| Sociale toekomst | ||||||||
| Eerste voordracht, Z�rich 24 october 1919 Uit: Soziale Zukunft |
||||||||
| Gehouden door Rudolf Steiner | ||||||||
| Het sociale vraagstuk als vraagstuk van het geestesleven, het rechtsleven en het economische leven. Wie tegenwoordig over het sociale vraagstuk nadenkt, moet voor ogen houden dat dit vraagstuk, na alles wat de ingrijpende gebeurtenissen van het recente verleden ons hebben geleerd, niet meer gezien kan worden als een kwestie van politieke partijen, als een vraagstuk dat enkel uit de subjectieve eisen van bepaalde groeperingen voortkomt, maar dat het beschouwd moet worden als een vraag die de geschiedenis zelf aan de mensheid stelt. Wanneer ik spreek over ingrijpende gebeurtenissen die tot deze opvatting moeten leiden, hoef ik alleen maar te wijzen op het feit dat sinds meer dan vijftig jaar de proletarisch-socialistische beweging zich steeds verder heeft uitgebreid. Iedereen kan natuurlijk - afhankelijk van zijn eigen idee�n, van zijn eigen levensomstandigheden - kritisch of positief, hoe dan ook, ten opzichte van de idee�n staan die in deze socialistisch-proletarische beweging naar voren zijn gekomen, maar we moeten deze beweging in ieder geval als een historisch gegeven accepteren waar objectief rekening mee moet worden gehouden. Wie de verschrikkingen van de laatste jaren van de zogenoemde wereldoorlog beziet, kan zich toch niet aan de gedachte onttrekken - ook al ziet hij wellicht op verschillende punten andersoortige oorzaken en aanleidingen voor deze verschrikkelijke gebeurtenissen - dat de sociale eisen, de sociale tegenstellingen uiteindelijk voor een groot deel die vreselijke dingen hebben veroorzaakt. Nu we aan het einde, het voorlopige einde van deze verschrikkingen zijn gekomen, blijkt in ieder geval zonneklaar dat in een groot deel van de beschaafde wereld het sociale vraagstuk te voorschijn komt als resultaat van deze zogenoemde wereldoorlog. Wanneer dit vraagstuk als een resultaat uit deze zogenoemde wereldoorlog te voorschijn komt, dan moet het zonder twijfel ook waar zijn dat het er op de een of andere manier al in heeft gezeten. Maar vrijwel niemand zal goed kunnen zien waar het bij deze kwestie om gaat, wanneer hij die alleen bekijkt vanuit het meest nabije, dikwijls persoonlijke standpunt - zoals in deze tijd zo vaak gebeurt - en wanneer hij zijn horizon niet kan verruimen tot het menselijke leven in het algemeen. En deze verruiming van onze horizon is wat nagestreefd wordt in mijn boek 'De kernpunten van het sociale vraagstuk' en wat in Zwitserland verder ontwikkeld moet worden door het tijdschrift 'Soziale Zukunft', dat hier in Z�rich verschijnt. Nu moet gezegd worden dat de meeste mensen die het tegenwoordig over het sociale vraagstuk hebben, het in de eerste plaats beschouwen als een economische kwestie, wat ook voor de hand ligt. ja, ze zien er zelfs nauwelijks meer in dan een kwestie van brood op de plank en hoogstens nog - dat maken de feiten duidelijk genoeg - een kwestie van menselijke arbeid. Een kwestie dus van brood en van arbeid. Maar juist als we het sociale vraagstuk willen behandelen als een kwestie van brood en arbeid, moeten we inzien dat de mens brood krijgt doordat de gemeenschap van mensen dit brood voor hem produceert en dat deze gemeenschap alleen brood kan produceren wanneer er werk wordt verricht. Maar de manier waarop er gewerkt wordt en moet worden, hangt in het groot en in het klein samen met de manier waarop de menselijke samenleving - of een begrensd gebied binnen die samenleving, een staat bijvoorbeeld - is georganiseerd. En wie zich een wat ruimere blik heeft eigen gemaakt, zal al snel zien dat een stuk brood niet duurder of goedkoper kan worden zonder dat er veel, ongelooflijk veel verandert in de hele structuur van het sociale organisme. En wie dan zijn blik richt op de manier waarop het individu met zijn werk ingrijpt in dat sociale organisme, zal zien dat wanneer iemand ook maar een kwartier langer of korter werkt, dat tot uitdrukking komt in de manier waarop de gemeenschap van een gesloten economisch gebied brood en geld voor iemand heeft. U ziet wel, zelfs wanneer je het sociale vraagstuk alleen wilt opvatten als een kwestie van brood en werk: je komt onmiddellijk tot een ruimere horizon. Over deze ruimere horizon op allerlei gebieden zou ik in deze zes voordrachten met u willen spreken. Vandaag zou ik in de eerste plaats een soort inleiding willen geven. Wie de historische ontwikkeling van de mensheid van de laatste eeuwen overziet, zal spoedig bevestigd zien wat deskundige waarnemers van het sociale leven werkelijk indringend genoeg hebben uitgesproken. Maar natuurlijk alleen de deskundige! Er is een boek uit 1909 waarin enkele dingen staan die, mag je wel zeggen, tot het beste behoren wat uit werkelijk inzicht in de sociale verhoudingen is voortgekomen. Dat is het boek van Hartley Withers 'Money and Credit in England'. Daarin wordt iets onverbloemd toegegeven wat tegenwoordig iedereen voor ogen zou moeten staan die zich opwerpt om het sociale probleem te behandelen. Withers zegt onverbloemd: de manier waarop krediet, vermogen en geld tegenwoordig in het sociale organisme functioneren, is zo gecompliceerd dat je in verwarring raakt wanneer je de functies van krediet, geld, arbeid enzovoort in het sociale organisme logisch wilt analyseren, en dat het bijna onmogelijk is alle noodzakelijke factoren erbij te betrekken om de dingen waar het binnen het sociale organisme om gaat, werkelijk met begrip te kunnen volgen. En wat deze deskundige heeft uitgesproken, wordt alleen maar bevestigd door het hele historische denken van de laatste tijd over het sociale probleem, over de sociale en met name de economische samenwerking van mensen. Want wat hebben we eigenlijk gezien? Sinds het ecomomische leven in zeker opzicht niet meer op, laat ik zeggen, instinctief patriarchale wijze geregeld wordt, sinds het door de moderne techniek, door het moderne kapitalisme steeds gecompliceerder en gecompliceerder is geworden, sindsdien heeft men de noodzaak ervaren over dit economische leven te gaan nadenken en zich daarover voorstellingen te vormen, zoals men nadenkt en zich voorstellingen vormt laten we zeggen in de wetenschap, in het wetenschappelijke onderzoek. We hebben gezien dat er de laatste eeuwen visies zijn ontstaan op de economie: de -visies van de mercantilisten, van de fysiocraten, van Adam Smith tot aan Saint-Simon, Fourier, Blanc, tot aan Marx en Engels en de huidige economen toe. Wat is gebleken in de loop van dit economische denken? Waar je ook kijkt, naar de schoot van de mercantilisten bijvoorbeeld of naar de school van de fysiocraten of naar de bijdragen van Ricardo, de leraar van Karl Marx, welke andere economen je ook bestudeert, steeds zul je tot de conclusie komen: al die mensen richten hun blik op het een of andere aspect van de realiteit. Vanuit die eenzijdige benadering proberen ze tot wetten te komen waarnaar de economie dient te worden ingericht. Maar steeds is gebleken: de wetten die naar het model van het moderne wetenschappelijke denken worden gevonden, passen wel op een aantal economische feiten, maar andere economische feiten blijken te ruim om door die wetten omvat te worden. Steeds is gebleken dat die visies eenzijdig waren, die optraden sinds de zeventiende, achttiende, begin negentiende eeuw. Niettemin hadden die visies de pretentie wetten te kunnen vinden waarnaar het economische leven kan worden vormgegeven Vervolgens is er iets zeer merkwaardigs gebeurd. De economie werd in zekere zin als wetenschap geaccepteerd en kreeg een plaats aan universiteiten en hogescholen. Men probeerde, uitgerust met het hele arsenaal van de wetenschappelijke benaderingswijze, ook het economische leven wetenschappelijk te onderzoeken. Wat heeft men bereikt? je kunt het nagaan bij Roscher, bij Wagner, bij anderen, wat ze hebben bereikt: een beschouwing van economische wetten, waarbij de moed ontbreekt om tot stelregels, tot impulsen te komen die werkelijk vormend zouden kunnen ingrijpen in het economische leven. Je zou kunnen zeggen dat de economische wetenschap contemplatief, beschouwend is geworden. Ze heeft zich min of meer teruggetrokken van wat je het sociale willen zou kunnen noemen. Ze is niet tot wetten gekomen die kunnen binnenstromen in het menselijke leven, zodat ze vormend op het sociale leven kunnen inwerken. Hetzelfde is nog op een andere manier gebeurd. Er zijn mensen geweest die hart hadden, die welwillend, menslievend, broederlijk ingesteld waren. We hoeven alleen maar te denken aan Fourier en Saint-Simon bijvoorbeeld. Op ge�nspireerde wijze hebben ze maatschappijbeelden ontwikkeld en ze dachten dat er door de realisering daarvan maatschappelijk wenselijke, sociaal wenselijke omstandigheden in het leven geroepen zouden kunnen worden. Welnu, we weten wat de houding tegenover zulke maatschappelijke idealen is van degenen die het sociale vraagstuk in de allereerste plaats als een levensvraag ervaren. Vraag maar eens aan mensen die menen op werkelijk moderne wijze socialistisch te denken, wat ze vinden van de maatschappelijke, sociale idealen van iemand als Fourier, als Louis Blanc, als Saint-Simon. Ze zeggen: dat zijn utopie�n, dat zijn beelden van het sociale leven waarmee men de heersende klassen toeroept: doe het zo en zo, dan zullen er veel misstanden, zal er veel sociale ellende verdwijnen. Maar al die uitgedachte utopie�n zo zeggen ze, hebben niet de kracht om tot de wil van de mens door te dringen, die blijven een utopie. Men kan nog zulke mooie theorie�n opstellen, zeggen ze, de menselijke instincten van bijvoorbeeld de welgestelden zullen zich niet naar deze theorie�n richten; daarvoor zijn andere krachten nodig. Kortom, wat je ziet is een algeheel ongeloof aan sociale idealen die vanuit het gevoel, de beleving en vanuit de moderne wijze van kennen worden uitgedragen. Dat hangt weer samen met de historische ontwikkeling van de laatste eeuwen die zich in het algemeen heeft voorgedaan in het geestesleven van de mensheid. Dikwijls wordt verkondig dat wat tegenwoordig als het sociale vraagstuk optreedt nauw samenhangt met de kapitalistische economie van de laatste eeuwen, en dat die op haar beurt - in de specifieke vorm zoals wij die tegenwoordig hebben - is voortgekomen uit de expansie van de moderne techniek, enzovoort. Maar aan alles wat hier in het spel is zal men nooit ten volle recht kunnen doen, wanneer men daar niet ook nog iets anders bij betrekt: dat met de kapitalistische economie, met de moderne techniek in de leefwijze van de moderne geciviliseerde mensheid een specifieke levenshouding is opgekomen, een wereldbeschouwelijke houding, die grote vruchten heeft afgeworpen en belangrijke, ingrijpende vooruitgang heeft gebracht met name in de techniek en de natuurwetenschap, maar waarvan tegelijk ook iets anders gezegd moet worden. Wanneer u het een en ander in mijn werk hebt gevolgd, dan zult u wel weten dat ik positief sta tegenover de moderne ontwikkelingen door de natuurwetenschappelijke denkwijze en die niet afwijs of kritiseer. Ik erken ten volle de vooruitgang die is ontstaan door het wereldbeeld van Copernicus, door de idee�n van Galileo Galilei en de verruiming van de menselijke horizon door Giordano Bruno en vele, vele anderen. Maar wat zich tegelijk met de moderne techniek en het moderne kapitalisme heeft ontwikkeld, is dat de oude, de vroegere wereldbeelden op zo'n manier veranderd zijn, dat het moderne wereldbeeld een sterk intellectualistisch en vooral wetenschappelijk karakter heeft aangenomen. Bedenkt u eens - al vindt men het tegenwoordig vervelend om zulke dingen werkelijk onder ogen te zien - dat wat wij nu met trots ons 'wetenschappelijk wereldbeeld' noemen, geleidelijk is voortgekomen uit oude religieuze, kunstzinnig-esthetische, ethische en andere wereldbeschouwelijke richtingen en stromingen. Dat kan men tot in details aantonen. Van deze wereldbeschouwelijke stromingen ging een zekere stootkracht uit voor het leven. Wat die wereldbeelden in de allereerste plaats deden, was dat ze de mens ervan bewust maakten dat zijn wezen geestelijk is. Hoe men tegenwoordig ook tegenover deze oude wereldbeelden staat, zij spraken tot de mens over het geestelijke op zo'n wijze dat hij voelde: in mij leeft een geestelijk wezen dat deel uitmaakt van het geestelijke wezen dat door de wereld stroomt en daarin werkzaam is. In plaats van dit wereldbeeld, dat een zekere sociale stootkracht had, stootkracht voor het leven, kwam toen het meer wetenschappelijk geori�nteerde moderne wereldbeeld. Dit wereldbeeld heeft te maken met min of meer abstracte natuurwetten, met zintuiglijke waarnemingen die min of meer losstaan van de mens, met abstracte idee�n en abstracte feiten. Deze natuurwetenschap moet ook beoordeeld worden - zonder daarmee ook maar in het geringste afbreuk aan haar waarde te doen - in het licht van de vraag wat ze de mens geeft, vooral wat ze de mens geeft als antwoord op de vraag naar zijn eigen wezen. De natuurwetenschap zegt heel veel over de relaties tussen de natuurverschijnselen. Ze zegt ook zeer veel over de lichamelijk-fysieke kant van de mens. Maar ze overschrijdt haar grenzen wanneer ze een uitspraak wil doen over het meest innerlijke wezen van de mens. Ze geeft geen antwoord op de vraag naar het meest innerlijke wezen van de mens en ze begrijpt zichzelf slecht wanneer ze ook maar probeert een dergelijk antwoord te geven. Nu wil ik absoluut niet beweren dat het gangbare, algemene bewustzijn van de mensen nu al voortvloeit uit de natuurwetenschappelijke theorie�n. Maar het is wel zo, en dat is bepaald waar - dat de natuurwetenschappelijke houding zelf is voortgekomen uit een bepaalde stemming in de ziel van de moderne mens. Wie in onze tijd tot werkelijk inzicht in het leven komt, weet dat er sinds het midden van de vijftiende eeuw hoe langer hoe meer iets is veranderd in de stemming van de mens vergeleken met vroegere tijden; die weet dat zich over de hele mensheid - eerst over de bevolking in de steden, dan gaandeweg ook op het platteland - een bepaald wereldbeeld heeft uitgebreid, waarvan de natuurwetenschappelijke denkwijze als het ware slechts een symptoom is. Het is dus niet zo dat de stemming in de ziel van de moderne mens het resultaat is van de theoretische natuurwetenschap, nee, we hebben te maken met iets wat sinds het begin van de nieuwe tijd als een algemene innerlijke zielestemming over de mensheid is gekomen. Belangrijk is wat er toen gebeurde. Dit wetenschappelijk geori�nteerde wereldbeeld kwam tegelijk met het kapitalisme op, tegelijk ook met de moderne techniek. De mensen werden weggeroepen van hun oude handwerk en achter de machine gezet, de fabriek in gedreven. Waar ze nu aan staan, waar ze nu in zijn gedreven, is iets wat alleen door mechanische wetmatigheden wordt beheerst, waaruit niets stroomt wat een directe relatie heeft met de mens zelf Uit het oude handwerk stroomde iets wat antwoord gaf op de vraag naar de waarde en de waardigheid van de mens. De abstracte machine geeft geen antwoord. Het moderne industrialisme is als een mechanisch weefsel dat om de mens heen wordt gesponnen, dat hem inspint en waarin niets tot hem doorklinkt waar hij met vreugde bij betrokken is, zoals vroeger bij het resultaat van het handwerk. En zo groeide er een kloof tussen de mensen. Aan de ene kant stonden de mensen die als industriearbeiders werkten in de moderne tijd, die aan de machines stonden in de fabriek, die vanuit hun mechanische omgeving niet meer het geloof konden opbrengen aan het oude wereldbeeld, dat vroeger de mensen nog impulseerde, die zich daarvan losmaakten omdat ze het niet konden rijmen met hun eigen leven en die zich enkel en alleen richtten op het nieuwe dat in het geestesleven was opgekomen: het wetenschappelijk geori�nteerde wereldbeeld. En hoe werkte dat wetenschappelijke wereldbeeld nu op hen in? Dat werkte zo, dat de mensen zichzelf voorhielden en steeds meer ook voelden: wereldbeschouwelijke waarheden zijn toch alleen maar gedachten, gedachten die alleen maar als gedachte bestaan. Als je hebt geleefd met het moderne proletariaat, als je weet hoe het sociale beleven in de moderne tijd langzamerhand gestalte heeft gekregen, dan weet je wat een woord dat voortdurend in proletarische, in socialistische kringen terugkeert, te betekenen heeft: het woord 'ideologie'. Het geestesleven is, door de invloeden die ik zojuist heb geschetst, voor de werkende mensen van de laatste eeuwen tot ideologie geworden. Het natuurwetenschappelijk geori�nteerde wereldbeeld werd z opgenomen, dat de mensen zeiden: dat levert alleen maar gedachten op. Het oude wereldbeeld wilde niet enkel gedachten geven; dat wilde de mensen iets geven wat hen erop wees: jij behoort met je eigen geest tot de.geestelijke wezens van de wereld. De geest van de mens wilden de oude wereldbeelden met de geest verbinden. Het nieuwe wereldbeeld geeft alleen maar gedachten, en het geeft vooral geen antwoord op de vraag naar het eigenlijke wezen van de mens. Het werd als ideologie ervaren. En zo ontstond de kloof tussen deze mensen en de leidende, heersende kringen, die de traditie van de oude overleveringen hadden bewaard, de oude esthetisch-kunstzinnige wereldbeelden, de religieuze, de morele wereldbeschouwingen van vroeger tijden, enzovoort. Dat droegen ze verder met zich mee, deze heersende klassen, voor hun hele mens-zijn, terwijl hun hoofd het wetenschappelijk geori�nteerde wereldbeeld in zich opnam. Maar de brede massa van de bevolking kon niet meer enig positief gevoel, enige sympathie opbrengen voor die traditie. Als enige inhoud voor een wereldbeeld accepteerde die massa het wetenschappelijke wereldbeeld, en wel zo, dat ze het als een ideologie beleefde, als een louter gedachtenbouwsel. Men zei: werkelijkheid is alleen het economische leven; werkelijkheid is alleen hoe er geproduceerd wordt, hoe de geproduceerde producten verdeeld worden, hoe de mens consumeert, hoe de mens iets bezit of aan anderen afdraagt, enzovoort. Wat er verder nog is in het leven - recht, moraal, wetenschap, kunst, religie - dat is enkel ideologie, die als een damp opstijgt uit de enige werkelijkheid die er bestaat: de economische werkelijkheid. En zo werd voor een brede massa het geestesleven tot een ideologie. Het werd met name tot ideologie omdat de leidende, heersende klassen - terwijl ze zagen hoe het moderne economische leven tot ontplooiing kwam en ze zich daarin inleefden niet in staat waren dit gecompliceerd wordende economische leven te volgen met het geestesleven. Zij behielden de traditie van de oude tijd, een geestesleven dat min of meer dezelfde ori�ntatie had als in de oude tijd. De brede massa nam het nieuwe geestesleven in zich op, maar niet op zo'n manier dat het haar iets gaf wat hart en ziel vervulde. Met zo'n wereldbeeld dat als ideologie ervaren wordt, dat zo ervaren wordt dat men zegt: recht, moraal, religie, kunst, wetenschap zijn alleen maar een '�berbau', een damp die opstijgt uit het enig werkelijke, uit de produktieverhoudingen, de economische structuur - met zo'n wereldbeeld valt te denken, maar er valt niet mee te leven. Hoe glorieus dat wereldbeeld ook mag zijn - en dat is het ook - met betrekking tot de benadering van de natuur, met zo'n wereldbeeld wordt de ziel van de mens uitgehold. Wat dit wereldbeeld voor de ziel van de mens heeft gebrouwen, dat is in de sociale werkelijkheid van de nieuwe tijd werkzaam. We kunnen aan deze sociale feiten geen recht doen, wanneer we uitsluitend kijken naar wat de mensen in hun bewustzijn hebben. Vanuit hun bewustzijn kunnen de mensen misschien zeggen: 'Ach, wat een geklets, dat het sociale vraagstuk een geestelijk vraagstuk zou zijn! De kwestie is dat de economische goederen ongelijk verdeeld zijn. Wij streven naar een gelijke verdeling!' Zulke dingen beleven de mensen dan misschien bewust in hun bovenkamer, maar onbewust, diep in de ziel woelt er iets anders, daar woelt iets wat zich onbewust ontwikkelt, omdat de ziel vanuit het bewustzijn niet iets ontvangt waardoor ze werkelijk geestelijk vervuld wordt, omdat in het bewustzijn alleen werkzaam is wat de zielen uitholt, wat als ideologie wordt ervaren. De leegheid van het moderne geestesleven, dat is wat we als het eerste onderdeel van het sociale vraagstuk moeten beschouwen. Het sociale vraagstuk is in de allereerste plaats een geestelijk vraagstuk. En omdat dat zo is, omdat zich nu een geestesleven heeft ontwikkeld dat bijvoorbeeld op het gebied van de economie bij uitstek in de universitaire economische wetenschap - louter contemplatief is geworden en vanuit zichzelf geen principes ontwikkelt voor het sociale willen, omdat het zo ver is gekomen dat de meest menslievende denkers als Saint-Simon, Louis Blanc en Fourier maatschappelijke idealen hebben uitgedacht waar niemand in gelooft - omdat men alles wat er uit de geest voortkomt als utopie, met name als louter ideologie beleeft - en omdat het een wereldhistorisch feit is dat zich een geestesleven heeft ontwikkeld dat louter als een aanhangsel van het economische leven functioneert en dat niet werkelijk in de werkelijkheid doordringt en daarom als ideologie wordt ervaren: daarom is het zo dat het eerste onderdeel van het sociale vraagstuk een geestelijk vraagstuk is. De vraag die in deze tijd als het ware in vlammende letters voor ons staat, is: hoe moet de geest van de mens zijn om het sociale vraagstuk de baas te leren worden? We hebben gezien dat de wetenschappelijke onderzoekshouding zich met haar beste methoden op de economie heeft geworpen. Ze is enkel tot beschouwen gekomen, niet tot een sociaal willen. Uit het moderne geestesleven is dus een geestesgesteldheid ontstaan die niet in staat is een economische wetenschap te ontwikkelen die de grondslag vormt voor praktisch sociaal willen. Hoe moet de geest zijn waaruit een economische wetenschap ontstaat die de basis kan vormen voor een werkelijk sociaal willen? We hebben gezien dat brede mensenmassa's alleen maar �utopie' roepen wanneer ze de maatschappelijke idealen horen van mensen die het werkelijk goed met de mensheid voor hebben, dat ze niet geloven dat de geest van de mens de kracht heeft om de sociale situatie meester te worden. Hoe moet het geestesleven zijn, opdat de mensen weer leren geloven: de geest kan idee�n vinden die de sociale structuren zo vormgeven dat bepaalde sociale misstanden verdwijnen? We hebben gezien dat het wetenschappelijk geori�nteerde wereldbeeld in brede kring als ideologie wordt ervaren. Maar wanneer ideologie de enige inhoud is van de menselijke ziel, dan wordt de ziel uitgehold en wordt in de onderbewuste diepten opgeroepen wat nu naar buiten komt in de verwarrende, chaotische feiten van het sociale vraagstuk. Hoe moet het geestesleven zijn, opdat het in de toekomst geen ideologie voortbrengt, maar de ziel van de mens met inhoud vervult die hem in staat stelt zo in te grijpen in de sociale realiteit dat de mensen werkelijk sociaal naast elkaar kunnen werken? Zo zien we dan dat het sociale vraagstuk in de eerste plaats een vraagstuk van het geestesleven is, dat de moderne geest niet in staat was zichzelf geloofwaardig te maken, dat deze moderne geest niet in staat was de ziel te vervullen, maar integendeel, als ideologie de ziel leeg en dot heeft laten worden. Vandaag wil ik u in deze inleiding op een meer historische wijze laten zien, hoe in de realiteit van het moderne leven het sociale vraagstuk als een vraagstuk van het geestesleven, van het rechtsleven en van het economische leven wordt ervaren. Laten we beginnen met iets wat iemand nog niet zo lang geleden heeft uitgesproken, en wel herhaalde malen, iemand die middenin het actieve politieke leven, in het staatsleven van deze tijd stond, iemand die uit het geestesleven van deze tijd is voortgekomen. De geachte toehoorders, die mij bij eerdere voordrachten hier hebben gehoord, zullen niet verkeerd begrijpen wat ik nu ga zeggen. Want in de tijd dat Woodrow Wilson door de hele wereld buiten Midden-Europa als een soort werelddirigent erkenning vond, heb ik mij steeds weer opnieuw uitgesproken tegen die erkenning. Degenen die mij eerder hebben gehoord, weten dat ik nooit een aanhanger, maar altijd een tegenstander van Woodrow Wilson ben geweest. Ook in de tijd dat zelfs Duitsland ten prooi viel aan de Wilson-cultus, heb ik mijn mening niet onder stoelen of banken gestoken en heb ik die ook hier in Z�rich herhaaldelijk naar voren gebracht. Maar nu het met deze cultus eigenlijk al weer is gedaan, kan iets gezegd worden wat met name een Wilson-tegenstander niet kwalijk hoeft te worden genomen. Deze man heeft door zijn indringend ervaren van de sociale situatie in Amerika, zoals die na de afscheidings- en burgeroorlog van de jaren zestig is ontstaan, met name ervaren wat de relatie is tussen de rechtsverhoudingen in de staat en de economische verhoudingen. Hij heeft met een zekere onbevangen blik gezien dat door de gecompliceerde nieuwe economische structuur grote opeenhopingen van kapitaal zijn ontstaan. Hij heeft gezien dat er trusts, grote kapitaalmaatschappijen zijn opgericht. Hij heeft gezien dat zelfs in een democratische staat het democratische principe steeds meer verdwenen is ten gunste van geheime onderhandelingen van maatschappijen die bij geheimhouding belang hadden, maatschappijen die door de opeenstapeling van kapitaal grote macht verwierven en grote mensenmassa's beheersten. En hij heeft steeds en steeds weer gepleit voor de vrijheid van de mens tegenover die machtsontplooiing die voortkomt uit de economische verhoudingen. Hij heeft vanuit een diep menselijk gevoel - dat mag gezegd worden - beleefd dat het sociale leven samenhangt met ieder individu afzonderlijk, met de manier waarop ieder individu rijp is voor dit sociale leven. Hij heeft er op gewezen hoe belangrijk het is voor de gezondheid van het sociale leven dat er in iedere menselijke borst een vrij gestemd menselijk hart klopt. Hij heeft er voortdurend op gewezen dat het politieke leven gedemocratiseerd moet worden, dat de afzonderlijke machtsmaatschappijen de macht en de machtsmiddelen die ze hebben ontnomen moeten worden, en dat de individuele vermogens en krachten van ieder mens die ze heeft een plaats moeten krijgen in het algemene economische, sociale en politieke leven in al zijn facetten. Hij heeft zeer indringend uitgesproken dat zijn staatsbestel, dat hij onmiskenbaar voor het meest vooruitstrevende houdt, lijdt onder de verhoudingen die zijn ontstaan. Waarom? Wel, er is een andere economische situatie ontstaan; grote economische kapitaalaccumulaties, economische machtsontplooiing. Alles wat er op dat gebied tot voor kort nog bestond, wordt daardoor overvleugeld. Deze economie heeft geheel nieuwe vormen in de menselijke samenleving teweeggebracht. We staan tegenover een geheel nieuwe ordening van het economische leven. En niet ik - vanuit een of andere theorie - maar deze politicus, je kunt wel zeggen deze 'wereldpoliticus', heeft gezegd: de schadelijke kant van de moderne ontwikkeling is in essentie dat de economische situatie weliswaar vooruit is gegaan, dat de mensen het economische leven via hun geheime machtsrelaties vorm hebben gegeven, maar dat de idee�n over het recht, over het politieke, openbare leven daarmee geen gelijke tred hebben gehouden, dat deze op een vroeger niveau zijn blijven steken. Woodrow Wilson heeft het duidelijk gezegd: wij werken onder nieuwe economische omstandigheden, maar wij denken en stellen wetten op over de economische werkelijkheid vanuit een gezichtspunt dat al lang is achterhaald, dat verouderd is. Op het gebied van het rechtsleven, van de politiek heeft zich niet iets nieuws ontwikkeld zoals in de economie; deze gebieden zijn achtergebleven. Wij leven met oude politieke idee�n, met oude rechtsopvattingen in een volkomen nieuwe economische structuur. Zo drukt Woodrow Wilson het ongeveer uit. Met nadruk zegt hij: bij deze incongruentie tussen rechtsleven en economisch leven kan zich niet ontwikkelen wat het huidige tijdstip in de menselijke geschiedenis vraagt: dat het individu niet alleen voor zichzelf, maar voor het welzijn van de gemeenschap werkt. Het is indringende kritiek die Woodrow Wilson uitoefent op de maatschappij die hij direct om zich heen aantreft. Ik mag wel zeggen - neemt u mij deze persoonlijke opmerking niet kwalijk - dat ik mij zeer veel moeite heb getroost om de kritiek van Woodrow Wilson op de huidige sociale situatie, met name de Amerikaanse die hij voor ogen had, te toetsen en te vergelijken met andere maatschappijkritiek. Ik zal nu iets gaan zeggen wat heel paradoxaal is, maar de huidige omstandigheden nodigen nu eenmaal dikwijls uit tot zeer paradoxale uitspraken; je moet zulke uitspraken wel doen, wil je aan de werkelijkheid van deze tijd recht doen. Ik heb geprobeerd de maatschappijkritiek van Woodrow Wilson - zowel naar de uiterlijke vorm als naar de innerlijke impulsen - te vergelijken met de maatschappijkritiek van de kant van vooruitstrevende, van radicale sociaal-democraten. ja, je kunt die vergelijking zelfs uitbreiden tot de meest radicale vleugel van de tegenwoordige socialistische denk- en handelwijze. Blijf je bij de kritiek van deze mensen, dan kun je zeggen: de kritiek van Woodrow Wilson op de huidige maatschappij komt bijna woordelijk overeen met wat Lenin en Trotski zeggen, deze doodgravers van de huidige beschaving. Wanneer datgene wat hen voor ogen staat, al te lang onder de mensheid zal mogen heersen ook al is het maar in enkele gebieden - dan zal dat de dood zijn van de moderne beschaving, de ondergang van alle verworvenheden van de moderne beschaving. En de paradox is dan: Woodrow Wilson, die zich de opbouw beslist altijd heel anders heeft voorgesteld dan deze destructieve figuren, Woodrow Wilson heeft bijna woordelijk dezelfde kritiek op de huidige maatschappij als die anderen. Hij komt tot de conclusie dat de rechtsbegrippen, de politieke begrippen die tegenwoordig in zwang zijn, verouderd zijn en niet meer in staat om in te grijpen in het economische leven. En het is vreemd: probeer je dat dan in iets positiefs te vertalen en onderzoek je welke bijdrage Woodrow Wilson nu heeft geleverd om een sociale structuur, een structuur van het sociale organisme tot stand te brengen, dan vind je nauwelijks enig antwoord! Hier en daar wat maatregelen, die echter anders ook wel getroffen zouden worden door iemand die veel minder ingrijpende en objectieve kritiek uitoefent; maar iets doortastends wat echt hout snijdt vind je niet, in ieder geval niet een antwoord op de vraag: hoe moet het recht, hoe moeten de politieke begrippen, idee�n, de politieke impulsen vorm worden gegeven, zodat ze de eisen van de moderne economie kunnen beheersen, zodat men tot die moderne economie kan doordringen? Hier zien we dat uit het moderne leven zelf het tweede onderdeel van het sociale vraagstuk voortvloeit: het sociale vraagstuk als een vraagstuk van het rechtsleven. Eerst moet een fundament gezocht worden voor het recht, voor de politieke verhoudingen, de verhoudingen in de staat die er moeten zijn, willen ze in kunnen grijpen in en meester kunnen worden over dit moderne economische leven. De vraag die je moet stellen is dus: hoe dring je door tot impulsen op het gebied van recht en politiek gezien de grote vragen die ons de sociale kwestie stelt? Dat is het tweede onderdeel van het sociale vraagstuk. En kijkt u maar naar het leven zelf: u zult zien dat het leven van de mens drie gebieden kent: op drie manieren staat de mens in de samenleving. Wanneer we naar de mens kijken in zijn relatie tot de menselijke samenleving, dan tekenen zich heel duidelijk drie gebieden af Het eerste is: wil de mens een bijdrage leveren - wat in de moderne maatschappij zonder twijfel nodig is ten behoeve van een gezonde sociale ordening - wil hij een bijdrage kunnen leveren aan gemeenschapsdingen, aan het werk, het cre�ren van waarde, de goederenproduktie in de gemeenschap, dan moet de mens in de eerste plaats het individuele talent, de individuele begaafdheid, de vaardigheid daarvoor hebben. Het tweede is: hij moet in vrede met zijn medemensen overweg kunnen, in vrede met ze kunnen samenwerken. En het derde is: hij moet zijn plaats kunnen vinden, van waaruit hij met zijn werk, met zijn inbreng, met zijn prestaties voor mensen iets kan betekenen. Wat het eerste betreft: de mens is ervan afhankelijk of de menselijke samenleving zijn vermogens en talenten ontwikkelt, of ze zijn geest leidt en de geest die ze in hem ontwikkelt tegelijkertijd tot leider maakt over de fysieke arbeid. Voor het tweede is de mens ervan afhankelijk of hij een plaats kan vinden in een sociale structuur, waarin de mensen zich zo met elkaar kunnen verstaan dat ze in vrede met elkaar kunnen leven. Het eerste brengt ons op het gebied van het geestesleven. We zullen in de volgende voordrachten zien op welke wijze het verzorgen van het geestesleven met het eerste samenhangt. Het tweede brengt ons op het gebied van het rechtsleven. Want het rechtsleven kan zich alleen in overeenstemming met zijn eigen wezen ontwikkelen, wanneer er een sociale structuur wordt gevonden waarin de mensen in vrede met elkaar samenwerken en voor elkaar arbeid verrichten. En het derde brengt ons naar het moderne economische leven, dat er - zoals ik heb geschetst volgens Woodrow Wilson uitziet als een mens die als het ware aan alle kanten te groot is geworden voor zijn kleren. Die te kleine kleren zijn voor Woodrow Wilson de oude rechtsbegrippen en de oude politieke begrippen. Het economische leven is deze begrippen al lang ontgroeid. Dat de economie uitgroeide boven het vroegere geestesleven en het vroegere rechtsleven, dat werd vooral door socialistische denkers ervaren. Om duidelijk te zien wat er op dit gebied heeft gewerkt, hoeven we maar op ��n ding te wijzen. U weet wel - we zullen op al deze dingen nog preciezer ingaan - dat het moderne proletariaat volledig onder de invloed staat van het zogenaamde marxisme. Het marxisme, de marxistische leer dat de produktiemiddelen moeten overgaan van particulier eigendom in gemeenschapseigendom, werd weliswaar vele malen gewijzigd door aanhangers of tegenstanders van Karl Marx, maar het marxisme is toch iets wat doorwerkt in de geesteshouding, in de levenshouding van grote massa's mensen van deze tijd, iets wat met name ook doorwerkt in het zo verwarrende sociale vraagstuk van deze tijd. Je hoeft alleen maar dat merkwaardige, maar toch heel belangrijke boekje van Friedrich Engels, de medewerker en vriend van Karl Marx, ter hand te nemen, �De ontwikkeling van het socialisme van utopie tot wetenschap�, om kennis te nemen van de mentaliteit die er in dit boekje leeft, en dan zul je zien hoe een socialistisch denker de relatie ziet tussen de moderne economie en het rechts- en het geestesleven. Er staat ��n zin in dat boekje van Engels die een soort samenvatting is en die hoef je maar te begrijpen: in de toekomst mogen er geen regeringen meer bestaan over mensen, over personen, er mag alleen nog maar leiding zijn over bedrijfstakken en beheer van de produktie. Dat betekent nogal wat! Dat betekent dat men in deze kring wenst dat er iets ophoudt in het economische leven wat zich juist vanuit de ontwikkelingsimpulsen van de moderne tijd met de economie heeft verbonden. Omdat het economische leven uitgegroeid is boven het rechtsleven - zoals ik heb laten zien en omdat het ook boven het geestesleven uitgegroeid is, heeft het alles in zekere zin overspoeld en heeft het ook suggestief gewerkt op de gedachten, gevoelens en hartstochten van de mensen. En zo deed zich meer en meer het verschijnsel voor, dat voor de mensen het geestesleven en het rechtsleven eigenlijk het gevolg zijn van de manier waarop het economische leven gestalte krijgt. Degenen die de economische macht hebben - dat werd maar al te duidelijk door steeds meer mensen ingezien - die zijn tegelijk door hun economische overmacht ook in het bezit van het monopolie op het gebied van scholing en opleiding. De economisch zwakkeren blijven ongeschoold. Daarmee is er een bepaalde samenhang ontstaan tussen het economische en het geestesleven, een samenhang tussen geestesleven en overheid. Het geestesleven is meer en meer geworden tot iets wat zich niet vanuit zijn eigen behoeften ontwikkelt, wat niet zijn eigen impulsen volgt, maar wat - met name daar waar het openbaar bestuurd wordt, bij het onderwijs - zo gevormd wordt zoals de overheid het kan gebruiken. Er kan helemaal niet meer naar de mens worden gekeken vanuit de vraag wat voor talenten hij heeft en waartoe hij in staat is. De mens kan niet ontwikkeld worden zoals de in hem aanwezige aanleg dat vereist. Nee, de vraag die gesteld wordt, is: wat heeft de staat nodig, wat voor krachten heeft de economie nodig, wat voor mensen met welke opleiding? Daar worden de leermiddelen, de studies, de examens op gericht. Het geestesleven wordt niet vanuit zijn eigen wezen ingericht, maar wordt aangepast aan het rechtsleven, aan het staatsleven, het politieke leven, aan het economische leven. Maar dat maakt tegelijk - en dat was met name de laatste eeuwen het geval - ook het economische leven weer afhankelijk van het rechtsleven. Deze wisselwerking tussen economie, recht en geest, dat werd gezien door mensen als Marx en Engels. Ze zagen dat de moderne economie de oude rechtsvorm niet meer verdroeg en ook niet meer de oude vorm van het geestesleven. Ze kwamen tot de conclusie dat het oude rechtsleven en het oude geestesleven uit het economische leven moesten worden gegooid. Maar vervolgens kwamen ze tot een merkwaardig bijgeloof, een bijgeloof waar we in deze voordrachten nog veel over moeten spreken. Ze kwamen tot de gedachte dat het economische leven - en ze beschouwden het geestesleven en het rechtsleven als ideologie omdat ze het economische leven als de enige werkelijkheid beschouwden - dat het economische leven de nieuwe rechtsorde, de nieuwe gestalte van het geestesleven uit zichzelf kan voortbrengen. Een bijgeloof van de meest noodlottige soort kwam op: als je maar op een bepaalde wetmatige manier economie bedrijft, dan ontstaan het geestesleven, het rechtsleven, het staats- en het politieke leven vanzelf uit de economie. Waardoor kon dit bijgeloof ontstaan? Dit bijgeloof kon alleen ontstaan doordat de eigenlijke structuur van de menselijke economie, het eigenlijke functioneren van de moderne economie, verscholen ging achter wat men gewoonlijk de geldeconomie noemt. Deze geldeconomie is in Europa, zoals u weet, opgekomen als een bijverschijnsel van heel bepaalde gebeurtenissen. U hoeft de geschiedenis alleen maar wat nader te bestuderen, dan zult u zien dat ongeveer in de tijd dat de reformatie en de renaissance - een nieuwe geestesgesteldheid dus - in de beschaafde Europese wereld hun intrede doen, de goud- en zilverbronnen in Amerika ontsloten worden en er een goud- en zilvertoevoer - met name vanuit Midden- en Zuid-Amerika - naar Europa op gang komt. Wat vroeger meer een ruileconomie was,' dat wordt steeds meer overspoeld door de geldeconomie. De ruileconomie heeft nog kunnen kijken naar wat de bodem voortbrengt, dat wil zeggen naar een concrete werkelijkheid; ze kon ook kijken naar de individuele talenten van de mens en naar wat hij kon produceren. Men keek naar de feiten en het kunnen. Door de geldcirculatie is de blik op de zuiver concrete werkelijkheid van de economie langzamerhand verdwenen. Doordat de geldeconomie de plaats van de ruileconomie innam, werd er als het ware een sluier geworpen over het economische leven. Men kon de zuiver economische eisen niet meer zien. Wat krijgt de mens door dat economische leven? Het economische leven levert de goederen die de mens voor zijn consumptie nodig heeft. We hoeven daarbij vandaag nog helemaal geen verschil te maken tussen geestelijke en materi�le goede ren, want ook geestelijke goederen kunnen economisch zo gezien worden dat ze dienen ter consumptie. De economie levert dus goederen en deze goederen zijn waarden, omdat de mens ze nodig heeft, omdat de begeerte van de mens daarnaar uitgaat. De mens moet de goederen een bepaalde waarde toekennen. Daardoor hebben ze binnen het sociale leven ook hun objectieve waarde, die nauw samenhangt met het subjectieve waardeoordeel dat de mens eraan toekent. Maar hoe drukt zich de laatste eeuwen de waarde van de goederen economisch uit? De waarde van de goederen, die in feite aangeeft wat de goederen in het sociale, het economische samenleven betekenen, hoe wordt die waarde uitgedrukt? Die waarde drukt zich in de prijzen uit. We zullen het deze dagen nog moeten hebben over waarde en prijs; vandaag wil ik er alleen maar op wijzen dat de waarde van de goederen in het economische verkeer - in het maatschappelijke verkeer in het algemeen, voor zover dat afhankelijk is van de economische activiteit, van de goederen - tot uitdrukking komt in de prijs. Het is ook een grote vergissing wanneer de waarde van goederen wordt verward met de geldprijzen. En eigenlijk niet door theoretische overwegingen, maar door de praktijk van het leven zal de mensheid meer en meer tot de conclusie komen dat de waarde van goederen die economisch geproduceerd worden die afhankelijk is van subjectieve menselijke beoordeling, van bepaalde sociale rechtsverhoudingen en culturele omstandigheden - iets anders is dan dat wat tot uitdrukking komt in de prijsverhoudingen die door het geld ontstaan. De waarde van goederen wordt de laatste eeuwen verhuld door de prijsverhoudingen die er in de sociale circulatie bestaan. Dat ligt aan de moderne sociale werkelijkheid ten grondslag - als het derde deel van het sociale vraagstuk. Hier, op dit punt zal men leren zien dat het sociale vraagstuk ook een economisch vraagstuk is: wanneer men weer teruggaat naar datgene wat de eigenlijke waarde van de goederen documenteert, in tegenstelling tot datgene wat slechts in de prijsverhoudingen tot uitdrukking komt. De prijsverhoudingen kunnen alleen maar in stand worden gehouden, met name in kritieke tijden, doordat de overheid, dat wil zeggen het rechtsgebied, zich garant stelt voor de waarde van het geld, voor de waarde dus van ��n afzonderlijk goed. Maar er treedt ook iets nieuws op. We hoeven helemaal geen theoretische beschouwingen te houden over de gevolgen van het misverstand ten aanzien van prijs en waarde, we hoeven alleen maar te wijzen op een feitelijke ontwikkeling die de laatste eeuwen is opgetreden. In de economische wetenschap wordt beschreven dat er in vroegere tijden - in Duitsland zelfs tot aan het eind van de middeleeuwen - sprake was van ruileconomie, die berustte op het ruilen van de goederen, en dat de plaats van die ruileconomie werd ingenomen door de geldeconomie, waarbij het geld de goederen vertegenwoordigt en de goederen eigenlijk altijd alleen tegen geld geruild worden. Maar nu al zien we iets in het sociale leven opkomen wat voorbestemd lijkt om de plaats van de geldeconomie in te nemen. Dit werkt al overal in door, alleen merkt men het nog niet. Maar wanneer je verder gaat dan het abstracte begrijpen van je kas- of contoboek, wanneer je verder gaat dan enkel de getallen en kunt lezen wat er in die getallen tot uitdrukking komt, dan zul je ontdekken dat er in de getallen van een modern kas- of contoboek niet alleen goederen staan, maar dat in deze getallen dikwijls ook tot uitdrukking komt wat men in de modernste zin van het woord kredieten kan noemen. Wat iemand pas tot stand kan brengen doordat men ervan uitgaat dat hij tot het een of ander in staat is, wat op grond van iemands bekwaamheid vertrouwen kan wekken, dat is wat merkwaardigerwijze steeds meer plaats inneemt in onze droge, nuchtere economie. Wanneer u de boekhoudingen in deze tijd bestudeert, dan zult u ontdekken dat - naast de pure geldwaarde - ook steeds meer sprake is van een bouwen op het vertrouwen in mensen, een bouwen op menselijke bekwaamheid. In de getallen van de boekhoudingen van deze tijd komt een grote omwenteling tot uitdrukking, een sociale metamorfose, wanneer je ze goed leest. Wanneer je zegt dat de oude ruileconomie veranderd is in een geldeconomie, moet je nu tegelijk ook zeggen: het derde is de overgang van de geldeconomie naar een kredieteconomie. Daarmee neemt weer iets nieuws de plaats in van iets wat al lange tijd bestond. Maar daarmee komt er ook iets in het sociale leven wat wijst op de waarde van de mens zelf Het economische leven zelf staat, wat het voortbrengen van waarden betreft, voor een metamorfose, voor een vraagstuk en dat is het economische vraagstuk, dat is het derde onderdeel van ons sociale vraagstuk. Dit sociale vraagstuk zullen we in deze voordrachten leren kennen als een vraagstuk van het geestesleven, als een vraagstuk van het rechtsleven, van de staat of de politiek, en als een economisch vraagstuk. De geest zal antwoord moeten geven op de eerste vraag: hoe worden de mensen bekwaam, zodat er een sociale structuur kan ontstaan zonder de huidige schadelijke kanten, die niet te verantwoorden zijn. De tweede vraag is: welk rechtssysteem zal, gegeven de vergevorderde economische ontwikkeling, de mensen weer vrede brengen? En de derde vraag is: welke sociale structuur zal in staat zijn de mens zo'n plaats in de samenleving te geven dat hij in staat is vanuit die plek te werken voor het welzijn van de menselijke gemeenschap, in overeenstemming met zijn wezen, zijn talenten en vermogens? Daartoe brengt ons de vraag: welk krediet kan aan de persoonlijke waarde van een mens worden gegeven? Dan zien we de omvorming van de economie vanuit nieuwe gezichtspunten voor ons. Het sociale vraagstuk betekent voor ons een geestelijk vraagstuk, een rechtsvraagstuk en een economisch vraagstuk. En we zullen zien dat de kleinste indeling van het sociale vraagstuk alleen in het juiste licht kan worden gezien, wanneer we dit sociale vraagstuk in de grond van de zaak beschouwen als een geestelijk, een juridisch en een economisch vraagstuk. Daarover morgen verder. Vertaald door Marijke Buursink Uit de voordrachtencyclus: "Sociale toekomst" |
||||||||