| De ware gedaante van het sociale vraagstuk, afgelezen aan het leven van de tegenwoordige mensheid | ||||
| Hoofdstuk 1, De kernpunten van het sociale vraagstuk (1919) Rudolf Steiner Treedt niet uit de catastrofe van de wereldoorlog de moderne sociale beweging te voorschijn in feiten, die bewijzen hoe ontoereikend de gedachten waren waarmee men decennia lang het proletarische streven meende te begrijpen? Wat zich tegenwoordig, uit voorheen onderdrukte eisen van het proletariaat en in samenhang daarmee, naar de oppervlakte van het leven dringt, dwingt tot het stellen van deze vraag. De machten die deze onderdrukking hebben bewerkstelligd zijn ten dele vernietigd. De wijze waarop deze machten zich tegenover de sociale drijfveren van een groot deel van de mensheid hebben opgesteld, kan alleen diegene in stand willen houden, die er geen enkel besef van heeft hoe onverwoestbaar zulke impulsen van de menselijke natuur zijn. Verschillende vooraanstaande personen, die door hun positie in de gelegenheid waren met woord of raad remmend of bevorderend in te werken op die krachten in het Europese leven die in 1914 op de oorlogscatastrofe aanstuurden, hebben zich over deze sociale drijfveren aan de grootste illusies overgegeven. Zij meenden te kunnen geloven dat een gewapende overwinning van hun land de aanstormende sociale onrust tot bedaren zou brengen. Zulke personen moesten tot de ontdekking komen, dat juist door de gevolgen van hun opstelling de sociale impulsen pas volledig aan het licht traden. De huidige mensheidscatastrofe bleek zelfs bij uitstek het historische gebeuren te zijn, waardoor deze drijfveren hun volle stootkracht verkregen. De leidende personen en klassen moesten hun opstelling in de laatste noodlottige jaren steeds laten bepalen door wat in de socialistisch gezinde kringen van de mensheid leefde. Zij hadden dikwijls graag anders gehandeld, als zij aan de stemming van deze kringen voorbij hadden kunnen gaan. In de vorm die de gebeurtenissen tegenwoordig hebben aangenomen, leven de invloeden van deze stemming voort. En nu dit alles, wat gedurende tientallen jaren in de ontwikkeling van de mensheid is voorbereid en opgekomen, een beslissend stadium heeft bereikt, nu wordt tot tragisch noodlot dat tegen de groeiende feiten de gedachten niet opgewassen blijken, die tijdens de wording van deze feiten zijn ontstaan. Veel personen die hun gedachten aan deze wording hebben ontwikkeld, om datgene te dienen wat daarin als sociaal doel leeft, zijn tegenwoordig tot weinig of niets in staat als het gaat om beslissende vragen waarvoor de feiten ons stellen. Sommige van deze personen geloven niettemin nog dat wat zij al zo lang als noodzakelijk voor een nieuwe vormgeving van het maatschappelijk leven hebben beschouwd, zich zal verwerkelijken en dan machtig genoeg zal blijken om de aandrang van de feiten een levensvatbare richting te geven. - Men kan afzien van de meningen van hen, die ook nu nog in de waan verkeren dat het oude, tegen de nieuwe eisen van een groot deel van de mensheid in, gehandhaafd zou moeten blijven. Men kan zijn blik richten op het willen van diegenen, die van de noodzaak van nieuwe maatschappelijke vormen overtuigd zijn. Men kan toch niet anders dan erkennen: onder ons doen partijopvattingen de ronde met het karakter van gemummificeerde oordelen, die door de ontwikkeling van de feiten gelogenstraft worden. Deze feiten eisen beslissingen waarop de oordelen van de oude partijen niet zijn voorbereid. Zulke partijen hebben zich weliswaar met de feiten ontwikkeld, maar zij zijn in hun denkgewoonten bij die feiten ten achtergebleven. Hopelijk wordt het niet als onbescheidenheid gezien tegenover opvattingen die tegenwoordig nog als toonaangevend gelden, wanneer iemand meent het zojuist gestelde te kunnen aflezen aan het huidige verloop van het wereldgebeuren. Dit rechtvaardigt de conclusie, dat juist de tegenwoordige tijd ontvankelijk zou moeten zijn voor een poging datgene in het sociale leven van de moderne mensheid te kenschetsen, wat door zijn specifieke karakter ook van de denkgewoonten van sociaal geori�nteerde personen en partijrichtingen ver afstaat. Want het is maar al te goed mogelijk dat de tragiek die aan de dag treedt bij de pogingen het sociale vraagstuk op te lossen, haar oorsprong juist in een misverstaan van het ware streven van het proletariaat vindt. In een misverstaan zelfs van de zijde van diegenen die met hun opvattingen uit dit streven zijn voortgekomen. Want de mens vormt zich geenszins altijd een juist oordeel over zijn eigen willen. Het kan daarom gerechtvaardigd schijnen eens de vragen te stellen: wat wil de moderne proletarische beweging in werkelijkheid? Komt deze wil overeen met datgene wat gewoonlijk van proletarische of niet-proletarische zijde over deze wil wordt gedacht? Komt in hetgeen door velen over `het sociale vraagstuk' wordt gedacht de ware gedaante van dit vraagstuk tot uiting? Of is een geheel anders gericht denken nodig? Deze vragen zal men niet onbevangen kunnen benaderen, wanneer men niet door het lot in de gelegenheid is gesteld zich in het zieleleven van het moderne proletariaat in te leven - en wel van dat deel van het proletariaat, dat het grootste aandeel heeft in de vorm die de tegenwoordige sociale beweging heeft aangenomen. Men heeft veel gesproken over de ontwikkeling van de moderne techniek en het moderne kapitalisme. Men heeft de vraag gesteld, hoe binnen deze ontwikkeling het tegenwoordige proletariaat is ontstaan en hoe het door de ontplooiing van het moderne economische leven tot zijn eisen is gekomen. In al datgene wat men in deze richting naar voren heeft gebracht, ligt veel wat juist is. Maar dat daarmee toch een beslissende kwestie onaangeroerd blijft, kan degene opvallen die zich niet laat hypnotiseren door het oordeel: de uiterlijke omstandigheden bepalen het leven van de mens. Deze kwestie openbaart zich aan diegene die een open oog houdt voor de impulsen die vanuit de diepste diepten van het zieleleven werken. Zeker is dat de eisen van het proletariaat zich met het groeien van de moderne techniek en het moderne kapitalisme hebben ontwikkeld; maar het inzicht in dit feit zegt nog niets over wat eigenlijk in deze eisen als zuiver menselijke impulsen leeft. En zolang men niet doordringt in het leven van deze impulsen, kan men ook de ware gedaante van het sociale vraagstuk niet benaderen. Een woord dat dikwijls wordt uitgesproken in de wereld van de proletari�rs, kan een veelbetekenende indruk maken op degene die weet door te dringen in de dieper liggende drijfveren van de menselijke wil. Het luidt: de moderne proletari�r is `klassebewust' geworden. Hij volgt niet langer in zekere zin instinctief, onbewust de impulsen van de buiten hem bestaande klassen; hij weet zich lid van een aparte klasse en is erop uit de verhouding van zijn klasse tegenover de andere klassen in het openbare leven tot gelding te brengen, op een wijze die met zijn belangen overeenstemt. Wie in staat is onderstromen in het zieleleven op te merken, wordt door het woord 'klassebewust' in het verband waarin de moderne proletari�r het gebruikt, gewezen op zeer belangrijke feiten in de opvatting over het sociale leven van die arbeidende klassen die binnen de invloedssfeer van de moderne techniek en het moderne kapitalisme leven. Zo iemand moet er in de eerste plaats attent op worden dat wetenschappelijke opvattingen over het economische leven en hoe dit zich verhoudt tot het menselijk lot, de ziel van de proletari�r in vuur en vlam hebben gezet. Hiermee wordt een feit aangeroerd waarover velen die slechts over en niet met het proletariaat kunnen denken, alleen geheel vage en, met het oog op de ernstige gebeurtenissen van tegenwoordig, zelfs schadelijke oordelen hebben. Met de mening dat door het marxisme en zijn voortzetting door de proletarische schrijvers het hoofd van de �onontwikkelde' proletari�r op hol is gebracht en met andere uitspraken in deze trant die men dikwijls hoort, komt men niet tot het begrip van de historische wereldsituatie dat op dit gebied tegenwoordig noodzakelijk is. Want men toont, wanneer men een dergelijke mening uit, alleen maar dat iedere wil ontbreekt om aandacht te schenken aan iets wat essentieel is in de, tegenwoordige sociale beweging. En zoiets essentieels is het feit dat het proletarische klassenbewustzijn is vervuld van begrippen die aan de recente wetenschappelijke ontwikkeling hun karakter ontlenen. In dit bewustzijn werkt als stemming voort, wat in Lasalles rede over Die Wissenschaft und die Arbeiter leefde. Zulke zaken kunnen menigeen die zichzelf voor een �praktisch mens' houdt bijkomstig lijken. Wie echter een werkelijk vruchtbaar inzicht in de moderne arbeidersbeweging wil krijgen, moet zijn aandacht op zulke zaken richten. In hetgeen gematigde en radicale proletari�rs tegenwoordig eisen, leeft niet het in menselijke impulsen omgezette economische leven, zoals veel mensen zich dit voorstellen, maar leeft de economische wetenschap, waardoor het proletarische bewustzijn is gegrepen. In de wetenschappelijk gestelde en in de journalistieke, gepopulariseerde literatuur van de proletarische beweging komt dit zo duidelijk tot uiting. Het te ontkennen betekent dat men zijn ogen sluit voor de werkelijke feiten. En een fundamenteel feit dat doorslaggevend is voor de tegenwoordige sociale situatie, is dat de moderne proletari�r de inhoud van zijn klassenbewustzijn laat bepalen door begrippen met een wetenschappelijk karakter. Laat de mens die aan de machine werkt nog zo ver van �de wetenschap' afstaan; hij hoort de voorlichting over zijn situatie aan van mensen, die de middelen daartoe aan deze 'wetenschap' hebben ontleend. Alle uiteenzettingen over het hedendaagse economische leven, het machinetijdperk, het kapitalisme kunnen nog zo veel licht werpen op de feiten die aan de moderne proletarische beweging ten grondslag liggen: wat in de tegenwoordige sociale situatie werkelijk inzicht geeft, vloeit niet direct voort uit het feit dat de arbeider aan de machine is geplaatst en dat hij in de kapitalistische maatschappelijke orde is ingeschakeld. Het vloeit voort uit het andere feit, dat zich binnen zijn klassenbewustzijn, gegeven zijn plaats aan de machine en zijn afhankelijkheid van de kapitalistische economische orde, heel bepaalde gedachten hebben gevormd. Het zou kunnen zijn dat de denkgewoonten van tegenwoordig menigeen verhinderen de draagwijdte van deze feitelijke toestand geheel te beseffen en hem aanleiding geven, in de beklemtoning hiervan slechts een dialectisch begrippenspel te zien. Daartegen moet dan worden ingebracht: des te erger voor de vooruitzichten op een vruchtbare houding in het moderne sociale leven bij diegenen, die niet in staat zijn het essenti�le in te zien. Wie de proletarische beweging wil begrijpen moet v��r alles weten hoe de proletari�r denkt. Want de proletarische beweging - van haar gematigde hervormingsverlangens tot en met haar meest vernietigende uitwassen - wordt niet door �buitenmenselijke krachten', door �economische impulsen' gemaakt maar door mensen, door hun voorstellingen en wilsimpulsen. Niet in datgene wat de machine en het kapitalisme in het proletarische bewustzijn hebben ge�nt, liggen de bepalende idee�n en wilsimpulsen van de tegenwoordige sociale beweging. Deze beweging heeft haar gedichtenbron gezocht in de nieuwe wetenschappelijke ori�ntatie, omdat de machine en het kapitalisme de proletari�r niets konden geven wat zijn ziel met een menswaardige inhoud kon vullen. Een dergelijke inhoud kwam voor de middeleeuwse handwerksman uit zijn beroep voort. In de manier waarop deze handwerksman zich menselijk met zijn beroep verbonden voelde, lag iets wat het leven binnen de gehele menselijke samenleving voor zijn bewustzijn in een zinvol licht plaatste. Hij was in staat wat hij deed zo te beschouwen, dat hij daardoor als verwerkelijkt kon ervaren wat hij als `mens' wilde zijn. Door de machine en de kapitalistische orde was de mens op zichzelf, op zijn innerlijk aangewezen, wanneer hij naar een grondslag zocht waarop een het bewustzijn dragende opvatting kan worden gebouwd van wat men als mens is. Van de techniek, van het kapitalisme ging voor een dergelijke opvatting niets uit. Zo is het gekomen dat het proletarische bewustzijn de richting van de wetenschappelijk geaarde gedachte insloeg. Het, had de menselijke samenhang met het dagelijkse leven verloren. Dat gebeurde echter in de tijd waarin de leidende klassen van de mensheid een wetenschappelijke denkwijze nastreefden, die zelf niet meer de geestelijke stootkracht had om het menselijk bewustzijn overeenkomstig zijn behoeften alzijdig naar een bevredigende inhoud te leiden. De oude wereldbeschouwingen plaatsten de mens als zielewezen in een geestelijke samenhang van al het bestaande. Voor de moderne wetenschap verschijnt hij als natuurwezen binnen een uitsluitend natuurlijke ordening. Deze wetenschap wordt niet ervaren als iets wat vanuit de geestelijke wereld de menselijke ziel binnenstroomt en de mens als ziel draagt. Hoe men ook mag oordelen over de verhouding van de godsdienstige impulsen en alles wat daarmee samenhangt tot de wetenschappelijke denkwijze van de huidige tijd, men zal, wanneer men onbevangen de historische ontwikkeling beschouwt, moeten toegeven dat de wetenschappelijke wijze van voorstellen zich uit de godsdienstige heeft ontwikkeld. Maar de oude wereldbeschouwingen, die op godsdienstige ondergronden berustten, zijn niet in staat geweest hun ziel-dragende impuls aan de moderne wetenschappelijke voorstellingswijze door te geven. Zij plaatsten zich buiten die 1 voorstellingswijze en leefden voort met een bewustzijnsinhoud waartoe de zielen van het proletariaat geen toegang meer konden vinden. Voor de leidende klassen kon deze bewustzijnsinhoud nog iets waardevols zijn. Ze stond op de ene of de andere wijze in verband met hun levenssituatie. Deze klassen zochten niet naar een nieuwe bewustzijnsinhoud, omdat de overlevering door het leven zelf hen nog vast liet houden aan de oude. De moderne proletari�r werd losgescheurd uit alle oude levensverbanden. Hij is de mens wiens leven op een totaal nieuwe grondslag is gesteld. Voor hem was met het losraken uit de oude grondslagen van het leven tegelijk ook de mogelijkheid verdwenen uit de oude geestelijke bronnen te putten. Deze bevonden zich midden in die gebieden waarvan hij vervreemd was geraakt. Met de moderne techniek en het moderne kapitalisme ontwikkelde zich gelijktijdig - in die zin waarin men grote wereldhistorische stromingen gelijktijdig kan noemen -de moderne wetenschappelijke ori�ntatie. Hiertoe wendde zich het vertrouwen, het geloof van het moderne proletariaat. Hierin zocht het de nieuwe bewustzijnsinhoud die het nodig had. Maar het proletariaat was tot deze wetenschap in een andere verhouding geplaatst dan de leidende klassen. Deze voelden zich niet genoodzaakt de wetenschappelijke voorstellingswijze tot een ziel-dragende levensbeschouwing te maken. Hoezeer zij zich ook doordrongen met de `wetenschappelijke voorstellingswijze' dat er in de ordening van de natuur een directe oorzakelijke lijn loopt van de laagste dieren tot de mens; deze voorstellingswijze bleef toch theoretische overtuiging. De natuuronderzoeker Vogt en de schrijver van populairwetenschappelijke geschriften B�ichner4 waren zeer zeker van de natuurwetenschappelijke voorstellingswijze doordrongen, maar daarnaast werkte er in hun ziel iets wat hen deed vasthouden aan samenhangen in het leven, die slechts zinvol te rechtvaardigen zijn vanuit het geloof aan een geestelijke ordening van de wereld. Laat men zich toch onbevangen voorstellen, hoe anders de wetenschappelijke ori�ntatie werkt op iemand die met zijn eigen bestaan in een dergelijke samenhang is verankerd, dan op de proletari�r, wanneer zijn agitator' hem in de weinige avonduren die niet door arbeid in beslag worden genomen op de volgende wijze toespreekt: `De wetenschap heeft in onze tijd de mensen ervan genezen te geloven dat zij hun oorsprong in een geestelijke wereld hebben. Zij zijn tot het inzicht gebracht dat zij in de oertijd leefden als onfatsoenlijke, onbeschaafde boomklimmers, dat zij allen dezelfde zuiver natuurlijke oorsprong hebben.' Voor een wetenschappelijkheid die op zulke gedachten is geori�nteerd zag de proletari�r zich geplaatst, wanneer hij naar een ziele-inhoud zocht die hem moest laten beleven hoe hij als mens in de wereld staat. Hij nam deze wetenschappelijkheid onvoorwaardelijk ernstig op en trok er zijn consequenties voor het leven uit. Hem trof het technische en kapitalistische tijdperk anders dan iemand die tot de leidende klassen behoorde. De laatste was opgenomen in een sociale orde die nog was voortgebracht door ziel-dragende impulsen. Hij had er alle belang bij, de verworvenheden van de moderne tijd in het raam van deze orde in te passen. De proletari�r was uit de bestaande orde innerlijk losgescheurd. Deze kon hem geen gevoel geven waardoor zijn leven met een menswaardige inhoud werd doorlicht. Beleven wat men als mens is, kon de proletari�r door het enige wat nog met geloof opwekkende kracht leek te zijn voortgekomen uit de oude verhoudingen: de wetenschappelijke denkwijze. Sommige lezers van deze uiteenzetting kunnen waarschijnlijk een glimlach niet onderdrukken, wanneer op de 'wetenschappelijkheid' van de proletarische voorstellingswijze wordt gewezen. Wie bij `wetenschappelijkheid' alleen kan denken aan wat men zich door vele jaren van zitten in `opleidingsinstituten' verwerft en wie dan deze 'wetenschappelijkheid' tegenover de bewustzijnsinhoud van de proletari�r stelt die `niets geleerd' heeft, die mag glimlachen. Hij gaat glimlachend aan cruciale feiten van het tegenwoordige leven voorbij. En die feiten laten zien dat menig hooggeleerd mens onwetenschappelijk leeft, terwijl de niet-gestudeerde proletari�r zijn levensinstelling op een wetenschap afstemt die hij misschien in het geheel niet bezit. De ontwikkelde mens heeft de wetenschap opgenomen en deze in een vakje van zijn ziel opgeborgen. Maar de levensverbanden waarin hij staat en waaraan hij zijn gevoelens ori�nteert, worden niet door deze wetenschap bepaald. De proletari�r is er door zijn levensomstandigheden toe gebracht zijn bestaan zo op te vatten, als uit de gezindheid van die wetenschap volgt. Wat de andere klassen `wetenschappelijkheid' noemen staat misschien ver van hem af, maar de voorstellingsrichting van deze wetenschap is de leidraad van zijn leven. Voor de andere klassen is een godsdienstige, een esthetische, een algemeen geestelijke grondslag bepalend; voor de proletari�r wordt de `wetenschap', zij het dikwijls in haar laatste gedachten-uitlopers, tot levensgeloof. Menig lid van de `leidende' klassen voelt zich `verlicht', of `vrijdenker'. Zeker, in zijn voorstellingen leeft de wetenschappelijke overtuiging, door zijn gevoelens stromen echter ongemerkt de resten van een overgeleverd levensgeloof. Wat de wetenschappelijke denkwijze niet uit de oude maatschappelijke orde heeft overgenomen, is het bewustzijn dat zij als geestelijk verschijnsel haar wortels heeft in een geestelijke wereld. Over dit karakter van de moderne wetenschap kon een lid van de leidende klassen zich heenzetten. Want voor hem is het leven nog van oude tradities vervuld. De proletari�r kon dat niet. Want zijn nieuwe levenssituatie verdreefde oude tradities uit zijn ziel. Hij nam de wetenschappelijke voorstellingswijze van de leidende klassen als erfgoed over. Dit erfgoed werd de grondslag van zijn bewustzijn van het wezen van de mens. Maar deze `geestesinhoud' in zijn ziel wist niets van zijn oorsprong in een werkelijk geestelijk leven. Het enige wat de proletari�r als geestelijk leven van de heersende klassen kon overnemen, verloochende zijn oorsprong uit de geest. Het is mij niet onbekend hoe deze gedachten niet-proletari�rs en ook proletari�rs zullen raken, die menen `praktisch' met het leven vertrouwd te zijn en die vanuit die mening hetgeen hier wordt gezegd voor een wereldvreemde zienswijze houden. De feiten die uit de huidige wereldsituatie spreken, zullen steeds duidelijker aantonen dat hun mening een waandenkbeeld is. Wie een onbevangen oog heeft voor die feiten, moet zich ervan kunnen overtuigen, dat voor een levensopvatting die alleen op de uiterlijke gedaante van deze feiten afgaat uiteindelijk nog slechts voorstellingen toegankelijk zijn die niets meer met de feiten te maken hebben. De heersende gedachten hebben zich zo lang `praktisch' aan de feiten gehouden, dat deze gedachten nu met de feiten geen gelijkenis meer hebben. In dit opzicht zou de tegenwoordige wereldcatastrofe voor velen een leermeester kunnen zijn. Immers: wat hebben zij gedacht dat gebeuren zou? En wat is er gebeurd? Moet het zo ook gaan met het sociale denken? In gedachten hoor ik ook de tegenwerping die degene di een proletarische levensopvatting aanhangt vanuit zijn zielsgesteldheid maakt: alweer iemand die de eigenlijke kern van het sociale vraagstuk op een zijspoor wil rangeren dat de burgerlijk gezinden wel zal aanspreken. Zo iemand doorziet niet dat hem door het lot een leven als proletari�r is gewezen, en dat hij zich binnen dit leven tracht te bewegen met behulp van een denkwijze die hem van de kant van de `heersende' klassen als erfgoed is vermaakt. Hij leeft proletarisch, maar hij denkt burgerlijk. De nieuwe tijd maakt het niet alleen noodzakelijk dat wij de weg vinden naar een nieuw leven, maar ook naar nieuwe gedachten. De wetenschappelijke voorstellingswijze kan pas dan tot een dragende inhoud voor het leven worden, wanneer zij op haar wijze voor de vorming van een omvattend menselijke levensinhoud eenzelfde stootkracht ontwikkelt, als de oude levensopvattingen dat op hun manier hebben gedaan. Daarmee is de weg gekenschetst, die tot het vinden van de ware gedaante van een van de geledingen leidt binnen de huidige proletarische beweging. Aan het einde van deze weg wordt als overtuiging hoorbaar in de ziel van de proletari�r: ik streef naar een geestelijk leven. Maar dit geestelijk leven is ideologie, is slechts wat zich in de mens afspiegelt van de uiterlijke gebeurtenissen in de wereld en ontspringt niet uit een op zichzelf staande geestelijke wereld. Wat bij de overgang naar de nieuwe tijd van het oude geestesleven is geworden, beleeft de proletarische levensopvatting als ideologie. Wie de stemming in de ziel van de proletari�r, welke zich uitdrukt in de sociale eisen van deze tijd, wil begrijpen, moet in staat zijn in te zien, wat de opvatting dat het geestelijk leven ideologie is teweeg kan brengen. Men kan daartegen inbrengen: wat weet de doorsnee-proletari�r van deze opvatting, die in het verwarde brein van min of meer geschoolde leiders rondspookt? Wie zo spreekt, praat langs het leven heen, en hij handelt ook langs het werkelijke leven heen. Hij beseft niet wat er de laatste tientallen jaren in het leven van de proletari�r is gebeurd, hij beseft niet welke draden er lopen van de opvatting dat het geestelijk leven ideologie is, naar de eisen en daden van de door hem slechts als `onwetend' beschouwde radicale socialisten en ook naar de handelingen van diegenen die vanuit onbestemde levensimpulsen `revolutie maken'. Daarin ligt de tragiek die zich uitbreidt over de benadering van de huidige sociale eisen, dat men in veel kringen geen gevoel heeft voor wat zich uit de zielestemming van de brede massa naar de oppervlakte dringt, dat men er niet in slaagt zijn blik te richten op wat zich in de gemoederen van de mensen warkerk afspeelt. De niet-proletari�r luistert van angst vervuld naar de eisen van de proletari�r en verneemt: Alleen door vermaatschappelijking van de productiemiddelen kan voor mij een menswaardig bestaan worden bereikt. Maar hij kan er zich geen voorstelling van maken, dat zijn klasse bij de overgang van een oude naar de nieuwe tijd de proletari�r niet alleen heeft opgeroepen tot arbeid aan productiemiddelen die hem niet toebehoren, maar dat zijn klasse ook niet in staat is geweest hem bij die arbeid een dragende ziele-inhoud te geven. Mensen die op de boven aangeduide wijze langs het leven heen kijken en handelen, kunnen zeggen: Maar de proletari�r wil toch enkel in een levenssituatie komen die gelijk is aan die van de heersende klassen; waar speelt dan het zoeken naar een ziele-inhoud een rol? Ook de proletari�r zelfkan wel beweren: Ik verlang niets voor mijn ziel van de andere klassen - ik wil dat zij mij niet langer kunnen uitbuiten; ik wil dat er aan de nu bestaande verschillen tussen de klassen een einde komt. Toch raken zulke uitspraken het wezen van het sociale vraagstuk niet. Ze onthullen niets van de ware gedaante van dit vraagstuk. Want een ander bewustzijn in de zielen van de arbeidende bevolking, een bewustzijn dat van de heersende klassen een waarachtig geestelijke inhoud zou hebben ge�rfd, zou de sociale eisen op geheel andere wijze naar voren brengen dan het proletariaat dit doet, dat in het aangereikte geestesleven niet meer dan een ideologie kan zien. Dit proletariaat is overtuigd van het ideologische karakter van het geestesleven; maar het wordt door deze overtuiging steeds ongelukkiger. En de gevolgen van deze zielenood, die het zelf niet bewust onderkent maar waaronder het intens lijdt, zijn van veel grotere betekenis voor de sociale situatie van tegenwoordig, dan alles wat alleen de, als zodanig ook gerechtvaardigde, eis tot verbetering van de uiterlijke levenssituatie betreft. De heersende klassen beseffen niet dat zij de aanstichters zijn van die levenshouding, die hen thans in het proletariaat strijdvaardig tegemoet treedt. En toch zijn zij deze aanstichters geworden, doordat zij van hun geestelijk leven aan het proletariaat alleen iets hebben kunnen nalaten wat door dit proletariaat wel als ideologie moet worden beleefd. Wat de tegenwoordige sociale beweging haar eigenlijke karakter geeft, is niet dat verandering van de levensomstandigheden van een klasse wordt ge�ist, hoewel dat voor de hand lijkt te liggen, maar de wijze waarop die eis tot verandering uit de gedachtenimpulsen van deze klasse in werkelijkheid wordt omgezet. Laat men toch eens vanuit dit gezichtspunt onbevangen naar de feiten kijken. Dan zal men zien, hoe personen die hun denken naar de proletarische impulsen willen richten meewarig lachen, wanneer ter sprake komt dat men door deze ofgene poging op geestelijk gebied iets tot de oplossing van het sociale vraagstuk zou willen bijdragen. Zij lachen dat weg als ideologie, als een dode theorie. Vanuit gedachten, enkel vanuit het geestesleven, zo menen zij, zal zeker niets kunnen worden bijgedragen tot een oplossing van de brandende sociale vragen van deze tijd. Maar wanneer men nauwkeuriger kijkt, dan dringt zich op hoezeer de eigenlijke kern, de eigenlijke grondimpuls nu juist van de moderne proletarische beweging niet ligt in datgene waarover de huidige proletari�r spreekt, maar in gedachten. De moderne proletarische beweging is, als wellicht nog geen dergelijke beweging in de wereld - wanneer men haar nauwkeuriger beziet blijkt dit op treffende wijze - een beweging die uit gedachten is ontsprongen. Dit breng ik niet te berde als een al nadenkend over de sociale beweging verkregen ingeving. Indien het mij is toegestaan een persoonlijke opmerking in te lassen, is dat de volgende. Ik heb jarenlang aan een vormingsschool voor arbeiders onderwijs gegeven in de meest verschillende vakken.' Ik meen daarbij te hebben leren kennen wat in de ziel van de huidige proletarische arbeider omgaat. Van deze ervaringen uitgaande heb ik ook kunnen volgen wat in de vakbonden van de verschillende beroepsgroepen gaande is. Ik bedoel dat ik niet uitsluitend spreek vanuit het gezichtspunt van theoretische overweging, maar dat ik uitspreek wat ik mij moeizaam uit werkelijke levenservaring meen te hebben eigen gemaakt. Wie de moderne arbeidersbeweging daar heeft leren kennen waar zij door arbeiders wordt gedragen - wat bij de leidende intellectuelen helaas zo weinig het geval is - weet welk een veelbetekenend verschijnsel dit is, dat een bepaalde gedichtenrichting de zielen van een groot aantal mensen op de meest intense wijze in haar ban heeft. Wat het tegenwoordig moeilijk maakt tot de sociale raadsels stelling te nemen, is dat een zo geringe mogelijkheid tot wederzijds begrip onder de klassen bestaat. De burgerlijke klassen kunnen zich tegenwoordig zo moeilijk verplaatsen in de ziel van de proletari�r, kunnen zo moeilijk begrijpen hoe in de nog ongebruikte intelligentie van het proletariaat een voorstellingswijze ingang kon vinden als die van Karl Marx, een voorstellingswijze die, hoe men ook tegenover de inhoud ervan mag staan, de hoogste eisen stelt aan het menselijk denken. Zeker, het gedichtenstelsel van Karl Marx kan door de ��n aangenomen en door de ander weerlegd worden, het ene wellicht op even goede gronden als het andere; het kon worden gereviseerd door degenen die, na de dood van Karl Marx en zijn vriend Engels, het sociale leven vanuit andere gezichtspunten beschouwden dan deze leidende figuren. Van de inhoud van dit stelsel wil ik in het geheel niet spreken. Dat lijkt mij niet het belangrijkste kenmerk van de moderne proletarische beweging. Het belangrijkste lijkt mij dat het feit zich voordoet, dat binnen de arbeiderswereld als machtigste impuls een gedichtensysteem werkt. Men kan de zaak zelfs op de volgende wijze verwoorden: een praktische beweging, een beweging met eisen die op het meest alledaagse leven van de mensheid betrekking hebben, berustte nog nooit zo bijna uitsluitend op een pure gedichtengrondslag als deze moderne proletarische beweging. Zij is in zekere zin zelfs de eerste dergelijke beweging in de wereld, die zich zuiver op een wetenschappelijke grondslag heeft geplaatst. Dit feit moet echter in het juiste licht worden gezien. Wanneer men alles beziet wat de proletari�r bewust over zijn eigen denken, willen en beleven heeft te zeggen, dan schijnt bij indringende observatie van het leven datgene wat hij programmatisch uitspreekt geenszins het belangrijkste te zijn. Als werkelijk belangrijk moet echter naar voren komen dat in de beleving van de proletari�r iets beslissend is geworden voor zijn hele mens-zijn, wat bij de andere klassen slechts in een deel van hun zieleleven is verankerd: de gedachtengrondslag van zijn levensinstelling. Wat in de proletari�r op deze wijze innerlijke werkelijkheid is, dat kan hij niet bewust erkennen. Hij wordt hiervan afgehouden doordat het gedachtenleven hem als ideologie is overgeleverd. Hij bouwt in werkelijkheid zijn leven op gedachten; hij beleeft deze echter als onwerkelijke ideologie. Op geen andere wijze kan men de proletarische levensopvatting en de wijze waarop zij door de daden van haar dragers wordt verwerkelijkt begrijpen, dan doordat men dit feit in zijn volle draagwijdte binnen de moderne ontwikkeling van de mensheid doorziet. Uit de manier waarop in het voorafgaande het geestelijk leven van de moderne proletari�r is geschilderd, kan men inzien dat in de weergave van de ware gedaante van de proletarische sociale beweging de karakterisering van dit geestesleven op de eerste plaats moet komen. Want het is een essentieel gegeven dat de proletari�r de oorzaken van zijn onbevredigende sociale situatie z� beleeft en naar de opheffing hiervan op z�'n wijze streeft dat beleving en streven hun richting krijgen vanuit dit geestesleven. En toch kan hij tegenwoordig nog niet anders dan spottend of ge�rgerd de mening afwijzen, dat in deze geestelijke ondergrond van de sociale beweging iets ligt wat een belangrijke drijvende kracht vormt. Hoe zou hij moeten inzien dat het geestesleven een hem voortstuwende macht heeft, aangezien hij het als ideologie moet beleven? Van een geestesleven dat zo wordt beleefd, kan men niet verwachten dat het een uitweg vindt uit een sociale situatie die hij niet langer wil verdragen. Door zijn wetenschappelijk geori�nteerde denkwijze zijn voor de moderne proletari�r niet alleen de wetenschap zelf, maar ook kunst, godsdienst, moraal en recht tot bestanddelen van de menselijke ideologie geworden. Hij ziet in hetgeen in deze takken van het geestesleven omgaat, niets van een in zijn bestaan doordringende werkelijkheid, die iets aan het materi�le leven kan toevoegen. Voor hem zijn zij niets dan een weerschijn of spiegelbeeld van dit materi�le leven. Al mag het zo zijn dat zij, eenmaal ontstaan, langs de omweg van de menselijke voorstelling of door hun opname in de wilsimpulsen weer vormend terugwerken op het materi�le leven: oorspronkelijk zijn ze als ideologische voortbrengsels uit dit leven opgestegen. Niet zij kunnen uit zichzelf iets opleveren wat tot opheffing van de sociale problemen bijdraagt. Alleen binnen de materi�le feiten zelf kan iets ontstaan wat tot enig doel leidt. Het tegenwoordige geestesleven is van de leidende klassen van de mensheid overgegaan op de proletarische bevolking in een vorm waardoor zijn kracht voor het bewustzijn van deze bevolkingsgroep is uitgeschakeld. Wanneer aan de krachten wordt gedacht die het sociale vraagstuk tot een oplossing kunnen brengen, dan moet dit in de allereerste plaats worden begrepen. Zou deze toestand blijven heersen, dan zou het geestesleven van de mensheid zich tot machteloosheid veroordeeld zien tegenover de sociale eisen van de tegenwoordige tijd en de toekomst. Van het geloof aan deze machteloosheid is inderdaad een groot deel van het moderne proletariaat overtuigd; en deze overtuiging wordt in marxistische of gelijksoortige stellingnamen tot uitdrukking gebracht. Men zegt dan dat het moderne economische leven vanuit zijn oudere vormen de kapitalistische van tegenwoordig heeft ontwikkeld. Deze ontwikkeling heeft het proletariaat in een onverdraaglijke positie tegenover het kapitaal gebracht. De ontwikkeling zal verder gaan, zegt men; zij zal het kapitalisme door middel van de krachten die in dat kapitalisme zelf werken doden, en uit de dood van het kapitalisme zal dan de bevrijding van het proletariaat voortkomen. Deze overtuiging is door latere socialistische denkers ontdaan van het fatalistische karakter dat ze in een bepaalde kring van marxisten had aangenomen. Maar de essentie is nog steeds onveranderd. Dat komt hierin tot uitdrukking, dat het bij degene die tegenwoordig echt socialistisch wil denken, niet zal opkomen te zeggen: wanneer ergens een zieleleven zichtbaar wordt dat de mensen draagt, dat geput is uit de impulsen van deze tijd en dat zijn wortels heeft in een geestelijke werkelijkheid, dan zal daarvan de kracht kunnen uitstralen die ook de sociale beweging de juiste impuls geeft. Dat de tot een proletarische levenswijze gedwongen mens van tegenwoordig tegenover het geestesleven van deze tijd een dergelijke verwachting niet kan koesteren, bepaalt de grondstemming van zijn ziel. Hij heeft behoefte aan een geestesleven, waarvan de kracht uitgaat die zijn ziel de beleving van zijn menselijke waardigheid verleent. Want toen hij in de kapitalistische economische orde van de moderne tijd werd ingeschakeld, raakte hij met de diepste behoeften van zijn ziel op een dergelijk geestesleven aangewezen. Maar dat geestesleven, dat de leidende klassen hem als ideologie overleverden, holde zijn ziel uit. Dat in de eisen van de moderne proletari�r het verlangen werkzaam is naar een andere samenhang met het geestesleven dan de huidige maatschappelijke orde hem kan geven, daarin ligt de richtinggevende kracht voor de tegenwoordige sociale beweging. Maar dit feit wordt noch door het niet-proletarische, noch door het proletarische deel van de mensheid werkelijk begrepen. Want het niet-proletarische deel lijdt niet onder het ideologische karakter van het moderne geestesleven, dat het zelf heeft bewerkstelligd. Het proletarische deel lijdt eronder. Maar dit ideologische karakter van het geestesleven dat zijn erfdeel is geworden, heeft het proletariaat beroofd van het geloof aan de dragende kracht van het geestesgoed als zodanig. Van het juiste inzicht in dit feit hangt het af, of er een weg wordt gevonden die uit de verwarring van de huidige sociale situatie van de mensheid kan leiden. Door de maatschappelijke orde die onder invloed van de heersende klassen bij het opkomen van de moderne economische orde is ontstaan, is de toegang tot een dergelijke weg afgesloten. Men zal de kracht moeten vinden om deze te openen. Men zal op dit gebied volledig anders leren denken dan men tegenwoordig denkt, wanneer men het gewicht werkelijk leert beleven van het feit dat een menselijke samenleving waarin het geestesleven als ideologie werkt, een van de krachten ontbeert die het sociale organisme levensvatbaar maken. Het huidige lijdt aan de onmacht van het geestesleven. En deze ziekte wordt verergerd door de tegenzin het bestaan ervan te erkennen. Door de erkenning van dit feit zal men een grondslag vinden, waarop zich een denken kan ontwikkelen dat aan de sociale beweging recht doet. Tegenwoordig meent de proletari�r een essenti�le kracht van zijn ziel te raken, wanneer hij van zijn klassebewustzijn spreekt. Maar de waarheid is dat hij, sinds hij is ingeschakeld in de kapitalistische economische orde, naar een geestesleven zoekt dat zijn ziel kan dragen, dat hem het bewustzijn van zijn waardigheid als mens geeft; en dat het als ideologisch beleefde geestesleven hem dit niet kan geven. Naar dit bewustzijn zocht hij, en hij heeft wat hij niet kon vinden, door het uit het economische leven geboren klassebewustzijn vervangen. Zijn blik is als het ware door een machtige suggestieve kracht alleen op het economische leven gericht. En nu gelooft hij niet meer dat ergens anders, in een geestelijk of zielegebied, nog een impuls zou kunnen liggen tot hetgeen noodzakelijk zou moeten gebeuren op het gebied van de sociale beweging. Hij gelooft uitsluitend dat door de ontwikkeling van het geestloze, zielloze economische leven die toestand die hij als menswaardig beleeft, kan worden teweeggebracht. Zo werd hij er toe gedreven zijn heil alleen in een omvorming van het economische leven te zoeken. Hij werd tot de mening gebracht dat louter door omvorming van het economische leven alle schade zou verdwijnen die wordt veroorzaakt door de particuliere onderneming, door het egoisme van de individuele werkgever en door de onmogelijkheid voor deze individuele werkgever om recht te doen aan de aanspraken op menselijke waardigheid die in de werknemer leven. Zo kwam de moderne proletari�r ertoe het enige heil voor het sociale organisme te zien in de omzetting van alle particuliere bezit aan productiemiddelen in gemeenschappelijk bedrijf of zelfs gemeenschappelijk eigendom. Een dergelijke mening is ontstaan, doordat men zijn blik in zekere zin heeft afgewend van alles wat met ziel en geest te maken heeft en alleen op het zuiver economische proces heeft gericht. Hieruit is al het tegenstrijdige ontstaan dat in de moderne proletarische beweging ligt. De moderne proletari�r gelooft dat zich uit de economie, uit het economische leven zelf alles moet ontwikkelen wat hem uiteindelijk zijn volle recht als mens zal geven. Voor dit volle mensenrecht strijdt hij. Maar in zijn streven treedt iets op wat nu juist nooit als gevolg van het economische leven alleen kan optreden. Het is een veelbetekenend feit, een feit dat een indringende taal spreekt, dat juist in het middelpunt van het sociale vraagstuk, in de verschillende gedaanten die dit vanuit de levensvereisten van de tegenwoordige mensheid heeft aangenomen, iets ligt, waarvan men meent dat het uit het economische leven zelf voortkomt, dat echter nooit alleen daaruit kan zijn ontsprongen, maar dat veeleer tot de rechte ontwikkelingslijn behoort die langs de slavernij van de oudheid en de lijfeigenschap van de middeleeuwen naar het moderne proletariaat leidt. Wat voor vorm de goederencirculatie, de geldcirculatie, het kapitaalwezen, het bezit, het grondeigendom enzovoort, ook in het moderne leven hebben aangenomen, binnen dit moderne leven is iets uitgekristalliseerd dat niet duidelijk wordt uitgesproken en ook door de huidige proletari�r niet bewust wordt ervaren, dat echter de eigenlijke grondimpuls van zijn sociale streven vormt. Het is dit: de moderne kapitalistische economie kent in de grond van de zaak slechts waren binnen haar gebied. Zij kent waardebepaling van deze waren binnen het economische organisme. En binnen dit kapitalistische organisme van onze tijd is iets tot een waar geworden waarvan thans de proletari�r voelt: het mag geen waar zijn. Wanneer men eenmaal zal inzien hoe sterk, als een van de fundamentele impulsen van de hele moderne proletarische beweging, in de instincten, in de onderbewuste beleving van de hedendaagse proletari�r een afschuw leeft van het feit dat hij zijn arbeidskracht aan de werkgever moet verkopen zoals men op een markt waren verkoopt, afschuw van het feit dat op de arbeidsmarkt zijn arbeidskracht volgens vraag en aanbod haar rol speelt zoals een waar op de markt, wanneer men zal ontdekken welke betekenis deze afschuw van arbeidskracht al waar in de moderne sociale beweging heeft, wanneer men geheel onbevangen onder ogen zal zien dat hetgeen zich daar afspeelt ook niet indringend en radicaal genoeg door de verschillende socialistische theorie�n wordt uitgesproken, dan zal men bij de eerste impuls, het als ideologie beleefde geestesleven, de tweede hebben gevonden, waarvan moet worden gezegd dat deze het sociale vraagstuk tegenwoordig tot een dringende, zelfs brandende kwestie maakt. In de oudheid kende men slaven. De gehele mens werd als waar verkocht. Iets minder van de mens, maar toch een deel van het menselijk wezen zelf, werd door de lijfeigenschap tot onderdeel van het economische proces gemaakt. Het kapitalisme is de macht geworden die nog een rest van het menselijk wezen het stempel van een waar opdrukt: de arbeidskracht. Ik wil hier niet zeggen dat men dit feit niet heeft opgemerkt. Integendeel, het wordt in het sociale leven van tegenwoordig als een fundamenteel feit ervaren. Het wordt als iets gevoeld dat een belangrijke rol speelt in de moderne sociale beweging. Maar men heeft, wanneer men zijn aandacht op dit feit richt, alleen oog voor het economische leven. Men maakt het vraagstuk van het warenkarakter tot een zuiver economisch vraagstuk. Men gelooft dat uit het economische leven zelf de krachten moeten komen, die een toestand teweegbrengen waardoor de proletari�r de opname van zijn arbeidskracht in het sociale organisme niet langer als hem onwaardig beleeft. Men ziet hoe de moderne economische orde in de recente historische ontwikkeling van de mensheid is opgekomen. Men ziet ook dat deze economie de menselijke arbeidskracht het karakter van een waar heeft gegeven. Maar men ziet niet, hoe het in het economische leven zelf ligt besloten dat alles wat daarvan deel uitmaakt tot waar moet worden. Uit het produceren en het doelmatig verbruiken van waren bestaat het economische leven. Men kan de menselijke arbeidskracht niet van haar warenkarakter ontdoen, wanneer men niet de mogelijkheid vindt haar uit het economische proces los te scheuren. Het streven kan er niet op gericht zijn het economische proces zo om te vormen, dat daarbinnen de menselijke arbeidskracht tot haar recht komt, maar veeleer hierop: hoe haalt men deze arbeidskracht uit het economische proces, om haar door sociale krachten te laten bepalen die haar het karakter van een waar ontnemen? De proletari�r verlangt naar een toestand van het economische leven, waarin zijn arbeidskracht de plaats krijgt die haar toekomt. Hij verlangt daarnaar, omdat hij niet inziet dat het warenkarakter van zijn arbeidskracht in wezen een gevolg is van zijn volledig ingeschakeld-zijn in het economische proces. Doordat hij zijn arbeidskracht aan dit proces moet uitleveren, gaat hij er met zijn hele wezen in op. Het economische proces streeft er door zijn eigen karakter naar de arbeidskracht op de meest doelmatige wijze te verbruiken evenals binnen dit proces waren worden verbruikt, zolang men de regulering van de arbeidskracht aan dat proces overlaat. Als gehypnotiseerd door de macht van het huidige economische leven, richt men zijn blik alleen op datgene wat daarbinnen werkzaam kan zijn. Men zal door deze blikrichting nooit ontdekken, hoe de arbeidskracht niet langer een waar hoeft te zijn. Want een andere economische vorm zal deze arbeidskracht slechts op een andere wijze tot waar maken. Het arbeidsvraagstuk kan men niet in zijn ware gedaante als een deel van het sociale vraagstuk leren kennen, zolang men niet inziet dat in het economische leven warenproduktie, warenruil en warenconsumptie volgens wetmatigheden verlopen, die worden bepaald door belangen waarvan het machtsgebied niet over de menselijke arbeidskracht mag worden uitgebreid. Het moderne denken heeft niet geleerd onderscheid te maken tussen de totaal verschillende wijzen, waarop zich enerzijds datgene in het economische leven invoegt wat als arbeidskracht aan de mensen is gebonden, en anderzijds datgene wat, door zijn oorsprong, los van de mensen die banen volgt die de waar moet gaan van haar productie tot haar verbruik. Zodra door een gezonde denkwijze in deze richting enerzijds de ware gedaante van het arbeidsvraagstuk zichtbaar zal worden, zal anderzijds door deze denkwijze ook duidelijk worden welke plaats het economische leven in het gezonde sociale organisme moet innemen. Hieruit is al op te maken dat het `sociale vraagstuk' uit drie afzonderlijke vraagstukken is samengesteld. Door het eerste zal op de gezonde gedaante van het geestesleven in het sociale organisme moeten worden gewezen; door het tweede zal moeten worden bezien hoe de arbeidsverhouding op de juiste wijze in het gemeenschapsleven dient te zijn opgenomen; en als derde zal kunnen blijken hoe het economische leven in dit leven moet werken. Uit: De kernpunten van het sociale vraagstuk Geschreven door: Rudolf Steiner Vertaald door: Mouringh Boeke |
||||