INLEIDING: “Rudolf Steiner versus nationaal-socialisme”
Inleiding van het boek “Rudolf Steiner versus nationaal-socialisme” door de auteur zelf: Walter Heijder (1997)

Met dit boek wil ik een bijdrage leveren aan de discussie die wordt gevoerd over Rudolf Steiner (1861-1925), de grondlegger van de antroposofie. De openbare kritiek op Steiner, de antroposofie, de antroposofen en op de op antroposofische grondslag werkende Vrije Scholen in de jaren negentig in Nederland begon op zaterdag 4 februari 1995 met een voorpagina-artikel in de Volkskrant. Daarna leek het weg te ebben, maar in februari 1996 stonden de kranten er weer vol mee en er werd nog maanden later over geschreven.

De kritiek hield in dat er sprake zou zijn van racisme; racisme zou zijn aangetroffen in het Vrije Schoolonderwijs en zou terug te voeren zijn op teksten van Steiner zelf. In het kielzog van de link met racisme werd ook nog een andere link gelegd en wel tussen Steiner en het nationaal-socialisme. Hier volgt een kort overzicht van deze kritiek, waarbij niet naar volledigheid is gestreefd.

Toos Jeurissen legde in haar brochure “Uit de Vrije School geklapt” de link met de nazi-ideologie. In het eerste gedeelte van het hoofdstuk “Geen persoonlijke sympathie of persoonlijk enthousiasme?”, deed ze dat onder andere met behulp van wat bekend staat als het jodencitaat':

"
Bram Moerland citeert in zijn boekje Rassenleer met charisma Rudolf Steiner in zijn boek De Volkszielen over het lot van de Indianen:
“Ten eerste waarschuwt hij (Steiner) ons ervoor dat, als we de kosmische betekenis van het lot van de Indianen willen begrijpen, we: "geen persoonlijke sympathie of persoonlijk enthousiasme moeten laten meespelen, want daar komt het niet op aan. Het komt slechts aan op wat besloten ligt in de grote wetmatigheden van het mensdom. Wie zich tegen het noodzakelijke zou uitspreken, die zou niets bereiken. Zich daar tegen uitspreken betekent dat er hindernissen op de weg worden opgesteld."' Waarom schreeuwt dan iedere vezel van mijn lichaam het nu uit? Is dit nu de groei naar meer liefde en inzicht? Is het werkelijk noodzakelijk dat natuurvolkeren verdwijnen? En moeten we dan werkelijk ons gevoel uitschakelen, zoals Steiner verlangt, omdat we anders de booruitgang' belemmeren? Komt hiermee de mensheid op een hoger plan, als we toezien hoe onze medemensen vermoord worden?
Er zijn ook mensen die beweren dat het Joodse volk de holocaust nodig heeft gehad om te komen tot een eigen staat. En zo valt dan natuurlijk alles wel goed te praten. Maar het was niet Gods hand, die deze mensen vermoordde en het was ook niet de hand van de duivel. Het waren handen van mensen met een ideologie die hen vertelde dat het goed was dat het Joodse volk zou verdwijnen, een ideologie waarin zij geloofden en die zij volgden met uitschakeling van hun 'persoonlijke sympathie'.
Ook nu nog zijn er mensen die vinden dat Rudolf Steiner gelijk heeft gehad, toen hij zei dat er geen plaats meer was voor het Jodendom op aarde. Steiner: "Das Judentum als solches hat sich aber langst ausgelebt, hat keine Berechtigung innerhalb des modernen Völkerlebens, und dass  es sich demnoch erhalten hat, ist ein Fehler der Weltgeschichte, dessen Folgen nicht ausbleiben konnten. (Het Jodendom als zodanig heeft zichzelf overleefd, heeft geen bestaansrecht meer in het moderne leven der volkeren, en dat het desondanks behouden is gebleven, is een wereldhistorische fout waarvan de gevolgen niet kunnen uitblijven.)
De aan Steiner verwante theosofe Alice Ann Bailey, nog steeds in iedere esoterische boekhandel te vinden, zei nog in 1949 dat uit karmische noodzaak de moord op zes miljoen Joden 'een vuur van gerechtigheid' was. Is eenieder die dit denkt zich wel bewust van de kracht van deze gedachtengang? En neemt men dan ook de verantwoordelijkheid voor deze gedachten? Het gif van soortgelijke ideeën onder de nazi's heeft geleid tot kritiekloze acceptatie van massale gruwelijkheden.
Deze gruwelijkheden worden voor mij niet verzacht door de opmerking dat mensen toch allemaal wel weer zullen reïncarneren. Deze gedachtenconstructie waarin het lijden van de medemens wordt verklaard is zeer gevaarlijk. Ik maak me dan ook grote zorgen om de uitwerking van dit soort uitspraken.

(Tot zover Toos Jeurissen.)

Een jaar na de publikatie van haar boekje, op 5 februari 1997 schreef Jeurissen een lang artikel in De “Groene Amsterdammer” onder de titel: “Een Kruistocht”. Hierin kwam ze weer met het 'jodencitaat'. Tevens vroeg ze zich af hoe mensen hebben kunnen blijven toekijken bij de massamoord op joden en anderen. Via het Steiner-citaat dat ze bij Moerland had gevonden legde ze uit dat dat kan door je eigen gevoel te onderdrukken. Op maandag 10 februari 1997 was Jeurissen met enkele anderen te gast in het VPRO-programma "De Avonden" (programma-onderdeel Stenen des Aanstoots) op Radio 5.
Gesprekleidster
Sarah Verroen deed daarin de volgende uitspraak:

Dus er is sprake van rassenleer, er is sprake van racisme. Maar er is nog iets anders wat heel belangrijk in het gedachtengoed is: dat is de reïncarnatie en het geloof in karma, waar (Toos Jeurissen schrijft daar ook over) waar vervolgens de gedachte aan wordt verbonden dat lijden zinvol is, dus dat de uitroeiing van de Indianen, holocaust, goed voor de ziel zou zijn.”
In de artikelen die in het voorjaar van 1996 over de kritiek verschenen kwam de link met het nationaal-socialisme regelmatig terug. Zo werd Gjalt Zondergeld in Hervormd Nederland in het artikel “Persoonsverheerlijking is tijdbom onder antroposofische beweging” geciteerd:
“Juist die mix van links en rechts in de theorie, de aartsconservatieve opvattingen met een modern sausje, heeft eenzelfde uitwerking als het nationaal-socialisme in die tijd.


In het historisch tijdschrift Skript verscheen een artikel van
Jan Willem de Groot getiteld “Kosmisch racisme” waarin hij probeerde aan te tonen dat Steiner in een traditie stond die leidde tot het nationaal-socialisme. De joden zouden volgens de antroposofie een maanvolk zijn en dit denkbeeld zou onderdeel zijn van het negentiende-eeuwse antisemitisme dat uitmondde in het nationaal-socialisme. Aan het einde van zijn artikel schreef De Groot:

Het grote gevaar van een beschouwingswijze, waarin het individu met boven-persoonlijke krachten wordt verbonden, schuilt in de ontmenselijking. Mensen worden niet meer als unieke individuen waargenomen, maar als het verlengstuk van een of ander metafysisch principe. [...] Het is een zienswijze, waarin de ethiek geheel achter de -occulte- horizon verdwijnt; niet de mens telt, maar het principe.

Een andere persoon die aandacht aan de zaak schonk was
Yoeke Nagel, redactrice van Onkruid. Zij schreef in dat blad het artikel “Racisme op de Vrije School?” dat bestond uit een aaneenrijging van korte interviews met mensen die betrokken waren bij de commotie die in het voorjaar van 1996 was ontstaan. Ter illustratie plaatste zij zonder commentaar vier losse citaten tussen haar tekst met de handtekening van Steiner eronder. Het vierde losse citaat, het jodencitaat' dat ook door Jeurissen wordt gebruikt, luidde bij haar als volgt:

"
Dat het jodendom nog altijd een rol in de samenleving speelt is een wereldhistorische fout, waarvan de gevolgen niet kunnen uitblijven. Elke weldenkende jood zou toch moeten beseffen dat het Jodendom geen plaats meer kan hebben in de moderne samenleving." (Rudolf Steiner)

Tot zover een overzicht van de kritiek voor zover daarin de link met het nationaal-socialisme gemaakt is. Hieronder volgt een overzicht van wat de lezer in dit boek kan verwachten. In zijn algemeenheid zal worden aangetoond dat de argumentatie, waarmee de link gelegd wordt, niet deugt. Tevens zal worden uitgelegd hoe de verhouding van Steiner tegenover theorie en praktijk van het nationaal-socialisme wel was en hoe de nationaal-socialisten over Steiner dachten. Het doel van dit boek is dan ook tweeledig. Het wil ingaan op de aantijgingen zoals die in 1996 zijn geuit; aantijgingen die, naar verwacht mag worden, een vervolg zullen krijgen. Tevens wil het informatie geven die relevant is los van de huidige aantijgingen.

In hoofdstuk 1 zal ik gedeeltelijk ingaan op de link tussen Steiner en het nationaal-socialisme zoals die in de hierboven genoemde kritiek tot uitdrukking komt. Ik ga niet in op de hierboven geciteerde opmerking van Zondergeld, omdat deze veel te vaag is. Ook ga ik niet in op de argumentatie van De Groot, want zijn artikel biedt te weinig aanknopingspunten om concreet op in te gaan. Zijn artikel bevat namelijk geen enkel citaat van Steiner zelf (zelfs niet het ‘jodencitaat’). De Groot wekt de indruk dat hij niets van Steiner zelf heeft gelezen en dat zijn informatie enkel uit secundaire literatuur komt.

In hoofdstuk 2 zal ik ingaan op het veertiende hoofdstuk van de Filosofie van de Vrijheid, het filosofische basiswerk van Steiner. Dit boek wordt in de discussie tot nu toe volledig genegeerd, terwijl het essentiële informatie bevat. In dit veertiende hoofdstuk schrijft Steiner zeer duidelijk hoe hij over het thema 'individualiteit en soort' denkt. Ik ben van mening dat de door mij in dit hoofdstuk geciteerde tekst het belangrijkste Steiner-citaat is in de hele discussie.

In hoofdstuk 3 zal Steiners houding ten opzichte van het antisemitisme uitvoerig worden behandeld. Daar zal blijken dat de suggestie dat Steiner een antisemiet was, niet overeenkomt met de feiten.
In hoofdstuk 4 zal kort worden ingegaan op Steiners houding ten opzichte van twee andere elementen uit de ideologie van het nationaal-socialisme: het hakenkruis en het nationalisme.

In hoofdstuk 5 zullen twee citaten over Steiner worden gegeven van twee van de belangrijkste nazi-ideologen:
Adolf Hitler en Alfred Rosenberg. Daar zal duidelijk worden hoe men vanuit de nazi-hoek over Steiner dacht.

In hoofdstuk 6 zal in detail worden ingegaan op de gebeurtenissen rond de voordracht die Steiner op 15 mei 1922 in München hield. Dit om duidelijkheid te geven over deze gebeurtenissen en met name over de rol van de nationaal-socialisten hierbij.

In hoofdstuk 7 zal worden beschreven hoe Steiner reageerde toen hij van de Hitler-putsch van 9 november 1923 in München hoorde. Dit lijkt de enige keer te zijn dat hij zich direct over de nationaal-socialisten heeft uitgelaten.

In dit boek wordt Steiner verdedigd tegenover aantijgingen dat hij ideologisch verwant zou zijn aan het nationaal-socialisme. Onjuiste beweringen over de verhouding Steiner - nationaal-socialisme zullen daarbij worden gecorrigeerd. Het boek gaat dus niet over Steiner en racisme. Ook gaat het niet over de Vrije Scholen, noch worden andere antroposofen (en hun interpretaties van Steiners gedachtengoed) verdedigd.
Aangezien mijn kritiek op de critici voor een deel bestaat uit het feit dat ze niet goed citeren, heb ik ernaar gestreefd om zelf wel goed te citeren en steeds duidelijk aan te geven waar ik mijn informatie vandaan heb. Slechts informatie (zoals de historische) die via encyclopedieën en dergelijke makkelijk te vinden is, heb ik niet voorzien van een bronvermelding. Voor details uit het leven van Steiner heb ik vooral gebruik gemaakt van de Steiner-biografie van Veltman.
Het ligt in de aard van de zaak dat de meeste teksten over dit onderwerp Duitstalig zijn. Aangezien dit boek voor een Nederlandstalig publiek is geschreven, zijn alle Duitse teksten in het Nederlands vertaald. Alle vertalingen zijn van mijn hand. Terwille van de duidelijkheid zijn citaten schuin weergegeven.
Het aantal (Duitstalige) Steiner-biografiën en herinneringen van antroposofen is groot. Over Rudolf Steiner en het nationaal-socialisme is echter nog niet eerder een aparte publicatie verschenen. Wel besteedde
Arfst Wagner veel aandacht aan dit onderwerp in zijn artikel “Anthroposophen und Nationalsozialismus” . Speciale aandacht voor dit onderwerp is er ook in twee boeken van de Nederlandse antroposoof Jelle van der Meulen. In de twee boeken “De oproep van Bernard Lievegoed”en “Om gegronde redenen" beweert Van der Meulen dat er (in de jaren twintig) heftige aanvallen op de antroposofie waren en dat de nazi's zelf zover gingen dat ze een aanslag op Steiners leven pleegden:

"
Over dat laatste is vreemd genoeg weinig bekend, ook in antroposofische kringen.  Feit is echter dat niemand minder dan Adolf Hitler zelf al in 1921 in een artikel  Rudolf Steiner ervan beschuldigt de eigenlijke aanstichter te zijn van 'het joodse komplot' dat schuil zou gaan achter de buitenlandse politiek van het toenmalige
Duitsland. In 1920 vindt er in Hotel Pier Jahreszeiten in Miinchen een aanslag  plaats op het leven van Steiner en dat ook hier Adolf Hitler een persoonlijke rol  moet hebben gespeeld, blijkt uit twee feiten. De eerste is dat Hitler in die tijd werkte  vanuit datzelfde hotel, de tweede dat daags voor de aanslag in de VöIkische Beobachter, een krant waar Hitler als redacteur werkte, een oproep verscheen aan de inwoners van Munchen om Rudolf Steiner uit die stad te weren.
"
(Aldus Jelle van der Meulen)

Aangezien ook deze passage tot de categorie 'onjuiste beweringen' behoord, zal er op worden teruggekomen.

Geschreven door Walter Heijder, 1997
Hosted by www.Geocities.ws

1