daarmee toch de spijker op de kop slaan: stel dat ergens iemand in het bezit zou zijn van een volmaakte theoretische `oplossing' van het sociale vraagstuk, dan nog zou hij iets volkomen onpraktisch geloven, als hij deze door hem uitgedachte `oplossing' aan de mensheid zou willen aanbieden. Wij leven immers niet meer in de tijd waarin men mag menen dat men op die manier in het openbare leven kan werken. De zielsgesteldheid van de mensen is niet zo dat zij wat het openbare leven betreft zomaar zouden kunnen zeggen: Daar heb je iemand die begrijpt welke sociale inrichtingen nodig zijn; zoals hij het ziet willen wij het doen.
Op die manier willen de mensen zich beslist niet met idee�n over het sociale leven inlaten. Dit boek, dat nu toch al een betrekkelijk grote verspreiding heeft gevonden, houdt rekening met dit feit. Diegenen hebben de bedoelingen die eraan ten grondslag liggen geheel miskend, die het een utopistisch karakter hebben toegeschreven. Het sterkst hebben dat diegenen gedaan, die zelf alleen utopistisch willen denken. Zij zien bij de ander wat de meest wezenlijke trek van hun eigen denkgewoonten is.

Voor wie praktisch denkt behoort het tegenwoordig al tot de ervaringen van het openbare leven, dat men met een utopistische idee, al schijnt die nog zo overtuigend, niets kan beginnen. Toch hebben velen het gevoel dat zij bijvoorbeeld op economisch gebied met zo'n idee hun medemensen moeten benaderen. Zij zullen tot de overtuiging moeten komen dat zij alleen maar onnodig praten. Hun medemensen kunnen met wat zij te berde brengen niets beginnen.

Men zou dit als ervaring moeten behandelen. Het wijst immers op een belangrijk feit van het huidige openbare leven. En wel het feit, dat datgene wat men denkt totaal levensvreemd is tegenover dat wat bijvoorbeeld de economische werkelijkheid eist. Mag men dan hopen de verwarde toestanden van het openbare leven de baas te worden wanneer men deze tegemoet treedt met een denken dat levensvreemd is?

Het kan niet anders of deze vraag roept weerstanden op. Want zij noopt tot de bekentenis dat men levensvreemd denkt. Toch zal men zonder deze bekentenis ook het sociale vraagstuk niet werkelijk nader kunnen komen. Immers alleen wanneer wij beseffen dat deze vraag een ernstige aangelegenheid is, die de hele tegenwoordige beschaving raakt, kunnen we tot helderheid komen over wat voor het sociale leven nodig is.
Op de stand van zaken in het huidige geestesleven duidt deze vraag. De moderne mensheid heeft een geestesleven ontwikkeld dat in hoge mate afhankelijk is van de staat en van economische krachten. Als kind wordt de mens al opgenomen in opvoeding en onderwijs van staatswege. Hij kan slechts zo worden opgevoed als de economische omstandigheden van zijn omgeving, de omstandigheden waarbinnen hij opgroeit, het toestaan.

Nu zou men kunnen menen dat de mens daardoor goed zou zijn aangepast aan de huidige levensomstandigheden. Want de staat zou immers de mogelijkheid hebben z� vorm te geven aan de instellingen voor onderwijs en opvoeding en daarmee aan het meest essenti�le deel van het openbare geestesleven, dat daardoor de samenleving het beste is gediend. En ook kan men licht geloven dat de mens een zo goed mogelijk lid van de gemeenschap wordt, wanneer hij een opvoeding krijgt die is afgestemd op de economische mogelijkheden waarbinnen hij opgroeit, en wanneer hij door die opvoeding op de plaats wordt gezet die hem door die economische mogelijkheden wordt aangewezen.

Dit boek moet de taak, die vandaag de dag weinig populair is, op zich nemen om aan te tonen dat het chaotisch en duister karakter van ons openbare leven voortkomt uit de afhankelijkheid van het geestesleven van staat en economie. En het moet aantonen dat de bevrijding van het geestesleven uit deze afhankelijkheid het ene deel vormt van het zo brandende sociale vraagstuk.
Daarmee keert dit boek zich tegen wijdverbreide dwalingen. Het feit dat de staat de zorg voor opvoeding en onderwijs heeft overgenomen, ziet men al sinds lang als iets wat de vooruitgang van de mensheid ten goede komt. En degenen die socialistisch denken, kunnen zich nauwelijks iets anders voorstellen dan dat de maatschappij de enkeling opvoedt tot haar dienst en volgens haar maatregelen.

Men wil zich niet graag de moeite getroosten tot een inzicht te komen dat op dit gebied tegenwoordig absoluut noodzakelijk is. En wel het inzicht, dat in de historische ontwikkeling van de mensheid in een later tijdperk tot dwaling kan worden wat in een vroeger tijdperk juist is. Het was voor het opkomen van de moderne sociale verhoudingen binnen de mensheid noodzakelijk, dat de opvoeding en daarmee het openbare geestesleven uit handen werd genomen van die kringen die het in de middeleeuwen onder hun hoede hadden, en aan de staat werd overgeleverd. Deze toestand te laten voortbestaan is echter een ernstige sociale dwaling.

Dat wil dit boek in het eerste deel laten zien. Binnen het raam van de staat is het geestesleven tot vrijheid gerijpt; het kan in deze vrijheid niet echt leven, wanneer het geen volledige autonomie krijgt. Het geestesleven eist door het karakter dat het heeft aangenomen, dat het een volledig zelfstandige geleding van het sociale organisme kan vormen. Het geheel van opvoeding en onderwijs, waaruit toch al het geestesleven zich ontwikkelt, moet in bestuur en beheer worden gegeven aan hen die opvoeden en onderwijzen. In dat bestuur dient niets wat in de staat of de economie actief is, enige stem of invloed te hebben. Ieder die onderwijs geeft moet aan het onderwijzen slechts zoveel tijd besteden, dat hij ook nog bestuurder op zijn gebied kan zijn. Hij zal daardoor het bestuur zo vorm geven, als hij ook onderwijs en opvoeding zelf vorm geeft. Niemand geeft voorschriften, die niet tegelijkertijd zelf in de levende praktijk van opvoeding en onderwijs staat. Geen parlement, geen persoon die wellicht eens onderwijs heeft gegeven maar dit zelf niet meer doet, hebben daarin een stem. Wat in het onderwijs heel direct ervaren wordt, werkt door in het bestuur. Het ligt in de aard der zaak dat binnen een dergelijke inrichting zakelijkheid en vakbekwaamheid in de hoogste mate werken.
Men kan daar natuurlijk tegen inbrengen dat ook zo'n zelfbestuur van het geestesleven niet volmaakt zal zijn. Maar dat mag men in het werkelijke leven ook niet eisen. Dat het beste wat mogelijk is tot stand komt, dat alleen kan nagestreefd worden. De vermogens die in het kind tot ontwikkeling komen zullen werkelijk ter beschikking van de gemeenschap komen, wanneer alleen diegene voor de ontwikkeling ervan zorg draagt, die vanuit geestelijke beweegredenen een ter zake bevoegd oordeel kan vellen. Over de vraag hoever een kind in de ene of de andere richting moet worden geleid, kan alleen in een vrije `geestgemeenschap' een oordeel ontstaan. En alleen vanuit een dergelijke gemeenschap kan worden bepaald, wat moet worden gedaan om zo'n oordeel gelding te verschaffen. Van daaruit kunnen staats- en economisch leven de krachten ontvangen die zij zichzelf niet kunnen geven, wanneer zij vanuit hun eigen gezichtspunten het geestesleven bepalen.

Het ligt in de richting van wat in dit boek is beschreven, dat ook de inrichtingen en de inhoud van het onderwijs binnen die instellingen, die de staat of het economische leven dienen, door de bestuurders van het vrije geestesleven worden verzorgd. Scholen voor juristen, scholen voor de handel, landbouwkundige en industri�le onderwijsinstellingen zullen vorm krijgen vanuit het vrije geestesleven. Het is onontkoombaar dat dit boek vele vooroordelen zal oproepen, wanneer men tot deze -juiste - gevolgtrekking komt uit wat erin betoogd wordt. Alleen: waaruit komen deze vooroordelen voort? Men zal hun antisociale geest herkennen, wanneer men inziet dat zij hun grondslag vinden in het onbewuste geloof, dat opvoeders wel levensvreemde, onpraktische mensen moeten zijn. Men zou het absoluut niet aan hen kunnen toevertrouwen dat zij op eigen kracht inrichtingen tot stand brengen die de praktische gebieden van het leven op de juiste wijze dienen. Zulke inrichtingen moeten door diegenen vorm krijgen die in het praktische leven staan en de opvoeders moeten werken volgens de richtlijnen die hun worden gegeven.

Wie zo denkt, die ziet niet dat opvoeders die, zowel wat de details als wande grote lijnen betreft, niet de gelegenheid krijgen volgens hun eigen richtlijnen te werken juist daardoor levensvreemd en onpraktisch worden. Ook al worden de beginselen hun gegeven door mensen die schijnbaar nog zo praktisch zijn: toch zullen zij geen mensen tot echte practici voor het leven opvoeden. De antisociale toestanden zijn veroorzaakt, doordat het niet zo is dat mensen in het sociale leven geplaatst worden die door hun opvoeding gevoel voor het sociale hebben. Sociaal belevende mensen kunnen alleen voortkomen uit een vorm van onderwijs en opvoeding die door sociaal belevende mensen wordt geleid en bestuurd. Men zal het sociale vraagstuk nooit nader komen, wanneer men het opvoedings- en geestesvraagstuk niet als een van de wezenlijke delen ervan behandelt. Men brengt antisociale toestanden niet alleen teweeg door economische inrichtingen, maar ook doordat de mensen zich in deze inrichtingen antisociaal gedragen. En het is antisociaal wanneer men de jeugd door mensen laat opvoeden en onderwijzen, die men levensvreemd laat worden doordat men van buitenaf richting en inhoud van hun handelen voorschrijft.

De staat richt juridische faculteiten op en verlangt daarvan dat die juridische inhoud wordt onderwezen, die hij naar zijn eigen gezichtspunten in zijn wetgeving en bestuur heeft neergelegd. Faculteiten die geheel uit een vrij geestesleven zijn voortgekomen, zullen de inhoud van de juridische wetenschap uit dat geestesleven zelf putten. De staat zal dan moeten aanvaarden, wat hem vanuit dit vrije geestesleven tegemoet wordt gebracht. Hij zal worden bevrucht door de levende idee�n die alleen uit een dergelijk geestesleven kunnen ontstaan.
Binnen dit geestesleven zelf echter zullen die mensen staan, die vanuit hun gezichtspunten aansluiting vinden bij de praktijk van het leven. Niet dat kan tot de praktijk van het leven worden, wat stamt uit opvoedingsinrichtingen die door zuivere `practici' worden bestuurd en waarin door levensvreemde mensen wordt onderwezen, maar alleen dat wat van opvoeders komt, die vanuit hun gezichtspunten het leven en de praktijk begrijpen. Hoe het bestuur van een vrij geestesleven meer in bijzonderheden vorm moet krijgen, wordt in dit boek in ieder geval aangeduid.

Mensen die naar utopie�n neigen, zullen het boek met allerlei vragen bestoken. Bezorgde kunstenaars en anderen die in het geestesleven werken zullen zeggen: `Maar zal het talent in een vrij geestesleven beter gedijen dan in het huidige geestesleven dat onder de zorg van de staat en de economische machten valt?' Degenen die zulke vragen stellen, moeten bedenken dat dit boek in geen enkel opzicht utopistisch is bedoeld. In dit boek wordt daarom nergens theoretisch vastgesteld dat iets zus of zo moet zijn. Maar er wordt tot gemeenschappen van mensen aangespoord, die vanuit hun samenleven datgene tot stand kunnen brengen wat sociaal gewenst is. Wie het leven niet naar theoretische vooroordelen maar naar ervaringen beoordeelt, die zal erkennen: hij die schept uit zijn eigen talent en begaafdheid, zal een juiste beoordeling van zijn prestaties mogen verwachten, wanneer er een vrije geestesgemeenschap is die geheel vanuit haar eigen gezichtspunten in het leven kan ingrijpen.

Het 'sociale vraagstuk' is niet iets wat in deze tijd in het menselijk leven is opgekomen en wat nu door een paar mensen of door parlementen kan worden opgelost en dan eens voor altijd opgelost zal zijn. Het is een bestanddeel van het gehele moderne culturele leven en zal dat, nu het eenmaal is ontstaan, blijven. Het zal op ieder ogenblik van de wereldhistorische ontwikkeling opnieuw moeten worden opgelost. Want het menselijk leven is met de moderne tijd in een toestand terechtgekomen, die uit wat sociaal is ingericht altijd weer het antisociale zal laten ontstaan. Dit moeten wij steeds opnieuw de baas worden. Zoals een organisme enige tijd na zijn verzadiging steeds weer in een toestand van honger terechtkomt, zo komt het sociale organisme vanuit een ordening van de verhoudingen steeds weer in de wanorde terecht. Een algemeen geneesmiddel voor de ordening van de sociale verhoudingen bestaat net zo min als een voedingsmiddel dat voor altijd verzadigt. Maar de mensen kunnen tot zulke gemeenschappen komen, dat door hun levendige samenwerking het bestaan steeds opnieuw op het sociale wordt gericht. Zo'n gemeenschap is de zichzelf besturende geestelijke geleding van het sociale organisme.

Zoals uit de ervaringen van deze tijd voor het geestesleven het vrije zelfbestuur als sociaal vereiste naar voren komt, zo is dat voor het economische leven de associatieve arbeid. De economie bestaat in het huidige leven van de mensheid uit warenproduktie, warencirculatie en warenconsumptie. Daardoor worden de menselijke behoeften bevredigd; daarbinnen staan de mensen met hun activiteit. Eenieder heeft daarbinnen zijn deelbelangen; eenieder moet met het aandeel aan activiteit dat hij ter beschikking kan stellen, erin ingrijpen. Wat iemand werkelijk nodig heeft kan alleen hij weten en gewaarworden; wat hij moet presteren zal hij uit eigen inzicht in de levensomstandigheden van het geheel willen beoordelen. Dit is niet altijd zo geweest en is heden nog niet overal zo op aarde; binnen het tegenwoordig ontwikkelde deel van de wereldbevolking is het in essentie zo.

De economische verbanden hebben zich in de loop van de ontwikkeling van de mensheid uitgebreid. Uit de gesloten agrarische huishouding heeft zich de stadseconomie ontwikkeld en hieruit de staatseconomie. Tegenwoordig gaat het om de wereldeconomie. Weliswaar blijft van de oude vormen nog een aanzienlijk deel in de nieuwe voortbestaan en kwamen in de oude vormen al aanzetten tot de nieuwere voor. Maar de lotgevallen van de mensheid zijn ervan afhankelijk, dat de bovenstaande ontwikkelingsreeks binnen bepaalde levensgebieden overheersend werkzaam is geworden.

Het is een wangedachte de economische krachten te willen organiseren in een abstracte wereldgemeenschap. De afzonderlijke economische huishoudingen zijn in de loop van de ontwikkeling op grote schaal in staatseconomie�n uitgemond. Maar de staatsgemeenschappen zijn uit andere krachten dan puur economische ontsprongen. Dat men hen in economische gemeenschappen wilde omzetten, heeft tot de sociale chaos van onze tijd geleid. Het economische leven streeft ernaar zich vanuit zijn eigen krachten op te bouwen, onafhankelijk van de staat, maar ook van de denkwijze die voor de staat geldt. Dat is alleen maar mogelijk, wanneer zich uit zuiver economische gezichtspunten associaties ontwikkelen, die zich aaneensluiten uit kringen van consumenten, handelslieden en producenten. Door de omstandigheden van het leven zal de omvang van zulke associaties zich vanzelf regelen. Te kleine associaties zullen te kostbaar zijn, te grote associaties zullen te onoverzichtelijk zijn om economisch te functioneren. Iedere associatie zal de weg naar een geregeld verkeer met andere associaties vinden vanuit de behoeften. Men behoeft niet bezorgd te zijn dat diegene, die in zijn leven voortdurend op andere plaatsen moet vertoeven, door dergelijke associaties zal worden belemmerd. Hij zal de overgang van de ene associatie naar de andere gemakkelijk vinden, als deze overgang niet door de staat maar door zuiver economische belangen zal worden bewerkstelligd. Er zijn inrichtingen binnen een dergelijk associatief geheel denkbaar die met het gemak van het geldverkeer werken.

Binnen een associatie kan, op grond van vakkennis en zakelijkheid, een verregaande harmonie van belangen heersen. Het zijn niet wetten, die de productie, circulatie en consumptie van goederen regelen, maar de mensen vanuit hun directe inzichten en belangen. Doordat zij in het associatieve leven staan kunnen de mensen deze noodzakelijke inzichten verkrijgen; doordat middels overeenkomsten het ene belang met het andere moet worden vereffend,'zullen de goederen volgens de hun toekomende waarden circuleren. Een dergelijke aaneensluiting naar economische gezichtspunten is iets anders dan wat bijvoorbeeld in de moderne vakbonden plaatsvindt. Deze hebben in het economische leven hun uitwerking, maar zij komen niet vanuit economische gezichtspunten tot stand. Zij zijn opgezet naar de grondbeginselen die in de moderne tijd uit de omgang met politieke en staatsgezichtspunten vorm hebben gekregen. Men speelt er parlementje, maar men komt niet vanuit economische gezichtspunten overeen wat de een ten opzichte van de ander moet presteren. Het zal in de associaties niet zo zijn dat er `loonarbeiders' zitten, die door hun macht van een ondernemer zo hoog mogelijke lonen eisen, maar zo dat er handarbeiders samenwerken met de geestelijke leiders van het productieproces en met degenen die als verbruikers belang hebben bij de producten, om door prijsregelingen tot prestaties te komen die aan de tegenprestaties beantwoorden. Dat kan niet gebeuren door parlementeren in vergaderingen. Daarvoor zou men zich moeten hoeden. Immers wie zou dan moeten werken, wanneer ontelbare mensen hun tijd zouden moeten verdoen met onderhandelingen over de arbeid? Door afspraken van mens tot mens, van associatie tot associatie voltrekt alles zich naast de arbeid. Daartoe is uitsluitend noodzakelijk dat de aaneensluiting met de in', zichten van de werkenden en met de belangen van de consumenten overeenkomt.

Hiermee wordt geen utopie geschetst. Want er wordt absoluut niet gezegd: dit moet zus of zo worden ingericht. Er wordt alleen maar aangegeven hoe de mensen zelf de zaken zullen inrichten, wanneer zij in gemeenschappen willen werken die aan hun inzichten en belangen recht doen.
Dat zij zich tot zulke gemeenschappen aaneensluiten, daarvoor zorgt aan de ene kant de menselijke natuur, wanneer deze niet wordt gehinderd door tussenkomst van de staat; want de natuur brengt de behoeften voort. Aan de andere kant kan daarvoor het vrije geestesleven zorgen, want dit brengt de inzichten tot stand die in de gemeenschap moeten werken. Wie vanuit de ervaring denkt, moet toegeven dat zulke associatieve gemeenschappen ieder ogenblik kunnen ontstaan, dat zij niets van een utopie in zich hebben. Hun ontstaan staat niets anders in de weg dan dat de mens van tegenwoordig het economische leven van buitenaf wil `organiseren', in de zin waarin bij hem de gedachte aan `organisatie' tot een dwangbeeld is geworden. Tegenover dit organiseren, dat de mensen tot produceren wil brengen door hen van buitenaf samen te bundelen, staat als een tegenbeeld die economische organisatie die berust op de vrije associatie. Door zich te associ�ren verbindt de mens zich met een ander, en het planmatige van het geheel ontstaat door het inzicht van de enkeling. - Men kan zeggen: wat helpt het wanneer de bezitloze zich associeert met de bezittende? Men kan het beter vinden wanneer alle productie en consumptie van buitenaf `rechtvaardig' worden geregeld. Maar deze organisatorische regeling ondergraaft de vrije scheppingskracht van de enkeling en beneemt het economische leven de toevoer van datgene wat alleen uit die vrije scheppingskracht kan ontspringen. Laat men het maar eens proberen, ondanks alle vooroordelen, zelfs met de associatie van diegene die tegenwoordig geen bezit heeft met diegene die wel bezit heeft. Grijpen geen andere dan economische krachten in, dan zal de bezitter de prestatie van de bezitloze noodzakelijkerwijs moeten compenseren met een tegenprestatie. Tegenwoordig spreekt men over dergelijke dingen niet op grond van het instinctieve levensbesef dat voortkomt uit ervaring, maar op grond van stemmingen die zich niet uit economische, maar uit klasse- en andere belangen hebben ontwikkeld. Deze stemmingen konden zich ontwikkelen omdat men in de moderne tijd, waarin juist het economische leven steeds gecompliceerder is geworden, dit proces niet met zuiver economische idee�n kon volgen. Het onvrije geestesleven heeft dit verhinderd. De mensen die in het economische leven handelen, doen dit routinematig; de vormgevende krachten die in de economie werken doorzien zij niet. Zij werken zonder inzicht in het geheel van het menselijk leven. In de associaties zal de een door de ander ondervinden wat hij noodzakelijk moet weten. Doordat de mensen, van wie ieder op zijn deelgebied inzicht en ervaring heeft, gezamenlijk zullen oordelen, zal de nodige economische ervaring ontstaan over wat mogelijk is.

Zoals in het vrije geestesleven alleen die krachten werkzaam zijn die in dit leven zelf wortelen, zo zullen dat in het associatief ingerichte economische systeem alleen de economische waarden zijn die zich door de associaties ontwikkelen. Wat de enkeling in het economische leven te doen staat, dat zal hem blijken uit het samenleven met hen met wie hij economisch is geassocieerd. Daardoor zal hij precies zoveel invloed hebben op de algemene economie als overeenkomt met zijn prestaties. Hoe mensen die niet tot prestaties in staat zijn in het economische leven hun plaats vinden, wordt in dit boek uiteengezet. De zwakken tegen de sterken beschermen, dat kan een economisch leven dat alleen vanuit zijn eigen krachten is opgebouwd.

Zo kan het sociale organisme in twee zelfstandige gebieden uiteenvallen, die elkaar over en weer dragen, juist doordat ieder een bestuur heeft naar zijn eigen aard en voortkomend uit zijn specifieke krachten. Tussen deze twee echter moet een derde tot leven komen. Het is het eigenlijke staatsgebied van het sociale organisme. Hierin doet zich alles gelden wat afhankelijk is van het oordeel en de ervaring van ieder mondig mens. In het vrije geestesleven is een ieder werkzaam naar zijn bijzondere vermogens; in het economische leven vervult eenieder zijn taken zoals dat uit zijn plaats in de associatieve samenhang voortvloeit. In het politieke rechts- en staatsleven komt hij tot zijn zuiver menselijke waarde, voor zover deze onafhankelijk is van de vermogens waardoor hij in het vrije geestesleven kan werken en onafhankelijk van de vraag welke waarde de goederen die hij produceert, in het associatieve economische leven verkrijgen.

In dit boek wordt aangetoond dat arbeid naar tijd en aard een aangelegenheid is van het politieke rechts- en staatsleven. Daarin staat ieder tegenover de ander als een gelijke, omdat daar alleen wordt gesproken en bestuurd op die gebieden, waarop ieder mens gelijkelijk tot oordelen in staat is. Rechten en plichten van de mensen vinden in deze geleding van het sociale organisme hun regeling.

De eenheid van het gehele sociale organisme zal ontstaan uit de zelfstandige ontplooiing van zijn drie geledingen. Het boek zal aantonen hoe de werkzaamheid van het beweeglijke kapitaal, van de productiemiddelen, en de exploitatie van de grond door de samenwerking van de drie geledingen vorm kunnen krijgen. Wie het sociale vraagstuk wil `oplossen' door een uitgedachte of anderszins ontstane economische handelwijze zal dit boek niet praktisch vinden; wie vanuit de nodige levenservaring de mensen wil aansporen tot die vormen van samenleven, waarbinnen zij de sociale opgaven het beste kunnen herkennen en zich eraan kunnen wijden, die zal wellicht niet ontkennen dat de schrijver van dit boek op de werkelijke praktijk van het leven is gericht.

Het boek is in april 1919 voor het eerst verschenen. Aanvullingen van hetgeen toen is uitgesproken heb ik gegeven in bijdragen die in het tijdschrift Dreigliederung des sozialen Organismus zijn opgenomen en die zojuist zijn gebundeld en verschenen onder de titel: In Ausf�hrung der Dreigliederung des sozialen Organismus.'
Men zal ervaren dat in beide geschriften niet zozeer van de 'doeleinden'~ de sociale beweging wordt gesproken, als wel van de wegen die in het sociale leven moeten worden gegaan. Wie vanuit de praktijk van het leven denkt, weet dat met name afzonderlijke doeleinden in verschillende vormen kunnen optreden. Alleen aan wie in een abstracte gedachtenwereld leeft, verschijnt alles in duidelijke contouren. Zo iemand keurt wat voor het leven praktisch is dikwijls af, omdat hij het niet concreet, niet `duidelijk' genoeg vindt gesteld. Velen die zichzelf voor practici houden zijn juist zulke `abstractelingen'. Zij bedenken niet dat het leven de meest verschillende gedaanten kan aannemen. Het is een stromend element. En wie met het leven mee wil gaan, moet zich dan ook in gedachten en gevoelens aanpassen aan deze stromende grondtrek. De sociale opgaven zullen alleen met een dergelijk denken kunnen worden begrepen.

Uit de observatie van het leven zijn de idee�n van dit geschrift veroverd; hieruit willen zij ook begrepen worden.

Rudolf Steiner, 1919

Vertaald door: Mouringh Boeke
Hosted by www.Geocities.ws

1